Default View
Dual Language View
HOOFDSTUK 22
Verdere beschrijving van Kṛṣṇa's eigenschappen
31. Heldhaftig
Als iemand zich op militair gebied geestdriftig toont en bekwaam is in het hanteren van allerhande wapens, wordt hij heldhaftig genoemd.
Over Kṛṣṇa's heldhaftigheid in de strijd bestaat de volgende verklaring:
"Mijn beste doder van de vijand, zoals een badende olifant alle lotusstelen in het water met zijn rondzwaaiende slurf vernielt, heeft U door slechts met Uw slurfachtige armen rond te zwaaien tal van lotusgelijke vijanden gedood."
"Mijn beste doder van de vijand, zoals een badende olifant alle lotusstelen in het water met zijn rondzwaaiende slurf vernielt, heeft U door slechts met Uw slurfachtige armen rond te zwaaien tal van lotusgelijke vijanden gedood."
Wat betreft Kṛṣṇa's deskundigheid in het hanteren van wapens: toen Jarāsandha met zijn dertien divisies het leger van Kṛṣṇa aanviel, waren ze niet in staat één soldaat aan Kṛṣṇa's kant ook maar te verwonden. Dat was te danken aan Kṛṣṇa's eminente deskundigheid. Dit is een uniek feit in de geschiedenis van de krijgskunst.
32. Mededogend
Iemand die het leed van een ander niet kan aanzien wordt mededogend genoemd.
Kṛṣṇa's mededogen jegens lijdende mensen kwam tot uiting toen Hij alle vorsten bevrijdde die door Magadhendra gevangen waren genomen. Toen grootvader Bhīșma in zijn stervensuur tot Kṛṣṇa bad, beschreef hij Hem als de zon die het duister verdrijft. De vorsten die door Magadhendra gevangen waren genomen zaten in donkere kerkers, en toen Kṛṣṇa's ten tonele verscheen, werd het duister dadelijk verdreven, alsof de zon was opgegaan. Dus ook al had Magadhendra tal van vorsten gevangen kunnen nemen, zodra Kṛṣṇa's verscheen waren ze allemaal weer vrij. Kṛṣṇa's deed dit uit oprecht mededogen jegens de koningen.
Kṛṣṇa gaf ook blijk van Zijn mededogen toen grootvader Bhīșma lag te sterven op een bed van pijlen die hem door het lichaam waren geschoten. Terwijl hij daar zo lag, verlangde Bhīşma er vurig naar Kṛṣṇa te zien, die dan ook ter plaatse verscheen. Toen Hij zag in wat voor beklagenswaardige toestand Bhīșma zich bevond, begon Kṛṣṇa met tranen in Zijn ogen tot hem te spreken. Hij vergoot niet alleen tranen, maar vergat in Zijn mededogen zelfs Zichzelf. Daarom brengen toegewijden hun eerbetuigingen niet rechtstreeks aan Kṛṣṇa, maar aan Zijn meedogende natuur. Het is in feite uiterst moeilijk om Kṛṣṇa rechtstreeks te benaderen, aangezien Hij de Allerhoogste Godspersoon is. De toegewijden richten zich dan ook tot Zijn mededogend aard,welke verpersoonlijkt is in Rādhārāņī, en bidden tot Haar om Kṛṣṇa's welwillendheid.
33. Eerbiedig
Wie een geestelijk leraar, een brāhmaņa en oude mensen altijd op gepaste wijze respect betoont wordt als eerbiedig beschouwd.
Stond Kṛṣṇa oog in oog met Zijn diverse meerderen, dan bracht Hij eerst Zijn eerbetuigingen aan Zijn geestelijk leraar, vervolgens aan Zijn vader en daarna aan Zijn oudere broer, Balarāma. Zo was Heer Kṛṣṇa, de lotusogige, bij alles wat Hij deed volkomen gelukkig en rein van hart.
34. Zachtmoedig
Iemand die nooit onbeschoft is en zich nooit opgeblazen gedraagt wordt zachtmoedig genoemd.
Kṛṣṇa legde grote zachtmoedigheid aan de dag toen Hij in het offerperk verscheen van de Rājasūya van Zijn oudere neef, Mahārāja Yudhiṣṭhira. Yudhiṣṭhira wist dat Kṛṣṇa de Allerhoogste Godspersoon is en probeerde bijtijds uit zijn wagen te stijgen om Kṛṣṇa te verwelkomen. Maar voordat Yudhișțhira op de grond stond, was Kṛṣṇa al uit Zijn eigen wagen gekomen en liet Zich dadelijk languit aan de voeten van de vorst neervallen. Ook al is Kṛṣṇa de Allerhoogste Godspersoon, Hij zal nooit verzuimen te laten zien hoe men zich in het maatschappelijk verkeer dient te gedragen.
35. Ruimdenkend
Iemand die van nature zeer mild is wordt ruimdenkend genoemd.
Uit een verklaring van Uddhava na de diefstal van het syamantaka-juweel blijkt dat Kṛṣṇa zo welwillend en welgezind is, dat zelfs als een dienaar van een ernstig vergrijp beschuldigd wordt, Hij er geen acht op slaat. Hij neemt slechts de dienst in aanmerking die Zijn toegewijde Hem bewijst.
36. Verlegen
Wanneer iemand zich van tijd tot tijd schuchter en nederig gedraagt, wordt hij verlegen genoemd.
Zoals beschreven in de Lalita-mādhava, gaf Kṛṣṇa, toen Hij de heuvel Govardhana op Zijn linker pink in de lucht geheven hield, blijk van verlegenheid. Alle gopī's stonden Kṛṣṇa om deze geweldige prestaties aan te gapen en Kṛṣṇa lachte de verbaasde meisjes toe. Toen Zijn blik over hun borsten ging, voer er een trilling door Zijn hand, en daardoor raakten alle koeherders onder de heuvel min of meer van streek. Daarop klonk er een daverend gedreun en in allerijl baden ze tot Kṛṣṇa of Hij hen wilde beschermen. Heer Balarāma moest lachen, omdat hij dacht dat de koeherders bang waren geworden van het trillen van de Govardhana. Kṛṣṇa echter, die Balarāma's glimlach opmerkte, dacht dat Balarāma begrepen had wat er in Hem omging toen Hij naar de borsten van de gopī's gekeken had en sloeg dadelijk verlegen Zijn ogen neer.
37. De zielen die zich aan Hem overgeven beschermend
Kṛṣṇa beschermt alle overgegeven zielen.
Een vijand van Kṛṣṇa voelde zich vrolijk bij de gedachte dat hij niet bang voor Kṛṣṇa hoefde te zijn, want als hij zich gewoon aan Hem overgaf, zou Kṛṣṇa hem volkomen beschermen. Kṛṣṇa wordt soms vergeleken met de maan, die er niet voor terugdeinst haar kalmerende stralen zelfs te laten neerschijnen op de huizen van caṇḍālas en onaanraakbaren.
38. Gelukkig
Wie altijd vrolijk is en nooit door verdriet van streek raakt wordt gelukkig genoemd.
Wat betreft Kṛṣṇa’s geluk heet het dat de sieraden die Zijn lichaam en dat van Zijn gemalinnen tooiden fraaier waren dan Kuvera, de schat-bewaarder van het hemels koninkrijk, zich kon dromen. Het voortdurend dansen voor de poorten van Kṛṣṇa’s paleizen was zo schoon, dat zelfs de goden van het hemels koninkrijk zich er geen voorstelling van konden maken. In het hemelrijk ziet Indra altijd de meisjes van vermaak voor zich dansen. Maar zelfs Indra kon zich niet indenken hoe mooi het dansen was dat aan de poorten van Kṛṣṇa's paleizen plaatsvond. Gaurī betekent blanke vrouw en Heer Śiva's gemalin wordt Gaurī genoemd. De mooie vrouwen in Kṛṣṇa’s paleizen waren zo veel blanker dan Gaurī, dat men hen met de maneschijn vergeleek, en Kṛṣṇa kon hen onophoudelijk zien. Daarom is er niemand die meer genieten kan dan Kṛṣṇa. Men spreekt over geluk en genot altijd in termen van mooie vrouwen, sieraden en weelde. Al deze zaken waren in fabelachtige overvloed aanwezig in de paleizen van Kṛṣṇa, zodat zelfs Kuvera, Koning Indra en Heer Śiva zich er geen voorstelling van konden maken.
Zelfs het geringste leed kan Kṛṣṇa niet raken. Op een dag ging een groep gopī's naar de plek waar de brāhmaṇa’s zaten te offeren. De.meisjes zeiden tot hun vrouwen:
"Beste brāhmaṇa-vrouwen, u moet weten dat Kṛṣṇa niet door het geringste zweempje leed kan worden beroerd. Hij weet niet wat verlies betekent, Hij weet niet wat schande betekent, Hij kent geen angst, Hij kent geen benauwdheid en Hij weet niet wat ellende is. Hij is gewoon altijd omringd door de danseressen van Vraja en geniet van hun gezelschap in de rāsa-dans."
"Beste brāhmaṇa-vrouwen, u moet weten dat Kṛṣṇa niet door het geringste zweempje leed kan worden beroerd. Hij weet niet wat verlies betekent, Hij weet niet wat schande betekent, Hij kent geen angst, Hij kent geen benauwdheid en Hij weet niet wat ellende is. Hij is gewoon altijd omringd door de danseressen van Vraja en geniet van hun gezelschap in de rāsa-dans."
