Default View
Dual Language View
HOOFDSTUK 26
Stimulansen tot extatische liefde
Sommige zaken die de aanleiding of stimulans tot extatische liefde voor Kṛṣṇa vormen zijn Zijn bovenzinnelijke eigenschappen, Zijn ongewone activiteiten, Zijn lachende voorkomen, Zijn kledij en bloemenkransen, Zijn fluit, Zijn buffelhoorn, Zijn enkelbelletjes, Zijn schelphoorn, Zijn voetafdrukken, de oorden van Zijn spel en vermaak (zoals Vṛndāvana en Dvārakā), Zijn lievelingsplant (tulasī), Zijn toegewijden en de periodiek terugkerende dagen ter herinnering van Zijn spel. Zo'n dag waarop men zich Kṛṣṇa speciaal heugt is bijvoorbeeld ekādaśī, die tweemaal in de maand verschijnt, namelijk als elfde dag van de wassende maan en als elfde dag van de afnemende maan. Op die dag blijven alle toegewijden de hele nacht door vasten en bezingen onophoudelijk de heerlijkheid van de Heer.
Kṛṣṇa's bovenzinnelijke eigenschappen, Zijn ongewone activiteiten en Zijn lach
Kṛṣṇa's bovenzinnelijke eigenschappen kunnen in drieën worden onderscheiden: de eigenschappen van Zijn bovenzinnelijk lichaam, de eigenschappen van Zijn bovenzinnelijke manier van spreken en de eigenschappen van Zijn bovenzinnelijke geest.
Kṛṣṇa's leeftijd, Zijn bovenzinnelijke uiterlijke kenmerken, Zijn schoonheid en Zijn zachtheid zijn eigenschappen die betrekking hebben op Zijn lichaam. Er bestaat geen verschil tussen Kṛṣṇa en Zijn lichaam en daarom zijn de transcendente aspecten van Zijn lichaam
identiek aan Kṛṣṇa Zelf. Maar aangezien deze zaken de toegewijde tot extatische liefde stimuleren, worden ze als afzonderlijke liefdesstimulansen onderscheiden. Aangetrokken worden door Kṛṣṇa's eigenschappen betekent dat men aangetrokken wordt door Kṛṣṇa Zelf, omdat er geen echt verschil tussen Kṛṣṇa en Zijn eigenschappen bestaat. Kṛṣṇa's naam is ook Kṛṣṇa. Kṛṣṇa's roem is ook Kṛṣṇa. Kṛṣṇa's entourage is ook Kṛṣṇa . Kṛṣṇa en alles wat met Hem verband houdt en tot liefde voor Kṛṣṇa stimuleert is allemaal Kṛṣṇa, maar ter wille van het goede begrip wordt alles afzonderlijk beschouwd.
identiek aan Kṛṣṇa Zelf. Maar aangezien deze zaken de toegewijde tot extatische liefde stimuleren, worden ze als afzonderlijke liefdesstimulansen onderscheiden. Aangetrokken worden door Kṛṣṇa's eigenschappen betekent dat men aangetrokken wordt door Kṛṣṇa Zelf, omdat er geen echt verschil tussen Kṛṣṇa en Zijn eigenschappen bestaat. Kṛṣṇa's naam is ook Kṛṣṇa. Kṛṣṇa's roem is ook Kṛṣṇa. Kṛṣṇa's entourage is ook Kṛṣṇa . Kṛṣṇa en alles wat met Hem verband houdt en tot liefde voor Kṛṣṇa stimuleert is allemaal Kṛṣṇa, maar ter wille van het goede begrip wordt alles afzonderlijk beschouwd.
Kṛṣṇa is de bron van alle bovenzinnelijke vreugde. Daarom zijn de stimulansen tot liefde voor Kṛṣṇa, hoewel ze op zichzelf lijken te staan, in feite niets anders dan Kṛṣṇa Zelf. In de technische terminologie van het Sanskrit worden zaken als Kṛṣṇa's naam en roem als zowel bron als stimulans tot liefde voor Kṛṣṇa geaccepteerd.
