Default View
Dual Language

HOOFDSTUK 25

Kṛṣṇa's toegewijden

Iemand die altijd in Kṛṣṇa-bewustzijn opgaat wordt een toegewijde van Kṛṣṇa genoemd. Śrīla Rūpa Gosvāmī zegt dat alle tot dusver besproken bovenzinnelijke eigenschappen ook aangetroffen worden bij de toegewijden van Kṛṣṇa. De toegewijden van Kṛṣṇa kunnen in twee groepen worden verdeeld. Degenen die toegewijde dienst beoefenen om in het bovenzinnelijk koninkrijk te mogen binnengaan en degenen die reeds het volmaakte niveau van de toegewijde dienst hebben bereikt.
Iemand die zich in de fase van aangetrokkenheid tot Kṛṣṇa bevindt en nog niet los is geraakt van zijn materiële impasse,maar op het punt is gekomen dat hij Gods koninkrijk binnen mag, wordt sādhaka genoemd. De term sādhaka heeft betrekking op iemand die toewijding in Kṛṣṇa-bewustzijn in zich ontwikkelt. De beschrijving van zo'n toegewijde vindt men in het Śrīmad-Bhāgavatam (11.2.46). Daar staat beschreven dat iemand die onwankelbaar op de Heer vertrouwt en Hem onveranderlijk bemint, die de toegewijden van Kṛṣṇa tot vriend is en de onwetenden zeer genadig, waarbij hij hen tot het peil van de toegewijde dienst verheft, en die geen belangstelling voor niet-toegewijden heeft, dat zo iemand zich voor de bovenzinnelijke toegewijde dienst bekwaamt.
Wanneer men ziet dat iemand tranen vergiet wanneer hij de verhalen over het spel en vermaak van de Heer verneemt, dient men te begrijpen dat de laaiende brand van het stoffelijk bestaan door zijn traanvocht zal worden uitgeblust. Wanneer zijn lichaam beeft en zijn huidhaar overeind komt te staan, moet men begrijpen dat de toegewijde de volmaaktheid nadert. Een voorbeeld van een sādhaka die toegewijde dienst in zich ontwikkelt is Bilvamańgala Ţhākura.
Wanneer een toegewijde het nooit moe wordt om toegewijde dienst te verrichten en altijd met Kṛṣṇa-bewuste activiteiten bezig is, waarbij hij voortdurend van een bovenzinnelijke stemming in relatie tot Kṛṣṇa geniet, wordt hij volmaakt genoemd. Dit niveau van volmaaktheid kan op twee manieren worden bereikt: men kan er komen door geleidelijk in toegewijde dienst vooruit te gaan, of men kan er komen door de grondeloze genade van Kṛṣṇa, ook al heeft men de toegewijde dienst niet tot in de details zuiver beoefend.
Het Śrīmad-Bhāgavatam (3.15.25) geeft de volgende fraaie beschrijving van een toegewijde die door regelmatige beoefening van toegewijde dienst tot volmaaktheid komt:
“Iemand die vrij is van het vals ego van het stoffelijk bestaan, of een gevorderde mysticus, mag binnengaan in Gods koninkrijk, dat men kent als Vaikuṇṭha. Zo'n mysticus ervaart door het voortdurende navolgen van de regulerende beginselen van de toegewijde dienst zo'n vreugde, dat hij daardoor de bijzondere gunst van de Opperheer ontvangt."
Yamarāja, de machtige oppertoezichthouder des doods, durft zo'n toegewijde niet te benaderen: daaraan kunnen we zien hoe verheven het vermogen van gevorderde toegewijde dienst is, vooral wanneer de toegewijden bijeenkomen om het spel en vermaak van de Allerhoogste Godspersoon met elkaar te bespreken. Ze brengen hun gevoelens daarbij op zo'n manier tot uitdrukking, dat ze vanzelf smelten van vervoering, terwijl er zich lichamelijk tal van bovenzinnelijke tekenen bij hen voordoen. Iedereen die vooruitgang wil maken op het pad van de toegewijde dienst moet het voorbeeld van deze toegewijden volgen.
Prahlāda Mahārāja heeft gezegd dat niemand het volmaakte niveau van de toegewijde dienst kan bereiken zonder zijn eerbetuigingen aan verheven toegewijden te brengen. Een grote wijze als Mārkaṇḍeya Ṛṣi kwam in de toegewijde dienst tot volmaaktheid door slechts de regulerende beginselen ervan te volgen.
Hoe men louter door de grondeloze genade van de Heer tot vol-maaktheid in de toegewijde dienst kan komen wordt uitgelegd in het Śrīmad-Bhāgavatam aan de hand van de geschiedenis van de brāhmana's en hun vrouwen die met yajna, offeren, bezig waren. Toen de vrouwen van de brāhmaņa's Kṛṣṇa's gunst ontvingen en daardoor meteen de liefde tot God ervoeren, zeiden de brahmana's:
"Wat schitterend is het dat deze vrouwen, hoewel ze geen louteringsriten hebben ondergaan, zoals het ontvangen van de heilige draad en dergelijke, en hoewel ze niet in de āśrama van de geestelijk leraar hebben gewoond, zich ook niet strikt aan de principes van het celibaat hebben gehouden, geen boete hebben gedaan en zich niet filosofisch in het celebreren van de riten hebben verdiept, toch de gunst van Kṛṣṇa hebben ontvangen, waar zelfs de grote mystici op uit zijn. Hoe schitterend is het dat deze vrouwen deze volmaaktheid hebben bereikt, terwijl wij, die ons als brāhmaṇa's aan alle louteringsactiviteiten hebben onderworpen, dit niveau niet kunnen bereiken."
Ook Nārada zegt iets dergelijks tot Śukadeva Gosvāmī:
"Mijn beste Śukadeva Gosvāmī, jij hebt nooit de moeite genomen om je onder de hoede van een geestelijk leraar te stellen, en toch heb je zo'n hoog peil van bovenzinnelijke kennis bereikt. Je hebt je nooit ingespannen om strenge boete te doen, en toch zien we het schitterende feit dat je je op het niveau van de hoogste volmaaktheid van liefde tot God bevindt."
Śukadeva Gosvāmī en de vrouwen van de offerende brāhmaņa's zijn een levend voorbeeld van toegewijden die door de genade van de Allerhoogste Godspersoon tot het niveau van volmaaktheid van de toegewijde dienst kwamen.