39. Zijn toegewijde begunstigend
Het heet dat Heer Vișņu Kṛṣṇa's toegewijden zo welgezind is, dat als ze Hem slechts een tulasī-blaadje en een beetje water offeren, Hij Zich aan hen uitlevert.
In Zijn gevecht met Bhīșma liet Kṛṣṇa zien dat Zijn toegewijde bij Hem voorgaat. Toen grootvader Bhișma op het pijlenbed lag te sterven, verscheen Kṛṣṇa voor hem en moest Bhișma eraan denken hoe welgezind Kṛṣṇa hem op het slagveld was geweest. Kṛṣṇa had beloofd dat Hij in de Slag van Kuruksetra geen wapen zou aanraken om een van beide partijen te helpen. Hij zou onpartijdig blijven. Hoewel Kṛṣṇa optrad als Arjuna's wagenmenner, zou Hij dus ook Arjuna niet bijstaan met het gebruik van wat voor wapen ook. Maar op één van de dagen van de strijd trad Bhīșma, in een poging om Kṛṣṇa Zijn belofte te laten breken, zo krijgshaftig tegen Arjuna in het veld, dat hij de Heer daardoor dwong om van Zijn wagen omlaag te komen. Met een gebroken wagenwiel in Zijn geheven hand rende Hij op grootvader Bhīșma toe, zoals een leeuw op een olifant toeschiet om hem te doden. Grootvader Bhisma moest aan dit tafereel denken en prees Kṛṣṇa later om de prachtige manier waarop Hij voor Zijn toegewijde Arjuna opgekomen was, zelfs op gevaar af dat Hij Zijn gedane belofte daarbij zou verbreken.
40. Door liefde bedwongen
Kṛṣṇa laat Zich dwingen door de liefde van de toegewijde en niet zo zeer door de speciale dienst die de toegewijde Hem bewijst. Niemand kan Kṛṣṇa volkomen dienen. Hij is zo volkomen en in Zichzelf voldaan, dat Hij geen enkele dienst van de toegewijde van node heeft. Het is de instelling van liefde en genegenheid waarvan de toegewijde blijk geeft die Kṛṣṇa aan hem verplicht. Een fraai voorbeeld van deze ver-plichtheid aan Zijn toegewijde is de geschiedenis van Sudāmā Vipra, die Kṛṣṇa in Zijn paleis bezocht. Sudāmā Vipra had met Kṛṣṇa in dezelfde klas gezeten, en omdat hij zo arm was, had zijn vrouw er bij hem op aangedrongen om Kṛṣṇa om hulp te gaan vragen. Toen Sudāmā Vipra in Kṛṣṇa's paleis verscheen, ontving de Heer hem met alle égards en zowel Hij als Zijn gemalin wasten de brāhmaṇa Sudāmā Vipra eerbiedig de voeten. Terwijl Kṛṣṇa terugdacht aan Zijn liefdevolle omgang met Sudāmā toen ze nog jongens waren, vergoot Hij tranen.
Een ander voorbeeld van Kṛṣṇa's verplichtheid aan Zijn toegewijde wordt verschaft in het Śrīmad-Bhāgavatam (10.9.18). Śukadeva Gosvāmī zegt daarin tot Koning Parīkṣit:
"Waarde vorst, toen moeder Yaśodā bij haar vergeefse pogingen om Kṛṣṇa vast te binden begon te transpireren van inspanning, liet Kṛṣṇa haar eindelijk begaan.”
Als kind bracht Kṛṣṇa Zijn moeder met Zijn stoute streken altijd in de war, en op een keer wilde ze Hem vastbinden. Moeder Yaśodā haalde een stuk touw uit huis, maar toen ze het om Kṛṣṇa heen had geslagen was het net iets te kort om vastgeknoopt te kunnen worden. Ze bond er een ander touw aan vast en daarna nog meer, maar de hele tijd bleek het touw te kort. Door dit alles werd ze zo moe, dat ze begon te transpireren. Toen stond Kṛṣṇa toe dat Zijn moeder Hem vastbond. Dus niemand kan Kṛṣṇa op een andere manier aan zich binden dan door liefde. Hij laat Zich slechts uit verplichtheid om hun extatische liefde voor Hem aan Zijn toegewijden binden.
"Waarde vorst, toen moeder Yaśodā bij haar vergeefse pogingen om Kṛṣṇa vast te binden begon te transpireren van inspanning, liet Kṛṣṇa haar eindelijk begaan.”
Als kind bracht Kṛṣṇa Zijn moeder met Zijn stoute streken altijd in de war, en op een keer wilde ze Hem vastbinden. Moeder Yaśodā haalde een stuk touw uit huis, maar toen ze het om Kṛṣṇa heen had geslagen was het net iets te kort om vastgeknoopt te kunnen worden. Ze bond er een ander touw aan vast en daarna nog meer, maar de hele tijd bleek het touw te kort. Door dit alles werd ze zo moe, dat ze begon te transpireren. Toen stond Kṛṣṇa toe dat Zijn moeder Hem vastbond. Dus niemand kan Kṛṣṇa op een andere manier aan zich binden dan door liefde. Hij laat Zich slechts uit verplichtheid om hun extatische liefde voor Hem aan Zijn toegewijden binden.
41. Al-heilrijk
Iemand die bij alles wat hij doet bedacht is op het welzijn van iedereen wordt als al heilrijk beschouwd.
Nadat Heer Kṛṣṇa van deze planeet was heengegaan, dacht Uddhava aan de activiteiten van de Heer en sprak:
“Kṛṣṇa stemde alle grote wijzen voldaan met Zijn schitterend spel en vermaak. Hij maakte een eind aan de demonische activiteiten van de wrede vorsten, beschermde alle vromen en doodde alle wrede krijgers op het slagveld. Daarom is Hij voor iedereen al-heilrijk."
“Kṛṣṇa stemde alle grote wijzen voldaan met Zijn schitterend spel en vermaak. Hij maakte een eind aan de demonische activiteiten van de wrede vorsten, beschermde alle vromen en doodde alle wrede krijgers op het slagveld. Daarom is Hij voor iedereen al-heilrijk."
42. Almachtig
Iemand die zijn vijanden altijd leed weet te berokkenen wordt almachtig genoemd.
Toen Kṛṣṇa op deze planeet was, verdreef Hij, zoals de machtige zon al het duister naar de grotten verdrijft, al Zijn vijanden, die als uilen wegvlogen om hun toevlucht te zoeken op plekken waar ze Hem niet konden zien.
43. Al-roemrijk
Iemand die bekend staat om zijn onberispelijk karakter wordt al- roemrijk genoemd.
Naar verluidt, is de verbreiding van Kṛṣṇa's faam als de maneschijn, die duister in licht verandert. Als dan ook het Kṛṣṇa-bewustzijn overal ter wereld verkondigd wordt, zal het duister van de onwetendheid en van de benauwdheid van het stoffelijk bestaan in het licht van zuiverheid, vrede en voorspoed veranderen.
Toen de grote wijze Nārada de heerlijkheid van de Heer bezong, verdween de blauwe vlek aan de hals van Heer Śiva. Toen Gaurī, de gemalin van Heer Śiva, dit zag, dacht ze dat Heer Śiva een ander was, die zich als haar echtgenoot vermomd had, en verliet uit vrees dadelijk Zijn gezelschap. Toen Heer Balarāma de naam van Kṛṣṇa hoorde chanten, zag Hij dat Zijn gewaad wit geworden was, hoewel Hij normaal in het blauw gekleed gaat. En de koeienhoedsters zagen allemaal hoe het water van de Yamunā in melk veranderde, en begonnen er boter van te karnen. Dus door het verspreiden van het Kṛṣṇa-bewustzijn of het bezingen van Kṛṣṇa's heerlijkheid werd alles wit en rein.
44. Populair
lemand die bij iedereen geliefd is wordt populair genoemd.
Terzake van Kṛṣṇa's populariteit geeft het Śrīmad-Bhāgavatam (1.11.9) een beschrijving van Zijn terugkeer uit de hoofdstad Hastinā-pura. Toen Kṛṣṇa ten tijde van de Slag van Kuruksetra langdurig afwezig was uit Dvārakā, werden alle inwoners somber. Bij Zijn late terugkeer ontvingen de burgers Hem in juichstemming en zeiden:
"Lieve Heer, toen U niet bij ons was, brachten we onze dagen in nachtelijk duister door. Zoals in het donker van de nacht elk ogenblik heel lang lijkt, leek ieder ogenblik dat U niet bij ons was miljoenen jaren te duren. We kunnen het absoluut niet verdragen van U gescheiden te zijn." Uit deze uitspraak blijkt hoe populair Kṛṣṇa in het hele land was.
"Lieve Heer, toen U niet bij ons was, brachten we onze dagen in nachtelijk duister door. Zoals in het donker van de nacht elk ogenblik heel lang lijkt, leek ieder ogenblik dat U niet bij ons was miljoenen jaren te duren. We kunnen het absoluut niet verdragen van U gescheiden te zijn." Uit deze uitspraak blijkt hoe populair Kṛṣṇa in het hele land was.
