Default View
Dual Language

HOOFDSTUK 18

Het karakter van een toegewijde vervuld van extatische liefde

Rūpa Gosvāmī beschrijft vervolgens de kenmerken van iemand die werkelijk tot extatische liefde voor Kṛṣṇa is gekomen:
1) hij verlangt er altijd naar zijn tijd in toegewijde dienst aan de Heer te besteden; hij heeft een hekel aan nietsdoen; hij wil vierentwintig uur per etmaal zonder mankeren voor de Heer bezig zijn;
2) hij toont zich altijd ingetogen en volhardend;
3) hij is altijd onthecht van de aantrekking van de stof;
4) hij verlangt geen enkele materiële vorm van respect voor zijn activiteiten;
5) hij is er altijd zeker van dat Kṛṣṇa hem Zijn genade zal schenken;
6) hij verlangt er altijd vurig naar de Heer trouw te dienen;
7) hij is zeer gehecht aan het chanten van de heilige naam van de Heer;
8) hij verlangt er altijd naar de bovenzinnelijke eigenschappen van de Heer te beschrijven;
9) het doet hem groot genoegen om in een oord te verblijven waar de Heer Zijn spel en vermaak bedreef, zoals Mathurā, Vṛndāvana of Dvārakā.

Het benutten van de tijd

Een ongerepte toegewijde die tot extatische liefde voor Kṛṣṇa is gekomen benut zijn spraakvermogen altijd met het opzenden van gebeden tot de Heer. Innerlijk denkt hij altijd aan Kṛṣṇa en lichamelijk brengt hij de mūrti steeds eerbetuigingen of verricht de een of andere vorm van dienst. Bij deze extatische activiteiten vergiet hij soms tranen. Zo is zijn hele leven in dienst van de Heer verbonden en verspilt hij geen ogenblik met andere dingen.

Volharding

Wanneer iemand zich door geen enkele stoornis in de war laat brengen, wordt hij ingetogen en volhardend genoemd. Een voorbeeld van deze ingetogenheid en volharding vindt men in het gedrag van Koning Parīkșit, zoals beschreven in het Śrīmad-Bhāgavatam (1.19.15). De koning zegt daar tot alle wijzen die in zijn stervensuur rond hem verzameld zijn:
"Mijn waarde brāhmaṇa’s, beschouw me alstublieft altijd als uw trouwe dienaar. Ik ben slechts naar de oever van de Ganges gekomen om me met hart en ziel aan de lotusvoeten van Heer Kṛṣṇa over te geven. Dus schenkt u me alstublieft de zegen dat moeder Ganges tevreden over me zal zijn. Het kan me niet schelen dat ik met de vloek van de zoon van de brāhmaņa geslagen ben. Ik vraag u slechts dat u allemaal op het laatste ogenblik van mijn leven zo goed wilt zijn de heilige naam van Vișņu te chanten, zodat ik van Zijn bovenzinnelijke eigenschappen doordrongen zal zijn."
'Dit voorbeeld van Mahārāja Parīksit’s gedrag, zijn geduld en kalmte, zelfs in zijn laatste levensogenblik, zijn onverstoorbare gemoedsrust, spreekt slechts van ingetogenheid. Dit is een van de karaktertrekken van een toegewijde die tot extatische liefde voor Kṛṣṇa is gekomen.

Onthechtheid

De zinnen willen voortdurend genieten, maar wanneer een toegewijde bovenzinnelijke liefde voor Kṛṣṇa in zich ontwikkelt, laat hij zijn zinnen niet meer door stoffelijke verlangens leiden. Zo'n geestesgesteldheid wordt onthechtheid genoemd. Een fraai voorbeeld van onthechtheid vindt men in het karakter van Koning Bharata. Het Śrīmad-Bhāgavatam (5.14.43) verklaart ten aanzien van hem:
"Keizer Bharata was zo aangetrokken door de schoonheid van Kṛṣṇa's lotusvoeten, dat hij reeds op jeugdige leeftijd al zijn gehechtheid aan familie, kinderen, vrienden, koninkrijk enz. liet varen, alsof al deze zaken slechts onaanraakbare ontlasting waren."
Keizer Bharata is een typisch voorbeeld van onthechtheid. Alles wat men in de wereld genieten kan lag binnen zijn bereik, maar hij wees het af. Dit betekent niet dat onthechtheid inhoudt dat men zich met kunstmatige inspanning aan de bekoringen van de stof moet onttrekken. Als men zelfs in tegenwoordigheid van deze bekoringen onaangedaan weet te blijven, heet men al onthecht. Als beginnende toegewijde dient men zich uiteraard verre te houden van alle vormen van stoffelijke bekoring, maar een gerijpte toegewijde bevindt zich in zo'n onwankelbare positie, dat hij zelfs in tegenwoordigheid van de grootste verlokking er totaal niet door aangetrokken wordt. Hieraan kan men zien of iemand al dan niet onthecht is.

