Default View
Dual Language View
HOODFSTUK 21
Eigenschappen van Śrī Kṛṣṇa
Kṛṣṇa's persoonlijke aspect kan in tweeën worden onderscheiden: verhuld en onverhuld. Wanneer Krsņa op verschillende wijzen gekleed gaat, is Zijn persoonlijke aspekt verhuld. Van dit verhulde persoonlijke aspect geeft het Śrīmad-Bhāgavatam een voorbeeld in verband met Zijn Dvārakā-līlā (Zijn leven als koning van Dvārakā). Soms kleedde Heer Kṛṣṇa Zich in Zijn spel aan als vrouw. Toen Uddhava Hem eens zo zag, zei hij:
"Wat prachtig dat deze vrouw mijn extatische liefde net zo opwekt als Heer Kṛṣṇa. Ik denk dat ze Heer Kṛṣṇa in vrouwenkleren is!"
"Wat prachtig dat deze vrouw mijn extatische liefde net zo opwekt als Heer Kṛṣṇa. Ik denk dat ze Heer Kṛṣṇa in vrouwenkleren is!"
Een toegewijde verheerlijkte de lichamelijke schoonheid van Kṛṣṇa toen hij de Heer in Zijn onverhulde persoonlijke aspect aanschouwde met de volgende uitroep:
"Wat is Heer Kṛṣṇa mooil Zijn hals lijkt net een schelphoorn! Zijn ogen zijn zo schitterend, alsof ze de schoonheid van een lotus weerspiegelen. Zijn lichaam is heel donker als de tamāla-boom. Zijn hoofd wordt beschut door een baldakijn van haar. Zijn borst laat het śrivatsa-teken zien en in Zijn hand houdt Hij Zijn schelp-hoorn. Met al deze lichamelijke schoonheid streelt de vijand van de demon Madhu mijn oog zo zeer, dat ik door alleen maar Zijn bovenzinnelijke kenmerken te aanschouwen me met bovenzinnlijke gelukzaligheid gezegend voel."
"Wat is Heer Kṛṣṇa mooil Zijn hals lijkt net een schelphoorn! Zijn ogen zijn zo schitterend, alsof ze de schoonheid van een lotus weerspiegelen. Zijn lichaam is heel donker als de tamāla-boom. Zijn hoofd wordt beschut door een baldakijn van haar. Zijn borst laat het śrivatsa-teken zien en in Zijn hand houdt Hij Zijn schelp-hoorn. Met al deze lichamelijke schoonheid streelt de vijand van de demon Madhu mijn oog zo zeer, dat ik door alleen maar Zijn bovenzinnelijke kenmerken te aanschouwen me met bovenzinnlijke gelukzaligheid gezegend voel."
Na raadpleging van de verschillende Schriften zette Śrila Rūpa Gosvāmī de bovenzinnelijke eigenschappen van de Heer als volgt op een rij:
1) uiterlijk volmaakt schoon;
2) van alle gunstige tekenen voorzien;
3) uiterst aantrekkelijk;
4) stralend;
5) sterk;
6) eeuwig jeugdig;
7) alle talen sprekend;
8) waarheidlievend;
9) zoetgevooisd;
10) wellevend;
11)hooggeleerd;
12) hoogst intelligent;
13) geniaal;
14) artistiek;
15) schrander;
16) deskundig;
17) dankbaar;
18) vastberaden;
19) in staat om tijd en omstandigheden precies naar Zijn hand te zetten;
20) ziend en sprekend door het oog van de Schriften;
21) zuiver;
22)beheerst;
23) standvastig;
24) verdraagzaam;
25) vergevingsgezind;
26) ernstig;
27) in Zichzelf voldaan;
28) evenwichtig;
29) grootmoedig;
30) religieus;
31) heldhaftig;
32) mededogend;
33) eerbiedig;
34) zachtmoedig;
35) ruimdenkend;
36) verlegen;
37) de zielen die zich aan Hem overgeven beschermend;
38) gelukkig;
39) Zijn toegewijde begunstigend;
40) door liefde bedwongen;
41) al-heilrijk;
42) almachtig;
43) al-roemrijk;
44) populair;
45) de toegewijden bijzonder toegedaan;
46) uiterst aantrekkelijk voor alle vrouwen;
47) al-aanbiddelijk;
48) vervuld van alle volheden;
49) al-eerwaardig;
50) alles als Hoogste besturend.
1) uiterlijk volmaakt schoon;
2) van alle gunstige tekenen voorzien;
3) uiterst aantrekkelijk;
4) stralend;
5) sterk;
6) eeuwig jeugdig;
7) alle talen sprekend;
8) waarheidlievend;
9) zoetgevooisd;
10) wellevend;
11)hooggeleerd;
12) hoogst intelligent;
13) geniaal;
14) artistiek;
15) schrander;
16) deskundig;
17) dankbaar;
18) vastberaden;
19) in staat om tijd en omstandigheden precies naar Zijn hand te zetten;
20) ziend en sprekend door het oog van de Schriften;
21) zuiver;
22)beheerst;
23) standvastig;
24) verdraagzaam;
25) vergevingsgezind;
26) ernstig;
27) in Zichzelf voldaan;
28) evenwichtig;
29) grootmoedig;
30) religieus;
31) heldhaftig;
32) mededogend;
33) eerbiedig;
34) zachtmoedig;
35) ruimdenkend;
36) verlegen;
37) de zielen die zich aan Hem overgeven beschermend;
38) gelukkig;
39) Zijn toegewijde begunstigend;
40) door liefde bedwongen;
41) al-heilrijk;
42) almachtig;
43) al-roemrijk;
44) populair;
45) de toegewijden bijzonder toegedaan;
46) uiterst aantrekkelijk voor alle vrouwen;
47) al-aanbiddelijk;
48) vervuld van alle volheden;
49) al-eerwaardig;
50) alles als Hoogste besturend.
De Allerhoogste Godspersoon bezit al deze vijftig bovenzinnelijke eigenschappen even vol en diep als de oceaan. Kortom: de reikwijdte van Zijn eigenschappen laat zich niet beschrijven.
Als deeltjes van de Opperheer kunnen de individuele wezens al deze eigenschappen eveneens bezitten, zij het in zeer kleine omvang, mits ze zuivere toegewijden van de Heer worden. Alle bovengenoemde bovenzinnelijke eigenschappen kunnen dus in toegewijden in geringe omvang aanwezig zijn, terwijl ze altijd volkomen aanwezig zijn in de Allerhoogste Godspersoon.
Als deeltjes van de Opperheer kunnen de individuele wezens al deze eigenschappen eveneens bezitten, zij het in zeer kleine omvang, mits ze zuivere toegewijden van de Heer worden. Alle bovengenoemde bovenzinnelijke eigenschappen kunnen dus in toegewijden in geringe omvang aanwezig zijn, terwijl ze altijd volkomen aanwezig zijn in de Allerhoogste Godspersoon.
Naast deze eigenschappen zijn er andere, welke Heer Śiva in de Padma Purāṇa voor Pārvatī opnoemt en die de godin van de aarde en de Heer der religie, Yamarāja, tijdens een gesprek dat beschreven staat in het eerste canto van het Śrīmad-Bhāgavatam, te berde brengen. Het heet daar:
"Mensen die tot grote persoonlijkheden willen uitgroeien dienen verlucht te zijn met de volgende eigenschappen: waarheidlievendheid, reinheid, genade, volharding, verzaking, vreedzaamheid, eenvoud, zinsbeteugeling, geestelijk evenwicht, soberheid, gelijk-gezindheid, verdraagzaamheid, onverstoorbaarheid, geleerdheid, kennis, rijkdom, ridderlijkheid, invloedrijkheid, kracht, herinneringsvermogen, onafhankelijkheid, takt, heerlijkheid, geduld, welsprekendheid, ernst, standvastigheid, trouw, roem, eerbied en vrijheid van eigenwaan."
Mensen die grote zielen willen worden kunnen het niet zonder boven-genoemde kwaliteiten stellen, dus dit schenkt ons de zekerheid dat deze eigenschappen ook aangetroffen moeten worden in Heer Kṛṣṇa, de hoogste van alle zielen.
"Mensen die tot grote persoonlijkheden willen uitgroeien dienen verlucht te zijn met de volgende eigenschappen: waarheidlievendheid, reinheid, genade, volharding, verzaking, vreedzaamheid, eenvoud, zinsbeteugeling, geestelijk evenwicht, soberheid, gelijk-gezindheid, verdraagzaamheid, onverstoorbaarheid, geleerdheid, kennis, rijkdom, ridderlijkheid, invloedrijkheid, kracht, herinneringsvermogen, onafhankelijkheid, takt, heerlijkheid, geduld, welsprekendheid, ernst, standvastigheid, trouw, roem, eerbied en vrijheid van eigenwaan."
Mensen die grote zielen willen worden kunnen het niet zonder boven-genoemde kwaliteiten stellen, dus dit schenkt ons de zekerheid dat deze eigenschappen ook aangetroffen moeten worden in Heer Kṛṣṇa, de hoogste van alle zielen.
Naast alle bovengenoemde vijftig eigenschappen heeft Heer Kṛṣṇa er vijf andere, die men ook wel gedeeltelijk aantreft bij Heer Brahmā of Heer Śiva. Hij is:
51) onveranderlijk;
52)alwetend;
53)eeuwig fris;
54) sac-cid-ānanda (voorzien van een eeuwig gelukzalige gedaante);
55) in het bezit van alle mystieke volmaaktheden.
51) onveranderlijk;
52)alwetend;
53)eeuwig fris;
54) sac-cid-ānanda (voorzien van een eeuwig gelukzalige gedaante);
55) in het bezit van alle mystieke volmaaktheden.
Dan heeft Kṛṣṇa nog eens vijf eigenschappen die men ook van Nārāyaņa kent, en wel als volgt:
56) Zijn vermogen is onvoorstelbaar;
57) Zijn gedaante verwekt talloze heelallen;
58) Hij is de oorsprong van alle avatāra's;
59) Hij schenkt verlossing aan de vijanden die Hij doodt;
60) Hij trekt de verloste zielen tot Zich aan.