Een vergelijkbare situatie deed zich voor toen Kṛṣṇa het strijdperk betrad waarin Koning Kaṁsa Hem wilde laten doden. Zodra Hij verscheen, riepen alle wijzen: "Jaya! Jaya!" ("Heil!") Kṛṣṇa was toen nog maar een jongen, maar toch schonken alle wijzen Hem eerbiedig hun zegen. De aanwezige halfgoden zonden van hun kant fraaie gebeden aan Kṛṣṇa op, en de aanwezige dames en meisjes uit alle rangen van het publiek gaven uiting aan hun vreugde. Kortom, er was niemand bij wie Kṛṣṇa niet zeer geliefd was.
45. De toegewijden bijzonder toegedaan
Hoewel Kṛṣṇa de Allerhoogste Godspersoon is en daarom iedereen gelijkgezind, verklaart de Bhagavad-gītā dat Hij Zijn voorkeur laat uitgaan naar de toegewijde die Zijn naam liefdevol aanbidt. Toen Kṛṣṇa op deze planeet was, bracht een toegewijde zijn gevoelens als volgt onder woorden:
"Lieve Heer, als U hier niet verschenen was, zouden de asura's [demonen] en atheïsten met hun activiteiten tegen de toegewijden beslist voor een chaos hebben gezorgd. Ik kan me gewoon niet voorstellen wat een verwoesting ze zouden hebben aangericht, als U dat niet door Uw aanwezigheid had verhoed." Vanaf het allereerste begin van Zijn aanwezigheid toonde Kṛṣṇa Zich de grootste vijand van alle demonische figuren, hoewel Zijn vijandschap jegens hen in feite op één lijn staat met Zijn vriendschap voor de toegewijden. Dat komt omdat iedere demon die door Kṛṣṇa gedood wordt dadelijk verlossing ontvangt.
"Lieve Heer, als U hier niet verschenen was, zouden de asura's [demonen] en atheïsten met hun activiteiten tegen de toegewijden beslist voor een chaos hebben gezorgd. Ik kan me gewoon niet voorstellen wat een verwoesting ze zouden hebben aangericht, als U dat niet door Uw aanwezigheid had verhoed." Vanaf het allereerste begin van Zijn aanwezigheid toonde Kṛṣṇa Zich de grootste vijand van alle demonische figuren, hoewel Zijn vijandschap jegens hen in feite op één lijn staat met Zijn vriendschap voor de toegewijden. Dat komt omdat iedere demon die door Kṛṣṇa gedood wordt dadelijk verlossing ontvangt.
46. Uiterst aantrekkelijk voor alle vrouwen
Iemand die over bijzondere eigenschappen beschikt is daarmee zonder meer zeer aantrekkelijk voor vrouwen.
Een toegewijde deed de volgende uitspraak over de koninginnen van Dvārakā:
"Hoe zal ik de heerlijkheid van de koninginnen van Dvārakā beschrijven, die de Heer persoonlijk van dienst waren? De Heer is zo groots, dat verheven wijzen als Nārada en anderen door slechts Zijn naam te chanten bovenzinnelijke gelukzaligheid kunnen genieten. Dus hoe was het dan niet gesteld met deze koninginnen, die de Heer voortdurend persoonlijk konden zien en dienen?" Kṛṣṇa had in Dvārakā zestienduizend honderdacht gemalinnen, die stuk voor stuk tot Hem aangetrokken werden als ijzer tot een magneet. Een andere toegewijde verklaart:
"Lieve Heer, waarheen U ook gaat, de jongedames van Vraja komen U achterna, zoals ijzer zich laat aantrekken door de kracht van een magneet."
"Hoe zal ik de heerlijkheid van de koninginnen van Dvārakā beschrijven, die de Heer persoonlijk van dienst waren? De Heer is zo groots, dat verheven wijzen als Nārada en anderen door slechts Zijn naam te chanten bovenzinnelijke gelukzaligheid kunnen genieten. Dus hoe was het dan niet gesteld met deze koninginnen, die de Heer voortdurend persoonlijk konden zien en dienen?" Kṛṣṇa had in Dvārakā zestienduizend honderdacht gemalinnen, die stuk voor stuk tot Hem aangetrokken werden als ijzer tot een magneet. Een andere toegewijde verklaart:
"Lieve Heer, waarheen U ook gaat, de jongedames van Vraja komen U achterna, zoals ijzer zich laat aantrekken door de kracht van een magneet."
47. Alaanbiddelijk
Iemand die door allerlei mensen en goden geëerd en aanbeden wordt noemt men sarvārādhya of alaanbiddelijk.
Kṛṣṇa wordt niet alleen aanbeden door alle levende wezens, met inbegrip van grote goden als Heer Śiva en Heer Brahmā, maar ook door Vișņu-expansies (Godspersonen) als Baladeva en Śeṣa. Baladeva is een directe expansie van Kṛṣṇa, maar brengt Kṛṣṇa niettemin eer. Toen Kṛṣṇa Zijn opwachting maakte bij het Rājasūya-offer van Mahārāja Yudhişțhira, werd Hij de leidstar van alle aanwezigen met inbegrip van de grote wijzen en goden. Hij was het middelpunt van ieders aandacht en iedereen betuigde Hem eer.
48. Vervuld van alle volheden
Kṛṣṇa is vervuld van alle volheden, te weten: macht, rijkdom, roem, schoonheid, kennis en verzaking. Toen Kṛṣṇa in Dvārakā woonde, bestond Zijn familie, welke men kent als het geslacht Yadu, uit vijfhonderdzestig miljoen leden. Al deze familieleden gedroegen zich uiterst gehoorzaam en trouw jegens Kṛṣṇa. Er waren meer dan negenhonderdduizend paleisgebouwen opgetrokken om al deze mensen onderdak te bieden, en alle bewoners van deze gebouwen zagen Kṛṣṇa als degeen die ze bij uitstek moesten eren. De toegewijden stonden versteld van Kṛṣṇa's volheid.
Dit wordt bevestigd door Bilvamańgala Țhākura, die zich in zijn Kṛṣṇa-karnāmrta als volgt tot Kṛṣṇa richt:
"Lieve Heer,wat zal ik zeggen van de volheid van Uw Vṛndāvana? De enkelbanden van de jongedames van Vṛndāvana alleen al zijn meer dan cintāmaṇi, en hun gewaden doen niet onder voor de hemelse pārijāta-bloemen. En de koeien zijn sprekend de surabhi-koeien in Uw bovenzinnelijke woning. Uw volheid is dan ook onmetelijk als de oceaan."
"Lieve Heer,wat zal ik zeggen van de volheid van Uw Vṛndāvana? De enkelbanden van de jongedames van Vṛndāvana alleen al zijn meer dan cintāmaṇi, en hun gewaden doen niet onder voor de hemelse pārijāta-bloemen. En de koeien zijn sprekend de surabhi-koeien in Uw bovenzinnelijke woning. Uw volheid is dan ook onmetelijk als de oceaan."
49. Aleerwaardig
De belangrijkste van alle belangrijke mensen wordt aleerwaardig genoemd.
Toen Kṛṣṇa in Dvārakā verbleef, kwamen goden als Heer Śiva, Heer Brahmā, Indra de hemelkoning en vele andere Hem altijd bezoeken. De dienaar die het bezoek van al deze goden moest regelen, zei op een wel zeer drukke dag:
"Beste Heer Brahmā, beste Heer Śiva, wilt u alstublieft op deze bank uw beurt afwachten. Beste Indra, wilt u alstublieft ophouden met hardop bidden? Het is storend. Wacht alstublieft rustig uw beurt af. Beste Varuņa, u kunt beter gaan. En beste andere goden, verspil uw tijd liever niet. Kṛṣṇa heeft het bijzonder druk. Hij kan u vandaag niet ontvangen."
"Beste Heer Brahmā, beste Heer Śiva, wilt u alstublieft op deze bank uw beurt afwachten. Beste Indra, wilt u alstublieft ophouden met hardop bidden? Het is storend. Wacht alstublieft rustig uw beurt af. Beste Varuņa, u kunt beter gaan. En beste andere goden, verspil uw tijd liever niet. Kṛṣṇa heeft het bijzonder druk. Hij kan u vandaag niet ontvangen."
50. Allerhoogste bestuurder
Er zijn twee soorten bestuurders of heren: degenen die onafhankelijk zijn en degenen wier opdrachten door niemand kunnen worden geweigerd.
Met betrekking tot Kṛṣṇa's volstrekte onafhankelijkheid en oppermacht zegt het Śrīmad-Bhāgavatam dat Hij Kāliya, hoewel deze zich ernstig had misgaan, toch Zijn gunst schonk door zijn hoofd met Zijn lotusvoeten te bewerken, terwijl Heer Brahmā Zijn aandacht niet eens kreeg, ook al zond hij nog zoveel schitterende gebeden tot Hem op.
Deze tegenstelling in de bejegening die Kṛṣṇa verschillende personen laat ondergaan strookt geheel met Zijn positie, aangezien de hele Vedische literatuur Hem immers als de volstrekt onafhankelijke beschrijft. In het begin van het Śrīmad-Bhāgavatam wordt de Heer svarāt genoemd, hetgeen volstrekt onafhankelijk betekent. Dat is de positie waarin de Allerhoogste Absolute Waarheid Zich bevindt. De Absolute Waarheid is niet alleen bewust, maar ook volkomen onafhankelijk.
