Default View
Dual Language View
HOOFDSTUK 24
Verdere kenmerken van Śrī Kṛṣṇa
Na zijn beschrijving van de verschillende volheden van Kṛṣṇa gaat Śrīla Rūpa Gosvāmī verder in op de bovenzinnelijke schoonheid en eigenschappen van de Heer. Hij beschrijft Hem als luisterrijk, ge-nietend, innemend, betrouwbaar, standvastig en dominerend. Hij wordt ook geschetst als iemand die Zich onberispelijk weet te kleden en van een grootmoedig karakter blijk geeft. Al deze trekken worden doorgaans als kenmerkend voor grote persoonlijkheden beschouwd.
Luisterrijk
Iemand wordt groot genoemd wanneer hij de luisterrijke eigenschappen tentoonspreidt van mededogen met de ongelukkigen, grote kracht, superioriteit, ridderlijkheid, geestdrift, ervaring en waarheidlievendheid.
Deze luisterrijke kenmerken liet Kṛṣṇa zien tijdens Zijn Govardhana-līlā. Het hele district Vṛndāvana werd toen onder water gezet door de regenhozen die Indra omlaag zond, zoals reeds beschreven. Eerst dacht Kṛṣṇa: "Laat Me wraak op Indra nemen en zijn hemels koninkrijk verwoesten", maar toen Hij vervolgens bedacht hoe onbeduidend de hemelvorst eigenlijk is, veranderde Hij van plan en voelde Zich Indra genadig gezind. Niemand kan het tegen Kṛṣṇa's woede opnemen, dus in plaats van wraak te nemen op Indra, volstond Hij ermee Zijn vrienden in Vṛndāvana Zijn mededogen te bewijzen door de heuvel Govardhana op te heffen om hen eronder te beschermen.
Deze luisterrijke kenmerken liet Kṛṣṇa zien tijdens Zijn Govardhana-līlā. Het hele district Vṛndāvana werd toen onder water gezet door de regenhozen die Indra omlaag zond, zoals reeds beschreven. Eerst dacht Kṛṣṇa: "Laat Me wraak op Indra nemen en zijn hemels koninkrijk verwoesten", maar toen Hij vervolgens bedacht hoe onbeduidend de hemelvorst eigenlijk is, veranderde Hij van plan en voelde Zich Indra genadig gezind. Niemand kan het tegen Kṛṣṇa's woede opnemen, dus in plaats van wraak te nemen op Indra, volstond Hij ermee Zijn vrienden in Vṛndāvana Zijn mededogen te bewijzen door de heuvel Govardhana op te heffen om hen eronder te beschermen.
Genietend
Wanneer we zien dat iemand altijd gelukkig is en met een lach op zijn gezicht spreekt, beschouwt men hem als een genieter.
Het was als zo'n genieter dat Kṛṣṇa in het strijdperk van Koning Kaṁsa trad. Volgens de beschrijving trad de lotusogige Kṛṣṇa de worstelaars tegemoet zonder onbeleefdheid, wierp hun een vastberaden blik toe en deed hen denken aan een olifant die op het punt staat een paar plantjes te attaqueren. Zelfs terwijl Hij tot hen sprak, lachte Kṛṣṇa nog, en zo stond Hij onvervaard op het worstelpodium.
Het was als zo'n genieter dat Kṛṣṇa in het strijdperk van Koning Kaṁsa trad. Volgens de beschrijving trad de lotusogige Kṛṣṇa de worstelaars tegemoet zonder onbeleefdheid, wierp hun een vastberaden blik toe en deed hen denken aan een olifant die op het punt staat een paar plantjes te attaqueren. Zelfs terwijl Hij tot hen sprak, lachte Kṛṣṇa nog, en zo stond Hij onvervaard op het worstelpodium.
Innemend
Wanneer men door zijn karakter een heel aangename en aantrekkelijke indruk wekt, heet men innemend.
Het Śrīmad-Bhāgavatam geeft een voorbeeld van Kṛṣṇa's innemendheid:
"Toen Kṛṣṇa eens aan de oever van de Yamunā op Śrīmatī Rādhārāṇī zat te wachten, begon Hij een krans van kadamba-bloemen te rijgen. Terwijl Hij zo bezig was, verscheen Srīmatī Rādhārāņī ter plaatse, en op dat moment wierp Murāri [Kṛṣṇa], de vijand van Mura, Rādhārāņī een hele lieve blik toe."”
