Default View
Dual Language View
HOOFDSTUK 20
Deel 2 - Bovenzinnelijke stemming
In dit tweede deel van de Bhakti-rasāmṛta-sindhu brengt de auteur zijn eerbiedige eerbetuigingen aan Sanātana. Men kan deze Sanātana zien hetzij als Śrī Kṛṣṇa Zelf, hetzij als Sanātana Gosvāmī, de oudere broer en geestelijk leraar van Rūpa Gosvāmī. Vat men Sanātana op als Srī Kṛṣṇa, dan gaan de eerbetuigingen naar Kṛṣṇa, omdat Hij van nature zo schoon is en omdat Hij de demon Agha heeft gedood. Vat men de naam op als betrekking hebbend op Sanātana Gosvāmī, dan moet dit zijn omdat hij Rūpa Gosvāmī's grote held was, altijd door hem gediend werd en een eind maakte aan het bedrijven van allerlei kwade activiteiten. In dit deel van de Bhakti-rasāmṛta-sindhu wil de auteur de algemene kenmerken beschrijven van de bovenzinnelijke smaak (de liefdesstemming) waarmee het verrichten van toegewijde dienst gepaard gaat.
Dit deeI van de Bhakti-rasāmṛta-sindhu behandelt vijf algemene onderwerpen:
1) vibhāva: bijzondere extase-symptomen, of oorzaken van extase;
2) anubhāva: daaropvolgende extase;
3) sāttvika-bhāva: wezenlijke of existentiële extase;
4) vyabhicāri-bhāva: agressieve extase;
5) sthāyi-bhāva: laaiende of voortdurende extase.
1) vibhāva: bijzondere extase-symptomen, of oorzaken van extase;
2) anubhāva: daaropvolgende extase;
3) sāttvika-bhāva: wezenlijke of existentiële extase;
4) vyabhicāri-bhāva: agressieve extase;
5) sthāyi-bhāva: laaiende of voortdurende extase.
Het in de Bhakti-rasāmṛta-sindhu gebezigde woord rasa kent uit-eenlopende vertalingen, aangezien het uiterst moeilijk is er in de Europese talen een exact equivalent voor te vinden.(1) Aangezien we onze geestelijk leraar het woord rasa met het Engelse woord 'mellow' hebben zien vertalen, zullen we zijn vóorbeeld volgen en het woord dezelfde vertaling geven.
(1) Noot van de vertaler van de Nederlandse uitgave: het woord rasa betekent letterlijk 'sap'; we omschrijven het bij gebrek aan beter nu eens met 'smaak', dan weer met 'stemming' of 'gemoedsgesteldheid'.
(1) Noot van de vertaler van de Nederlandse uitgave: het woord rasa betekent letterlijk 'sap'; we omschrijven het bij gebrek aan beter nu eens met 'smaak', dan weer met 'stemming' of 'gemoedsgesteldheid'.
De instelling of stemming van bijzondere liefde welke men bij de uitwisseling van genegenheidsblijken met de Allerhoogste Godspersoon geniet wordt rasa genoemd. Bij het samengaan van verschillende vormen van rasa kan men tot in de hoogste graad van bovenzinnelijke vervoering de smaak van de toegewijde dienst proeven. Naar het voorbeeld van Śrīla Rūpa Gosvāmī zullen we in dit deel voor zover mogelijk deze bovenzinnelijke extase beschrijven, hoewel ze onze persoonlijke ervaring te boven gaat.
Als men zijn activiteiten niet verrichten kan in een bepaalde stem-ming van liefde of genegenheid, kan men er niet lang mee doorgaan. Zo moet men ook in het bovenzinnelijk leven van het Kṛṣṇa-bewustzijn en de toegewijde dienst een bepaalde smaak of een zeker gevoel voor die dienst te pakken krijgen. Dit gebeurt doorgaans bij het chanten, het luisteren naar voorlezing uit de Schriften, de tempeldienst en de al-gemene dienst aan de Heer. Wanneer iemand bovenzinnelijke extase ervaart, heet het dat hij 'van de smaak geniet'. Duidelijkheidshalve dienen we te begrijpen dat de diverse gevoelens van geluk die men aan het verrichten van toegewijde dienst ontleent de verschillende vormen van 'smaak' van de toegewijde dienst worden genoemd.
Dit genieten van de bovenzinnelijke smaak van het verrichten van de toegewijde dienst kan niet door iedereen worden ervaren, omdat deze zoete liefdesstemming zich slechts kan ontwikkelen op basis van hetgeen men in zijn vorige leven deed of door omgang met ongerepte toegewijden. Zoals hierboven verklaard, luidt de omgang met zuivere toegewijden het begin van iemands geloof in de toegewijde dienst in. Alleen door in de omgang met een zuivere toegewijde tot zulk geloof te komen, of door in een vorig leven reeds toegewijde activiteiten te hebben verricht, kan men werkelijk van de smaak van de toegewijde dienst genieten. Met andere woorden: deze bovenzinnelijke gelukzaligheid valt niet te genieten door alleman, tenzij men het buitengewone geluk heeft dat men met toegewijden kan omgaan of dat men de toegewijde activiteiten van zijn vorig leven voortzet.
De geleidelijke ontwikkeling die men doormaakt tot aan de fase van toegewijde dienst wordt beschreven in het Śrīmad-Bhāgavatam (1.2.18):
"Het begin van alles is dat men in het gezelschap van toegewijden, die door omgang met andere toegewijden hun hart hebben gereinigd, over Heer Kṛṣṇa verneemt. Dit horen van de bovenzinnelijke activiteiten van de Heer zal ertoe leiden dat men altijd bovenzinnelijke gelukzaligheid ervaart."