Vrijheid van trots

Wanneer een toegewijde, die alle kenmerken van zuivere realisatie vertoont, daar niet prat op gaat, wordt hij vrij van trots genoemd. De Padma Purāṇa beschrijft dat Koning Bhagīratha als keizer boven alle vorsten verheven was, maar tot zulke hoge extatische liefde voor Kṛṣṇa kwam, dat hij bedelaar werd en zelfs om aalmoezen aanklopte bij de deur van zijn politieke vijanden en onaanraakbare laaggeborenen. Hij was zo nederig, dat hij eerbiedig voor hen allen neerboog.
In de geschiedenis van India kent men veel voorbeelden van zulk gedrag. Nog geen tweehonderd jaar geleden werd een groot-grond-bezitter uit Calcutta, Lāl Bābu, Vaișņava en trok naar Vṛndāvana. Ook hij ging bedelend van deur tot deur en klopte zelfs aan bij politieke vijanden. Bedelen brengt met zich dat men bereid moet zijn om beledigingen te incasseren van mensen die men benadert. Dat spreekt vanzelf. Maar men verdraagt deze beledigingen ter wille van Kṛṣṇa. In Kṛṣṇa's dienst accepteert de toegewijde van de Heer alles wat hem overkomt.

Sterke hoop

De vaste overtuiging dat men beslist de genade van de Allerhoogste Godspersoon zal ontvangen wordt in het Sanskrit āśā-bandha genoemd. Āsā-bandha betekent dat men steeds blijft denken: omdat ik steeds mijn best doe om me aan de normale beginselen van de toegewijde dienst te houden, staat het voor mij vast dat ik naar God zal terugkeren, terug naar huis.
Als voorbeeld van de uitdrukking van deze hoop kunnen we hier volstaan met het vermelden van een gebed van Rūpa Gosvāmī. Hij zegt:
"Ik bezit geen liefde voor Kṛṣṇa, noch voor de dingen waardoor men liefde voor Kṛṣṇa tot ontwikkeling brengt, namelijk luisteren en chanten. En het trouw volgen van de weg van bhakti-yoga, waarbij men steeds aan Kṛṣṇa denkt en Zijn lotusvoeten in zijn hart draagt, is iets wat ik niet doe. Wat filosofische kennis of uitingen van vroomheid aangaat, ik zie geen kans om me met zulke dingen bezig te houden. Maar bovenal ben ik niet eens van goeden huize. Daarom kan ik alleen maar bidden tot U, Gopījana-vallabha [Kṛṣṇa, instandhouder en minnaar van de gopi's]. Ik wens en hoop alleen dat ik op de een of andere manier tot Uw lotusvoeten zal kunnen naderen. En deze hoop doet me zeer, omdat ik mezelf niet in staat acht om op dat bovenzinnelijk levensdoel af te gaan."
De strekking van dit vers is dat men vanuit deze āśā-bandha-houding met de moed der wanhoop moet blijven verwachten dat men op een of andere manier tot de lotusvoeten van de Opperheer zal kunnen naderen.