Wat betreft de omstandigheid dat Kṛṣṇa's opdrachten door niemand kunnen worden geweigerd zegt Uddhava in het Śrīmad-Bhāgavatam (3.2.21) tot Vidura:
"Heer Kṛṣṇa is de Heer van de drieërlei aard der stoffelijke natuur. Hij geniet van het bezit van alle volheden en derhalve kan niemand Hem evenaren of overtreffen. Alle grote vorsten en keizers verschenen steeds voor Hem met geschenken en brachten Hem hun eerbetuigingen door Zijn voeten met hun kroon te beroeren,"
Een toegewijde zei:
"Lieve Kṛṣṇa, wanneer U tot Brahmā zegt: 'Schep nu het universum', en wanneer U Heer Śiva beveelt: 'Vernietig nu de stoffelijke openbaring', dan bent U het Zelf die aldus de stoffelijke schepping creëert en tenietdoet. Slechts op Uw gezag en door toedoen van Uw deelaspect Vişņu houdt U de universa in stand. In dit licht gezien, o Kṛṣṇa, vijand van Kaṁsa, zijn alle verschillende Brahmā's en Śiva's alleen maar loopjongens van U."
"Heer Kṛṣṇa is de Heer van de drieërlei aard der stoffelijke natuur. Hij geniet van het bezit van alle volheden en derhalve kan niemand Hem evenaren of overtreffen. Alle grote vorsten en keizers verschenen steeds voor Hem met geschenken en brachten Hem hun eerbetuigingen door Zijn voeten met hun kroon te beroeren,"
Een toegewijde zei:
"Lieve Kṛṣṇa, wanneer U tot Brahmā zegt: 'Schep nu het universum', en wanneer U Heer Śiva beveelt: 'Vernietig nu de stoffelijke openbaring', dan bent U het Zelf die aldus de stoffelijke schepping creëert en tenietdoet. Slechts op Uw gezag en door toedoen van Uw deelaspect Vişņu houdt U de universa in stand. In dit licht gezien, o Kṛṣṇa, vijand van Kaṁsa, zijn alle verschillende Brahmā's en Śiva's alleen maar loopjongens van U."
51. Onveranderlijk
Kṛṣṇa verandert niet van wezensstaat, zelfs niet wanneer Hij in deze stoffelijke wereld verschijnt. Bij de gewone wezens is de wezensstaat verhuld. Ze vertonen zich in oneigenlijke gedaante en handelen vanuit verschillende door hun tijdelijk omhulsel bepaalde zienswijzen. Maar Kṛṣṇa verandert niet van uiterlijk. Hij verschijnt in eigen gedaante en kan daardoor niet worden aangetast door de geaardheden van de stoffelijke natuur.
Het Śrīmad-Bhāgavatam (1.11.38) verklaart dat de Opperbestuur-der het speciale voorrecht geniet dat Hij geenszins door de geaardheden der natuur wordt beïnvloed. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat de toegewijden die onder bescherming van de Heer staan evenmin door de stoffelijke natuur worden beïnvloed. Het is bijzonder moeilijk de invloed van de stoffelijke natuur te boven te komen, maar de toegewijden of heiligen, die zich onder de hoede van de Heer stellen, hebben er geen moeite mee - laat staan de Heer Zelf. Dus wanneer de Heer van tijd tot tijd in deze stoffelijke wereld verschijnt, heeft Hij niets met de geaardheden van de stoffelijke natuur te maken en handelt volstrekt onafhankelijk vanuit Zijn bovenzinnelijke wezensstaat. Zo is de bijzondere aard van de Heer.
Het Śrīmad-Bhāgavatam (1.11.38) verklaart dat de Opperbestuur-der het speciale voorrecht geniet dat Hij geenszins door de geaardheden der natuur wordt beïnvloed. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat de toegewijden die onder bescherming van de Heer staan evenmin door de stoffelijke natuur worden beïnvloed. Het is bijzonder moeilijk de invloed van de stoffelijke natuur te boven te komen, maar de toegewijden of heiligen, die zich onder de hoede van de Heer stellen, hebben er geen moeite mee - laat staan de Heer Zelf. Dus wanneer de Heer van tijd tot tijd in deze stoffelijke wereld verschijnt, heeft Hij niets met de geaardheden van de stoffelijke natuur te maken en handelt volstrekt onafhankelijk vanuit Zijn bovenzinnelijke wezensstaat. Zo is de bijzondere aard van de Heer.
52. Alwetend
Iemand die de gevoelens van alle personen kent en door en door weet wat er zich altijd en overal afspeelt wordt alwetend genoemd.
Het Śrīmad-Bhāgavatam (1.15.11) geeft met de geschiedenis van het bezoek van Durvāsā Muni aan de verblijfplaats van de Pāṇḍava's in het bos een fraai voorbeeld van de alwetendheid van de Heer. Duryodhana had het snode plan opgevat om Durvāsā Muni met zijn tienduizend leerlingen te laten aankloppen bij de Pāṇḍava’s in het woud. Duryodhana had het zo geregeld dat Durvāsā met zijn mensen precies op het uur dat de Pāndava's het noenmaal beëindigd zouden hebben bij hen zou aankomen, zodat ze niet genoeg te eten zouden hebben om zo'n menigte gasten naar behoren te kunnen onthalen. Kṛṣṇa, die wist wat Duryodhana had uitgedacht, kwam bij de Pāṇḍava's en vroeg hun echtgenote of er nog iets te eten over was, dat ze Hem kon aanbieden. Draupadī liet Hem een pan zien waarin nog een plukje ·groente lag, en Kṛṣṇa at het meteen op. Op datzelfde uur namen alle wijzen in het gezelschap van Durvāsā hun bad in de rivier, en toen Kṛṣṇa Zich door het nuttigen van Draupadī's offergave voldaan voelde, voelden zij zich eveneens vodaan en was hun honger verdwenen. Aangezien Durvāsā en zijn mensen nu niets meer konden eten, gingen ze heen zonder nog eerst bij de Pāņdava's aan te kloppen. Zo werden de Pāņdava's van de toorn van Durvāsā gered. Duryodhana had zo'n menigte mensen naar de Pāņdava's toegestuurd, omdat hij wist dat ze niet goed onthaald zouden kunnen worden, waarop Durvāsā zich dan kwaad zou maken en de Pāņdava's vervloeken; maar de alwetende Kṛṣṇa verhinderde door Zijn list dat Duryodhana's grap het beoogde kwade gevolg zou krijgen.
53. Eeuwig fris
Hoe de toegewijden ook altijd aan Kṛṣṇa denken en met hun mil-joenen steeds Zijn naam chanten, ze worden het nimmer moe. In plaats van hun belangstelling voor het denken aan Kṛṣṇa en het chanten van Zijn heilige naam te verliezen, voelen ze zich juist steeds meer gedreven om ermee door te gaan. Hieruit blijkt dat Kṛṣṇa eeuwig fris is. Niet alleen Kṛṣṇa Zelf, maar ook de kennis aangaande Kṛṣṇa is eeuwig fris. De Bhagavad-gitā, die vijfduizend jaar geleden werd uitgesproken, wordt nog steeds door talloze mensen gelezen, die er voortdurend nieuw licht uit ontvangen. Daarom zijn Kṛṣṇa en Zijn naam, roem, eigenschappen en alles wat met Hem verband houdt eeuwig fris.
Alle koninginnen in Dvārakā waren geluksgodinnen. In het Śrīmad-Bhāgavatam (1.11.33) wordt gezegd dat de geluksgodinnen rusteloos en wispelturig zijn - niemand weet hen blijvend te boeien. Daarom komt er aan elk geluk vroeg of laat een eind. Maar toen de geluksgodinnen met Kṛṣṇa in Dvārakā verbleven, konden ze geen ogenblik van Zijn zijde wijken. Dit betekent dat Kṛṣṇa's aantrekkelijkheid eeuwig fris is. Zelfs de geluksgodinnen kunnen niet buiten Zijn gezelschap.
In de Lalita-mādhava doet Rādhārāṇī een uitspraak over de eeuwige frisheid van Kṛṣṇa's aantrekkelijkheid. Ze vergelijkt Kṛṣṇa met de grootste beeldhouwer, omdat Hij er bij uitstek deskundig in is om de kuisheid van vrouwen tot gruis te beitelen. Dus hoewel kuise vrouwen zich altijd aan de regels en bepalingen van het Vedische leven houden om de trouwe echtgenote van hun man te kunnen zijn, weet Kṛṣṇa hun stenen kuisheid met de beitel van Zijn schoonheid te verpulveren. De meeste vriendinnen van Kṛṣṇa waren getrouwd, maar omdat Kṛṣṇa al vóór hun huwelijk hun vriend was geweest, konden ze Zijn aantrekkelijkheid maar niet vergeten. Ze bleef hun zelfs na hun huwelijk fascineren.