56) Zijn vermogen is onvoorstelbaar;
57) Zijn gedaante verwekt talloze heelallen;
58) Hij is de oorsprong van alle avatāra's;
59) Hij schenkt verlossing aan de vijanden die Hij doodt;
60) Hij trekt de verloste zielen tot Zich aan.
Al deze bovenzinnelijke eigenschappen treft men op schitterende wijze aan in het persoonlijke aspect van Heer Kṛṣṇa.
Naast deze zestig bovenzinnelijke eigenschappen bezit Kṛṣṇa vier unieke kenmerken, die men zelfs niet bij de Godspersoon Nārāyaṇa vindt, laat staan bij de goden of andere wezens. Het zijn de volgende:
61) Zijn fantastische activiteiten;
62) het feit dat Hij omringd is door toegewijden die Hem lief-hebben;
63) het feit dat Hij met Zijn fluitspel alle wezens in het heelal tot Zich weet aan te trekken;
64) Zijn exquise schoonheid.
Naast deze zestig bovenzinnelijke eigenschappen bezit Kṛṣṇa vier unieke kenmerken, die men zelfs niet bij de Godspersoon Nārāyaṇa vindt, laat staan bij de goden of andere wezens. Het zijn de volgende:
61) Zijn fantastische activiteiten;
62) het feit dat Hij omringd is door toegewijden die Hem lief-hebben;
63) het feit dat Hij met Zijn fluitspel alle wezens in het heelal tot Zich weet aan te trekken;
64) Zijn exquise schoonheid.
Met deze vier kenmerken, die alleen Kṛṣṇa toebehoren, aan de rij toegevoegd, zien we dat het totale aantal eigenschappen van Kṛṣṇa vierenzestíg bedraagt. Śrīla Rūpa Gosvāmi haalt uit verschillende Schriften tekstplaatsen aan die beschrijvingen geven van al deze vierenzestig eigenschappen welke in de Persoon van de Opperheer worden aangetroffen.
1. Uiterlijk volmaakt schoon
Een vergelijking van de verschillende lichaamsdelen van de Heer met diverse materiële zaken blijft in onvolledigheid steken. Materiële vergelijkingen worden hier dan ook slechts gebruikt om gewone mensen, die niet kunnen begrijpen hoe verheven de lichamelijke kenmerken van de Heer zijn, een kans te geven er íets van te snappen. Het heet dat Kṛṣṇa's gezicht zo mooi is als de maan, dat Zijn dijen zo sterk zijn als olifantenslurven, dat Zijn armen als twee zuilen zijn, Zijn handpalmen als open lotusbloemen, Zijn borst als een poort, Zijn heupen als holen en Zijn middel als een glooiend terras.
2. Van alle gunstige tekenen voorzien
Er zijn bepaalde kenmerken aan verschillende ledematen die als zeer gunstig worden beschouwd en geheel aanwezig zijn in het lichaam van Kṛṣṇa. In dit verband zegt een vriend van Nanda Mahārāja:
"Beste koning van de koeherders, ik zie wel tweeëndertig gun-stige tekenen aan het lichaam van uw zoon! Ik vraag me werkelijk af hoe zo'n jongen onder koeherders geboren is kunnen worden."
De avatāra's van Heer Krsņa verschijnen doorgaans in een kṣatriya (vorstelijke) familie, zoals in het geval van Heer Rāmacandra, en soms in een brahmaanse familie. Kṛṣṇa Zelf speelde echter de rol van de zoon van Mahārāja Nanda, die tot de vaiśya-stand behoorde. Vaiśya’s dienen zich bezig te houden met handel, landbouw en koeienbescherming. Daarom is het mogelijk dat Nanda's vriend, die misschien tot een brahmaanse familie behoorde, zich erover verbaasde hoe zo'n verheven kind onder vaisya's geboren had kunnen worden. Hoe dan ook wees hij de pleegvader van de jongen op de gunstige tekenen die Zijn lichaam te zien gaf.
"Beste koning van de koeherders, ik zie wel tweeëndertig gun-stige tekenen aan het lichaam van uw zoon! Ik vraag me werkelijk af hoe zo'n jongen onder koeherders geboren is kunnen worden."
De avatāra's van Heer Krsņa verschijnen doorgaans in een kṣatriya (vorstelijke) familie, zoals in het geval van Heer Rāmacandra, en soms in een brahmaanse familie. Kṛṣṇa Zelf speelde echter de rol van de zoon van Mahārāja Nanda, die tot de vaiśya-stand behoorde. Vaiśya’s dienen zich bezig te houden met handel, landbouw en koeienbescherming. Daarom is het mogelijk dat Nanda's vriend, die misschien tot een brahmaanse familie behoorde, zich erover verbaasde hoe zo'n verheven kind onder vaisya's geboren had kunnen worden. Hoe dan ook wees hij de pleegvader van de jongen op de gunstige tekenen die Zijn lichaam te zien gaf.
Hij vervolgde:
"Hij vertoont een rode gloed op zeven plekken - Zijn ogen, Zijn handpalmen, Zijn voetzolen, Zijn verhemelte, Zijn lippen, Zijn tong en Zijn navel. Een rode glans op deze zeven plekken wordt als zeer gunstig beschouwd. Drie delen van Zijn lichaam zijn heel breed: Zijn heupen, Zijn voorhoofd en Zijn borst. Drie delen van Zijn lichaam zijn kort: Zijn hals, dijen en geslachtsdeel. Drie dingen zijn bij Hem zeer diep: Zijn stem, Zijn intelligentie en Zijn navel. Vijf delen van Zijn lichaam zijn hoog: Zijn neus, armen, oren, voorhoofd en dijen. Vijf dingen aan Zijn lichaam zijn fijn - Zijn huid, hoofdhaar en lichaamshaar, Zijn tanden en vingertoppen. Al deze gunstige lichamelijke tekenen bij elkaar vindt men alleen bij grote persoonlijkheden."
"Hij vertoont een rode gloed op zeven plekken - Zijn ogen, Zijn handpalmen, Zijn voetzolen, Zijn verhemelte, Zijn lippen, Zijn tong en Zijn navel. Een rode glans op deze zeven plekken wordt als zeer gunstig beschouwd. Drie delen van Zijn lichaam zijn heel breed: Zijn heupen, Zijn voorhoofd en Zijn borst. Drie delen van Zijn lichaam zijn kort: Zijn hals, dijen en geslachtsdeel. Drie dingen zijn bij Hem zeer diep: Zijn stem, Zijn intelligentie en Zijn navel. Vijf delen van Zijn lichaam zijn hoog: Zijn neus, armen, oren, voorhoofd en dijen. Vijf dingen aan Zijn lichaam zijn fijn - Zijn huid, hoofdhaar en lichaamshaar, Zijn tanden en vingertoppen. Al deze gunstige lichamelijke tekenen bij elkaar vindt men alleen bij grote persoonlijkheden."
Ook lijnen in de hand kunnen als gunstige lichamelijke tekenen worden gezien. In dit verband liet een oude gopī Koning Nanda weten:
"Uw zoon heeft allerlei prachtige lijnen in Zijn handpalmen. Er staan tekens in zoals lotusbloemen en cirkels, en op Zijn voetzolen zie je een vlag, een bliksemschicht, een vis, een olifanten-stok en een lotus. Kijk toch eens hoe gunstig al die tekens zijn!"
"Uw zoon heeft allerlei prachtige lijnen in Zijn handpalmen. Er staan tekens in zoals lotusbloemen en cirkels, en op Zijn voetzolen zie je een vlag, een bliksemschicht, een vis, een olifanten-stok en een lotus. Kijk toch eens hoe gunstig al die tekens zijn!"
3. Uiterst aantrekkelijk
Fraaie lichaamskenmerken die vanzelf de aandracht trekken worden rucira, oogstrelend, genoemd. Krsņa bezit in Zijn persoonlijk voorkomen dit rucira-aspect. Hierover wordt een verklaring gegeven in het Śrīmad-Bhāgavatam (3.2.13):
"Fraai uitgedost, verscheen de Allerhoogste Godspersoon ten tonele tijdens Koning Yudhiṣṭhira's Rājasūya-offer. Alle belang-rijke personen uit de verschillende delen van het universum waren voor deze offerplechtigheid uitgenodigd, en toen ze Kṛṣṇa daar zagen verschijnen, vonden ze dat de Schepper bij het maken van Krsņa’s gedaante Zijn kunnen met meesterschap had bekroond."
"Fraai uitgedost, verscheen de Allerhoogste Godspersoon ten tonele tijdens Koning Yudhiṣṭhira's Rājasūya-offer. Alle belang-rijke personen uit de verschillende delen van het universum waren voor deze offerplechtigheid uitgenodigd, en toen ze Kṛṣṇa daar zagen verschijnen, vonden ze dat de Schepper bij het maken van Krsņa’s gedaante Zijn kunnen met meesterschap had bekroond."
Het heet dat acht delen van de bovenzinnelijke gedaante van Krsņa op de lotus lijken, namelijk Zijn gezicht, Zijn beide ogen, Zijn twee handen, Zijn navel en Zijn beide voeten. De gopi's en inwoners van Vṛndāvana zagen deze lotusglans altijd en konden hun ogen er nauwelijks van afhouden.
4. Stralend
De gloed waarvan het ganse heelal doordrongen is wordt geacht het stralend licht te zijn dat van de Allerhoogste Godspersoon uitgaat. Uit de verheven woning van Kṛṣṇa straalt onophoudelijk het licht dat men als brahmajyoti kent, en deze gloed emaneert uit Zijn lichaam.