In de Bhagavad-gitā (XVIII.54) wordt verder verklaard dat iemand die werkelijk tot geestelijk niveau is gekomen in de eerste plaats zal merken dat hij altijd vol vreugde is. Men bereikt deze vrolijke levensstaat door de manier waarop men reageert op het lezen van Bhagavad-gitā of Śrīmad-Bhāgavatam, of anders door de omgang met mensen die bijzonder in het geestelijk leven van het Kṛṣṇa-bewustzijn geïnteresseerd zijn, met name met hen die vastbesloten zijn zich de gunst van Govinda te verwerven door Zijn lotusvoeten bovenzinnelijke liefdedienst te bewijzen. Door dit vreugdegevoel aangemoedigd, ontwikkelt iemand die zich steeds aan het volgen van de regulerende beginselen van de toegewijde dienst houdt, teneinde de Allerhoogste Godspersoon voldoening te schenken, twee dwingende krachten in zichzelf, die beide vibhāva worden genoemd. Zo geniet men bovenzinnelijke gelukzaligheid. Deze drang tot liefde voor Kṛṣṇa kent uiteenlopende oorzaken,zoals Krșņa Zelf, de toegewijde van Kṛṣṇa, Kṛṣṇa 's fluitspel enz. Nu eens leiden ze tot liefde, dan weer blijft de liefde steken.
"Het begin van alles is dat men in het gezelschap van toegewijden, die door omgang met andere toegewijden hun hart hebben gereinigd, over Heer Kṛṣṇa verneemt. Dit horen van de bovenzinnelijke activiteiten van de Heer zal ertoe leiden dat men altijd bovenzinnelijke gelukzaligheid ervaart."
In de Bhagavad-gitā (XVIII.54) wordt verder verklaard dat iemand die werkelijk tot geestelijk niveau is gekomen in de eerste plaats zal merken dat hij altijd vol vreugde is. Men bereikt deze vrolijke levensstaat door de manier waarop men reageert op het lezen van Bhagavad-gitā of Śrīmad-Bhāgavatam, of anders door de omgang met mensen die bijzonder in het geestelijk leven van het Kṛṣṇa-bewustzijn geïnteresseerd zijn, met name met hen die vastbesloten zijn zich de gunst van Govinda te verwerven door Zijn lotusvoeten bovenzinnelijke liefdedienst te bewijzen. Door dit vreugdegevoel aangemoedigd, ontwikkelt iemand die zich steeds aan het volgen van de regulerende beginselen van de toegewijde dienst houdt, teneinde de Allerhoogste Godspersoon voldoening te schenken, twee dwingende krachten in zichzelf, die beide vibhāva worden genoemd. Zo geniet men bovenzinnelijke gelukzaligheid. Deze drang tot liefde voor Kṛṣṇa kent uiteenlopende oorzaken,zoals Krșņa Zelf, de toegewijde van Kṛṣṇa, Kṛṣṇa 's fluitspel enz. Nu eens leiden ze tot liefde, dan weer blijft de liefde steken.
Er zijn acht bovenzinnelijke symptomen die zich tijdens extase lichamelijk voordoen, en ze kunnen slechts tot ontwikkeling komen wanneer verschillende van de bovenvermelde vijf vormen van extase met elkaar samengaan. Zonder samengaan van enige van deze vijf extatische principes kan men geen bovenzinnelijke gelukzaligheid genieten.
De aanzet tot of de grondslag van het genieten van de bovenzinne-lijke smaak wordt vibhāva genoemd. De vibhāva wordt in tweeën onderscheiden, namelijk wezenlijk en acuut. Er zijn dus twee soorten extatische liefde. Heer Kṛṣṇa is voorwerp van wezenlijke extatische liefde, en zijn zuivere toegewijde, die een bron van zulke liefde is, is het voorwerp van acute extatische liefde. Acute extatische liefde is dus die liefde welke zich ontwikkelt wanneer men in aanraking komt met iets wat of iemand die aan Kṛṣṇa doet denken.
Heer Kṛṣṇa, de eigenaar van onvoorstelbare vermogens en eigen-schappen in de sfeer van bovenzinnelijke kennis en gelukzaligheid, is de grondoorzaak van de extatische liefde. Heer Kṛṣṇa is ook de bron van extatische liefde door tussenkomst van Zijn verschillende avatāra's en expansies. Een verklaring in het Śrīmad-Bhāgavatam in verband met het brahma-vimohana-līlā geeft iets te zien van het acute aspect van de extatische liefde. Toen Kṛṣṇa Zich in tal van koeienjongens, kalveren en koeien geëxpandeerd had om Brahmā te misleiden, stond Zijn oudere broer Śrī Baladeva (een ter wille expansie van Kṛṣṇa Zelf) versteld en sprak:
"Wat schitterend dat mijn extatische liefde voor Kṛṣṇa opeens naar al die koeienjongens, kalveren en koeien uitgaat!"
Dit feit sloeg hem met verbijstering. Hier zien we hoe Kṛṣṇa Zelf zowel voorwerp als bron van extatische liefde is in acute vibhāva.
"Wat schitterend dat mijn extatische liefde voor Kṛṣṇa opeens naar al die koeienjongens, kalveren en koeien uitgaat!"
Dit feit sloeg hem met verbijstering. Hier zien we hoe Kṛṣṇa Zelf zowel voorwerp als bron van extatische liefde is in acute vibhāva.