Het verlangen om het gewenste doel te bereiken

Als men er voldoende naar verlangt om zijn toegewijde dienst met succes bekroond te zien, wordt dat samutkaṇṭhā genoemd, hetgeen volkomen begeerte betekent. Deze begeerte is in feite de prijs die men betalen moet om het doel van het Kṛṣṇa-bewustzijn te bereiken. Alles heeft een bepaalde waarde, en men moet altijd een bepaalde prijs betalen om zich wat dan ook toe te kunnen eigenen. In de Vedische literatuur wordt verklaard dat de aanschaf van het aller kostbaarste, Kṛṣṇa-bewustzijn, vergt dat men een intens verlangen in zich ontwikkelt om het zich te verwerven. Aan dit intense verlangen wordt zeer fraai uitdrukking gegeven door Bilvamaṅgala Ṭhākura in zijn boek Kṛṣṇa-karṇāmṛta. Hij zegt:
"Ik hunker ernaar om die jongen uit Vṛndāvana te zien, wiens lichamelijke schoonheid het heelal in haar ban heeft, en die met Zijn ogen, waarboven zich zwarte wenkbrauwen welven en die zich als lotusblaadjes openen, altijd gretig naar Zijn toegewijden blikt, terwijl ze van links naar rechts gaan. Ze zijn altijd vochtig, en Zijn lippen hebben de kleur van koper, en over deze lippen komt een stem die iemand nog doller maakt dan een olifant. O, ik wil Hem zo graag zien in Vṛndāvana!"

Gehechtheid aan het chanten van de heilige namen

In dezelfde Karṇāmṛta vinden we een passage over het chanten van Rādhārāņī. Door één van de metgezellinnen van Rādhārānī wordt daar gezegd:
"O Heer Govinda, de dochter van Koning Vṛṣabhānu zit tranen te vergieten en chant in benauwdheid Uw heilige naam - Kṛṣṇa! Kṛṣṇa!"

Het gretig willen beschrijven van de eigenschappen van de Heer

De Karṇāmṛta beschrijft als volgt de aangetrokkenheid tot de heerlijkheid van het spel en vermaak van de Heer:
"Wat zal ik doen voor Kṛṣṇa, die meer vreugde geeft dan men zich in zijn stoutste dromen kan voorstellen, en die ondeugender is dan alle ongedurige jongens bij elkaar? De gedachte aan Kṛṣṇa's schitterend spel en vermaak bekoort mijn hart en ik weet niet wat me te doen staat!"