De schittering van de juwelenmassa op de borst van de Heer kan zelfs de stralengloed van de zon tenietdoen, maar wanneer de gloed van deze juwelen vergeleken wordt met de glans van het lichaam van de Heer, verbleekt hij tot de helderheid van het vale sterrenschijnsel aan de hemel. Daarom is de bovenzinnelijke lichtstraling van Kṛṣṇa zo groot, dat niets of niemand ervan terug heeft. Toen Kṛṣṇa binnentrad in de arena van Zijn vijand, Koning Kamsa, waren de worstelaars,ook al zagen ze dat Śrī Kṛṣṇa's lichaam zeer zacht was, bang en verward bij de gedachte dat ze de strijd met Hem zouden moeten aanbinden.
5. Sterk
Iemand van buitengewone lichamelijke kracht wordt baliyān ge-noemd. Toen Krșņa Arișțāsura doodde, zeiden enkele gopi's:
"Lieve vriendinnen, kijk toch eens hoe Kṛṣṇa Arișțāsura heeft gedood! Al was Arișțāsura sterker dan een berg, toch raapte Kṛṣṇa hem op alsof hij een katoenpluisje was en gooide hem moeiteloos weg!"
In een andere tekstpassage heet het:
"O dierbare toegewijden van Heer Kṛṣṇa, moge Zijn linkerhand, die de heuvel Govardhana als een balletje van de grond raapte, jullie voor alle gevaar behoeden."
"Lieve vriendinnen, kijk toch eens hoe Kṛṣṇa Arișțāsura heeft gedood! Al was Arișțāsura sterker dan een berg, toch raapte Kṛṣṇa hem op alsof hij een katoenpluisje was en gooide hem moeiteloos weg!"
In een andere tekstpassage heet het:
"O dierbare toegewijden van Heer Kṛṣṇa, moge Zijn linkerhand, die de heuvel Govardhana als een balletje van de grond raapte, jullie voor alle gevaar behoeden."
6. Eeuwig jeugdig
Kṛṣṇa is in al Zijn levensfasen, namelijk als kind, jongen en jonge man, even mooi. Van deze drie fasen is die van jonge man de bron van alle vreugde. In deze fase kan Kṛṣṇa ook met de meest uiteenlopende vormen van toegewijde dienst worden benaderd. Als jonge man is Kṛṣṇa vervuld van alle bovenzinnelijke eigenschappen en gaat op in Zijn bovenzinnelijk spel en vermaak. Toegewijden beschouwen het begin van deze levensperiode als jonge man dan ook als het aantrekkelijkst voor iemand die Kṛṣṇa in extatische liefde bemint.
Op deze leeftijd wordt Kṛṣṇa als volgt beschreven:
"De kracht van Krşņa's jeugd ging gepaard aan Zijn schone lach, die zelfs de schoonheid van de volle maan in het niet deed zinken. Hij was altijd prachtig gekleed en zag er mooier uit dan de liefdesgod, terwijl Hij steeds de aandacht van de gopi's trok, die daarbij de hele tijd straalden van vreugde."
"De kracht van Krşņa's jeugd ging gepaard aan Zijn schone lach, die zelfs de schoonheid van de volle maan in het niet deed zinken. Hij was altijd prachtig gekleed en zag er mooier uit dan de liefdesgod, terwijl Hij steeds de aandacht van de gopi's trok, die daarbij de hele tijd straalden van vreugde."
7. Alle talen sprekend
Rūpa Gosvāmī zegt dat iemand die de talen van verschillende landen kent, vooral het Sanskrit, dat in de steden van de goden gesproken wordt, alsook alle andere talen van de wereld met inbegrip van de dierentalen, een talenwonder wordt genoemd. Uit deze verklaring, die op Krşņa betrekking eeft, blijkt dat Krşņa ook de taal van de dieren kan verstaan. Een oude vrouw in Vṛndāvana die Kṛṣṇa's spel en vermaak meemaakte zei eens verrast:
"Hoe geweldig is het dat Krsņa, die Heer en Meester van de harten van alle meisjes van Vrajabhūmi is, de taal van Vrajabhūmi zo goed met de gopi's kan spreken, terwijl Hij in het Sanskrit met de goden spreekt en in de dierentaal zelfs met de koeien en buffels! En Kṛṣṇa weet Zich ook zo goed uit te drukken in de taal van de provincie Kashmir en van de papegaaien en andere vogels en ook in de meeste gewone talen!" Ze vroeg de gopī's hoe Krșņa al die verschillende talen zo goed had leren spreken.
"Hoe geweldig is het dat Krsņa, die Heer en Meester van de harten van alle meisjes van Vrajabhūmi is, de taal van Vrajabhūmi zo goed met de gopi's kan spreken, terwijl Hij in het Sanskrit met de goden spreekt en in de dierentaal zelfs met de koeien en buffels! En Kṛṣṇa weet Zich ook zo goed uit te drukken in de taal van de provincie Kashmir en van de papegaaien en andere vogels en ook in de meeste gewone talen!" Ze vroeg de gopī's hoe Krșņa al die verschillende talen zo goed had leren spreken.
8. Waarheidlievend
Iemand die zich altijd aan zijn woord houdt wordt waarheidlievend genoemd.
Krşņa beloofde Kuntī, de moeder van de Pāṇḍava’s, dat Hij haar vijf zoons terug zou brengen van het Slagveld van Kurukşetra. Toen de Pāṇḍavas na de slag allemaal naar huis waren teruggekeerd, prees Kuntī Kṛṣṇa omdat Hij Zich zo fraai aan Zijn belofte had gehouden. Ze zei:
"De zon zal eerder koud worden en de maan heet dan dat Jij Je niet aan Je beloften houdt."
Toen Kṛṣṇa samen met Bhīma en Arjuna naar Jarāsandha ging om hem uit te dagen tot de strijd, zei Hij Jarāsandha onomwonden dat Hij de eeuwige Kṛṣṇa was, die daar met twee van de Pāņdava's voor hem verschenen was. Het verhaal vertelt dat zowel Kṛṣṇa als de Pāņdava's, Bhima en Arjuna in dit geval, kṣatriya's (krijgersvorsten) waren. Jarāsandha was ook kṣatriya en bedacht de brāhmaņa's altijd met zeer royale giften. Daarom ging Kṛṣṇa, die van zins was korte metten met Jarāsandha te maken, met Bhīma en Arjuna als brāhmana verkleed naar hem toe. In zijn vrijgevigheid vroeg Jarāsandha de pseudo- de brāhmaņa's wat hij voor hen kon doen, en zij lieten hem weten dat ze met hem wilden vechten. Op dat moment verklaarde Kṛṣṇa, in Zijn brahmaanse uitdossing, dat Hij dezelfde Kṛṣṇa was die de koning als zijn eeuwige aartsvijand beschouwde.
Krşņa beloofde Kuntī, de moeder van de Pāṇḍava’s, dat Hij haar vijf zoons terug zou brengen van het Slagveld van Kurukşetra. Toen de Pāṇḍavas na de slag allemaal naar huis waren teruggekeerd, prees Kuntī Kṛṣṇa omdat Hij Zich zo fraai aan Zijn belofte had gehouden. Ze zei:
"De zon zal eerder koud worden en de maan heet dan dat Jij Je niet aan Je beloften houdt."
Toen Kṛṣṇa samen met Bhīma en Arjuna naar Jarāsandha ging om hem uit te dagen tot de strijd, zei Hij Jarāsandha onomwonden dat Hij de eeuwige Kṛṣṇa was, die daar met twee van de Pāņdava's voor hem verschenen was. Het verhaal vertelt dat zowel Kṛṣṇa als de Pāņdava's, Bhima en Arjuna in dit geval, kṣatriya's (krijgersvorsten) waren. Jarāsandha was ook kṣatriya en bedacht de brāhmaņa's altijd met zeer royale giften. Daarom ging Kṛṣṇa, die van zins was korte metten met Jarāsandha te maken, met Bhīma en Arjuna als brāhmana verkleed naar hem toe. In zijn vrijgevigheid vroeg Jarāsandha de pseudo- de brāhmaņa's wat hij voor hen kon doen, en zij lieten hem weten dat ze met hem wilden vechten. Op dat moment verklaarde Kṛṣṇa, in Zijn brahmaanse uitdossing, dat Hij dezelfde Kṛṣṇa was die de koning als zijn eeuwige aartsvijand beschouwde.
9. Zoetgevooisd
Iemand die zoet weet te spreken, zelfs tot zijn vijand, teneinde hem gerust te stellen, wordt een zoetgevooisde spreker genoemd. Kṛṣṇa was zo zoetgevooisd, dat Hij, nadat Hij Zijn vijand Kāliya in het water van de Yamunā verslagen had, tot hem zei:
"Mijn beste slangenkoning, Ik heb u weliswaar behoorlijk pijn gedaan, maar wees daarover alstublieft niet ontstemd. Het is Mijn plicht deze koeien te beschermen, die zelfs door de goden worden aanbeden. Het was slechts om hen van het gevaar van uw aanwezigheid te redden dat Ik u van hier moet verdrijven."
"Mijn beste slangenkoning, Ik heb u weliswaar behoorlijk pijn gedaan, maar wees daarover alstublieft niet ontstemd. Het is Mijn plicht deze koeien te beschermen, die zelfs door de goden worden aanbeden. Het was slechts om hen van het gevaar van uw aanwezigheid te redden dat Ik u van hier moet verdrijven."
Kāliya woonde in het water van de Yamunā en daardoor was het stroomafwaarts vergiftigd. Als gevolg hiervan waren vele koeien die in
de rivier gedronken hadden doodgegaan. Kṛṣṇa, die in die tijd slechts vier of vijf jaar oud was, dook in de stroom, gaf Kāliya een geduchte afstraffing en verzocht hem zijn intrek elders te nemen.
de rivier gedronken hadden doodgegaan. Kṛṣṇa, die in die tijd slechts vier of vijf jaar oud was, dook in de stroom, gaf Kāliya een geduchte afstraffing en verzocht hem zijn intrek elders te nemen.
