Default View
Dual Language View
HOOFDSTUK 19
Toegewijde dienst in liefde tot God
Wanneer men er steeds meer naar begint te verlangen om Kṛṣṇa lief te hebben in de speciale relatie die men met Hem heeft, wordt dit gezien als zuivere liefde tot God. In het begin houdt de toegewijde zich bezig met het volgen van de regulerende beginselen van de toegewijde dienst, zulks op last van zijn geestelijk leraar. Wanneer hij daardoor volkomen gereinigd is van alle stoffelijke smetten, raakt hij aan de toegewijde dienst gehecht en krijgt er de smaak van te pakken. Wanneer in de loop van de tijd deze smaak en gehechtheid geleidelijk sterker worden, gaan ze over in liefde. Het woord 'liefde' kan alleen met recht worden gebezigd in relatie tot de Godspersoon. In de stoffelijke wereld kan men totaal niet van liefde spreken. Wat daar liefde wordt genoemd is niets dan lust. Er bestaat een hemelsbreed verschil tussen liefde en lust, zoals er een hemelsbreed verschil is tussen goud en ijzer. In het Nārada Pañcarātra wordt duidelijk verklaard dat wanneer onze lust volkomen op de Allerhoogste Godspersoon wordt gericht en we ons door en door met Hem verwant voelen, zulks door grote autoriteiten als Bhīṣma, Prahlāda, Uddhava en Nārada als zuivere liefde tot God wordt beschouwd.
Een grote autoriteit als Bhīṣma heeft uitgelegd dat liefde tot God betekent dat men volkomen afstand doet van alle zogenaamde liefde voor wie dan ook. Volgens Bhīșma betekent liefde dat men zijn genegenheid volkomen op één persoon richt, waarbij men alle activiteit met anderen laat varen. Deze zuivere liefde kan slechts op de Allerhoogste Godspersoon worden overgedragen in twee gevallen: uit extase of door de grondeloze genade van de Allerhoogste Godspersoon Zelf.
Extase
Extatische liefde tot God kan met kracht worden wakker geroepen wanneer men slechts de regels en bepalingen van de toegewijde dienst volgt zoals ze in de Schriften zijn neergelegd, waarbij men de leiding van een bevoegd leraar aanvaardt. Het Śrīmad-Bhāgavatam (11.2.40) geeft een beschrijving van deze extatische liefde welke uit het verrichten van gereguleerde toegewijde dienst voortkomt:
"Wanneer een toegewijde bij het naleven van de regulerende beginselen van de toegewijde dienst zijn natuurlijke Kṛṣṇa-be-wustzijn in zich wakker roept, wordt hij teder van hart en chant en danst als een gek. Tijdens het chanten van de heilige naam van de Heer moet hij nu eens huilen, dan weer slaat hij wartaal uit en ook wel zingt hij en danst als een dolleman zonder zich van iemand wat aan te trekken."
"Wanneer een toegewijde bij het naleven van de regulerende beginselen van de toegewijde dienst zijn natuurlijke Kṛṣṇa-be-wustzijn in zich wakker roept, wordt hij teder van hart en chant en danst als een gek. Tijdens het chanten van de heilige naam van de Heer moet hij nu eens huilen, dan weer slaat hij wartaal uit en ook wel zingt hij en danst als een dolleman zonder zich van iemand wat aan te trekken."
De Padma Purāṇa bevat een verklaring over extatische liefde die uit spontane genegenheid geboren, wordt. Een vermaarde schoonheid, Candrakānti, hield zich strikt aan de gelofte van het celibaat, teneinde Kṛṣṇa tot echtgenoot te krijgen. Ze mediteerde onophoudelijk op de bovenzinnelijke gedaante van de Heer en bezong altijd Zijn heerlijkheid. Ze wilde niemand anders tot echtgenoot. Ze was vastbesloten alleen Heer Kṛṣṇa als haar echtgenoot te aanvaarden.
De bijzondere genade van de Heer
Wanneer men ziet dat een toegewijde altijd in extatische liefde met de Heer omgaat, dient men te begrijpen dat de Heer hem Zelf uit Zijn grondeloze buitengewone genade hiertoe de mogelijkheid biedt. Een voorbeeld van deze buitengewone genade vindt men in het Śrīmad-Bhāgavatam, (11,12.7) waarin Heer Kṛṣṇa tot Uddhava zegt:
“De gopī's in Vṛndāvana hadden zich niet met het onderzoek van de Veda's hoeven bezighouden om Mij tot man te kunnen krijgen. Noch waren ze ooit naar bedevaartsoorden op reis geweest. En ook hielden ze zich niet vroom aan het volgen van allerlei regels en bepalingen. Noch deden ze boete. Het is louter door Mijn omgang met hen dat ze de hoogste volmaaktheid van de toegewijde dienst hebben bereikt."