Kṛṣṇa's jonge jaren worden in drie perioden onderscheiden: vanaf Zijn verschijningsdag tot het eind van Zijn vijfde jaar wordt Hij beschreven als kaumāra; vanaf Zijn zesde jaar tot het eind van Zijn tiende wordt Hij pauganda genoemd; en van Zijn elfde tot het eind van Zijn vijftiende noemt men Hem kaiśora. Vanaf Zijn zestiende jaar wordt Kṛṣṇa yauvana of jonge man genoemd, en dat blijft Hij daarna onveranderd.
Kṛṣṇa's bovenzinnelijke spel en vermaak voltrekt zich voornamelijk tijdens de kaumāra-, pauganda- en kaiśora-periode. Het spel van Zijn kinderliefde voor Zijn ouders vindt plaats tijdens de kaumāra-periode, Zijn vriendschap met de koeienjongens openbaart Hij tijdens de pauganda-periode en Zijn vriendschap met de gopī's ontvouwt zich tijdens de kaiśora-periode. Kṛṣṇa's spel in Vṛndāvana is aan het eind van Zijn vijftiende jaar afgelopen, waarna Hij naar Mathurā en Dvārakā gaat, waar al Zijn verdere spel en vermaak zich voltrekt.
Śrīla Rūpa Gosvāmī geeft ons in zijn Bhakti-rasāmṛta-sindhu een levendige beschrijving van Kṛṣṇa als bron van alle vreugde.
Hier volgen enkele gedeelten van zijn beschrijving. Kṛṣṇa's kaiśora-periode kan in drie fasen worden onderscheiden. In het begin - Hij is dan dus net elf - wordt de gloed van Zijn lichaam zo stralend, dat dit extatische liefde opwekt. Ook krijgt Hij een roodachtige rand om Zijn ogen en groeit er donshaar uit Zijn huid. Kundalatā, een inwoonster van Vṛndāvana, zei tot haar vriendin over het begin van Kṛṣṇa's kaiśora-periode:
"Lieve vriendin, ik heb juist ontdekt dat Kṛṣṇa buitengewoon mooi begint te worden. De donkere glans van Zijn lichaam lijkt sprekend op die van het indranīla-juweel. Hij krijgt iets roodachtigs om Zijn ogen en uit Zijn huid komen zachte haartjes. Al die nieuwe dingen maken Hem vreselijk mooi."
"Lieve vriendin, ik heb juist ontdekt dat Kṛṣṇa buitengewoon mooi begint te worden. De donkere glans van Zijn lichaam lijkt sprekend op die van het indranīla-juweel. Hij krijgt iets roodachtigs om Zijn ogen en uit Zijn huid komen zachte haartjes. Al die nieuwe dingen maken Hem vreselijk mooi."
In dit verband zegt Śukadeva Gosvāmī in het Śrīmad-Bhāgavatam (10.21.5) tot Koning Parīksit:
"Waarde vorst, ik zal proberen te beschrijven hoe de geest van de gopī's in gedachten aan Kṛṣṇa opging. De gopī's mediteerden er altijd op hoe Kṛṣṇa Zich als een toneeldanser kleedde en het bos van Vṛndāvana in liep, waarbij Hij Zijn voetafdrukken op de grond achterliet. Ze mediteerden op Kṛṣṇa met Zijn hoofdtooi met pauwenveer en met Zijn oorbellen en geelgoude kleren, behangen met parels en juwelen. Ze mediteerden ook op Kṛṣṇa spelend op Zijn fluit en op alle koeienjongens die de heerlijkheid van de Heer bezongen."