Kṛṣṇa voerde aan dat de koeien zelfs door de goden worden geëerd en gaf persoonlijk het voorbeeld, hoe men de koeien behoort te beschermen. Mensen die zich in Kṛṣṇa-bewustzijn bevinden dienen dit voorbeeld van de Heer beslist te volgen en de koeien alle mogelijke bescherming te bieden. Koeien worden niet alleen door de goden aanbeden. Kṛṣṇa Zelf vereerde de koeien bij verschillende gelegenheden, met name tijdens feestdagen als gopāștamī en govardhana-pūjā.
10. Wellevend
Iemand die op veelzeggende wijze en uiterst beleefd en blijk gevend van goede eigenschappen weet te spreken wordt vāvadūka genoemd. Het Śrīmad-Bhāgavatam geeft een fraai staaltje van deze wellevende manier van spreken van Kṛṣṇa. Toen Kṛṣṇa Zijn vader, Nanda Mahārāja, beleefd verzocht het rituele offer aan de regengod, Indra, te beëindigen, raakte een koeherdersvrouw uit het dorp in de ban van zijn manier van spreken. Later beschreef ze Krsņa's optreden aan haar vriendinnen als volgt:
"Kṛṣṇa sprak zo wellevend en zachtmoedig tot Zijn vader, dat het leek alsof Hij nectar in het oor van alle aanwezigen goot. Als je Kṛṣṇa zo zoet hoort praten - hoe zul je dan niet tot Hem aangetrokken raken?"
"Kṛṣṇa sprak zo wellevend en zachtmoedig tot Zijn vader, dat het leek alsof Hij nectar in het oor van alle aanwezigen goot. Als je Kṛṣṇa zo zoet hoort praten - hoe zul je dan niet tot Hem aangetrokken raken?"
Kṛṣṇa's manier van spreken, die alle goede eigenschappen van het universum vertoont, wordt door Uddhava als volgt beschreven:
"Kṛṣṇa 's woorden zijn zo bekoorlijk, dat ze zelfs het hart van een tegenstander op slag kunnen veranderen. Zijn woorden kunnen onmiddellijk alle vragen en problemen van de wereld oplossen. Hoewel Hij niet erg lang praat, bevat elk woord uit Zijn mond boekdelen aan diepe betekenis. Mijn hart voelt zich door Kṛṣṇa's manier van spreken altijd weldadig aangedaan."
"Kṛṣṇa 's woorden zijn zo bekoorlijk, dat ze zelfs het hart van een tegenstander op slag kunnen veranderen. Zijn woorden kunnen onmiddellijk alle vragen en problemen van de wereld oplossen. Hoewel Hij niet erg lang praat, bevat elk woord uit Zijn mond boekdelen aan diepe betekenis. Mijn hart voelt zich door Kṛṣṇa's manier van spreken altijd weldadig aangedaan."
11. Hooggeleerd
Wanneer iemand zeer ontwikkeld is en uitsluitend volgens morele maatstaven handelt, wordt hij hooggeleerd genoemd. Iemand die thuis is op allerlei gebieden van kennis wordt ontwikkeld genoemd, en handelt hij volgens morele beginselen, dan wordt hij moreel krachtig genoemd. Komen deze twee eigenschappen bij elkaar, dan spreekt men van geleerdheid.
Srī Nārada Muni spreekt als volgt over de manier waarop Kṛṣṇa onderricht ontving van Sāndīpani Muni:
"In het begin zijn Heer Brahmā en anderen als wolken van water, dat uit de grote oceaan van Kṛṣṇa is verdampt. Met andere woorden: Brahmā ontving als eerste het Vedische onderricht van Krsņa, zoals wolken water uit de oceaan ontvangen. Dit Vedische onderricht, dat door Brahmā aan de wereld werd verkondigd, kwam terecht op de berghelling van Sāndīpani Muni. Sāndipani Muni's onderricht aan Kṛṣṇa is als een rivier die uit een bergmeer omlaag stroomt en zich weer met zijn bron, de oceaan van Kṛṣṇa, verenigt."
Ter verduidelijking zij hier gezegd, dat Kṛṣṇa in feite van niemand onderricht kan ontvangen, zoals de oceaan uit geen andere bron dan zichzelf water ontvangen kan. Het lijkt slechts alsof de rivieren water in de oceaan laten stromen. In elk geval blijkt hier dat Brahmā zijn onderricht van Kṛṣṇa ontving en dat het van Brahmā via de geestelijke erfopvolging verder werd verbreid. Sāndipani Muni wordt vergeleken met de rivier die omlaag stroomt naar de oorspronkelijke oceaan van Kṛṣṇa.
"In het begin zijn Heer Brahmā en anderen als wolken van water, dat uit de grote oceaan van Kṛṣṇa is verdampt. Met andere woorden: Brahmā ontving als eerste het Vedische onderricht van Krsņa, zoals wolken water uit de oceaan ontvangen. Dit Vedische onderricht, dat door Brahmā aan de wereld werd verkondigd, kwam terecht op de berghelling van Sāndīpani Muni. Sāndipani Muni's onderricht aan Kṛṣṇa is als een rivier die uit een bergmeer omlaag stroomt en zich weer met zijn bron, de oceaan van Kṛṣṇa, verenigt."
Ter verduidelijking zij hier gezegd, dat Kṛṣṇa in feite van niemand onderricht kan ontvangen, zoals de oceaan uit geen andere bron dan zichzelf water ontvangen kan. Het lijkt slechts alsof de rivieren water in de oceaan laten stromen. In elk geval blijkt hier dat Brahmā zijn onderricht van Kṛṣṇa ontving en dat het van Brahmā via de geestelijke erfopvolging verder werd verbreid. Sāndipani Muni wordt vergeleken met de rivier die omlaag stroomt naar de oorspronkelijke oceaan van Kṛṣṇa.
De Siddha's, de bewoners van Siddhaloka, waar iedereen met volledig ontwikkelde mystieke vermogens geboren wordt, en de Cāraņa's, de bewoners van een soortgelijke planeet, richten zich als volgt tot Kṛṣṇa:
"O Heer Govinda, de godin der kennis, die getooid is met de veertien juwelen der wijsheid, wier verstand de vier afdelingen van de Veda volledig omvat, wier aandacht altijd gericht is op de wetboeken welke door grote wijzen als Manu en anderen gegeven zijn, en die bekleed is met zes vormen van bijzondere kennis-namelijk de Vedische Schriften, de grammatica, astrologie, retorica, woordenkennis en logica - en wier voortdurende metgezellen de aanvullingen op de Veda's en Purāņa's zijn, verlucht met de slotsom van alle onderricht, heeft
nu een kans om samen met U als klasgenoot school te gaan en is thans in Uw dienst verbonden."
"O Heer Govinda, de godin der kennis, die getooid is met de veertien juwelen der wijsheid, wier verstand de vier afdelingen van de Veda volledig omvat, wier aandacht altijd gericht is op de wetboeken welke door grote wijzen als Manu en anderen gegeven zijn, en die bekleed is met zes vormen van bijzondere kennis-namelijk de Vedische Schriften, de grammatica, astrologie, retorica, woordenkennis en logica - en wier voortdurende metgezellen de aanvullingen op de Veda's en Purāņa's zijn, verlucht met de slotsom van alle onderricht, heeft
nu een kans om samen met U als klasgenoot school te gaan en is thans in Uw dienst verbonden."
Kṛṣṇa, de Allerhoogste Godspersoon, heeft geen enkel onderwijs van node, maar geeft de godin der kennis een kans om Hem van dienst te zijn. Voldaan in Zichzelf, is Kṛṣṇa om niemands diensten verlegen, ook al heeft Hij een schare van toegewijde dienaars om Zich heen. Het komt alleen maar omdat Kṛṣṇa zo mild en genadig is, dat Hij iedereen de gelegenheid geeft om Hem te dienen alsof Hij het zonder die dienst van Zijn toegewijde echt niet kan stellen.
Wat betreft Zijn morele houding verklaart het Śrīmad-Bhāgavatam dat Kṛṣṇa als volgt Vṛndāvana bestuurt: voor dieven is Hij als de dood in eigen persoon, voor de vromen is Hij als strelende zaligheid, voor jonge meisjes is Hij de alschone liefdesgod en voor de armen is Hij als de mildste gever. Voor Zijn vrienden is Hij zo verkwikkend als de volle maan en voor Zijn tegenstanders is Hij als het vernietigend vuur dat door Heer Śiva wordt opgewekt. Hieraan ziet men dat Kṛṣṇa in Zijn houding jegens ver-schillende soorten mensen een hoogst volmaakte moraal aan de dag legt. Wanneer Hij de dieven als de dood in eigen persoon voorkomt, betekent zulks niet dat Hij zonder morele beginselen is of wreedaardig: Hij blijft hun welgezind, aangezien het straffen van een dief met de dood laat zien dat men zich in de hoogste graad moreel opstelt. In de Bhagavad-gītā (IV.11) zegt Kṛṣṇa ook dat Hij met verschillende soorten mensen omgaat naar gelang hun houding jegens Hem. Ook al gedraagt Kṛṣṇa Zich ten opzichte van toegewijden en niet-toegewijden uiteenlopend, in beide gevallen handelt Hij juist. Aangezien Kṛṣṇa algoed is, is Zijn omgang met iedereen altijd goed.
12. Hoogst intelligent
Iemand wordt intelligent genoemd als hij een scherp geheugen en een goed onderscheidingsvermogen bezit.
Met betrekking tot Kṛṣṇa's geheugen wordt gezegd dat Hij als leerling van Sāndīpani Muni in Avantipura van zo'n sterke concentratie blijk gaf, dat Hij aan het eenmalig onderricht van Zijn leraar voldoende had om dadelijk op ieder gebied volmaakt te worden. In feite ging Hij bij Sāndīpani Muni op school om de wereld te laten zien dat iedereen, ook al is men nog zo belangrijk of intelligent, voor zijn algemene vorming altijd naar hogere autoriteiten moet gaan. Hoe groot men ook is, men moet zich altijd tot een geestelijk leraar wenden.