De wens om in een oord te wonen waar Kṛṣṇa Zijn spel en vermaak bedreef

In het boek Padyāvali van Rūpa Gosvāmī vindt men de volgende uitspraak over Vṛndāvana :
"In dit oord woonde de zoon van Mahārāja Nanda met Zijn vader, die de koning van alle koeherders was. Hier vernielde Kṛṣṇa de kar waarin de demon Śakatāsura zich verborgen hield. Hier werd Dāmodara, die ons uit de stoffelijke gevangenschap kan verlossen, door Zijn moeder Yaśodā vastgebonden."
Een zuivere toegewijde van Heer Kṛṣṇa verblijft in het district Mathurā of Vṛndāvana en bezoekt geregeld alle plekken waar Krșņa als kind Zijn spel en vermaak bedreef. In deze heilige oorden ontvouwde Krsņa Zijn activiteiten met de koeherdersjongens en moeder Yasodā. Nog steeds maken toegewijden van Heer Kṛṣṇa ommegangen om deze plaatsen, en iedereen die Mathurā en Vṛndāvana bezoekt ervaart altijd bovenzinnelijke vreugde. Wanneer men in Vṛndāvana komt voelt men zich dadelijk gescheiden van Kṛṣṇa, die er indertijd Zijn fraaie spel en vermaak bedreef.
De gehechtheid aan het denken aan de activiteiten van Kṛṣṇa is een vorm van gehechtheid aan Kṛṣṇa. Er zijn echter impersonalistische filosofen en mystici die een hele vertoning van toegewijde dienst weggeven, maar uiteindelijk met de existentie van de Opperheer willen versmelten. Soms doen ze alsof ze het gevoel dat een zuivere toegewijde voor het bezoeken van de heilige plaatsen heeft men hem delen, maar ze denken alleen maar aan hun verlossing en daarom kan hun gedrag niet als gehechtheid aan Kṛṣṇa worden aangemerkt.
Rūpa Gosvāmī zegt dat de gehechtheid die zuivere toegewijden voor Kṛṣṇa aan de dag leggen zich onmogelijk in volmaakte vorm kan voordoen in het hart van baatzuchtig strevende mensen (karmi's) of theoretici, omdat deze gehechtheid in zuiver Kṛṣṇa-bewustzijn uiterst schaars is en zelfs door tal van verloste mensen niet kan worden bereikt. Zoals de Bhagavad-gītā (VII.28) verklaart, is verlossing van de besmetheid door de stof het niveau vanwaar men tot toegewijde dienst kan komen. Voor iemand die alleen maar op verlossing uit is en in de onpersoonlijke brahmajyoti wil opgaan is het onmogelijk om aan Kṛṣṇa gehecht te raken. Verlening van deze gehechtheid is een zeer vertrouwelijke zaak, en Kṛṣṇa schenkt haar slechts aan zuivere toegewijden. Zelfs gewone toegewijden kunnen niet zo'n zuivere gehechtheid aan Kṛṣṇa aan de dag leggen. Hoe kunnen dan mensen wier hart besmet is door de dualiteit van het baatzuchtig streven en in allerlei getheoretiseer verstrikt zitten ooit deze gehechtheid in zich ontwikkelen?
Er zijn veel zogenaamde toegewijden die zich op oneigenlijke wijze bezighouden met Kṛṣṇa's spel en vermaak, dat bekend staat als aṣṭa-kālīya-līlā. Soms voeren ze een heel toneel op, waarbij ze doen alsof Kṛṣṇa tot hen spreekt in de gedaante van een jongen, of ze geven voor dat Rādhārāṇī en Krsņa samen op bezoek gekomen zijn en met de betrokkenen praten. Impersonalisten geven soms zo'n vertoning weg en kunnen argeloze mensen, die geen idee hebben van de wetenschap aangaande de toegewijde dienst, daarmee begoochelen. Maar zodra een ervaren toegewijde dit soort karikaturale activiteit ziet, stelt hij haar meteen als bedrog aan de kaak. Wanneer zo'n bedrieger voorgeeft aan Kṛṣṇa gehecht te zijn, wordt dat niet als werkelijke gehechtheid geaccepteerd. Men kan echter wel zeggen dat dit soort gehechtheid de betrokkene enige hoop biedt voor de toekomst, waarin hij uiteindelijk tot het peil van toegewijde dienst zal kunnen opstijgen.
De geveinsde gehechtheid kan in tweeën worden onderscheiden, namelijk schijn-gehechtheid en parā (bovenzinnelijke) gehechtheid. Als iemand zich gehecht toont zonder zich aan de regulerende beginselen van de toegewijde dienst te houden of zonder de leiding van een bevoegd geestelijk leraar te volgen, wordt zijn gehechtheid schijn-gehechtheid genoemd. Soms ziet men dat iemand die in feite aan materieel genot of het streven naar verlossing gehecht is, het geluk heeft dat hij met zuivere toegewijden omgaat die zich bezighouden met het chanten van de heilige namen van de Heer. Door de genade van de Heer kan hij dan met hen mee beginnen te chanten. Louter door de omgang met zulke zuivere toegewijden schijnen de manestralen uit hun hart op de betrokkene neer. Door de invloed van hun zuiverheid kan hij dan een lichte vorm van gehechtheid tonen, veroorzaakt door nieuwsgierigheid, maar ze is zeer onstabiel. Als men nu bij het verschijnen van deze schijn-gehechtheid merkt dat alle materiële gehechtheid wijkt, dan is er sprake van parā-gehechtheid.