"Waarde vorst, ik zal proberen te beschrijven hoe de geest van de gopī's in gedachten aan Kṛṣṇa opging. De gopī's mediteerden er altijd op hoe Kṛṣṇa Zich als een toneeldanser kleedde en het bos van Vṛndāvana in liep, waarbij Hij Zijn voetafdrukken op de grond achterliet. Ze mediteerden op Kṛṣṇa met Zijn hoofdtooi met pauwenveer en met Zijn oorbellen en geelgoude kleren, behangen met parels en juwelen. Ze mediteerden ook op Kṛṣṇa spelend op Zijn fluit en op alle koeienjongens die de heerlijkheid van de Heer bezongen."
Zo wordt de meditatie beschreven die de gopī's altijd deden. Soms dachten de gopī's aan Zijn zachte nagels, Zijn beweeglijke wenkbrauwen en Zijn tanden, die rood waren van het pān pruimen. Een gopī gaf haar vriendin deze beschrijving:
"Lieve vriendin, kijk toch eens hoe schitterend de vijand van Agha eruit is gaan zien! Zijn wenkbrauwen zijn net als die van de liefdesgod en ze bewegen alsof ze aan het dansen zijn. Zijn nagel-randen zijn zo zacht - ze lijken wel op droge bamboeblaadjes -, Zijn tanden zijn roodachtig, en daarom lijkt Hij wel een beetje boos. Hoe kan een jong meisje onder de gegeven omstandigheden niet tot Hem aangetrokken raken en niet bang zijn dat ze aan al die schoonheid ten prooi valt."
"Lieve vriendin, kijk toch eens hoe schitterend de vijand van Agha eruit is gaan zien! Zijn wenkbrauwen zijn net als die van de liefdesgod en ze bewegen alsof ze aan het dansen zijn. Zijn nagel-randen zijn zo zacht - ze lijken wel op droge bamboeblaadjes -, Zijn tanden zijn roodachtig, en daarom lijkt Hij wel een beetje boos. Hoe kan een jong meisje onder de gegeven omstandigheden niet tot Hem aangetrokken raken en niet bang zijn dat ze aan al die schoonheid ten prooi valt."
Kṛṣṇa's aantrekkelijke voorkomen wordt ook beschreven door Vṛndā, de gopī naar wie Vṛndāvana is genoemd. Ze zei tot Kṛṣṇa:
"Lieve Mādhava, dat nieuwe lachje van Je heeft het hart van de gopī's zo in zijn ban, dat ze gewoon niet meer weten wat ze moeten zeggen! Daardoor zijn ze nu in de war en willen met niemand meer praten. Al deze gopī's zijn zo hevig aangedaan, dat het lijkt alsof ze zich driemaal met water hebben besprenkeld alvorens hun leven prijs te geven. Kortom, hun hoop dat ze nog in leven kunnen blijven is totaal vervlogen."
"Lieve Mādhava, dat nieuwe lachje van Je heeft het hart van de gopī's zo in zijn ban, dat ze gewoon niet meer weten wat ze moeten zeggen! Daardoor zijn ze nu in de war en willen met niemand meer praten. Al deze gopī's zijn zo hevig aangedaan, dat het lijkt alsof ze zich driemaal met water hebben besprenkeld alvorens hun leven prijs te geven. Kortom, hun hoop dat ze nog in leven kunnen blijven is totaal vervlogen."
Naar Indisch gebruik wordt een dode met water besprenkeld. Uit de uitspraak van Vṛndā blijkt dat de gopī's zo door Kṛṣṇa's schoonheid betoverd waren, dat ze besloten een eind aan hun leven te maken, omdat ze met stomheid geslagen waren.
Toen Kṛṣṇa de leeftijd van dertien, veertien jaar bereikte, werden Zijn borst en armen van een onuitsprekelijke schoonheid en ademde Zijn hele gedaante slechts nog betovering. Op Zijn dertiende konden Zijn twee dijen zich meten met olifantenslurven. Zijn gewelfde borst kon het opnemen tegen met juwelen ingelegde poortdeuren en Zijn beide armen deden de kracht van zware grendels teniet. Wie kan de wonderbare schoonheid van deze kenmerken van Kṛṣṇa naar behoren beschrijven? De bijzondere schoonheid van Kṛṣṇa werd gevormd door Zijn milde lach, Zijn rusteloze ogen en Zijn liederen die alles en iedereen betoverden. Dit zijn de speciale kenmerken van deze leeftijdsperiode.