Met betrekking tot Kṛṣṇa's geheugen wordt gezegd dat Hij als leerling van Sāndīpani Muni in Avantipura van zo'n sterke concentratie blijk gaf, dat Hij aan het eenmalig onderricht van Zijn leraar voldoende had om dadelijk op ieder gebied volmaakt te worden. In feite ging Hij bij Sāndīpani Muni op school om de wereld te laten zien dat iedereen, ook al is men nog zo belangrijk of intelligent, voor zijn algemene vorming altijd naar hogere autoriteiten moet gaan. Hoe groot men ook is, men moet zich altijd tot een geestelijk leraar wenden.
Hoe goed Kṛṣṇa's onderscheidingsvermogen is bleek toen Hij in gevecht raakte met de onaanraakbare koning die de stad Mathurā aanviel. Volgens de Vedische geboden mogen onaanraakbaren niet door kṣatriya-vorsten worden aangevat, zelfs niet om hen te doden. Toen de onaanraakbare vorst de stad Mathurā belegerde, kwam het Kṛṣṇa onjuist voor hem eigenhandig te doden. Aangezien de koning niettemin gedood moest worden, besloot Kṛṣṇa, hiermee van het bezit van goed onderscheid blijk gevend, dat Hij van het slagveld weg moest vluchten, opdat de onaanraakbare Hem zou achtervolgen. Hij kon de vorst dan naar de berggrot lokken waarin Mucukunda lag te slapen. Mucukunda had een bepaalde zegen van Heer Śiva ontvangen, name-lijk dat hij, zodra hij uit zijn slaap ontwaken zou, de eerste de beste die hij zou zien met zijn blik tot as zou verzengen. Daarom leek het Kṛṣṇa verstandig de onaanraakbare vorst naar die grot te leiden, zodat Mucukunda wakker zou worden en de vorst tot as zou laten vergaan.
13. Geniaal
Iemand wordt geniaal genoemd wanneer hij het ene argument na het andere met steeds nieuwere tegenargumenten weet te weerleggen.
Hiervan vinden we een bewijs in de Padyāvali in het volgende gesprek tussen Kṛṣṇa en Rādhā. Toen Kṛṣṇa op een ochtend bij Rādhā kwam vroeg ze Hem: “Lieve Keśava, waar is je vāsa nu toch?” Het Sanskrit woord vāsa heeft drie betekenissen: verblijfplaats, geur, kleren. Rādhārānī wilde aan Kṛṣṇa vragen: "Waar zijn Je kleren?", maar Kṛṣṇa deed alsof Ze vroeg waar Zijn verblijfplaats was en antwoordde Rādhārāņī: "Mijn betoverende lieveling, op het ogenblik woon Ik in Je mooie ogen."
Hierop antwoordde Rādhārānī: "Lieve slimmerd, Ik vroeg Je niet waar Je woont, Ik vroeg Je waar Je kleren zijn."
Nu deed Kṛṣṇa alsof Ze met vāsa geur bedoelde en zei: “Je hebt geluk, Mijn lief, want Ik heb Me slechts in deze geur gehuld om Me met Je lichaam te kunnen verenigen."
Nu vroeg Śrīmatī Rādhārāņī aan Kṛṣṇa: "Waar heb Je vannacht gezeten?" Het Sanskrit woord dat in dit verband gebezigd wordt luidt yāminyāmuṣitaḥ. Yāminyām betekent 's nachts en uṣitaḥ betekent blijven of doorbrengen. Kṛṣṇa verdeelde het woord yāminyāmuṣitaḥ echter in twvee andere woorden, namelijk yāminyā en mușitah en door deze verdeling leek het alsof Rādhārāņī Hem vroeg of Hij door Yāminī, de nacht, meegeroofd was. Kṛṣṇa antwoordde Rādhārāņī: “Lieve Rādhārāņī, hoe kan de nacht Mij nu meeroven?” Zo gaf Hij Rādhārānī op al Haar vragen zo slim antwoord, dat haar gemoed van vreugde vol schoot.
14. Artistiek
Iemand die zich zeer kunstig weet uit te drukken en te kleden wordt vidagdha genoemd.
Deze voortreffelijke eigenschap van het artistieke kunnen was zichtbaar in de persoon Śrī Kṛṣṇa. Rādhārāņī zegt ervan:
"Lieve vriendin, kijk toch eens wat een mooie liederen Kṛṣṇa heeft bedacht en hoe Hij danst en gekke dingen doet en op Zijn fluit speelt met al die mooie bloemenkransen om. Hij heeft Zich zo betoverend mooi aangekleed, dat het lijkt alsof Hij de geduchtste tegenstanders aan het schaakbord verslagen heeft. Hij leidt een prachtig leven op de hoogste toppen van het artistieke kunnen."
Deze voortreffelijke eigenschap van het artistieke kunnen was zichtbaar in de persoon Śrī Kṛṣṇa. Rādhārāņī zegt ervan:
"Lieve vriendin, kijk toch eens wat een mooie liederen Kṛṣṇa heeft bedacht en hoe Hij danst en gekke dingen doet en op Zijn fluit speelt met al die mooie bloemenkransen om. Hij heeft Zich zo betoverend mooi aangekleed, dat het lijkt alsof Hij de geduchtste tegenstanders aan het schaakbord verslagen heeft. Hij leidt een prachtig leven op de hoogste toppen van het artistieke kunnen."
15. Schrander
Iemand die verschillende vormen van activiteit tegelijk kan verrichten wordt schrander genoemd. Een gopī zei in dit verband:
"Lieve vriendinnen, kijk toch eens hoe schrander Srī Kṛṣṇa te werk gaat! Hij zingt mooie liederen over de koeienjongens en maakt de koeien blij. Met Zijn oogbewegingen bekoort Hij de gopi's, terwijl Hij op hetzelfde moment een demon als Ariṣṭāsura te pakken neemt. Zo gedraagt Hij Zich verschillend tegenover verschillende wezens en vindt dat allemaal Zelf heel fijn."
"Lieve vriendinnen, kijk toch eens hoe schrander Srī Kṛṣṇa te werk gaat! Hij zingt mooie liederen over de koeienjongens en maakt de koeien blij. Met Zijn oogbewegingen bekoort Hij de gopi's, terwijl Hij op hetzelfde moment een demon als Ariṣṭāsura te pakken neemt. Zo gedraagt Hij Zich verschillend tegenover verschillende wezens en vindt dat allemaal Zelf heel fijn."
16. Deskundig
Iemand die een moeilijke taak snel weet te verrichten wordt des-kundig genoemd.
In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.59.17) doet Śukadeva Gosvāmi, sprekende tot Mahārāja Parīkșit, een uitspraak over Kṛṣṇa’s deskun-digheid:
"O beste der Kuru's, Śrī Kṛṣṇa heeft alle soorten wapens van allerlei krijgers aan stukken gehakt."
In vroeger tijden vocht men door allerlei pijlen en schichten op elkaar af te vuren. De ene partij placht een bepaalde pijl af te schieten en de tegenstander moest dan antwoorden met een andere pijl. Zo schoot de een een pijl af die het vermogen bezat om water uit de hemel te laten neerstromen, en om zo'n aanval af te slaan moest de tegenstander een pijl afvuren die het water meteen in wolken veranderde. Uit deze verklaring blijkt dus dat Kṛṣṇa zeer deskundig was in het afslaan van de aanvallen van vijandelijke pijlen en schichten.
Zo toonde Kṛṣṇa ook Zijn deskundigheid tijdens de rāsa-dans, toen iedere gopī afzonderlijk Kṛṣṇa verzocht of Hij met haar wilde dansen en Kṛṣṇa Zich dadelijk in evenveel Kṛṣṇa's expandeerde als er gopi's waren die Hem als hun partner begeerden. Het gevolg was dat iedere gopi Kṛṣṇa naast zich vond.
In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.59.17) doet Śukadeva Gosvāmi, sprekende tot Mahārāja Parīkșit, een uitspraak over Kṛṣṇa’s deskun-digheid:
"O beste der Kuru's, Śrī Kṛṣṇa heeft alle soorten wapens van allerlei krijgers aan stukken gehakt."
In vroeger tijden vocht men door allerlei pijlen en schichten op elkaar af te vuren. De ene partij placht een bepaalde pijl af te schieten en de tegenstander moest dan antwoorden met een andere pijl. Zo schoot de een een pijl af die het vermogen bezat om water uit de hemel te laten neerstromen, en om zo'n aanval af te slaan moest de tegenstander een pijl afvuren die het water meteen in wolken veranderde. Uit deze verklaring blijkt dus dat Kṛṣṇa zeer deskundig was in het afslaan van de aanvallen van vijandelijke pijlen en schichten.
Zo toonde Kṛṣṇa ook Zijn deskundigheid tijdens de rāsa-dans, toen iedere gopī afzonderlijk Kṛṣṇa verzocht of Hij met haar wilde dansen en Kṛṣṇa Zich dadelijk in evenveel Kṛṣṇa's expandeerde als er gopi's waren die Hem als hun partner begeerden. Het gevolg was dat iedere gopi Kṛṣṇa naast zich vond.
17. Dankbaar
Iemand die zich bewust is van de welgezinde activiteiten van zijn vrienden en hun diensten nooit vergeet wordt dankbaar genoemd. In het Mahābhārata zegt Kṛṣṇa:
"Toen Ik bij Draupadī weg was, riep ze om Me: Hé, Govinda! Om deze uitroep sta Ik bij haar in de schuld en dat gevoel van schuld voel ik steeds meer in Me groeien."
Deze uitspraak van Kṛṣṇa laat zien hoe men de Opperheer voldoening kan schenken door slechts tot Hem te zeggen: "Hé, Kṛṣṇa! Hé, Govinda!"
"Toen Ik bij Draupadī weg was, riep ze om Me: Hé, Govinda! Om deze uitroep sta Ik bij haar in de schuld en dat gevoel van schuld voel ik steeds meer in Me groeien."
Deze uitspraak van Kṛṣṇa laat zien hoe men de Opperheer voldoening kan schenken door slechts tot Hem te zeggen: "Hé, Kṛṣṇa! Hé, Govinda!"
