Default View
Dual Language

HOOFDSTUK 16

Verschillende vormen van liefde voor Kṛṣṇa

De ouderlijke liefdesrelatie

De ouderlijke liefdesrelatie
Bij sommige inwoners van Vṛndāvana, zoals Nanda Mahārāja en moeder Yaśodā, vindt men de ideale bovenzinnelijke gemoedsgesteldheid van ouderlijke liefde voor Krsņa, de oorspronkelijke Godspersoon. Natuurlijk kan niemand Kṛṣṇa’s vader of moeder worden, maar dat neemt niet weg dat er toegewijden zijn die met bovenzinnelijke gevoelens van ouderschap begiftigd zijn en dat wordt dan een ouderlijke liefdesrelatie met Kṛṣṇa genoemd. De Vrșņi's (Kṛṣṇa's familie in Dvārakā) kenden deze gevoelens ook. Dus men vindt spontane liefde voor Kṛṣṇa in de ouderlijke relatie zowel onder de inwoners van Dvārakā, die tot het geslacht Vrșņi behoren, als onder de inwoners van Vṛndāvana.
De spontane liefde tot Kṛṣṇa die men zowel bij de Vrșņi's als bij de inwoners van Vṛndāvana  aantreft, is eeuwigdurend. Op het níveau van toegewijde dienst waarbij men zich aan de regulerende beginselen houdt is het niet nodig dat men deze liefde bespreekt, want ze moet zich eerst nog in een verder gevorderd stadium ontwikkelen.

