Default View
Dual Language

HOOFDSTUK 17

Extatische liefde

Door het volgen van de weg van gereguleerde toegewijde dienst raakt men werkelijk verheven tot het bovenzinnelijk niveau, ontstegen aan de greep van de invloeden van de stoffelijke natuur. Het hart raakt dan verlicht als de zon. De zon bevindt zich hoog boven de planeten-stelsels en kan onmogelijk door wat voor wolk ook worden verhuld; zo straalt ook van de toegewijde, die zuiver is als de zon, uit zijn reine hart een gloed van extatische liefde uit, die stralender is dan de zonneschijn.Alleen in die toestand is er sprake van volmaakte gehechtheid aan Kṛṣṇa. De toegewijde begint er vanzelf vurig naar te verlangen de Heer in deze extatische liefde te dienen. Een toegewijde die dit peil heeft bereikt is uttama-adhikārī, een volmaakte. Zo'n toegewijde raakt niet meer door materiële verlangens beroerd en heeft alleen nog maar belangstelling voor het dienen van Rādhā en Krsņa.
In de voorgaande hoofdstukken werden de symptomen van de toegewijde dienst toegelicht aan de hand van aanwijzingen hoe men haar met onze huidige zinnen kan verrichten, waarbij men geleidelijk tot het extase-niveau van spontane liefde opstijgt. Ook werden de twee soorten toegewijde dienst besproken, namelijk toegewijde dienst volgens regulerende beginselen en uit spontane liefde. Binnen het kader van het uitvoeren van de regulerende beginselen van de toegewijde dienst kent men twee vormen van activiteit, namelijk de uitvoerende en de effectieve. Deze effectieve afdeling van de toegewijde dienst wordt bhava of extase genoemd. De Tantra's doen in dit verband een uitspraak die luidt dat extase het eerste symptoom van zuivere liefde tot de Godspersoon is en dat men in die toestand soms tranen vergiet of huivert. Deze symptomen doen zich niet altijd voor, maar af en toe. Toen Koning Ambarīșa door Durvāsā Muni in moeilijkheden werd gebracht, richtte hij zijn gedachten op de lotusvoeten van de Heer en als gevolg daarvan traden bepaalde lichamelijke symptomen bij hem op, waarbij er ook tranen uit zijn ogen vielen. Zulke symptomen verraden de innerlijke werking van de extase. Nadat de symptomen van extase zich uiterlijk hebben voorgedaan, blijven ze aanwezig in de geest en de voortzetting van de extase wordt samādhi genoemd. Dit niveau van realisatie wordt de grondslag van toekomstige uitwisseling van liefdesblijken met Kṛṣṇa.
Men kan langs twee verschillende wegen verheven raken tot het niveau van extase. De ene bestaat uit voortdurend omgaan met zuivere toegewijden. De andere bestaat uit de bijzondere genade van Kṛṣņa of de genade van een zuivere toegewijde van Kṛṣṇa. Over het algemeen wordt men tot de extatische levensfase bevorderd door omgang met zuivere toegewijden, terwijl verheffing tot dat niveau door de bij-zondere genade van Kṛṣṇa of Zijn toegewijde uiterst zeldzaam is. Dit betekent dat men zich strikt aan de principes van de toegewijde dienst moet houden in omgang met toegewijden, zodat men zich beslist tot de extatische positie zal verheffen. Uiteraard is er in bijzondere gevallen Krșņa's genade, en hoewel we daar alijd naar uit moeten zien, kunnen we niet werkeloos blijven afwachten tot Kṛṣṇa Zijn genade schenkt: men behoort zich van zijn gereguleerde taken te kwijten. Een toepasselijk voorbeeld in dit verband is dat van iemand die nooit naar school is geweest of naar de universiteit, en toch als groot geleerde wordt erkend of een ere-doctoraat van een beroemde universiteit krijgt aangeboden. Dat houdt echter niet in dat men rustig van school kan wegblijven in de verwachting dat een universiteit met een ere-doctoraat zal komen aandragen. Evenmin kan men de regulerende beginselen van de toege-wijde dienst links laten liggen en tegelijk verwachten dat men de gunst van Krsņa of de gunst van Zijn toegewijde zal ontvangen.