De mahā-mantra, hare Kṛṣṇa hare Kṛṣṇa Kṛṣṇa Kṛṣṇa hare hare hare rāma hare rāma rāma rāma hare hare is ook niets anders dan een wijze van aanspreken van de Heer en Zijn energie. We kunnen ons dan ook enigszins voorstellen hoezeer de Opperheer Zich niet verplicht zal voelen jegens iemand die er zich voortdurend mee bezighoudt Hem en Zijn energie aldus aan te spreken. De Heer kan zo'n toegewijde nooit vergeten. In dit vers wordt duidelijk verklaard dat iemand die zich aldus tot de Heer richt, dadelijk Zijn aandacht trekt, waardoor Hij Zich altijd aan hem verplicht voelt.
Ook uit Kṛṣṇa's omgang met Jāmbavān blijkt hoezeer Hij Zich aan Zijn toegewijde verplicht voelt. Toen de Heer als Rāmacandra op aarde was, werd Hij zeer trouw gediend door de grote apenvorst Jāmbavān. Toen de Heer later als Kṛṣṇa verscheen, trouwde Hij met Jāmbavān's dochter en bewees hem alle eer die men doorgaans aan meerderen betuigt. Ieder oprecht mens behoort zich bij zijn vrienden in de schuld te voelen wanneer zij hem een dienst hebben bewezen. Hoe zou Kṛṣṇa, die de allerhoogste oprechte Persoon is, ooit Zijn dienaar kunnen vergeten?
18. Vastberaden
Wanneer iemand de regulerende beginselen navolgt en door prak-tísch handelen zijn beloften inlost, wordt hij vastberaden genoemd.
Ter illustratie van de vastberadenheid van de Heer wordt een voorbeeld gegeven uit de Hari-vaṁśa, waarin Kṛṣṇa's gevecht wordt beschreven met de hemelkoning, Indra, die Hij met geweld de pārijāta-bloem afnam. De pārijāta is een soort lotus die op de hemelse planeten bloeit. Een van Kṛṣṇa's koninginnen, Satyabhāmā, wilde die lotus hebben, en Kṛṣṇa beloofde dat ze hem krijgen zou; maar Indra wilde niet van zijn pārijāta scheiden. Daardoor ontbrandde er een felle strijd, met Kṛṣṇa en de Pāņdava's aan de ene kant en alle goden aan de andere. Kṛṣṇa versoeg ze tenslotte allemaal en eigende Zich de pārijāta toe, die Hij vervolgens Zijn koningin aanbood. Met betrekking tot dit voorval zei Kṛṣṇa tot Nārada Muni:
"O beste grote wijze onder de goden, thans kunt u de toegewijden in het algemeen, en de niet-toegewijden in het bijzonder, verklaren dat terzake van Mijn roof van de pārljāta alle goden - de Gandharva's, de Nāga's, de demonische Rākșasa's, de Yakșa's, de Pannaga's - Me probeerden te verslaan, maar dat niemand in staat was om Me Mijn belofte aan Mijn gemalin te laten verbreken."
Ter illustratie van de vastberadenheid van de Heer wordt een voorbeeld gegeven uit de Hari-vaṁśa, waarin Kṛṣṇa's gevecht wordt beschreven met de hemelkoning, Indra, die Hij met geweld de pārijāta-bloem afnam. De pārijāta is een soort lotus die op de hemelse planeten bloeit. Een van Kṛṣṇa's koninginnen, Satyabhāmā, wilde die lotus hebben, en Kṛṣṇa beloofde dat ze hem krijgen zou; maar Indra wilde niet van zijn pārijāta scheiden. Daardoor ontbrandde er een felle strijd, met Kṛṣṇa en de Pāņdava's aan de ene kant en alle goden aan de andere. Kṛṣṇa versoeg ze tenslotte allemaal en eigende Zich de pārijāta toe, die Hij vervolgens Zijn koningin aanbood. Met betrekking tot dit voorval zei Kṛṣṇa tot Nārada Muni:
"O beste grote wijze onder de goden, thans kunt u de toegewijden in het algemeen, en de niet-toegewijden in het bijzonder, verklaren dat terzake van Mijn roof van de pārljāta alle goden - de Gandharva's, de Nāga's, de demonische Rākșasa's, de Yakșa's, de Pannaga's - Me probeerden te verslaan, maar dat niemand in staat was om Me Mijn belofte aan Mijn gemalin te laten verbreken."
In de Bhagavad-gītā (IX.31) is sprake van een andere belofte van Kṛṣṇa, namelijk dat Zijn toegewijde nooit verloren zal gaan. Dus een oprecht toegewijde, die de Heer altijd bovenzinnelijke liefdedienst bewijst, moet erop rekenen dat Kṛṣṇa deze belofte altijd zal inlossen. Hij zal Zijn toegewijden in alle omstandigheden altijd beschermen.
Kṛṣṇa bewijst dat Hij Zich aan Zijn beloften houdt door Satya-bhāmā de pārijāta te geven, Draupadī voor schande te behoeden en Arjuna van de aanvallen van alle vijanden te redden.
Reeds eerder had Indra, toen hij tijdens de govardhana-lilā zijn nederlaag leed, erkend dat Kṛṣṇa Zijn belofte dat Zijn toegewijden nooit verloren gaan altijd inlost. Toen Kṛṣṇa de dorpelingen van Vraja (Vṛndāvana ) ervan weerhield een offer aan Indra te brengen, werd deze boos en zette met een eindeloze regenbui heel Vṛndāvana onder water. Kṛṣṇa beschermde nu alle mensen en dieren van Vṛndāvana door de heuvel Govardhana als een paraplu in de lucht te heffen. Toen de hele geschiedenis voorbij was, gaf Indra zich aan Kṛṣṇa over en zond vele gebeden tot Hem op, waarin hij onder meer toegaf:
"Door de heuvel Govardhana op te tillen en de burgers van Vṛndāvana eronder te beschermen hebt U Zich aan Uw belofte gehouden dat U Uw toegewijden nooit verloren zult laten gaan."
"Door de heuvel Govardhana op te tillen en de burgers van Vṛndāvana eronder te beschermen hebt U Zich aan Uw belofte gehouden dat U Uw toegewijden nooit verloren zult laten gaan."
19. Deskundig terzake van tijd en omstandigheden
Kṛṣṇa wist uitstekend met iedereen om te gaan naar gelang de omstandigheden, de plaats, de tijd en de voorhanden attributen. Hoe Hij Zijn voordeel wist te doen met een bepaald tijdstip, bepaalde omstandigheden en de aanwezigheid van bepaalde personen laat Hij Uddhava weten in een gesprek over Zijn rāsa-dans met de gopi's. Hij zegt:
"De geschiktste tijd is die van de vollemaansnacht in de herfst, zoals vanavond; de beste plaats in het heelal is Vṛndāvana, en de mooiste meisjes zijn de gopī's. Dus Mijn beste vriend Uddhava, Ik geloof dat Ik Mijn voordeel nu maar moet doen met al deze gunstige omstandigheden en een aanvang maken met de rāsa-dans."
"De geschiktste tijd is die van de vollemaansnacht in de herfst, zoals vanavond; de beste plaats in het heelal is Vṛndāvana, en de mooiste meisjes zijn de gopī's. Dus Mijn beste vriend Uddhava, Ik geloof dat Ik Mijn voordeel nu maar moet doen met al deze gunstige omstandigheden en een aanvang maken met de rāsa-dans."
20. Ziend en sprekend door het oog van de Schriften
Iemand die precies volgens de aanwijzingen van de Schriften handelt wordt śāstra-cakșus genoemd. Sāstra-caksus betekent dat men ziet met het oog van de gezaghebbende Schriften. In feite dient ieder geleerd en ervaren mens alles door het oog van deze boeken te beschouwen. Met het blote oog zien we de zonnebol slechts als een gloeiende substantie, maar kijken we ernaar met het oog van gezaghebbende wetenschappelijke werken en andere geschriften, dan begrijpen we hoeveel groter en machtiger de zon is dan deze aarde. Bezien we alles met het blote oog, dan is dat eigenlijk geen zien. Zien we alles echter met het oog van de gezaghebbende boeken of bevoegde leraren, dan zien we op de juiste manier. Hoewel Kṛṣṇa de Allerhoogste Godspersoon is en alles van verleden, heden en toekomst kan zien, verwees Hij, teneinde de mensen in het algemeen tot voorbeeld te zijn, in Zijn uiteenzettingen altijd naar de Schriften. Hoewel Kṛṣṇa in de Bhagavad-gītā als allerhoogste autoriteit spreekt, noemt Hij daarin niettemin het Vedānta-sūtra als autoriteit. Het Śrīmad-Bhāgavatam bevat een verklaring van iemand die schertsend zegt dat Kṛṣṇa, de vijand van Kaṁsa, bekend staat als degene die alles met het oog van de śāstra's beziet: teneinde nu Zijn gezag te vestigen, is Hij thans doende de gopi's te zien, en dat maakt ze dol.
21. Zuiver
Er zijn twee soorten van verheven zuiverheid. Door de ene zuiver-heid is men in staat een zondaar te verlossen. Door de andere zuiverheid doet men niets wat onzuiver is, Iemand die beide vormen van zuiverheid bezit wordt volmaakt zuiver genoemd. Zo is Kṛṣṇa. Hij kan alle gebonden zielen verlossen en tegelijk niets doen waardoor Hij besmet zal raken. In dit verband zei Vidura, die zijn oudste broer Dhṛtarāṣṭra wilde losmaken van zijn gehechtheid aan zijn familie:
"Mijn beste broer, richt al je aandacht alleen maar op de lotus-voeten van Kṛṣṇa, die door grote wijzen en heiligen met prachtige, geleerde verzen aanbeden wordt. Kṛṣṇa is de hoogste van alle verlossers. Natuurlijk kennen we grote goden als Heer Śiva en Heer Brahmā, maar als verlossers zijn ze altijd nog afhankelijk van de genade van Kṛṣṇa."