Geschiktheid voor spontane toegewijde dienst

Mensen die het voorbeeld van eeuwige toegewijden van de Heer als de Vrșņi's en de inwoners van Vṛndāvana willen volgen worden rāgānuga-toegewijden genoemd, hetgeen betekent dat ze zich de volmaaktheid, door die toegewijden bereikt, proberen eigen te maken. Deze rāgānugā-toegewijden houden zich niet bijzonder strikt aan de regulerende bepalingen van de toegewijde dienst, maar door hun spontane instelling raken ze gehecht aan enkele eeuwige toegewijden, zoals Nanda en Yaśodā, en trachten spontaan hun voorbeeld te volgen. Men ziet bij hen geleidelijk steeds meer de drang tot ontwikkeling komen om als een bepaalde toegewijde te worden, en dit verschijnsel wordt rāgānugā genoemd.
We dienen altijd te bedenken dat het verlangen om bepaalde in-woners van Vraja (Vṛndāvana) te volgen zich niet kan voordoen wanneer men nog niet van stoffelijke smetten vrij is. Wanneer men zich aan de regulerende beginselen van de toegewijde dienst houdt, bereikt men een fase die anartha-nivṛtti wordt genoemd, wat betekent dat de stoffelijke besmetting wijkt. Soms ziet men dat iemand doet alsof hij tot toegewijde dienst is geraakt, maar hij blijkt dan nog niet vrij van anartha's of ongewenste gewoonten te zijn. Er zijn gevallen bekend van zogenaamde toegewijden die beweren dat ze Nanda, Yaśodā of de gopi's volgen, maar tegelijk een kwalijke hang naar wereldse seks manifesteren. Zulk vertoon van goddelijke liefde is alleen maar na-aperij en heeft geen waarde. Wanneer men namelijk werkelijk spontaan is aangetrokken tot de manier waarop de gopi's van Kṛṣṇa hielden, zal het blijken dat men innerlijk van alle wereldse smetten vrij is.
Dus in het begin moet iedereen zich strikt aan de regulerende be-palingen van de toegewijde dienst houden volgens de aanwijzingen van de Schriften en de geestelijk leraar. Pas nadat men van de stoffelijke besmetting bevrijd is, mag men er werkelijk naar streven het voorbeeld van de toegewijden in Vṛndāvana te volgen.
Srī Rūpa Gosvāmi verklaart:
"Als men werkelijk van alle stoffelijke smetten vrij is, kan men altijd aan een eeuwige toegewijde in Vṛndāvana denken om op zijn manier van Kṛṣṇa te leren houden. Terwijl men dit vermogen ontwikkeIt, verwijlt men in gedachten onophoudelijk in Vṛndāvana ."
De strekking hiervan is dat men, indien mogelijk, persoonlijk in Vraja-bhūmi, Vṛndāvana , moet gaan wonen en daar altijd dienst bewijzen aan de Heer naar het voorbeeld van de toegewijden van Vraja-dhāma, de geestelijke wereld van Vraja. Kan men echter niet fysiek in Vrndāvana aanwezig zijn, dan kan men er altijd op mediteren dat men er woont. Waar men zich ook bevindt, men dient altijd te denken aan het leven in Vraja-dhāma en aan het volgen van het voorbeeld van een bepaalde toegewijde in dienst van de Heer.
Een toegewijde die werkelijk gevorderd is in het ontwikkelen van Kṛṣṇa-bewustzijn en onophoudelijk toegewijde dienst bewijst dient zich niet te gedragen alsof hij al tot volmaaktheid is gekomen. Het gaat erom dat hij, zolang hij zich nog in het stoffelijke omhulsel bevindt, zich altijd opstelt als een beginneling. Zelfs de zuivere toegewijde moet zich houden aan het verrichten van activiteiten in het kader van de regulerende beginselen. Realiseert hij zich echter zijn werkelijke relatie tot de Heer, dan kan hij, terwijl hij zijn gereguleerde taken verricht, innerlijk aan zijn dienst aan de Heer denken onder leiding van een bepaalde metgezel van de Heer en zodoende zijn bovenzinnelijke gevoelens tot ontwikkeling brengen.
In dit verband moeten we waarschuwen tegen de zogenaamde siddha-prāņāi. De siddha-prāņāi-methode wordt gevolgd door het type mensen dat niet als bevoegd mag worden beschouwd en zijn eigen soort toegewijde dienst heeft bedacht. Ze doen alsof ze toegewijden van de Heer zijn geworden door zich het toegewijd zijn slechts in te leven. Zulk uiterlijk vertoon strookt totaal niet met het volgen van de regulerende beginselen. De siddha-prāņāi-methode wordt gevolgd door de prākṛta-sahajiyā, een school van pseudo-Vaișņava's. Volgens Rūpa Gosvāmī betekenen hun activiteiten slechts een verstoring van de normale gang van zaken bij het verrichten van toegewijde dienst.
Śrila Rūpa Gosvāmī zegt dat geleerde ācārya's aanbevelen dat we ons zelfs nog na het verschijnen van toegewijde liefde tot Kṛṣṇa aan het volgen van de regulerende beginselen houden. In het kader hiervan zijn er negen verschillende soorten activiteiten, zoals hierboven beschreven, en men dient zich in het bijzonder bezig te houden met dat soort toegewijde dienst waartoe men zich van nature voelt aangetrokken. Zo kan de een zich bijzonder aangetrokken voelen tot luisteren, een ander tot chanten en een derde tot de tempeldienst. Men behoort dus deze of een der andere vormen van toegewijde dienst (aan Kṛṣṇa denken, Hem dienen, tot Hem bidden, bepaalde diensten voor Hem verrichten, vriendschap met Hem aangaan of zich met have en goed aan Hem overgeven) zeer serieus te verrichten. Zo moet iedereen toegewijde dienst verrichten die bij zijn instelling past.

