Default View
Dual Language

HOOFDSTUK 23

Kṛṣṇa’s persoonlijkheid

Śrīla Rūpa Gosvāmī zegt dat Heer Kṛṣṇa, hoewel Hij de oorsprong van grenzeloze vreugde is en de voornaamste van alle leiders, toch op drie manieren van Zijn toegewijden afhankelijk is. Naar gelang het emotionele niveau van de toegewijde wordt de Allerhoogste Gods-persoon op drie wijzen gekend: als de volmaaktste, als uiterst volmaakt en als volmaakt. Openbaart Hij Zich in Zijn volheid, dan zien grote geleerden Hem als de volmaaktste; openbaart Hij Zich minder vol-komen, dan wordt Hij uiterst volmaakt genoemd; openbaart Hij Zich op nog bescheidener wijze, dan heet Hij volmaakt. Dus Kṛṣṇa wordt op drie niveaus van volmaaktheid onderscheiden. De drie niveaus van volmaaktheid onderscheidt men in het bijzonder als volgt: wanneer Hij in Goloka Vṛndāvana is, worden Zijn bovenzinnelijke eigenschappen het volmaaktst geopenbaard; wanneer Hij in Mathurā is, openbaart Hij ze als uiterst volmaakt; en wanneer Hij in Dvārakā is, openbaart Hij ze als volmaakt.
Kṛṣṇa's persoonlijkheid wordt geanalyseerd als dhīrodātta, dhīra-lalita, dhīra-prašānta en dhīroddhata. Vraagt men hoe men iemands persoonlijkheid op vier nogal uiteenlopende manieren kan beschouwen, dan luidt het antwoord dat de Heer de bron van alle bovenzinnelijke eigenschappen en activiteiten is. Daarom kunnen Zijn verschillende persoonlijkheidsaspecten worden beschouwd naar gelang Hij de onbegrensde gevarieerdheid van Zijn spel en vermaak openbaart, en derhalve doet zich dan geen tegenstrijdigheid voor.

Dhīroddātta

Een dhīrodātta is iemand die van nature zeer ernstig, zachtmoedig, vergevingsgezind, genadevol, vastberaden, nederig, zeer getalenteerd, ridderlijk en uiterlijk aantrekkelijk is.
Er bestaat in dit verband een hoogst belangwekkende uitspraak van Indra, de hemelvorst:
"Lieve Heer, ik erken dat ik ernstig tegen U gezondigd heb, maar ik ben niet bij machte mijn gevoelens van berouw onder woorden te brengen, aangezien ik van streek ben door mijn kennismaking met Uw buitengewone ridderlijke geest, Uw streven om Uw toegewijden te beschermen, Uw vastberadenheid, Uw standvastig opgeheven houden van de grote heuvel Govardhana, Uw grote uiterlijke schoonheid en de verbluffende omstandigheid dat U al voldoening ondervindt door slechts de gebeden van Uw toegewijden en vijanden aan te nemen."
Deze uitspraak van de hemelvorst bevestigt precies wat er van Kṛṣṇa als dhīrodātta wordt gezegd. Vele geleerden zijn het erover eens dat ook Heer Rāmacandra als dhīrodātta moet worden beschouwd, maar men vindt hoe dan ook alle eigenschappen van Heer Rāmacandra onverkort terug in het karakter van Heer Kṛṣṇa.

Dhīra-lalita

Iemand wordt dhīra-lalita genoemd als hij erg geestig van aard is, altijd blaakt van jeugd, een expert is in het bedenken van grappen en ook vrij is van alle angst en zorg. Men ziet dat een dhīra-lalita doorgaans huiselijk van aard is en zich zeer deemoedig jegens zijn partner opstelt.
Het dhīra-lalita-aspect van Kṛṣṇa's persoonlijkheid wordt beschreven in het Śrīmad-Bhāgavatam. Daar zegt Yajña-patnī, de echtgenote van één der brāhmaņa's die in Vṛndāvana aan het offeren waren, tot haar vriendinnen:
"Op een keer lag Srīmatī Rādhārāṇī met haar vriendinnen te rusten in Haar tuin, toen Srī Kṛṣṇa plotseling verscheen. Nadat Hij was gaan zitten, begon Hij uiterst onbeschaamd verhalen te vertellen over de manier waarop Hij de nacht met Rādhārāņī had doorgebracht. Terwijl Hij zo sprak, werd Rādhārāņī erg verlegen. Ze schaamde Zich en zat in gedachten verzonken. Kṛṣṇa maakte van die gelegenheid gebruik om met tilaka allerlei dingen op Haar borsten te tekenen. Hij toonde Zich uiterst bedreven in die kunst."
Zo gaf Kṛṣṇa als dhīra-lalita in het gezelschap van de gopī's aan Zijn jeugdige neigingen toe.
Ervaren toneelschrijvers noemen de liefdesgod meestal de ideale dhīra-lalita, maar in Kṛṣṇa's persoonlijkheid vinden we alle kenmerken van de dhīra-lalita op volmaakter wijze vertegenwoordigd.