"Mijn beste broer, richt al je aandacht alleen maar op de lotus-voeten van Kṛṣṇa, die door grote wijzen en heiligen met prachtige, geleerde verzen aanbeden wordt. Kṛṣṇa is de hoogste van alle verlossers. Natuurlijk kennen we grote goden als Heer Śiva en Heer Brahmā, maar als verlossers zijn ze altijd nog afhankelijk van de genade van Kṛṣṇa."
Vidura ried zijn oudste broer Dhṛtarāṣṭra dus aan om zijn geest op Kṛṣṇa te richten en alleen Hem te aanbidden. Als men slechts de heilige naam van Kṛṣṇa chant, rijst hij als de stralende zon in het hart op en zal meteen al het duister van de onwetendheid verdrijven. Vidura ried Dhṛtarāṣṭra dus aan om altijd aan Kṛṣṇa te blijven denken, opdat de bergen vuil die zich als gevolg van zondige activiteiten in zijn hart hadden opgehoopt onmiddellijk zouden worden weggevaagd. In de Bhagavad-gītā wordt Kṛṣṇa door Arjuna ook aangesproken als param brahma param dhāma pavitram paramam- de allerzuiverste. Er bestaan tal van voorbeelden die laten zien dat Kṛṣṇa de zuiverste van allen is.
22. Beheerst
Iemand die zijn zinnen geheel kan beteugelen wordt vaśi of beheerst genoemd. Het Śrīmad-Bhāgavatam (1.11.36) verklaart in dit verband:
"Alle zestienduizend vrouwen van Kṛṣṇa waren zo prachtig mooi, dat hun schuchter lachen zelfs de geest van een grote god als Śiva wist te boeien. Maar ze konden de geest van Kṛṣṇa niet eens in beroering brengen, ook al gedroegen ze zich in al hun vrouwelijkheid nog zo aantrekkelijk."
Alle zestienduizend vrouwen van Kṛṣṇa dachten dat Kṛṣṇa in de ban van hun vrouwelijke schoonheid was, maar dat was niet het geval. Derhalve is Kṛṣṇa de allerhoogste zinsbeteugelaar, hetgeen ook blijkt uit de Bhagavad-gitā, waarin Hij wordt aangesproken als Hrsīkeśa, meester der zinnen.
"Alle zestienduizend vrouwen van Kṛṣṇa waren zo prachtig mooi, dat hun schuchter lachen zelfs de geest van een grote god als Śiva wist te boeien. Maar ze konden de geest van Kṛṣṇa niet eens in beroering brengen, ook al gedroegen ze zich in al hun vrouwelijkheid nog zo aantrekkelijk."
Alle zestienduizend vrouwen van Kṛṣṇa dachten dat Kṛṣṇa in de ban van hun vrouwelijke schoonheid was, maar dat was niet het geval. Derhalve is Kṛṣṇa de allerhoogste zinsbeteugelaar, hetgeen ook blijkt uit de Bhagavad-gitā, waarin Hij wordt aangesproken als Hrsīkeśa, meester der zinnen.
23. Standvastig
Iemand die net zo lang doorwerkt tot hij zijn doel heeft bereikt wordt standvastig genoemd.
Er was eens een gevecht van Kṛṣṇa met Koning Jāmbavān, waarbij Kṛṣṇa de koning een waardevol juweel wilde afnemen. De koning probeerde zich in het woud te verstoppen, maar Kṛṣṇa liet Zich niet van de wijs brengen. Hij kreeg het juweel uiteindelijk in handen door hard-nekkig naar de schuilende vorst te blijven doorzoeken.
24. Verdraagzaam
Iemand die allerlei moeilijke omstandigheden verdraagt, ook al lijken ze onverdraaglijk, wordt verdraagzaam genoemd.
Toen Kṛṣṇa ten huize van Zijn geestelijk leraar verbleef, trotseerde Hij in dienst van Zijn guru allerlei problemen, ook al was Zijn lichaam bijzonder zacht en teer. Het is de plicht van de leerling om de geestelijk leraar hand- en spandiensten te bewijzen, ook al gaat dat nog zo moeilijk. De leerling die ten huize van de geestelijk leraar verblijft moet bedelend van deur tot deur gaan en alles wat hij ontvangt aan de leraar afstaan. Wordt de prasāda opgediend, dan behoort de geestelijk leraar iedere leerling afzonderlijk aan de maaItijd te roepen. Vergeet de leraar bij toeval een leerling te roepen, dan dient deze volgens de Schriften die dag liever vastend door te brengen dan zich eigenmachtig van voedsel te voorzien. Er zijn veel van zulke bepalingen. Soms moest Kṛṣṇa ook het bos in om droog hout voor het vuur te sprokkelen.
25. Vergevingsgezind
Iemand die allerlei onheuse bejegingen van een tegenstander weet te incasseren wordt vergevingsgezind genoemd.
Heer Kṛṣṇa's vergevingsgezindheid wordt in de Śiśupāla-vadha beschreven in verband met Zijn verbod om Śiśupāla te doden. Koning Śiśupāla was heer van het koninkrijk Cedi, en in weerwil van de om-standigheid dat hij een neef van Kṛṣṇa was, was hij altijd jaloers op Hem. Telkens wanneer ze elkaar tegenkwamen, probeerde Śiśupāla Kṛṣṇa te beledigen en Hem zo veel mogelijk kwalijke taal toe te bijten. Ook in de arena waar het Rājasūya-offer van Mahārāja Yudhişțhira werd gehouden begon Śiśupāla Heer Kṛṣṇa van alles naar het hoofd te slingeren, maar Kṛṣṇa liet Zich niet van de wijs brengen en bleef kalm. Sommige van de aanwezigen echter sprongen op om Śiśupāla te doden, doch Kṛṣṇa hield hen tegen. Zo vergevingsgezind is Hij. Naar verluidt, beantwoordt de machtige leeuw het rommelen van de donder in het zwerk terstond met zijn daverend gebrul. Maar een leeuw doet er het zwijgen toe wanneer de dwaze jakhalzen hun onbeduidend geluid van zich geven.
Srī Yamunācārya looft Kṛṣṇa's vergevingsgezindheid als volgt:
"Dierbare Heer Rāmacandra, Uw vergevingsgezindheid is zo groot, dat U het de kraai niet kwalijk neemt dat hij zijn klauwen in Jānaki's tepels heeft gezet, alleen maar omdat hij U daarna zijn eerbetuigingen heeft gebracht."
Indra, de hemelvorst, nam eens de gedaante van een kraai aan en viel Sītā (Jānakī), Heer Rāmacandra's gemalin, aan en sloeg daarbij zijn klauwen in haar borsten. Dit was beslist een belediging aan het adres van Sītā, de moeder van het universum, en Heer Rāmacandra stond op het punt de kraai te doden, maar omdat het dier zich toen voor de Heer neerboog, zag deze zijn euveldaad door de vingers. Śrī Yamunācārya zegt verder in zijn gebed dat de vergevingsgezindheid van Krsņa nog groter is dan die van Heer Rāmacandra. Telkens wanneer hij de gelegenheid kreeg, beledigde Śiśupāla Kṛṣṇa-niet alleen in één leven, maar tijdens drie achtereenvolgende levens. Toch was Kṛṣṇa zo welwillend dat Hij Śiśupāla de verlossing schonk, waarbij hij in Zijn existentie mocht opgaan. Hieruit kunnen we opmaken dat het doel van de monist, namelijk opgaan in de stralengloed van het Allerhoogste, niet bijster moeilijk te verwezenlijken is. Iemand van het slag van Śiśupāla , die Kṛṣṇa consequent vijandig gezind was, kan zich deze verlossing ook verwerven.
"Dierbare Heer Rāmacandra, Uw vergevingsgezindheid is zo groot, dat U het de kraai niet kwalijk neemt dat hij zijn klauwen in Jānaki's tepels heeft gezet, alleen maar omdat hij U daarna zijn eerbetuigingen heeft gebracht."
Indra, de hemelvorst, nam eens de gedaante van een kraai aan en viel Sītā (Jānakī), Heer Rāmacandra's gemalin, aan en sloeg daarbij zijn klauwen in haar borsten. Dit was beslist een belediging aan het adres van Sītā, de moeder van het universum, en Heer Rāmacandra stond op het punt de kraai te doden, maar omdat het dier zich toen voor de Heer neerboog, zag deze zijn euveldaad door de vingers. Śrī Yamunācārya zegt verder in zijn gebed dat de vergevingsgezindheid van Krsņa nog groter is dan die van Heer Rāmacandra. Telkens wanneer hij de gelegenheid kreeg, beledigde Śiśupāla Kṛṣṇa-niet alleen in één leven, maar tijdens drie achtereenvolgende levens. Toch was Kṛṣṇa zo welwillend dat Hij Śiśupāla de verlossing schonk, waarbij hij in Zijn existentie mocht opgaan. Hieruit kunnen we opmaken dat het doel van de monist, namelijk opgaan in de stralengloed van het Allerhoogste, niet bijster moeilijk te verwezenlijken is. Iemand van het slag van Śiśupāla , die Kṛṣṇa consequent vijandig gezind was, kan zich deze verlossing ook verwerven.
26. Ernstig
Iemand die zijn gedachten niet aan iedereen ontvouwt of wiens innerlijke roerselen en bedoelingen zeer moeilijk te doorgronden zijn wordt ernstig genoemd.
Nadat Brahmā Heer Kṛṣṇa beledigd had, bad hij tot Hem om vergeving. Maar hoe fraai hij ook bad, Brahmā kon niet nagaan of Kṛṣṇa nu voldaan was of niet. Met andere woorden: Kṛṣṇa was zo ernstig, dat Hij de gebeden van Brahmā niet erg serieus nam. Een ander voorbeeld van Kṛṣṇa’s ernst vinden we in Zijn liefdesspel met Rādhārāņī. Kṛṣṇa hield Zich altijd erg stil over Zijn intieme omgang met Rādhārāņī, zodat zelfs Baladeva, Kṛṣṇa's oudere broer, die altijd bij Hem was, door Kṛṣṇa's ernst niet kon nagaan wat Zijn innerlijke roerselen waren.