Men kan tot deze schijn-gehechtheid of parā-gehechtheid komen door met een zuivere toegewijde om te gaan of heilige plaatsen als Vṛndāvana of Mathurā te bezoeken; en als een gewoon mens deze gehechtheid aan Kṛṣṇa ontwikkelt en het geluk heeft dat hij toegewijde activiteiten verricht in het gezelschap van zuivere toegewijden, kan ook hij tot het niveau van zuivere toegewijde dienst opstijgen. De slotsom luidt dat bovenzinnelijke gehechtheid zo krachtig is, dat ook al doet ze zich voor bij een heel gewoon mens, ze door omgang met een zuivere toegewijde tot het niveau van volmaakte gehechtheid kan worden gebracht. Deze gehechtheid aan Kṛṣṇa kan echter niet worden opgewekt als men niet voldoende met het gezelschap van zuivere toegewijden wordt gezegend.
Zoals gehechtheid door omgang met zuivere toegewijden kan worden opgeroepen, kan ze ook worden vernietigd wanneer men overtredingen jegens de lotusvoeten van zuivere toegewijden begaat. Door omgang met zuivere toegewijden kan gehechtheid aan Kṛṣṇa worden opgewekt, maar als men overtredingen jegens de lotusvoeten van een toegewijde begaat, kan de schijn- of parā-gehechtheid worden uitgeblust. Dit uitblussen is als de afnemende maan, die geleidelijk slinkt en tenslotte nog slechts duisternis te zien geeft. Men moet er in de omgang met zuivere toegewijden dus voor waken dat men overtredingen jegens hun lotusvoeten begaat.
Bovenzinnelijke gehechtheid, hetzij schijn-gehechtheid, hetzij parā, kan te niet worden gedaan door verschillende intensiteiten van kwade bejegening van de lotusvoeten van zuivere toegewijden. Begaat men een zeer ernstige overtreding, dan wordt de gehechtheid tot vrijwel niets teruggebracht; is de overtreding minder ernstig dan kan de ge-hechtheid tweede- of derderangs worden.
Raakt iemand gehecht aan het volgen van de weg der verlossing of van het versmelten met de existentie van de brahmajyoti, dan ver-minderen zijn extases geleidelijk tot schijn- en parā-gehechtheid of veranderen anders in de ahaṅgrahopāsanā-instelling. Iemand geeft blijk van de ahaṅgrahopāsanā-mentaliteit wanneer hij er bij zijn geestelijke ontwikkeling van uitgaat dat hij zich met de Opperheer kan vereenzelvigen. Deze zelfverwerkelijkingsstaat kent men technisch als monisme. De monist denkt dat hij één is met de Opperheer. Door aldus geen onderscheid te maken tussen zichzelf en de Opperheer houdt hij het erop dat hij door zelfaanbidding het Allerhoogste Geheel aanbidt.
Soms ziet men dat een beginneling zeer enthousiast meechant en meedanst, maar innerlijk van mening is dat hij met het Allerhoogste Geheel één is geworden. Dit monistisch denkbeeld is volkomen tegengesteld aan zuivere bovenzinnelijke toegewijde dienst. Ziet men echter dat iemand tot een werkelijk hoge graad van toewijding gekomen is zonder dat hij eerst ook maar de regulerende beginselen heeft gevolgd, dan moet men aannemen dat zijn verheven staat van toegewijde dienst reeds in een vroeger leven werd bereikt. Om de een of andere reden, hoogstwaarschijnlijk doordat hij een overtreding jegens de lotusvoeten van een toegewijde beging, moest zijn dienst worden onderbroken. Thans krijgt hij opnieuw een goede kans en daarbij begint zijn toegewijde dienst zich dadelijk te ontwikkelen. De slotsom luidt dat gestage vooruitgang in de toegewijde dienst slechts kan worden verkregen door omgang met zuivere toegewijden.
Als men geleidelijk kan opstijgen in de toegewijde dienst, moet men aannemen dat dit door de grondeloze genade van Kṛṣṇa Zelf plaatsvindt. Als iemand volkomen los van materiële genietingen is en zuivere extatische toewijding in zich heeft ontwikkeld, ook al ziet men soms dat hij de regels van de toegewijde dienst niet helemaal volgt, mag men niet afgunstig op hem zijn. In de Bhagavad-gītā (IX.30) vinden we de bevestiging dat een toegewijde die vast in de Heer gelooft en Hem onwankelbaar dient, ook al wijkt hij per ongeluk soms van de zuivere toegewijde activiteiten af, toch als zuiver moet worden beschouwd. Onwankelbaar geloof in de toegewijde dienst, in Heer Kṛṣṇa en in de geestelijk leraar leidt tot toegewijde activiteiten van hoog niveau.
De Nrsimha Purāṇa verklaart:
"Als iemand naar geest, lichaam en activiteiten volkomen in dienst van de Opperheer verbonden is, maar zich uiterlijk met een verfoeilijke activiteit inlaat, zal daaraan door de invloed van zijn onverzettelijke toegewijde kracht beslist zeer spoedig een eind komen."
In dit verband wordt het voorbeeld gegeven van de volle maan waarop wat vlekken te zien zijn, die enigszins op pukkels lijken, maar waarvan het stralen van de maan geen hinder ondervindt. Zo kan ook een kleine fout in het gedrag van iemand die een massa toegewijde dienst verzet in het geheel niet als fout worden geteld. Gehechtheid aan Kṛṣṇa is bovenzinnelijke gelukzaligheid. Temidden van grenzeloze hoeveelheden bovenzinnelijke gelukzaligheid kan een vlekje, door een materiële vergissing veroorzaakt, geen enkele nadelige invloed hebben.