Amoureuze liefde

De vorm van toegewijde dienst waarbij men het voorbeeld van de gopī's van Vṛndāvana of de koninginnen van Dvāraka volgt, wordt toegewijde dienst in amoureuze liefde genoemd. De toegewijde dienst in amoureuze liefde kan in tweeën worden onderscheiden. Het ene type is inter wille amoureuze liefde, het andere directe. In beide gevallen dient men een bepaalde gopi te volgen die zo'n vorm van dienst in Goloka Vṛndāvana verricht. Rechtstreekse gehechtheid aan de Allerhoogste Godspersoon in amoureuze liefde wordt technisch keli genoemd. Deze keli-instelling vindt men bij toegewijden die zich ter wille met de Allerhoogste Godspersoon willen verenigen. Er zijn andere toegewijden die geen ter wille contact met de Allerhoogste Persoon begeren, maar van het amoureuze liefdesspel van de Heer met de gopi's genieten. Deze toegewijden scheppen voldoening in het luisteren naar de verhalen over de activiteiten van de Heer met de gopi's.
De ontwikkeling van amoureuze liefde kan zich slechts voordoen bij personen die zich al aan de regulerende beginselen van de toegewijde dienst houden, in het bijzonder van de eredienst aan Rādhā en Krșņa in de tempel. Zulke toegewijden ontwikkelen geleidelijk spontane liefde tot de mūrti, en door het luisteren naar de verhalen over de manier waarop de Heer en de gopi's liefdesblijken uitwisselen raken ze geleidelijk tot hun spel en vermaak aangetrokken. Wanneer zijn spontane aantrekking tot een hoog niveau van ontwikkeling komt, krijgt de toegewijde een plaats in een der twee bovenvermelde categorieën.
De ontwikkeling van amoureuze liefde voor Kṛṣṇa openbaart zich niet alleen bij vrouwen. Het geslacht van het stoffelijk lichaam heeft niets van doen met de aard van iemands geestelijke aangelegenheden. Zo kan een vrouw de instelling ontwikkelen van mannelijke vriendschap voor Kṛṣṇa, terwijl een man de liefde van een gopī in Vṛndāvana  kan ontwikkelen. Hoe een toegewijde in mannengedaante ernaar kan verlangen om gopi te worden wordt in de Padma Purāṇa als volgt verklaard:

"In vroegere tijden waren er vele wijzen in Daṇḍakāraṇya. Daṇḍakāraṇya is het woud waar Heer Rāmacandra woonde nadat Hij door Zijn vader voor de duur van veertien jaar was verbannen. In die tijd verbleven daar vele verheven wijzen, die betoverd waren door Heer Rāmacandra's schoonheid en zielsgraag vrouw wilden worden om de Heer te kunnen omhelzen. Veel later werden deze wijzen wedergeboren in Goloka Vṛndāvana, toen Krşņa daar Zelf Zijn opwachting maakte - en wel in de gedaante van gopi's, Kṛṣṇa's vriendinnen. Zo kwamen ze in hun geestelijk leven tot de hoogste volmaaktheid."
Over het verhaal van de wijzen van Daṇḍakāraṇya valt het volgende te zeggen. Toen Heer Rāmacandra in Daṇḍakāraṇya verbleef, raakten de wijzen die daar toegewijde dienst deden bekoord door Zijn schoonheid en moesten dadelijk denken aan de gopī's in Vṛndāvana, die van hun amoureuze omgang met Krsņa genoten. Hier blijkt dus duidelijk dat de wijzen van Daṇḍakāraṇya net zo amoureus met de Heer wilden omgaan als de gopi's, hoewel ze goed beseften dat er tussen Heer Rāmacandra en Kṛṣṇa geen verschil bestaat. Ze wisten echter dat Rāmacandra de rol van ideale vorst speelde en niet meer dan één vrouw kon hebben; maar Heer Kṛṣṇa kon als de volkomen Allerhoogste Godspersoon in Vṛndāvana al hun wensen vervullen. De wijzen kwamen verder tot de conclusie dat de gedaante van Heer Kṛṣṇa aantrekkelijker is dan die van Heer Rāmacandra, en daarom baden ze dat ze in een toekomstig leven als gopī met Kṛṣṇa zouden mogen omgaan.
Heer Rāmacandra bewaarde het stilzwijgen, en daaruit blijkt dat Hij het gebed van de wijzen verhoorde. Zo ontvingen ze de zegen van Heer Rāmacandra dat ze later met Heer Kṛṣṇa zouden mogen omgaan. Als gevolg van deze zegen werden ze allen als vrouw geboren uit de schoot van gopi's in Gokula, en als vervulling van het verlangen van hun vorig leven genoten ze van het gezelschap van Heer Kṛṣṇa, die in die tijd in Gokula Vṛndāvana tegenwoordig was. Zo kwamen ze door het bovenzinnelijk verlangen om als Kṛṣṇa's minnares met de Heer te mogen omgaan tot het volmaakte gebruik van hun menselijke gedaante.
De amoureuze liefde wordt in tweeën onderscheiden, namelijk echtelijke amoureuze liefde en vrije amoureuze liefde. Iemand die tot echtelijke liefde voor Kṛṣṇa komt wordt bevorderd naar Dvārakā, waar de toegewijde met de Heer mag leven als Zijn gemalin. Degenen die de instelling van vrije liefde voor Kṛṣṇa in zich ontwikkelen worden bevorderd naar Goloka Vṛndāvana om daar met de gopi's om te gaan en er van het liefdesspel met Kṛṣṇa te genieten. We dienen hierbij goed te bedenken dat de amoureuze liefde voor Kṛṣṇa, hetzij als gopī, hetzij als koningin, zoals gezegd niet alleen aan vrouwen voorbehouden is.
Zelfs mannen kunnen dit amoureuze gevoel in zich tot ontwikkeling brengen, zoals blijkt uit het geval van de wijzen van Daṇḍakāraṇya. Als men alleen naar een echtelijke liefdesrelatie verlangt en daarbij niet het voorbeeld van de gopi's volgt, wordt men bevorderd tot omgang met de Heer te Dvārakā.