Een voorbeeld van een geval van iemand die door het volgen van de regulerende beginselen van de toegewijde dienst het niveau van exta-tísche liefde bereikte is Nārada, wiens levensverhaal door Vyāsadeva in het Śrīmad-Bhāgavatam wordt beschreven. Nārada vertelt over zijn vorige leven en hoe hij daarin tot het niveau van extatische liefde kwam. Hij was dienaar van grote toegewijden en luisterde altijd naar de verhalen die ze vertelden en de liederen die ze zongen. Omdat hij op deze wijze in de gelegenheid was het spel en vermaak van Kṛṣṇa in de vorm van verhalen en liederen uit de mond van zuivere toegewijden te leren kennen, raakte hij innerlijk aan Kṛṣṇa gehecht. Omdat hij er zo naar begon te verlangen steeds meer over Kṛṣṇa te horen, ontwikkelde hij geleidelijk extatische liefde tot de Opperheer. De extatische liefde gaat vooraf aan zuivere liefde tot Kṛṣṇa, want verder in zijn verhaal bevestigt Nārada dat hij langs de geleidelijke weg van het luisteren naar de grote wijzen tot liefde voor de Heer kwam. Hij zegt (S.B., 1.5.28):
"Ik bracht de regentijd door in gezelschap van de grote wijzen. Elke ochtend en avond luisterde ik naar hen terwijl ze aan het zingen waren en de Hare Kṛṣṇa-mantra chantten. Daardoor raakte mijn hart geleidelijk gereinigd. Als ik maar aandachtig naar hen luisterde, verdween de materiële invloed van onwetendheid en hartstocht en raakte ik hecht in toegewijde dienst aan de Heer verankerd."
Dit is een praktisch voorbeeld van hoe men tot het niveau van extatische liefde kan opstijgen door slechts met zuivere toegewijden om te gaan. Het is dus van wezenlijk belang dat men voortdurend het gezelschap van zuivere toegewijden zoekt, die iedere ochtend en avond de Hare Kṛṣṇa-mantra chanten. Zo zal men de gelegenheid krijgen zijn hart te reinigen en extatische zuivere liefde tot Kṛṣṇa te ontwikkelen.
Deze verklaring wordt elders in het Śrīmad-Bhāgavatam (3.25.25)bevestigd door Heer Kapila:
"Lieve moeder, wanneer iemand in gezelschap van echte zuivere toegewijden verkeert, kan hij het verheven vermogen van Mijn toegewijde dienst ervaren."
Met andere woorden: wanneer een zuivere toegewijde spreekt, werken zijn woorden in op het hart van zijn toehoorders. Wat is het geheim van dit luisteren en verheerlijken? Iemand die om den brode voordrachten geeft over deze onderwerpen kan in het hart van zijn gehoor geen bovenzinnelijke extase opwekken. Maar wanneer een zelfverwerkelijkte ziel, die in dienst van de Heer verbonden is, het woord voert, heeft hij het vermogen om zijn gehoor geestelijk te inspireren, Daarom dient men het gezelschap te zoeken van ongerepte zuivere toegewijden, en door met hen om te gaan en hen te dienen zal een beginnende toegewijde ongetwijfeld aan de Allerhoogste Godspersoon gehecht raken en Hem met liefde en toewijding dienen.
De Padma Purāṇa bevat het verhaaI van een beginneling in de toegewijde dienst, die om zichzelf tot extatisch niveau op te wekken de hele nacht lang danste om de Heer ertoe te bewegen hem Zijn genade te verlenen.