Het Śrīmad-Bhāgavatam geeft een voorbeeld van Kṛṣṇa's innemendheid:
"Toen Kṛṣṇa eens aan de oever van de Yamunā op Śrīmatī Rādhārāṇī zat te wachten, begon Hij een krans van kadamba-bloemen te rijgen. Terwijl Hij zo bezig was, verscheen Srīmatī Rādhārāņī ter plaatse, en op dat moment wierp Murāri [Kṛṣṇa], de vijand van Mura, Rādhārāņī een hele lieve blik toe."”
Betrouwbaar
Iemand op wie men in alle omstandigheden kan rekenen wordt betrouwbaar genoemd.
Rūpa Gosvāmi zegt dat zelfs de demonen op Kṛṣṇa rekenden, aangezien ze ervan uitgingen dat Kṛṣṇa hen nooit zonder reden zou aanvallen. Daarom waren ze kalm en vol vertrouwen en stond de deur van hun huis altijd wijd open. En de goden, die bang waren voor de demonen, rekenden altijd op Kṛṣṇa's bescherming. Daarom kon men hen zelfs midden in het grootste gevaar met allerlei speelse activiteiten bezig zien. Mensen die nimmer de louteringsriten hadden ondergaan, welke in de Veda's worden aanbevolen, vertrouwden erop dat Kṛṣṇa alleen al met hun geloof en toewijding genoegen zou nemen, en leefden aldus Kṛṣṇa-bewust, waardoor ze van alle angsten vrij waren. Kortom: allerlei wezens, van god tot barbaar, kunnen op de grondeloze genade van de Opperheer rekenen.
Rūpa Gosvāmi zegt dat zelfs de demonen op Kṛṣṇa rekenden, aangezien ze ervan uitgingen dat Kṛṣṇa hen nooit zonder reden zou aanvallen. Daarom waren ze kalm en vol vertrouwen en stond de deur van hun huis altijd wijd open. En de goden, die bang waren voor de demonen, rekenden altijd op Kṛṣṇa's bescherming. Daarom kon men hen zelfs midden in het grootste gevaar met allerlei speelse activiteiten bezig zien. Mensen die nimmer de louteringsriten hadden ondergaan, welke in de Veda's worden aanbevolen, vertrouwden erop dat Kṛṣṇa alleen al met hun geloof en toewijding genoegen zou nemen, en leefden aldus Kṛṣṇa-bewust, waardoor ze van alle angsten vrij waren. Kortom: allerlei wezens, van god tot barbaar, kunnen op de grondeloze genade van de Opperheer rekenen.
Standvastig
Wie zich in tegenspoed niet van streek laat brengen wordt standvastig genoemd.
Men zag deze standvastigheid bij Kṛṣṇa toen Hij de demon Bāna ervan langs gaf. Bāņa had een massa armen en Kṛṣṇa hakte ze de een na de andere af. Deze Bāņa was een groot toegewijde van Heer Śiva en de godin Durgā. Toen Bāņa zo werd gestraft, werden Heer Śiva en Durgā uiteraard razend op Kṛṣṇa, maar Kṛṣṇa trok Zich daar niets van aan.
Men zag deze standvastigheid bij Kṛṣṇa toen Hij de demon Bāna ervan langs gaf. Bāņa had een massa armen en Kṛṣṇa hakte ze de een na de andere af. Deze Bāņa was een groot toegewijde van Heer Śiva en de godin Durgā. Toen Bāņa zo werd gestraft, werden Heer Śiva en Durgā uiteraard razend op Kṛṣṇa, maar Kṛṣṇa trok Zich daar niets van aan.
Dominerend
Iemand die ieders geest weet te beïnvloeden wordt dominerend genoemd.
Over Kṛṣṇa's dominerende aard zegt Śukadeva Gosvāmī in het Śrīmad-Bhāgavatam (10.43.17) tot Koning Parīkṣit:
"Waarde vorst, voor de worstelaars is Kṛṣṇa als een bliksem-schicht; voor gewone mensen is Hij de meest welgeschapene. Jonge meisjes zien Hem als de liefdesgod; de koeherders en hun vrouwen zien Hem als hun dierbaarste familielid; voor de goddeloze vorsten is Hij de hoogste heerser; Zijn ouders, Nanda en Yaśodā, zien Hem gewoon als hun kleine kind; voor Kaṁsa, de koning van Bhoja, is Hij de dood in eigen persoon; voor de tragen en dommen is Hij net een steen; in de ogen van de yogi's is Hij de Allerhoogste Absolute Waarheid; en voor de Vrsni's is Hij de Allerhoogste Godsperoon. Terwijl ieder voor zich zo van Hem onder de indruk was, verscheen Kṛṣṇa met Zijn oudere broer, Balarāma, in het strijdperk."