54. Sac-cid-ānanda-vigraha
Sac-cid-ānanda-vigraha betekent dat Kṛṣṇa's bovenzinnelijke ge-daante eeuwig, vol kennis en vol gelukzaligheid is. Sat betekent te allen tijde en overal bestaande: alomtegenwoordig in ruimte en tijd. Cit betekent vol kennis. Kṛṣṇa hoeft van niemand iets te leren. Hij is onafhankelijk van iedereen van alle kennis vervuld. Ānanda betekent bron van alle vreugde. De impersonalisten streven ernaar om in de Brahman-gloed van eeuwigheid en kennis op te gaan, maar de grootste bron van absolute vreugde, die in Kṛṣṇa is, willen ze niet kennen. Men kan pas van de bovenzinnelijke gelukzaligheid van het opgaan in de Brahman-gloed genieten nadat men los is gekomen uit de gevangenschap in de begoocheling van de stof, valse vereenzelviging met het lichaam, gehechtheid aan en opgeslokt zijn door de materie. Aan deze voorwaarden moet men voldoen, als men het Brahman wil realiseren. In de Bhagavad-gitā (XVIII.54) wordt verklaard dat men dan vreugdevol wordt; dit is geen absolute vreugde, maar meer een gevoel van vrijheid van alle angst en zorg. Vrijheid van alle angst is weliswaar het grondbeginsel van vreugde, maar is op zichzelf nog geen vreugde. Degenen die het Zelf realiseren of brahma-bhuta worden, gaan daarmee slechts door de eerste fase naar het niveau van de vreugde. Die vreugde ervaart men pas werkelijk wanneer men met Kṛṣṇa in aanraking komt. Kṛṣṇa-bewustzijn is zo volkomen, dat het de bovenzinnelijke vreugde van de onpersoonlijke of Brahman-realisatie mede omvat. Zelfs de impersonalist zal aangetrokken raken door de persoonlijke gedaante van Kṛṣṇa, die men kent als Śyāmasundara.
In de Brahma-samhitā (5.10) wordt bevestigd dat de Brahman-gloed tevoorschijn straalt uit de gedaante van Kṛṣṇa: het Brahman-licht is slechts een aspect van Kṛṣṇa's energie. Kṛṣṇa is de oorsprong van de Brahman-gloed, zoals Hij Zelf in de Bhagavad-gitā (XIV.27) bevestigt. Hieruit kunnen we opmaken dat het onpersoonlijke aspect van de Absolute Waarheid niet het allerhoogste is: de Allerhoogste Godspersoon Kṛṣṇa is de bekroning van de Absolute Waarheid.
De Vaiṣṇava’s proberen dan ook nooit, in hun streven naar geestelijke volmaaktheid, in het Brahman-licht op te gaan. Ze aanvaarden Kṛṣṇa als het hoogste doel van het streven naar zelfverwerkelijking. Daarom wordt Kṛṣṇa param brahman (het Allerhoogste Brahman) of parameśvara (de Hoogste Bestuurder) genoemd. Śrī Yamunācārya bidt als volgt:
"Lieve Heer, ik weet dat het reusachtige universum en de reusachtige ruimte en de tijd in het heelal omgeven zijn door tien schalen van materie, bestaande uit de materiële elementen, waarvan iedere volgende laag naar buiten toe tienmaal zo dik is als de voorgaande. De drieërlei aard der stoffelijke natuur, de Garbhodakaśāyī Visņu, de Kșīrodakaśāyī Vișņu en Mahā-Vișņu en boven hen de geestelijke hemel met zijn geestelijke planeten, bekend als de Vaikuņțha's, en de Brahman-gloed in die geestelijke hemel - dit alles bij elkaar omvat nog maar een gering gedeelte van Uw alvermogen."
"Lieve Heer, ik weet dat het reusachtige universum en de reusachtige ruimte en de tijd in het heelal omgeven zijn door tien schalen van materie, bestaande uit de materiële elementen, waarvan iedere volgende laag naar buiten toe tienmaal zo dik is als de voorgaande. De drieërlei aard der stoffelijke natuur, de Garbhodakaśāyī Visņu, de Kșīrodakaśāyī Vișņu en Mahā-Vișņu en boven hen de geestelijke hemel met zijn geestelijke planeten, bekend als de Vaikuņțha's, en de Brahman-gloed in die geestelijke hemel - dit alles bij elkaar omvat nog maar een gering gedeelte van Uw alvermogen."
55. In het bezit van alle mystieke volmaaktheden
Er zijn vele niveaus van volmaaktheid. De hoogste materiële vormen van volmaaktheid, die door volmaakte yogi's worden verworven, zijn acht in getal: het vermogen om kleiner te worden dan het kleinste, groter dan het grootste enzovoorts.
Al deze materiële volmaaktheden kan men samen met alle geestelijke volmaaktheden in volkomen omvang aantreffen in de persoon van Kṛṣṇa.
Al deze materiële volmaaktheden kan men samen met alle geestelijke volmaaktheden in volkomen omvang aantreffen in de persoon van Kṛṣṇa.
56. Kṛṣṇa's onvoorstelbare vermogens
Kṛṣṇa is alomtegenwoordig, niet alleen in het heelal en niet alleen in het hart van alle levende wezens, maar zelfs in alle atomen. We vinden dit onvoorstelbaar vermogen van Kṛṣṇa vermeld in de gebeden van Koningin Kuntī. Terwijl Kṛṣṇa met Kuntī in gesprek was en blééf, ging Hij binnen in de baarmoeder van Uttarā, die zich in levensgevaar bevond, omdat Aśvatthāmā zijn kernwapen op haar had afgevuurd. Kṛṣṇa kan zelfs Heer Brahmā en Heer Śiva begoochelen, terwijl Hij alle toegewijden die zich aan Hem overgeven van de terugslagen van hun zondig doen en laten kan behoeden. Dit zijn enkele voorbeelden van Zijn onvoorstelbare vermogens.
Śrīla Rūpa Gosvāmi brengt Kṛṣṇa dan ook zijn eerbetuigingen met de woorden:
“Kṛṣṇa, die in menselijke ġedaante aanwezig is, heeft de ganse stoffelijke natuur slechts tot schaduw. Hij heeft Zich in vele koeien, kalveren en koeienjongens geëxpandeerd en Zich in allen als de vierarmige Nārāyaņa geopenbaard. Hij heeft miljoenen Brahmā's tot zelfverwerkelijking gebracht en derhalve dient Hij niet alleen door het hoofd van ieder universum te worden aanbeden, maar ook door ieder ander. Laat mij Hem daarom altijd eren als de Allerhoogste Godspersoon."
“Kṛṣṇa, die in menselijke ġedaante aanwezig is, heeft de ganse stoffelijke natuur slechts tot schaduw. Hij heeft Zich in vele koeien, kalveren en koeienjongens geëxpandeerd en Zich in allen als de vierarmige Nārāyaņa geopenbaard. Hij heeft miljoenen Brahmā's tot zelfverwerkelijking gebracht en derhalve dient Hij niet alleen door het hoofd van ieder universum te worden aanbeden, maar ook door ieder ander. Laat mij Hem daarom altijd eren als de Allerhoogste Godspersoon."
Toen Indra in de affaire van de roof van de pārijāta-bloem uit de hemel door Kṛṣṇa was verslagen, leverde Nārada als volgt kritiek op de hemelvorst:
"O Indra, grote hemelkoning, Kṛṣṇa had Heer Brahmā en Heer Śiva al veel eerder verslagen. Dus wat kan een onbetekenende god als jij dan nog tegen Hem uitrichten?"
Nārada Muni kritiseerde Indra natuurlijk in scherts, en Indra moest erom lachen, Nārada bevestigt in zijn verklaring dat Kṛṣṇa zelfs Heer Brahmā en Heer Śiva en dus ook Indra wist te begoochelen. Daarom lijdt het geen twijfel dat Kṛṣṇa dat ook met minder verheven wezens zal weten te doen.
"O Indra, grote hemelkoning, Kṛṣṇa had Heer Brahmā en Heer Śiva al veel eerder verslagen. Dus wat kan een onbetekenende god als jij dan nog tegen Hem uitrichten?"
Nārada Muni kritiseerde Indra natuurlijk in scherts, en Indra moest erom lachen, Nārada bevestigt in zijn verklaring dat Kṛṣṇa zelfs Heer Brahmā en Heer Śiva en dus ook Indra wist te begoochelen. Daarom lijdt het geen twijfel dat Kṛṣṇa dat ook met minder verheven wezens zal weten te doen.
Een beschrijving van Kṛṣṇa's vermogen om het leed als gevolg van de terugslagen van kwade activiteiten te verminderen treffen we aan in de Brahma-saṁhitā (5.54):
"Elk wezen, van de grote hemelvorst tot de nietige mier, heeft te kampen met de terugslagen van zijn vroegere daden. Een toegewijde van Kṛṣṇa echter wordt er door Zijn genade van gevrijwaard."
Dit bleek duidelijk toen Kṛṣṇa naar de woning ging van Yamarāja, de Heer des doods, om de gestorven zoons van Zijn leraar van hem op te eisen. Kṛṣṇa's leraar had Hem namelijk verzocht om dat voor hem te doen. Kṛṣṇa gelastte Yamarāja: "Doe je voordeel met Mijn bevel en geef Me deze zielen weerom!" De strekking van deze geschiedenis is dat zelfs iemand die onder bestuur van de natuurwetten staat en bijgevolg in het kader van deze wetten door Yamarāja kan worden gestraft, door Kṛṣṇa's genade volkomen onschendbaarheid kan ontvangen.
"Elk wezen, van de grote hemelvorst tot de nietige mier, heeft te kampen met de terugslagen van zijn vroegere daden. Een toegewijde van Kṛṣṇa echter wordt er door Zijn genade van gevrijwaard."