“De gopī's in Vṛndāvana hadden zich niet met het onderzoek van de Veda's hoeven bezighouden om Mij tot man te kunnen krijgen. Noch waren ze ooit naar bedevaartsoorden op reis geweest. En ook hielden ze zich niet vroom aan het volgen van allerlei regels en bepalingen. Noch deden ze boete. Het is louter door Mijn omgang met hen dat ze de hoogste volmaaktheid van de toegewijde dienst hebben bereikt."
Uit het voorbeeld van Candrakānti, dat men in de Padma Purāṇa vindt, en van de gopi's, in het Śrīmad-Bhāgavatam, blijkt dat een toegewijde die altijd aan Kṛṣṇa denkt en altijd in extatische liefde Zijn heerlijkheid bezingt, ongeacht de toestand waarin hij zich bevindt, door Heer Kṛṣṇa's bijzondere genade tot de hoogste volmaaktheid van ongerepte toegewijde liefde zal komen. Dit wordt bevestigd in het Śrīmad-Bhāgavatam:
"Als iemand Hari, de Opperheer, vereert, aanbidt en bemint, dient men te begrijpen dat hij alle vormen van boete en ascese, verricht om tot zelfverwerkelijking te komen, al achter de rug heeft. Als iemand echter allerlei vormen van ascese, boete en mystieke yoga beoefent en geen liefde tot Hari in zich ontwikkelt, moeten al zijn inspanningen als tijdverspilling worden beschouwd. Als iemand Kṛṣṇa altijd zowel binnen als buiten zich ziet, dient men te begrijpen dat hij alle vormen van boete en ascese met succes heeft beoefend. Maar als men na de beoefening van allerlei boete en ascese Kṛṣṇa niet altijd buiten en binnen zich kan zien, heeft men zich voor niets ingespannen."
"Als iemand Hari, de Opperheer, vereert, aanbidt en bemint, dient men te begrijpen dat hij alle vormen van boete en ascese, verricht om tot zelfverwerkelijking te komen, al achter de rug heeft. Als iemand echter allerlei vormen van ascese, boete en mystieke yoga beoefent en geen liefde tot Hari in zich ontwikkelt, moeten al zijn inspanningen als tijdverspilling worden beschouwd. Als iemand Kṛṣṇa altijd zowel binnen als buiten zich ziet, dient men te begrijpen dat hij alle vormen van boete en ascese met succes heeft beoefend. Maar als men na de beoefening van allerlei boete en ascese Kṛṣṇa niet altijd buiten en binnen zich kan zien, heeft men zich voor niets ingespannen."
Men kan de spontane aangetrokkenheid tot Kṛṣṇa, die aan de bijzondere genade van de Heer te danken heet te zijn, onder twee noemers brengen: enerzijds diepe verering voor de grootheid van de Heer, anderzijds spontane aangetrokkenheid zonder dat er wat anders aan te pas komt.
In het Nārada Pañcarātra wordt gezegd dat als men uit diepe verering voor de grootheid van de Opperheer grote genegenheid en standvastige liefde voor Hem ontwikkelt, men er zeker van kan zijn dat men de vier vormen van bevrijding verkrijgt welke de Vaişņava's kennen, namelijk dat men hetzelfde uiterlijk ontvangt als de Heer, dezelfde weelde, met de Heer op een en dezelfde planeet woont en eeuwig in Zijn gezelschap vertoeft. De verlossing van de Vaișņava's is totaal anders dan de verlossing van de Māyāvādī's, waarbij het er slechts om gaat dat men met de líchtgloed van de Heer versmelt.
In het Nārada Pañcarātra wordt gezegd dat als men uit diepe verering voor de grootheid van de Opperheer grote genegenheid en standvastige liefde voor Hem ontwikkelt, men er zeker van kan zijn dat men de vier vormen van bevrijding verkrijgt welke de Vaişņava's kennen, namelijk dat men hetzelfde uiterlijk ontvangt als de Heer, dezelfde weelde, met de Heer op een en dezelfde planeet woont en eeuwig in Zijn gezelschap vertoeft. De verlossing van de Vaișņava's is totaal anders dan de verlossing van de Māyāvādī's, waarbij het er slechts om gaat dat men met de líchtgloed van de Heer versmelt.
Het Nārada Pañcarātra schrijft zuivere, ongerepte toegewijde dienst als vrij van baatzuchtige oogmerken. Als een toegewijde voortdurend op Heer Kṛṣṇa verliefd is en zijn geest altijd op Hem gericht houdt, zal blijken dat zo'n toegewijde houding de enige manier is waarop men de aandacht van de Heer op zich vestigt. Dus een Vaișņava die onophoudelijk aan de gedaante van Heer Kṛṣṇa denkt dient als zuivere Vaişņava te worden aangemerkt.