Toen Kṛṣṇa, de bron van alle gemoedsstemmingen, in Kaṁsa's strijdperk verscheen, zagen de mensen Hem op verschillende wijze, naar gelang de gemoedsgesteldheid van hun relatie tot Hem. In de Bhagavad-gītā (IV.11) wordt verklaard dat Hij Zich aan iedereen voordoet naar gelang men Hem wil ontmoeten.
Over Kṛṣṇa's dominerende aard zegt Śukadeva Gosvāmī in het Śrīmad-Bhāgavatam (10.43.17) tot Koning Parīkṣit:
"Waarde vorst, voor de worstelaars is Kṛṣṇa als een bliksem-schicht; voor gewone mensen is Hij de meest welgeschapene. Jonge meisjes zien Hem als de liefdesgod; de koeherders en hun vrouwen zien Hem als hun dierbaarste familielid; voor de goddeloze vorsten is Hij de hoogste heerser; Zijn ouders, Nanda en Yaśodā, zien Hem gewoon als hun kleine kind; voor Kaṁsa, de koning van Bhoja, is Hij de dood in eigen persoon; voor de tragen en dommen is Hij net een steen; in de ogen van de yogi's is Hij de Allerhoogste Absolute Waarheid; en voor de Vrsni's is Hij de Allerhoogste Godsperoon. Terwijl ieder voor zich zo van Hem onder de indruk was, verscheen Kṛṣṇa met Zijn oudere broer, Balarāma, in het strijdperk."
Toen Kṛṣṇa, de bron van alle gemoedsstemmingen, in Kaṁsa's strijdperk verscheen, zagen de mensen Hem op verschillende wijze, naar gelang de gemoedsgesteldheid van hun relatie tot Hem. In de Bhagavad-gītā (IV.11) wordt verklaard dat Hij Zich aan iedereen voordoet naar gelang men Hem wil ontmoeten.
Soms verklaren geleerden het begrip "dominerend" als betrekking hebbend op iemand die het niet kan verdragen wanneer hij wordt genegeerd. Deze eigenaardigheid van Kṛṣṇa zag men toen Kaṁsa Mahārāja Nanda beledigde. Vasudeva vroeg Kṛṣṇa's hulp om Kaṁsa te doden en Kṛṣṇa wierp een verlangende blik naar Kaṁsa, als een prostitué, terwijl Hij Zich schrap zette om boven op de koning te springen.
Onberispelijk gekleed
Iemand die er erg van houdt om zich goed te kleden, wordt lalita of onberispelijk gekleed genoemd.
Kṛṣṇa toonde deze eigenschap op twee manieren: soms tooide Hij Srimatī Rādhārāņī met allerlei tilaka -versieringen, en soms, wanneer Hij Zich klaarmaakte om een demon zoals bijvoorbeeld Ariṣṭāsura te doden, zorgde Hij ervoor dat Zijn gordel heel mooi zat.
Kṛṣṇa toonde deze eigenschap op twee manieren: soms tooide Hij Srimatī Rādhārāņī met allerlei tilaka -versieringen, en soms, wanneer Hij Zich klaarmaakte om een demon zoals bijvoorbeeld Ariṣṭāsura te doden, zorgde Hij ervoor dat Zijn gordel heel mooi zat.
Grootmoedig
Mensen die zich aan iedereen kunnen geven worden grootmoedig genoemd.
Niemand kan grootmoediger zijn dan Kṛṣṇa, omdat Hij altijd klaar staat om Zich volkomen aan Zijn toegewijde te geven. Zelfs aan iemand die niet toegewijd is wil Kṛṣṇa Zich in Zijn Caitanya-gedaante geven om hem verlossing te schenken.
Niemand kan grootmoediger zijn dan Kṛṣṇa, omdat Hij altijd klaar staat om Zich volkomen aan Zijn toegewijde te geven. Zelfs aan iemand die niet toegewijd is wil Kṛṣṇa Zich in Zijn Caitanya-gedaante geven om hem verlossing te schenken.
Hoewel Kṛṣṇa van niemand afhankelijk is, stelt Hij Zich uit gronde-loze genade afhankelijk van Garga Ṛṣi om van hem geestelijk onderricht te krijgen; om de krijgskunst te leren, stelt Hij Zich afhankelijk van Sātyaki, en voor het ontvangen van wijze raad stelt Hij Zich afhankelijk van Zijn vriend Uddhava.