Dit bleek duidelijk toen Kṛṣṇa naar de woning ging van Yamarāja, de Heer des doods, om de gestorven zoons van Zijn leraar van hem op te eisen. Kṛṣṇa's leraar had Hem namelijk verzocht om dat voor hem te doen. Kṛṣṇa gelastte Yamarāja: "Doe je voordeel met Mijn bevel en geef Me deze zielen weerom!" De strekking van deze geschiedenis is dat zelfs iemand die onder bestuur van de natuurwetten staat en bijgevolg in het kader van deze wetten door Yamarāja kan worden gestraft, door Kṛṣṇa's genade volkomen onschendbaarheid kan ontvangen.
Śukadeva Gosvāmī beschrijft Kṛṣṇa's onvoorstelbare vermogen als volgt:
"Kṛṣṇa verbijstert mijn verstand, omdat Hij, hoewel Hij on-geboren is, toch als zoon van Nada Mahārāja is verschenen. Hij is alomtegenwoordig, maar toch heeft moeder Yaśodā Hem apart bij zich op schoot. In weerwil van Zijn alomtegenwoordigheid maakt Hij Zich klein om door Yaśodā bemind te kunnen worden. Hoewel Hij talloze gedaanten bezit, beweegt Hij Zich als één Kṛṣṇa om Zijn vader en moeder, om Nanda en Yaśodā heen."
Ook in de Brahma-samhitā (5.37) wordt verklaard dat Kṛṣṇa, hoewel Hij eeuwig in Zijn bovenzinnelijke woning Goloka Vṛndāvana verblijft, toch overal, zelfs in elk atoom, aanwezig is.
"Kṛṣṇa verbijstert mijn verstand, omdat Hij, hoewel Hij on-geboren is, toch als zoon van Nada Mahārāja is verschenen. Hij is alomtegenwoordig, maar toch heeft moeder Yaśodā Hem apart bij zich op schoot. In weerwil van Zijn alomtegenwoordigheid maakt Hij Zich klein om door Yaśodā bemind te kunnen worden. Hoewel Hij talloze gedaanten bezit, beweegt Hij Zich als één Kṛṣṇa om Zijn vader en moeder, om Nanda en Yaśodā heen."
Ook in de Brahma-samhitā (5.37) wordt verklaard dat Kṛṣṇa, hoewel Hij eeuwig in Zijn bovenzinnelijke woning Goloka Vṛndāvana verblijft, toch overal, zelfs in elk atoom, aanwezig is.
57. Kṛṣṇa's gedaante verwekt talloze heelallen
In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.14.11) zegt Heer Brahmā:
"Lieve Heer, het vals ego, het verstand, de geest, ruimte, lucht, vuur, water en aarde zijn de stoffelijke elementen van dit heelal, dat met een reusachtige kruik kan worden vergeleken. In die reusachtige kruik is de omvang van mijn lichaam maar onbeduidend; hoewel ik een heel universum heb vól geschapen, stel ik niets voor, want talloze heelallen komen en gaan in en uit de poriën van Uw gedaante, zoals men atoomstofjes in het zonlicht heen en weer kan zien flikkeren. In Uw tegenwoordigheid ben ik hoogst onbeduidend en ik vraag U om vergiffenis. Schenk me alstublieft Uw genade."
"Lieve Heer, het vals ego, het verstand, de geest, ruimte, lucht, vuur, water en aarde zijn de stoffelijke elementen van dit heelal, dat met een reusachtige kruik kan worden vergeleken. In die reusachtige kruik is de omvang van mijn lichaam maar onbeduidend; hoewel ik een heel universum heb vól geschapen, stel ik niets voor, want talloze heelallen komen en gaan in en uit de poriën van Uw gedaante, zoals men atoomstofjes in het zonlicht heen en weer kan zien flikkeren. In Uw tegenwoordigheid ben ik hoogst onbeduidend en ik vraag U om vergiffenis. Schenk me alstublieft Uw genade."
Als men slechts naar dit ene universum kijkt, ziet men al zo veel combinaties van schitterende dingen; want er zijn hier al talloze planeten, talloze woningen en verblijfplaatsen van de goden. De middellijn van het heelal is zes-en-een half miljard kilometer en in zijn onpeilbare diepten bevinden zich gruwelijke oorden, bekend als de pātāla's of lagere planetenstelsels. Hoewel Kṛṣṇa de oorsprong van dit alles is, kan men Hem altijd aanwezig zien in Vṛndāvana, waar Hij Zijn onvoorstelbare vermogens tentoonspreidt. Wie is in staat zo'n almachtige Heer, in het bezit van zulke onvoorstelbare energie, naar waarde te eren?
58. De oorsprong van alle avatāra's
In zijn Gita-govinda zingt Jayadeva Gosvāmī als volgt:
"De Heer heeft de Veda's gered in Zijn vis-gedaante; en Hij heeft het hele universum op Zijn rug gedragen in Zijn schildpad-gedaante. In Zijn zwijnsgedaante heeft Hij deze aardplaneet uit het water opgediept. Hij heeft Hiraṇyakaśipu gedood in Zijn Nṛsiṁha-vorm. Hij bedroog Mahārāja Bali in de gedaante van Vāmana. Hij vernietigde alle kṣatriya-geslachten als Paraśurāma. Hij doodde alle demonen in de gedaante van Heer Rāma. Hij hanteerde het grote ploegijzer als Balarāma. Hij maakt een eind aan het bestaan van alle atheïsten in de gedaante van Kalki. En Hij redde alle arme dieren het leven in de gedaante van Heer Boeddha."(1)
Dit is een beschrijving van een aantal avatāra's die uit Kṛṣṇa emaneren, en uit het Śrīmad-Bhāgavatam (1.3.26) begrijpen we dat er uit Kṛṣṇa's gedaante voortdurend tal van avatāra's verschijnen, zoals er steeds weer golven verschijnen in de oceaan. Niemand vermag te tellen hoeveel golven er zijn, en evenmin weet iemand hoeveel avatāra's er uit het lichaam van de Heer tevoorschijn komen.
"De Heer heeft de Veda's gered in Zijn vis-gedaante; en Hij heeft het hele universum op Zijn rug gedragen in Zijn schildpad-gedaante. In Zijn zwijnsgedaante heeft Hij deze aardplaneet uit het water opgediept. Hij heeft Hiraṇyakaśipu gedood in Zijn Nṛsiṁha-vorm. Hij bedroog Mahārāja Bali in de gedaante van Vāmana. Hij vernietigde alle kṣatriya-geslachten als Paraśurāma. Hij doodde alle demonen in de gedaante van Heer Rāma. Hij hanteerde het grote ploegijzer als Balarāma. Hij maakt een eind aan het bestaan van alle atheïsten in de gedaante van Kalki. En Hij redde alle arme dieren het leven in de gedaante van Heer Boeddha."(1)
Dit is een beschrijving van een aantal avatāra's die uit Kṛṣṇa emaneren, en uit het Śrīmad-Bhāgavatam (1.3.26) begrijpen we dat er uit Kṛṣṇa's gedaante voortdurend tal van avatāra's verschijnen, zoals er steeds weer golven verschijnen in de oceaan. Niemand vermag te tellen hoeveel golven er zijn, en evenmin weet iemand hoeveel avatāra's er uit het lichaam van de Heer tevoorschijn komen.
(1) l deze avatāra's van God staan beschreven in het Śrīmad-Bhāgavatam canto 1, hoofdstuk 3.
59. Kṛṣṇa schenkt verlossing aan de vijanden die Hij doodt
Een ander woord voor verlossing is apavarga. Apavarga is het tegenovergestelde van pavarga of de diverse ellendige situaties van het stoffelijk bestaan. Het woord pavarga verwijst naar de vijf lipklanken in het Sanskrit-alfabet: pa, pha, ba, bha en ma. Deze lettergrepen zijn de eerste klank van de verschillende woorden die de diverse vormen van materiële ellende beschrijven. De eerste klank, pa, is de aanvang van het woord parābhava, dat "nederlaag" betekent. In onze strijd om het bestaan in de stof lijden we domweg de ene nederlaag na de andere. We hebben tot opgaaf om geboorte, dood, ziekte en ouderdom te overwinnen, en aangezien we hiertoe met geen mogelijkheid in staat zijn, aangezien de begoocheling of māyā ons in haar ban heeft, worden we steeds weer met parābhava of een nederlaag geconfronteerd. De volgende klank, pha, vormt het begin van het woord phena. Phena is het schuim dat men om de mondhoeken van een paard ziet wanneer het bekaf is. De klank ba is de eerste van het woord bandha of gevangenschap. Bha is de eerste klank van het woord bhiti of vrees. Ma is de beginklank van het woord mrti of dood. De term pavarga heeft dus betrekking op onze strijd om het bestaan en onze confrontatie met nederlaag, uitputting, gevangenschap, angst, en tenslotte de dood. Apavarga daarentegen heeft betrekking op datgene wat al deze vormen van materiële ellende tot niets kan terugbrengen. Kṛṣṇa heet degeen te zijn die ons apavarga, de weg naar de verlossing, openbaart.