Nadat Brahmā Heer Kṛṣṇa beledigd had, bad hij tot Hem om vergeving. Maar hoe fraai hij ook bad, Brahmā kon niet nagaan of Kṛṣṇa nu voldaan was of niet. Met andere woorden: Kṛṣṇa was zo ernstig, dat Hij de gebeden van Brahmā niet erg serieus nam. Een ander voorbeeld van Kṛṣṇa’s ernst vinden we in Zijn liefdesspel met Rādhārāņī. Kṛṣṇa hield Zich altijd erg stil over Zijn intieme omgang met Rādhārāņī, zodat zelfs Baladeva, Kṛṣṇa's oudere broer, die altijd bij Hem was, door Kṛṣṇa's ernst niet kon nagaan wat Zijn innerlijke roerselen waren.
27. In Zichzelf voldaan
Iemand die geen enkel innerlijk gemis kent, nergens naar verlangt en nooit in de war raakt, ook al is er ernstige aanleiding tot verdriet, wordt in zichzelf voldaan genoemd.
Kṛṣṇa toonde Zich bijvoorbeeld in Zichzelf voldaan toen Hij met Arjuna en Bhīma Koning Jarāsandha, de geduchte vorst van Magadha, ging uitdagen tot de strijd. Na de strijd gaf Kṛṣṇa Bhīma alle eer voor het doden van Jarāsandha, hoewel Hij hem gewezen had hoe hij dit moest doen. Hieruit kunnen we opmaken dat Kṛṣṇa absoluut niet in eer geïnteresseerd is, hoewel niemand beroemder kan zijn dan Hij.
Kṛṣṇa toonde Zich vóorbeeldig onverstoorbaar toen Śiśupāla Hem kwalijke taal naar het hoofd begon te slingeren. Alle vorsten en brahmana's rondom het offerperk van Mahārāja Yudhişțhira raakten van streek en wilden Kṛṣṇa onmiddellijk een genoegen doen door schone gebeden tot Hem op te zenden, maar geen van hen ontwaarde bij Kṛṣṇa ook maar het geringste teken van verstoordheid.
28. Evenwichtig
Iemand die noch door gehechtheid noch door afgunst wordt be-invloed heet evenwichtig te zijn.
Het Śrīmad-Bhāgavatam (10.16.33) geeft een voorbeeld van Kṛṣṇa 's evenwichtigheid in verband met Zijn bestraffing van Kāliya,het honderdkoppige slangenmonster. Terwijl Kāliya de strenge bestraffing onderging, verschenen al zijn echtgenoten voor de Heer en richtten de volgende smeekbede tot Hem:
"Lieve Heer, U bent neergedaald om allerlei demonische wezens hun verdiende straf te geven. Onze echtgenoot, deze Kāliya, is een uiterst zondig schepsel; en daarom is Uw straf volkomen op zijn plaats. We weten dat de straf die U aan Uw vijanden uitdeelt en Uw liefdevolle manier van omgaan met Uw zoons een en hetzelfde is. Wij begrijpen dat U dit verdoemde schepsel slechts zo straft met het oog op zijn toekomstig welzijn."
"Lieve Heer, U bent neergedaald om allerlei demonische wezens hun verdiende straf te geven. Onze echtgenoot, deze Kāliya, is een uiterst zondig schepsel; en daarom is Uw straf volkomen op zijn plaats. We weten dat de straf die U aan Uw vijanden uitdeelt en Uw liefdevolle manier van omgaan met Uw zoons een en hetzelfde is. Wij begrijpen dat U dit verdoemde schepsel slechts zo straft met het oog op zijn toekomstig welzijn."
Een ander gebed zegt:
"Lieve Heer Kṛṣṇa, beste van alle Kuru's, U bent iedereen zo gelijkgezind, dat U zelfs een vijand, die zulks op zichzelf genomen verdienen zou, zult belonen; en als één van Uw zoons zich mis-draagt, zult U hem beslist straffen. Zo gaat U te werk, omdat U de allerhoogste schepper van de heelallen bent. U trekt voor niemand partij. Als iemand denkt dat U de een voortrekt boven de ander, zit hij er beslist naast."
"Lieve Heer Kṛṣṇa, beste van alle Kuru's, U bent iedereen zo gelijkgezind, dat U zelfs een vijand, die zulks op zichzelf genomen verdienen zou, zult belonen; en als één van Uw zoons zich mis-draagt, zult U hem beslist straffen. Zo gaat U te werk, omdat U de allerhoogste schepper van de heelallen bent. U trekt voor niemand partij. Als iemand denkt dat U de een voortrekt boven de ander, zit hij er beslist naast."
29. Grootmoedig
Wanneer iemand zich zeer barmhartig toont, wordt hij grootmoedig genoemd.
Toen Kṛṣṇa over Dvārakā regeerde, was Hij zo grootmoedig en barmhartig, dat Zijn mildheid geen grenzen kende. Zijn grootmoedige instelling te Dvārakā was in feite zo groot, dat Hij er zelfs de groot-moedigheid van het geestelijk koninkrijk, met al zijn rijkdom aan cintāmani (toetssteen), wensbomen en surabhi-koeien, mee overtrof. In het geestelijk koninkrijk van Heer Kṛṣṇa, Goloka Vṛndāvana , zijn surabhi-koeien, die onbegrensde hoeveelheden melk geven. Er zijn daar wensbomen waarvan iedereen allerlei vruchten kan plukken, zoveel als men maar wil. Het land is gemaakt van toetssteen, dat ijzer, waarmee het in aanraking komt, in goud verandert. Met andere woorden: hoewel in Kṛṣṇa's woning, het geestelijk koninkrijk, alles een volmaakte weelde tentoonspreidt, toonde Kṛṣṇa Zich te Dvārakā in Zijn mildheid nog overdadiger dan de weelde van Goloka Vṛndāvana. Waar Kṛṣṇa ook maar verschijnt, vindt men vanzelf de mateloze weelde van Goloka Vṛndāvana.
Verder wordt verklaard dat Kṛṣṇa Zich te Dvārakā in zestienduizend honderdacht expansies had vermenigvuldigd en dat elk van deze expansies met een eigen koningin in een afzonderlijk paleis verbleef. Niet alleen woonde Kṛṣṇa met Zijn koninginnen blij en gelukkig in al deze paleizen, ook schonk Hij uit ieder paleis dagelijks het gezamenlijke aantal van dertienduizend vierenvijftig koeien, die met fraaie doeken en sieraden waren getooid. Uit elk van Zijn zestienduizend honderdacht paleizen werden elke dag zo veel koeien weggegeven. Dit betekent dat Kṛṣṇa dagelijks dertienduizend vierenvijftig maal zestienduizend honderdacht koeien wegschonk. Niemand heeft een idee hoeveel zo'n groot aantal koeien waard is, maar zo ging het nu eenmaal in Kṛṣṇa’s leven tijdens Zijn koningschap te Dvārakā toe.
30. Religieus
Wanneer iemand persoonlijk de voorschriften van de religie naleeft zoals ze in de śāstra's worden gegeven en anderen in de naleving van deze beginselen onderricht, wordt hij religieus genoemd. Alleen maar zeggen dat men een bepaald geloof aanhangt is geen teken van religieus leven. Men dient de religieuze beginselen in de praktijk te brengen en anderen door eigen voorbeeld te onderrichten. Wie dat doet dient als religieus te worden beschouwd.
Toen Kṛṣṇa op deze planeet verscheen, kreeg de goddeloosheid geen kans. In verband hiermee zei Nārada Muni eens schertsend tot Kṛṣṇa:
"Lieve Heer van de koeienjongens, Uw stieren [stieren zijn het symbool van de religie] hebben, terwijI ze op hun vier poten al razend overal door de weidegronden rondgingen, beslist al het gras van de goddeloosheid uitgeroeid!" Met andere woorden: door de genade van Kṛṣṇa worden de beginselen van de religie zo goed beschermd, dat er in Zijn aanwezigheid nauwelijks van enige goddeloze activiteit sprake kan zijn.
"Lieve Heer van de koeienjongens, Uw stieren [stieren zijn het symbool van de religie] hebben, terwijI ze op hun vier poten al razend overal door de weidegronden rondgingen, beslist al het gras van de goddeloosheid uitgeroeid!" Met andere woorden: door de genade van Kṛṣṇa worden de beginselen van de religie zo goed beschermd, dat er in Zijn aanwezigheid nauwelijks van enige goddeloze activiteit sprake kan zijn.
Naar verluidt, waren de goden bijna nooit aan de zijde van hun gemalinnen aan te treffen, omdat Kṛṣṇa voortdurend allerlei soorten offers bracht en hen daarbij uitnodigde. De echtgenoten van de goden, die dit betreurden, begonnen toen om Heer Boeddha's verschijning te bidden. Boeddha is de negende avatāra van Kṛṣṇa en verschijnt in kali-yuga. Met andere woorden: in plaats van blij te zijn omdat Kṛṣṇa er was, wilden ze Boeddha laten komen, omdat zijn activiteit eruit bestond een eind te maken aan alle rituelen en offers die in de Veda's worden aanbevolen, teneinde het doden van dieren tegen te gaan. Als Heer Boeddha zou komen, dachten de vrouwen van de goden, dan zou er aan allerlei offers een eind komen en konden hun echtgenoten niet meer worden uitgenodigd om ze bij te wonen, zodat ze niet meer van hen gescheiden zouden hoeven te zijn.
Soms stelt men de vraag: "Waarom komen de goden van de hogere planetenstelsels tegenwoordig niet meer naar onze aardplaneet?" Het nuchtere antwoord hierop is dat sinds de verschijning van Heer Boeddha en zijn verwerping van de Vedische offers, met de bedoeling om zo het doden van dieren tegen te gaan, er ook metterdaad een eind aan het offeren is gekomen, zodat de goden er niet meer in geïnteresseerd zijn om hier nog te verschijnen.