Over het algemeen raakt een toegewijde die wegens zijn strikte volgen van de regels en bepalingen van de toegewijde dienst de grondeloze genade van de Heer ontvangen heeft aangetrokken door de verheven grootheid van de Heer, Zijn bovenzinnelijke schoonheid en het spontaan verrichten van toegewijde dienst. Uitdrukkelijker gesteld: wanneer men zich aan de regulerende bepalingen van de toegewijde dienst houdt, kan men volkomen oog krijgen voor de bovenzinnelijke schoonheid van de Heer. Dit verheven niveau bereikt men echter hoe dan ook slechts door de bijzondere genade van de Heer jegens de toegewijde.
Omgang met zuivere toegewijden
Hoewel Śrila Rūpa Gosvāmi al heel wat verschillende methoden om liefde tot God te ontwikkelen heeft uiteengezet, geeft hij ons nu een algemene beschrijving van de wijze waarop men het beste tot hoog niveau kan geraken. Extatische liefde tot God begint voornamelijk met geloof. Er zijn tal van gemeenschappen en groeperingen van zuivere toegewijden, en als iemand met slechts een beetje geloof omgang met leden van zo'n gemeenschap zoekt, stijgt hij snel op tot het niveau van zuivere toegewijde dienst. De invloed van een zuivere toegewijde is van dien aard, dat als iemand met een beetje geloof met hem in aanraking komt, deze de kans krijgt om uit gezaghebbende Schriften zoals de Bhagavad-gitā en het Śrīmad-Bhāgavatam over de Heer te horen. Zo ontwikkelt men door de genade van de Heer, die in ieders hart verblijft, geleidelijk geloof in de beschrijvingen door de gezaghebbende Schriften gegeven. Dat is de eerste fase die men doormaakt in de omgang met zuivere toegewijden. In de volgende, wanneer men ietwat gevorderd en gerijpt is, voelt men zich vanzelf bereid om onder leiding van de toegewijde de regels van de toegewijde dienst te volgen en hem als geestelijk leraar aan te nemen. Onder leiding van de geestelijk leraar komt de toegewijde in de volgende fase tot geregelde toegewijde dienst, en als gevolg hiervan raakt hij vrij van alle ongewenste activiteiten. Wanneer hij hier los van is gekomen wordt zijn geloof standvastig en krijgt hij de bovenzinnelijke smaak van de toegewijde dienst te pakken, waarna hij aan de Heer gehecht raakt, vervolgens extases beleeft, en tenslotte tot zuivere liefde voor God komt. Zo zijn er verschillende fasen van ontwikkeling naar de zuivere liefde.
Alleen mensen die zeer veel geluk hebben kunnen hun leven met dit volmaakte succes bekroond zien. Mensen die de Vedische Schriften slechts met academische belangstelling bestuderen hebben geen idee hoe zo'n toegewijde ontwikkeling zich in iemand voltrekt. In het Nārada Pañcarātra zegt Heer Śiva dan ook tot Pārvatī:
"Mijn lieve hoogste godin, neem van mij aan dat iedereen die tot de extase van de liefde tot de Allerhoogste Godspersoon is opgestegen en door die liefde altijd in bovenzinnelijke gelukzaligheid opgaat, niets meer ervaren kan van de materiële ellende of vreugde die lichaam en geest iemand bezorgen."
"Mijn lieve hoogste godin, neem van mij aan dat iedereen die tot de extase van de liefde tot de Allerhoogste Godspersoon is opgestegen en door die liefde altijd in bovenzinnelijke gelukzaligheid opgaat, niets meer ervaren kan van de materiële ellende of vreugde die lichaam en geest iemand bezorgen."
Genegenheid en de activiteiten van de liefde zijn verschillende takken van de oorspronkelijke boom der liefde, die zich verder vertakken in allerlei vormen van blijken van genegenheid, welke hier niet verder worden besproken. Deze verschillende liefdesblijken worden door Sanātana Gosvāmī beschreven in zijn Bhāgavatāmṛta . Hoewel ze een uiterst vertrouwelijk onderwerp van bespreking vormen, beschrijft Sanātana Gosvāmī ze zeer onomwonden.
Zo besluit Śrīla Rūpa Gosvāmī de eerste afdeling van de Bhakti-rasāmṛta-sindhu waarbij hij zijn verhandeling opdraagt aan het bovenzinnelijke genoegen van Sanātana Gosvāmī, die hem de feitelijkheid van de bovenzinnelijke schoonheid heeft laten inzien, en aan Gopāla Bhatta Gosvāmī, Srī Raghunātha Bhațța Gosvāmī en Raghunātha Dāsa Gosvāmī. Uit deze passage blijkt dat de grote Śrīla Jīva Gosvāmī, toen de Bhakti-rasāmrta-sindhu geschreven werd, nog niet actief optrad.
Aldus eindigt Bhaktivedanta's bewerking van het eerste deel van de Bhakti- rasāmṛta-sindhu, dat loopt tot aan de beschrijving van de extatische liefde tot God, welke thans volgt.