Voor de impersonalisten en de vijanden van Kṛṣṇa betekent verlossing opgaan in het Allerhoogste. De demonen en de impersonalisten geven niets om Kṛṣṇa, maar Kṛṣṇa is zo mild, dat Hij deze verlossing zelfs aan Zijn vijanden en aan de impersonalisten verleent. In dit verband kennen we de volgende uitspraak:
"O Murāri [Kṛṣṇa]! Hoe geweldig is het dat de demonen, die altijd afgunstig op de goden zijn, hoewel ze niet konden doorbreken in Uw strategische slagorde, wel zijn doorgebroken in het gebied van mitra, de zon."
Het woord mitra wordt hier als beeldspraak gebruikt. Mitra betekent zonnebol alsook vriend. De demonen, die als vijanden tegenover Kṛṣṇa stonden, wilden zich in Zijn militaire slagorde boren, maar in plaats van dit te doen, sneuvelden ze in de strijd, met als gevolg dat ze terecht kwamen op de planeet mitra of de zonnebol. Met andere woorden: ze kwamen in het Brahman-licht. Dat wordt hier beschreven met het beeld van de zonnebol, aangezien de zon evenals het geestelijk uitspansel, waarin zich talloze stralende Vaikuņțha-planeten bevinden, onophoudelijk licht uitstraalt. Kṛṣṇa's vijanden werden gedood en in plaats van zich in Kṛṣṇa's slagorde te boren, gingen ze binnen in de vreedzame sfeer van het geestelijk licht. Zo is de genade van Kṛṣṇa ,en daarom kent men Hem als degeen die ook Zijn vijanden verlost.
"O Murāri [Kṛṣṇa]! Hoe geweldig is het dat de demonen, die altijd afgunstig op de goden zijn, hoewel ze niet konden doorbreken in Uw strategische slagorde, wel zijn doorgebroken in het gebied van mitra, de zon."
Het woord mitra wordt hier als beeldspraak gebruikt. Mitra betekent zonnebol alsook vriend. De demonen, die als vijanden tegenover Kṛṣṇa stonden, wilden zich in Zijn militaire slagorde boren, maar in plaats van dit te doen, sneuvelden ze in de strijd, met als gevolg dat ze terecht kwamen op de planeet mitra of de zonnebol. Met andere woorden: ze kwamen in het Brahman-licht. Dat wordt hier beschreven met het beeld van de zonnebol, aangezien de zon evenals het geestelijk uitspansel, waarin zich talloze stralende Vaikuņțha-planeten bevinden, onophoudelijk licht uitstraalt. Kṛṣṇa's vijanden werden gedood en in plaats van zich in Kṛṣṇa's slagorde te boren, gingen ze binnen in de vreedzame sfeer van het geestelijk licht. Zo is de genade van Kṛṣṇa ,en daarom kent men Hem als degeen die ook Zijn vijanden verlost.
60. Hij trekt de verloste zielen aan
Er bestaan veel voorbeelden van grote verloste zielen, zoals Śuka-deva Gosvāmī en de Kumāra's, die zich in hun onpersoonlijke staat van verlossing toch nog door Kṛṣṇa lieten aantrekken. In dit verband doen de Kumāra's de volgende uitspraak:
"Hoe fantastisch is het dat wij, ook al zijn we volkomen verlost en kennen we geen enkel verlangen meer en bevinden we ons op het peil van paramahamsa, toch van het spel van Rādhā en Kṛṣṇa willen genieten."
"Hoe fantastisch is het dat wij, ook al zijn we volkomen verlost en kennen we geen enkel verlangen meer en bevinden we ons op het peil van paramahamsa, toch van het spel van Rādhā en Kṛṣṇa willen genieten."
61. Hij verricht fantastische activiteiten
In de Brhad-vāmana Purāṇa zegt de Heer:
"Hoewel Ik in Mijn spel en vermaak vele fascinerende activi-teiten verricht, wil Ik, als Ik eraan denk, toch altijd graag weer Mijn rāsa-līlā met de gopī's dansen."
"Hoewel Ik in Mijn spel en vermaak vele fascinerende activi-teiten verricht, wil Ik, als Ik eraan denk, toch altijd graag weer Mijn rāsa-līlā met de gopī's dansen."
Een toegewijde zei eens:
"Ik ben op de hoogte van het bestaan van Nārāyaņa, de echt-genoot van de geluksgodin, en ik heb ook weet van vele andere avatāra's van de Heer. Het spel van al deze avatāra's vind ik beslist opwindend, maar het spel en vermaak van de rāsa-lilā, waarin Heer Kṛṣṇa Zelf optreedt, laat mijn bovenzinnelijke vreugde tot ongekende hoogte stijgen."
"Ik ben op de hoogte van het bestaan van Nārāyaņa, de echt-genoot van de geluksgodin, en ik heb ook weet van vele andere avatāra's van de Heer. Het spel van al deze avatāra's vind ik beslist opwindend, maar het spel en vermaak van de rāsa-lilā, waarin Heer Kṛṣṇa Zelf optreedt, laat mijn bovenzinnelijke vreugde tot ongekende hoogte stijgen."
Kṛṣṇa is omringd door toegewijden die Hem liefhebben
Spreken we over Kṛṣṇa, dan gaat het nooit om Kṛṣṇa alleen. Kṛṣṇa betekent de Persoon Kṛṣṇa vermeerderd met Zijn naam, Zijn eigenschappen, Zijn roem, Zijn vrienden, Zijn activiteiten, Zijn omgeving en wat dies meer zij. Wanneer we over een koning spreken, dienen we te begrijpen dat hij altijd omringd is door ministers, secretarissen, bevelhebbers en vele andere personages. Kṛṣṇa is even persoonlijk als een koning. Met name in Zijn Vṛndāvana-līlā is Hij door allerlei personen omringd: de gopī's, de koeienjongens, Zijn vader, Zijn moeder en alle inwoners van het dorp.
In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.31.15) klagen de gopī's:
"Lieve Kṛṣṇa, wanneer Je overdag met de koeien in het bos van Vṛndāvana bent, lijkt ieder ogenblik in onze ogen wel een eeuw en kunnen we de tijd haast niet doorkomen. En wanneer Je aan het eind van de dag terugkomt, raken we bij de aanblik van Je prachtige gezicht zo tot Je aangetrokken, dat we onze ogen geen moment van Je af kunnen houden. Als dan onze oogleden daarbij af en toe knipperen, schelden we de schepper, Heer Brahmā, voor ezel uit, omdat hij geen volmaakte ogen weet te maken."
"Lieve Kṛṣṇa, wanneer Je overdag met de koeien in het bos van Vṛndāvana bent, lijkt ieder ogenblik in onze ogen wel een eeuw en kunnen we de tijd haast niet doorkomen. En wanneer Je aan het eind van de dag terugkomt, raken we bij de aanblik van Je prachtige gezicht zo tot Je aangetrokken, dat we onze ogen geen moment van Je af kunnen houden. Als dan onze oogleden daarbij af en toe knipperen, schelden we de schepper, Heer Brahmā, voor ezel uit, omdat hij geen volmaakte ogen weet te maken."
De gopī's raakten dus van streek door het geknipper van hun ogen, aangezien ze Kṛṣṇa niet konden zien tijdens het moment dat hun ogen dicht waren. Dit betekent dat hun liefde voor Kṛṣṇa zo groot en extatisch was, dat ze zelfs van streek raakten als ze Hem ook maar éven uit het oog verloren. Maar als ze Kṛṣṇa wel zagen, waren ze net zo van streek. Dat is paradoxaal.
Een gopī legde Kṛṣṇa eens als volgt haar gevoelens bloot:
"Wanneer we Je 's nachts ontmoeten, vinden we dat de nacht maar heel kort duurt. En niet alleen een gewone nacht als deze, zelfs al konden we een nacht van Brahmā (1) bij Je zijn, dan zouden we daar nog veel te kort aan hebben!"
We krijgen een idee over de lengte van de nacht van Brahmā uit de volgende verklaring van de Bhagavad-gitā (VIII.17):
"Naar menselijke berekening hebben duizend yuga's tezamen de tijdsduur van één dag van Brahmā, en Zijn nacht duurt even lang."
De gopī's zeiden dat al hadden ze zo'n lange nacht tot hun beschikking, die nog niet lang genoeg was om naar hartenlust met Kṛṣṇa samen te kunnen zijn.
Een gopī legde Kṛṣṇa eens als volgt haar gevoelens bloot:
"Wanneer we Je 's nachts ontmoeten, vinden we dat de nacht maar heel kort duurt. En niet alleen een gewone nacht als deze, zelfs al konden we een nacht van Brahmā (1) bij Je zijn, dan zouden we daar nog veel te kort aan hebben!"
We krijgen een idee over de lengte van de nacht van Brahmā uit de volgende verklaring van de Bhagavad-gitā (VIII.17):
"Naar menselijke berekening hebben duizend yuga's tezamen de tijdsduur van één dag van Brahmā, en Zijn nacht duurt even lang."
De gopī's zeiden dat al hadden ze zo'n lange nacht tot hun beschikking, die nog niet lang genoeg was om naar hartenlust met Kṛṣṇa samen te kunnen zijn.
(1) Een nacht van Brahmā duurt vier miljard driehonderdtwintig miljoen zonnejaren.
63. Kṛṣṇa's aantrekkelijke fluit
In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.35.15) zeggen de gopī's tot moeder Yasodā:
"Wanneer uw zoon op Zijn fluit speelt, raken Heer Śiva, Heer Brahmā en Koning Indra -hoewel ze als de grootste geleerden en meest verheven personen worden beschouwd - allemaal van streek. Ongeacht hun hoog verheven staat buigen ze zich bij het horen van de klank van Kṛṣṇa's fluit nederig neer en worden bij het aanhoren ervan heel ernstig."