Eeuwige volmaaktheid

Wie tot eeuwig gelukzalig leven is gekomen op hetzelfde niveau als Śrī Kṛṣṇa en door zijn bovenzinnelijke liefdedienst Kṛṣṇa tot zich weet aan te trekken, wordt eeuwig volmaakt genoemd. De technische benaming voor zo iemand is nitya-siddha. Er zijn twee soorten wezens -nitya-siddha en nitya-baddha. Het verschil tussen beide is dat nitya-siddha's eeuwig Kṛṣṇa-bewust zijn, zonder een zweem van vergeetachtigheid, terwijl de nitya-baddha's of eeuwig gebonden zielen hun relatie met Kṛṣṇa  uit het oog zijn verloren.
De Padma Purāṇa beschrijft wat de positie van de nitya-siddha's is naar aanleiding van de geschiedenis van de Allerhoogste Godspersoon en Satyabhāmādevī. De Heer zegt tot Satyabhāmā:
"Lieve Satyabhāmādevī, Ik ben op verzoek van Heer Brahmā en andere goden op deze aarde neergedaald. Degenen die allemaal als telg van het geslacht Yadu zijn geboren zijn Mijn eeuwige met-gezellen. Je moet niet denken, lieve vrouw, dat Mijn metgezellen ooit van Mij gescheiden zijn: het zijn Mijn persoonlijke expansies, en in dat licht dien je te weten dat ze bijna even machtig zijn als Ikzelf. Vanwege hun bovenzinnelijke eigenschappen zijn ze Mij bijzonder dierbaar, zoals Ik hén bijzonder dierbaar ben."
Iedereen die zich opgetogen voelt wanneer hij hoort van het spel en vermaak van Heer Kṛṣṇa tijdens Zijn verblijf op aarde met Zijn metgezellen wordt als nitya-siddha, eeuwig volmaakt, beschouwd.