Toen Kṛṣṇa de leeftijd van dertien, veertien jaar bereikte, werden Zijn borst en armen van een onuitsprekelijke schoonheid en ademde Zijn hele gedaante slechts nog betovering. Op Zijn dertiende konden Zijn twee dijen zich meten met olifantenslurven. Zijn gewelfde borst kon het opnemen tegen met juwelen ingelegde poortdeuren en Zijn beide armen deden de kracht van zware grendels teniet. Wie kan de wonderbare schoonheid van deze kenmerken van Kṛṣṇa naar behoren beschrijven? De bijzondere schoonheid van Kṛṣṇa werd gevormd door Zijn milde lach, Zijn rusteloze ogen en Zijn liederen die alles en iedereen betoverden. Dit zijn de speciale kenmerken van deze leeftijdsperiode.
Er bestaat in dit verband een uitspraak die beschrijft dat Kṛṣṇa, toen Hij deze leeftijd bereikte, zo'n grote uiterlijke schoonheid tentoonspreidde, dat Zijn rusteloze ogen het speelgoed van de liefdesgod werden en Zijn milde lach aan een zojuist ontloken lotus deed denken. De betoverende vibratie van Zijn gezang werd een groot probleem voor de meisjes, die geacht werden kuis en hun echtgenoot trouw te blijven.
Op deze leeftijd ontvouwde Kṛṣṇa Zijn rāsa-lilā, waarbij Hij liet zien hoe Hij met de koeienhoedsters wist te schertsen en in het struweel aan de oevers van de Yamunā van hun gezelschap genoot.
In dit verband kennen we de volgende beschrijving:
"Overal in het land om Vṛndāvana zag men de voetafdrukken van Kṛṣṇa en de gopī's, en her en der lagen pauwenveren verstrooid. Op sommige plaatsen in het struikgewas van de tuinen van Vṛndāvana was een fraaie rustplek gemaakt en elders was het stof omgewoeld van het dansen van Govinda met een grote groep gopī's." Zo worden enkele aspecten weergegeven van de verschillende vormen van spel en vermaak van Kṛṣṇa in het dorp bekend als Vṛndāvana.
"Overal in het land om Vṛndāvana zag men de voetafdrukken van Kṛṣṇa en de gopī's, en her en der lagen pauwenveren verstrooid. Op sommige plaatsen in het struikgewas van de tuinen van Vṛndāvana was een fraaie rustplek gemaakt en elders was het stof omgewoeld van het dansen van Govinda met een grote groep gopī's." Zo worden enkele aspecten weergegeven van de verschillende vormen van spel en vermaak van Kṛṣṇa in het dorp bekend als Vṛndāvana.
Een gopī beschrijft Kṛṣṇa 's aantrekkelijkheid op deze leeftijd als volgt:
"Lieve vriendin, kijk toch eens hoe er in de hemel van Kṛṣṇa plotseling een machtige zon opkomt en hoe deze zon de stralen van de maan van onże kuisheid tenietdoet. Onze aangetrokkenheid tot Kṛṣṇa is zo hevig, dat ze de lotus van ons onderscheidingsvermogen laat verwelken en we gewoon niet meer weten wat we moeten doen: óf kuis blijven, óf aan Kṛṣṇa's schoonheid ten prooi vallen. Lieve vriendin, ik geloof dat we van dit leven niets meer te verwachten hebben!"