Dhīra-prasānta

Iemand die uiterst vreedzaam, verdraagzaam, attent en voorkomend is wordt dhira-prasānta genoemd.
Kṛṣṇa toonde Zich een ware dhīra-prasānta in Zijn betrekkingen met de Pāṇḍava’s. Omdat de Pāṇḍava’s hun Heer trouw waren toegewijd, stemde Hij erin toe om op te treden als hun wagenmenner, raadsman, vriend, boodschapper en soms als lijfwacht. Aan dit voorbeeld ziet men waartoe toegewijde dienst aan Vişņu kan leiden. Toen Kṛṣṇa met Mahārāja Yudhișțhira over de beginselen der religie sprak, toonde Hij Zich een groot geleerde, maar aangezien Hij de rol van jongere neef van Yudhișțhira speelde, sprak Hij heel bescheiden, hetgeen Zijn uiterlijke schoonheid deed toenemen. De manier waarop Hij Zijn ogen bewoog en Zijn woorden koos bewijst dat Hij bijzonder bedreven was in het geven van zedelijk onderricht. Soms beschouwen geleerden ook Mahārāja Yudhișțhira als dhīra-praśānta.

Dhīroddātta

Iemand die bijzonder afgunstig, trots, driftig, rusteloos en zelfvoldaan is wordt door de geleerden dhīroddātta genoemd.

Deze eigenschappen zag men in het karakter van Heer Kṛṣṇa, want toen Hij een brief aan Kālayavana schreef, noemde Hij hem daarin een zondige kikker. In Zijn brief ried Kṛṣṇa Kālayavana aan om zich gauw in een donkere put te verschuilen, want er was een zwarte slang, genaamd Kṛṣṇa, die er gulzig op uit was om alle zondige kikkers van zijn soort op te slokken. Kṛṣṇa bracht Kālayavana in herinnering dat Hij alleen al met Zijn blik alle universa tot as kon verzengen.
Deze verklaring van Kṛṣṇa lijkt afgunstig van aard, maar in het licht van Zijn verschillende vormen van spel en vermaak en ook van plaats en tijd, wordt deze eigenschap juist als verheven beschouwd. Kṛṣṇa's dhīroddātta-mentaliteit wordt zo hoog aangeslagen, omdat Hij er slechts blijk van geeft als het erom gaat Zijn toegewijden te beschermen. Dus zelfs ongewenste eigenschappen kunnen van pas komen in de toegewijde omgang.
Soms wordt ook Bhīma, de op één na oudste Pāņdava, als dhīrod-dhata beschreven.
Toen Kṛṣṇa eens met een demon in gevecht was die de gedaante van een hert had aangenomen, daagde Hij hem met de volgende woorden uit:
"Ik sta hier voor je als de grote olifant Kṛṣṇa. Je moet nu óf het slagveld als verliezer verlaten, óf de dood onder ogen zien."
Deze tartende houding van Kṛṣṇa is niet in tegenspraak met Zijn verheven karakter, aangezien bij Hem als Opperwezen alles moet kunnen.
De Kūrma Purāņa bevat een aardige uitspraak over deze schijnbaar tegenstrijdige trekken in het karakter van de Allerhoogste Godspersoon. Er wordt daarin verklaard dat de Opperheer noch erg dik, noch erg dun is. Hij is boven alle materiële criteria verheven- en toch heet het dat Zijn lichamelijke uitstraling donker is. Zijn ogen zijn roodachtig, Hij bezit alle macht en allerhande volheden. Tegenstrijdige kenmerken in de persoonlijkheid van Kṛṣṇa mogen ons niet verrassen; men mag niet denken dat er innerlijke tegenstrijdigheden zijn aan te wijzen in het karakter van Kṛṣṇa, de Allerhoogste Godspersoon. Men moet Zijn karaktertrekken willen begrijpen aan de hand van uitspraken van de autoriteiten en proberen in te zien hoe ze door de opperwil van de Heer hun functie vervullen.
In de Mahā-varāha Purāņa wordt bevestigd dat de bovenzinņelijke gedaanten van de Allerhoogste Godspersoon en Zijn expansies alle eeuwig bestaan. Deze gedaanten hebben niets stoffelijks, maar zijn juist volkomen geestelijk en van kennis vervuld. Ze vormen de bron van alle bovenzinnelijke eigenschappen. Het Viṣṇu-yāmala-tantra verklaart dat de Godspersoon en Zijn expansies altijd verstoken zijn van de achttien vormen van stoffelijke besmetting, aangezien deze gedaanten altijd van kennis, gelukzaligheid en eeuwig leven zijn doortrokken. De vormen van materiële besmetting zijn de volgende:

1.begoocheling;
2.vermoeidheid;
3. het begaan van fouten;
4.ruwheid;
5.materiële lust;
6.rusteloosheid;
7.trots;
8.afgunst;
9.gewelddadligheid;
10. schandelijk gedrag;
11.uitputting;
12.leugenachtigheid;
13.woede;
14.hunkering;
15.afhankelijkheid;
16.de drang om de baas over het heelal te spelen;
17.dualisme;
18.bedrog.
Met betrekking tot alle bovengenoemde verklaringen dienen we te begrijpen dat Mahā-Vișņu de oorsprong van alle avatāra's in de stoffelijke wereld is. Maar aangezien de buitengewone volheid van de zoon van Nanda Mahārāja groter is dan de Zijne, kunnen we begrijpen dat Hij op Zijn beurt de oorsprong is van Mahā-Visņu. Dat wordt bevestigd in de Brahma-saṁhitā (5.48) met de volgende woorden:
"Laat me mijn eerbiedige eerbetuigingen brengen aan Govinda, van wie Mahā-Vișņu een deelaspect is.”

De reusachtige gedaante van Mahā-Vișņu is de oorsprong van de ontelbare universa. Talloze heelallen komen bij Zijn uitademing tevoorschijn, en wanneer Hij inademt keren al deze heelallen weer in Hem terug. De Mahā-Vișņu is een volkomen deelaspect van een aspect van Kṛṣṇa.