Het Śrīmad-Bhāgavatam (10.14.32) geeft in dit verband de volgende verklaring:
"Hoe fantastisch zijn de gelukkige inwoners van Vṛndāvana, zoals Nanda en de andere koeherders. De Allerhoogste Godsper-soon, het Allerhoogste Brahman, is hun innige vriend geworden!"
Zo'n soort uitspraak vindt men ook elders (S.B., 10.26.10). Toen Heer Kṛṣṇa  de heuvel Govardhana ophief, stonden de koeherders, die hierdoor Kṛṣṇa's bescherming ontvingen, stomverbaasd en gingen naar Nanda Mahārāja en vroegen hem:
“Beste Nanda Mahārāja, hoe is het mogelijk dat wij zo innig aan Kṛṣṇa gehecht zijn en dat Kṛṣṇa zo liefdevol aan ons gehecht is? Wil dat soms zeggen dat Kṛṣṇa de Superziel van iedereen is?"
Alle inwoners van Vṛndāvana en Dvārakā - de koeherders en de vertegenwoordigers van het geslacht Yadu - zijn eeuwig volmaakte toegewijden van de Heer. Zoals de Heer door Zijn grondeloze genade neerdaalt, verschijnen ook deze toegewijden hier, teneinde de Heer in Zijn spel en vermaak bij te staan. Het zijn geen gewone wezens of gebonden zielen: het zijn eeuwig verloste zielen, die zich altijd in gezelschap van de Godspersoon bevinden. En zoals Heer Kṛṣṇa Zich tijdens Zijn aanwezigheid op deze planeet als een gewoon mens voordoet, handelen ook de leden van het geslacht Yadu en de inwoners van Vṛndāvana alsof ze gewone mensen zijn. Maar het zijn dus géén gewone mensen: ze zijn even verlost als Heer Kṛṣṇa Zelf.
In het Uttara-khaṇḍa-gedeelte van de Padma Purāṇa staat geschreven:
"Zoals Heer Rāmacandra met Lakṣmaṇa [een expansie van Pradyumna) op aarde neerdaalt, verschijnen ook de leden van het geslacht Yadu en de koeherders van Vṛndāvana met Heer Kṛṣṇa op aarde om hun aandeel te leveren in het bovenzinnelijk spel en vermaak van de Heer. Wanneer de Opperheer naar Zijn eeuwige woning terugkeert, gaan Zijn metgezellen eveneens naar hun plaats van herkomst terug. Deze eeuwig verloste Vaiṣṇava’s zijn uit hoofde van hun positie nimmer gebonden aan de stoffelijke wetten van geboorte en dood."
Zoals de Heer Zelf in de Bhagavad-gītā (IV.9) verklaart, zijn Zijn geboorte, daden en activiteiten alle bovenzinnelijk. Ook de geboorte, daden en activiteiten van de metgezellen van de Heer zijn bovenzinnelijk. En zoals het als een overtreding wordt beschouwd wanneer men zichzelf als Kṛṣṇa ziet, is het een overtreding zich met Yaśodā, Nanda of willekeurig welke andere metgezel van de Heer te vereenzelvigen. We moeten bedenken dat ze altijd bovenzinnelijk zijn: ze zijn in geen enkele omstandigheid gebonden.
Van Kṛṣṇa, de vijand van Kaṁsa, staat geschreven dat Hij vierenzestig transcendente eigenschappen bezit, en dat alle eeuwig verloste zielen in Zijn gezelschap beslist de eerste vijfenvijftig eveneens bezitten. Deze toegewijden onderhouden steevast betrekkingen met de Allerhoogste Godspersoon volgens één der vijf bovenzinnelijke gemoedsgesteldheden, namelijk de neutrale, de dienstbare, de vriendschappelijke, die van ouderlijke liefde en de amoureuze. Deze relaties met de Heer zijn eeuwig, en daarom hoeven nitya-siddha-toegewijden er geenszins naar te streven om door het volgen van de regulerende beginselen van toegewijde dienst het niveau van de volmaaktheid te bereiken. Ze zijn er eeuwig toe gerechtigd om Kṛṣṇa te dienen.