Soms gebeurt het echter dat men zonder zich aan een bepaalde devotionele methode te houden opeens toewijding voor Heer Kṛṣṇa  ontvangt. Zo'n plotselinge ontwikkeling van de toegewijde instelling in iemand moet als bijzondere genade van Kṛṣṇa of Zijn toegewijde worden gezien. Zo'n schijnbaar toevallige ontwikkeling van extatische gevoelens door de grondeloze genade van Kṛṣṇa valt in drieën te onderscheiden: slechts door spreken, slechts door aanzien en slechts door goede wensen.
In de Nāradīya Purāṇa staat een verklaring over de ontwikkeling van extatische liefde louter door spreken. Heer Kṛṣṇa zegt tot Nārada:
"O beste onder de brāhmaņa's, ik wens dat je tot Mij komt door ongerepte toegewijde dienst, die vervuld is van bovenzinnelijk geluk en heil."
In de Skanda Purāṇa vindt men een verklaring over de ontwikkeling van extatische liefde tot Kṛṣṇa, waarbij men slechts naar Hem kijkt:
"Toen de inwoners van de provincie Jāngala de Persoonlijkheid Gods, Kṛṣṇa, aanschouwden, werden ze zo door hun gevoelens overweldigd, dat ze hun blik niet van Hem af konden wenden."
De Śuka-samhitā bevat een verklaring over het uitspreken van welgemeende wensen. Nārada zegt tot Śrīla Vyāsadeva:
"Je hebt een zoon die de grootste toegewijde van de Godspersoon is, en ik kan zien dat hij, ook al houdt hij zich helemaal niet aan de regulerende principes van de toegewijde dienst, al vervuld is van tal van de extatische symptomen die zich slechts in iemand kunnen voordoen nadat hij vele levens achtereen toegewijde dienst heeft verricht."
Het Śrīmad-Bhāgavatam bevat een verklaring met betrekking tot extatische liefde voor Kṛṣṇa. Nārada zegt tot Koning Yudhişțhira:
"Waarde vorst, het is zeer moeilijk het karakter van Prahlāda te beschrijven. Hij raakte vanzelf tot Kṛṣṇa aangetrokken en wat ik ook maar over zijn karakter te berde breng, het zal niets anders zijn dan een aaneenrijging van woorden: zijn ware aard laat zich onmogelijk beschrijven." (S.B., 7.4.36)
Dit betekent dat Nārada zelf erkende dat de natuurlijke ontwikkeling van Prahlāda's extatische liefde een gevolg was van de bijzondere genade van Heer Kṛṣṇa. De natuurlijke aangetrokkenheid tot Krşņa van Prahlāda ontwikkelde zich slechts als gevolg van de genade van Nārada. Toen Prahlāda Mahārāja nog in de moederschoot lag, gaf Nārada zijn moeder in zijn goedheid onderricht over de wetenschap aangaande de toegewijde dienst. Tegelijk wenste Nārada dat het kind in haar schoot zijn voordeel met zijn onderricht zou doen. Aangezien nu Nārada, die een bonafide toegewijde en een belangrijke metgezel van de Godspersoon is, Prahlāda Mahārāja alle heil toewenste, ontwikkelde deze alle trekken van een toegewijde van de hoogste orde in zich. Dat wordt natuurlijke aangetrokkenheid genoemd. Ze wordt veroorzaakt door de bijzondere genade van de Persoonlijkheid Gods of van een groot toegewijde als Nārada.
In de Skanda Purāṇa verklaart Parvata Muni aan Nārada:
"Mijn beste Nārada, jij bent onder alle heiligen zeer groot en luisterrijk, want slechts door jouw beste wensen kon ook een laaggeboren jager verheven worden tot het niveau van een groot toegewijde van Heer Kṛṣṇa."
De extatische liefde tot Kṛṣṇa kan in vijf categorieën worden onderscheiden, welke elders door Śrīla Rūpa Gosvāmī zullen worden beschreven.