"Wanneer uw zoon op Zijn fluit speelt, raken Heer Śiva, Heer Brahmā en Koning Indra -hoewel ze als de grootste geleerden en meest verheven personen worden beschouwd - allemaal van streek. Ongeacht hun hoog verheven staat buigen ze zich bij het horen van de klank van Kṛṣṇa's fluit nederig neer en worden bij het aanhoren ervan heel ernstig."
In zijn boek Vidagdha-mādhava beschrijft Śrīla Rūpa Gosvāmī de vibratie van Kṛṣṇa's fluit:
"De klanktrilling verwekt door Kṛṣṇa's fluitspel deed Heer Śiva op wondere wijze het spel op zijn ḍiṇḍima-trom staken, en hetzelfde fluitspel heeft grote wijzen als de vier Kumāra's in hun meditatie weten te storen. Het heeft Heer Brahmā, die op de lotusbloem neerzat om de schepping te verrichten, tot verbazing gebracht. En Anantadeva, die alle planeten rustig op zijn slangenkop hield, bewoog zich door de bovenzinnelijke geluidsvibratie van Kṛṣṇa's fluit, welke door de koepel van het universum heen brak en de geestelijke ruimte binnendrong, zig-zag heen en weer."
"De klanktrilling verwekt door Kṛṣṇa's fluitspel deed Heer Śiva op wondere wijze het spel op zijn ḍiṇḍima-trom staken, en hetzelfde fluitspel heeft grote wijzen als de vier Kumāra's in hun meditatie weten te storen. Het heeft Heer Brahmā, die op de lotusbloem neerzat om de schepping te verrichten, tot verbazing gebracht. En Anantadeva, die alle planeten rustig op zijn slangenkop hield, bewoog zich door de bovenzinnelijke geluidsvibratie van Kṛṣṇa's fluit, welke door de koepel van het universum heen brak en de geestelijke ruimte binnendrong, zig-zag heen en weer."
64. Kṛṣṇa's exquise schoonheid
In het Śrīmad-Bhāgavatam (3.2.12) zegt Uddhava tot Vidura:
"Waarde heer, toen Kṛṣṇa op deze planeet verscheen en het vermogen van Zijn innerlijke energie openbaarde, zag Hij er hoogst schitterend uit. Tijdens Zijn spel en vermaak alhier toonde Hij Zijn prachtige aantrekkelijke gedaante en door Zijn innerlijk vermogen ontvouwde Hij Zijn volheden, die iedereen fascineren. Zijn persoonlijke schoonheid was zo groot, dat Hij Zich met geen enkel sieraad hoefde te tooien. In plaats van dat Zijn sieraden Kṛṣṇa mooi maakten, verhoogde juist Kṛṣṇa's schoonheid die van de sieraden."
"Waarde heer, toen Kṛṣṇa op deze planeet verscheen en het vermogen van Zijn innerlijke energie openbaarde, zag Hij er hoogst schitterend uit. Tijdens Zijn spel en vermaak alhier toonde Hij Zijn prachtige aantrekkelijke gedaante en door Zijn innerlijk vermogen ontvouwde Hij Zijn volheden, die iedereen fascineren. Zijn persoonlijke schoonheid was zo groot, dat Hij Zich met geen enkel sieraad hoefde te tooien. In plaats van dat Zijn sieraden Kṛṣṇa mooi maakten, verhoogde juist Kṛṣṇa's schoonheid die van de sieraden."
De gopī's richtten zich als volgt tot Kṛṣṇa naar aanleiding van de aantrekkelijkheid van Zijn lichamelijke schoonheid en de klanktrillingen van Zijn fluit (S.B., 10.29.40):
"Onze eigen relatie met Jou lijkt op die van minnaressen met hun minnaar; het verwondert ons dan ook niet dat geen vrouw bij het horen van de klanktrillingen van Je fluit haar kuisheid kan bewaren. En niet alleen vrouwen, maar zelfs standvastige mannen dreigen bij het horen van Je fluit ten val te komen. We hebben in Vṛndāvana zelfs gezien dat de koeien, de herten, de vogels, de bomen -alles en iedereen- door de zoete trilling van Je fluit en Je fascinerende schoonheid betoverd raakt."
"Onze eigen relatie met Jou lijkt op die van minnaressen met hun minnaar; het verwondert ons dan ook niet dat geen vrouw bij het horen van de klanktrillingen van Je fluit haar kuisheid kan bewaren. En niet alleen vrouwen, maar zelfs standvastige mannen dreigen bij het horen van Je fluit ten val te komen. We hebben in Vṛndāvana zelfs gezien dat de koeien, de herten, de vogels, de bomen -alles en iedereen- door de zoete trilling van Je fluit en Je fascinerende schoonheid betoverd raakt."
In de Lalita-mādhava van Rūpa Gosvāmi wordt gezegd:
"Op een keer zag Kṛṣṇa Zijn schone gedaante in de juwelenvloer weerspiegeld. Bij het zien van dit spiegelbeeld slaakte Hij de volgende ontboezeming: 'Wat schitterend -nog nooit heb Ik zo'n schone gedaante aanschouwd! Hoewel het Mijn eigen is, probeer Ik haar net als Rādhārāņī te omhelzen en zo in hemelse zaligheid op te gaan.'"
"Op een keer zag Kṛṣṇa Zijn schone gedaante in de juwelenvloer weerspiegeld. Bij het zien van dit spiegelbeeld slaakte Hij de volgende ontboezeming: 'Wat schitterend -nog nooit heb Ik zo'n schone gedaante aanschouwd! Hoewel het Mijn eigen is, probeer Ik haar net als Rādhārāņī te omhelzen en zo in hemelse zaligheid op te gaan.'"
Deze verklaring laat zien dat Kṛṣṇa en Zijn spiegelbeeld een en hetzelfde zijn. Er bestaat geen verschil tussen Kṛṣṇa en Zijn spiegelbeeld, noch tussen Kṛṣṇa en afbeeldingen van Hem. Zo is de transcendente positie van Kṛṣṇa.
Bovenvermelde verklaringen beschrijven iets van de verschillende prachtige manieren waarop Kṛṣṇa aanleiding tot vreugde geeft, alsook van de bovenzinnelijke eigenschappen van Zijn wezen. De bovenzinnelijke eigenschappen van Kṛṣṇa worden vergeleken met de oceaan: niemand kan de lengte en breedte van de oceaan peilen. Maar zoals men de inhoud van de oceaan kan kennen door slechts één druppel ervan te onderzoeken, kunnen deze verklaringen ons enigszins duidelijk maken wat Kṛṣṇa's bovenzinnelijke positie en eigenschappen zijn.
Bovenvermelde verklaringen beschrijven iets van de verschillende prachtige manieren waarop Kṛṣṇa aanleiding tot vreugde geeft, alsook van de bovenzinnelijke eigenschappen van Zijn wezen. De bovenzinnelijke eigenschappen van Kṛṣṇa worden vergeleken met de oceaan: niemand kan de lengte en breedte van de oceaan peilen. Maar zoals men de inhoud van de oceaan kan kennen door slechts één druppel ervan te onderzoeken, kunnen deze verklaringen ons enigszins duidelijk maken wat Kṛṣṇa's bovenzinnelijke positie en eigenschappen zijn.
Heer Brahmā zegt in het Śrīmad-Bhāgavatam (10.14.7):
"Lieve Heer, het is ondoenlijk om ook maar bij benadering langs materiële weg te schatten wat de omvang is van Uw onvoorstelbare eigenschappen, Uw schoonheid en de activiteiten die U door Uw aanwezigheid op deze planeet heeft geopenbaard. Al probeert men zich maar een voorstelling van U te maken, zo van: 'Misschien is Kṛṣṇa wel zus, of zo', dan is ook dat ondoenlijk. Misschien dat de materiële geleerden na vele jaren, of na vele malen te zijn wedergeboren, op een dag de atoomstructuur van de hele wereld zullen kunnen beschrijven of de atoomdeeltjes tellen die zich overal door de ruimte bewegen of zelfs een schatting maken van de totale hoeveelheid atomen in het heelal; toch zullen ze nooit de bovenzinnelijke eigenschappen kunnen tellen die zich in U als bron van alle bovenzinnelijke gelukzaligheid bevinden."
"Lieve Heer, het is ondoenlijk om ook maar bij benadering langs materiële weg te schatten wat de omvang is van Uw onvoorstelbare eigenschappen, Uw schoonheid en de activiteiten die U door Uw aanwezigheid op deze planeet heeft geopenbaard. Al probeert men zich maar een voorstelling van U te maken, zo van: 'Misschien is Kṛṣṇa wel zus, of zo', dan is ook dat ondoenlijk. Misschien dat de materiële geleerden na vele jaren, of na vele malen te zijn wedergeboren, op een dag de atoomstructuur van de hele wereld zullen kunnen beschrijven of de atoomdeeltjes tellen die zich overal door de ruimte bewegen of zelfs een schatting maken van de totale hoeveelheid atomen in het heelal; toch zullen ze nooit de bovenzinnelijke eigenschappen kunnen tellen die zich in U als bron van alle bovenzinnelijke gelukzaligheid bevinden."