De Mahā-kūrma Purāņa verklaart:
"Grote wijzen, nazaten van de vuurgoden, hielden zich streng aan het volgen van de regulerende beginselen, opdat hun wens vervuld zou worden om in amoureuze liefde met Kṛṣṇa om te kunnen gaan. Hierdoor mochten ze in een volgend leven met de Heer verkeren, die de bron van al het geschapene is en die men kent als Vāsudeva of Krșņa. Allen kregen Hem tot echtgenoot."

Ouderlijke liefdle of vriendschap

Toegewijden die tot Kṛṣṇa aangetrokken zijn in ouderlijke of vriendschappelijke relatie dienen het voorbeeld te volgen van res-pektievelijk Nanda Mahārāja of Subala. Nanda Mahārāja is Kṛṣṇa's pleegvader, en van alle vrienden van Kṛṣṇa in Vrajabhūmi is Subala de meest intieme.
Zowel vaderlijke als vriendschappelijke liefde voor Kṛṣṇa kent men in twee variëteiten. Zo kan men proberen rechtstreeks vader van Kṛṣṇa te worden of men kan zich Nanda Mahārāja steeds als ideale vader van Kṛṣṇa voor ogen houden. Het streven om ter wille vader van Kṛṣṇa te worden wordt niet aanbevolen. Men kan hierbij namelijk met (on-persoonlijke) Māyāvādī-opvattingen besmet raken. De Māyāvādī's of monisten denken dat zij zelf Kṛṣṇa zijn, en gelooft iemand dat hij zelf Nanda Mahārāja is geworden, dan raakt zijn ouderliefde met Māyāvādī-ideeën besmet. De Māyāvādī-filosofie is uiterst kwalijk, en wie onheuse ideeën heeft aangaande de Heer kan niet in Zijn koninkrijk binnengaan om met Hem te verkeren.
De Skanda Purāņa vertelt het verhaal over een oude man in Hasti-nāpura, de hoofdstad van het koninkrijk van de zoons van Pāņdu, die graag van Kṛṣṇa wilde houden als zijn zoon. De oude man werd door Nārada aanbevolen het voorbeeld van Nanda Mahārāja te volgen en zag zo zijn verlangen in vervulling gaan.
De Nārāyana-vyūha-stava-gebeden verklaren dat mensen die onophoudelijk aan de Heer denken als hun echtgenoot, vriend, vader of weldoener, altijd door iedereen in ere moeten worden gehouden. Deze spontane vorm van liefde voor Kṛṣṇa kan slechts tot ontwikkeling komen door de bijzondere genade van Kṛṣṇa Zelf of Zijn zuivere toegewijde. Deze weg van toegewijde dienst wordt soms puṣṭi-mārga genoemd. Puṣṭi betekent voeden en mārga betekent pad. De ontwikkeling van geestelijke gevoelens voedt de toegewijde dienst tot in de hoogste graad. De Vallabha-sampradāya, die tot de Vișņusvāmī-school van het Viṣṇuïsme behoort, eert Kṛṣṇa volgens deze puṣṭi-mārga. Over het algemeen aanbidden de toegewijden in Gujarat Bāla-Kṛṣṇa eveneens in het kader van de pușți-mārga.