"Lieve vriendin, kijk toch eens hoe er in de hemel van Kṛṣṇa plotseling een machtige zon opkomt en hoe deze zon de stralen van de maan van onże kuisheid tenietdoet. Onze aangetrokkenheid tot Kṛṣṇa is zo hevig, dat ze de lotus van ons onderscheidingsvermogen laat verwelken en we gewoon niet meer weten wat we moeten doen: óf kuis blijven, óf aan Kṛṣṇa's schoonheid ten prooi vallen. Lieve vriendin, ik geloof dat we van dit leven niets meer te verwachten hebben!"
Toen Hij de kaiśora-leeftijd bereikte, die met het elfde jaar begint en doorloopt tot en met het vijftiende, vertoonden zich op Kṛṣṇa's armen, benen en dijen drie scheidingsplooien. In die tijd kon Kṛṣṇa's breed-gewelfde borst het opnemen tegen een heuvel bedekt met marakata-juwelen; Zijn armen deden niet onder voor zuilen bedekt met indranīla-stenen; de drie gebogen lijnen van Zijn middel wedijverden in schoonheid met de golven van de Yamunā en de vorm van Zijn dijen liet die van mooie bananen in het niet zinken. Een gopī zei:
"Met al dat moois van Zijn lichaam is Kṛṣṇa buitengewoon prachtig, en daarom zoek ik in gedachten altijd bescherming bij Hem, omdat Hij alle demonen doodt."
"Met al dat moois van Zijn lichaam is Kṛṣṇa buitengewoon prachtig, en daarom zoek ik in gedachten altijd bescherming bij Hem, omdat Hij alle demonen doodt."
Wat deze verklaring eigenlijk zegt is dat de gopī's hun aangerokkenheid tot Kṛṣṇa vergelijken met een aanval van demonen, en dat ze om hun aangetrokkenheid tot Kṛṣṇa's schoonheid het hoofd te bieden zich eveneens, vol hoop, tot Kṛṣṇa wenden, aangezien Hij dus allerlei demonen doodt. Dus ze waren van streek omdat ze enerzijds door Kṛṣṇa's schoonheid werden aangetrokken en Hem anderzijds nodig hadden om de demon van hun aangetrokkenheid tot Hem te verdrijven.
De kaiśora -periode is wat men de adolescentie pleegt te noemen. Aan het eind van deze periode zeiden alle gopī's:
"Kṛṣṇa doodt de aantrekking tot de liefdesgod, en daardoor brengt Hij alle pasgetrouwde meisjes uit hun evenwicht. Kṛṣṇa's uiterlijke schoonheid is zo prachtig geworden -het lijkt wel of elk onderdeel de hoogste vorm van kunstzinnigheid openbaart. Zijn dansende ogen doen de virtuositeit van de meest bedreven danser teniet, zodat er niets meer rest waarmee Kṛṣṇa's schoonheid nog vergeleken kan worden." Grote geleerden beschreven de lichamelijke schoonheid van Kṛṣṇa op deze leeftijd dan ook als nava-yauvana, pas ontluikende jeugd. Wanneer Kṛṣṇa deze lichamelijke schoonheid ontvouwt, treden Zijn liefdesaangelegen-heden met de gopī's en dergelijke vormen van vermaak sterk op de voorgrond.
"Kṛṣṇa doodt de aantrekking tot de liefdesgod, en daardoor brengt Hij alle pasgetrouwde meisjes uit hun evenwicht. Kṛṣṇa's uiterlijke schoonheid is zo prachtig geworden -het lijkt wel of elk onderdeel de hoogste vorm van kunstzinnigheid openbaart. Zijn dansende ogen doen de virtuositeit van de meest bedreven danser teniet, zodat er niets meer rest waarmee Kṛṣṇa's schoonheid nog vergeleken kan worden." Grote geleerden beschreven de lichamelijke schoonheid van Kṛṣṇa op deze leeftijd dan ook als nava-yauvana, pas ontluikende jeugd. Wanneer Kṛṣṇa deze lichamelijke schoonheid ontvouwt, treden Zijn liefdesaangelegen-heden met de gopī's en dergelijke vormen van vermaak sterk op de voorgrond.
Het amoureuze spel vertoont zes aspecten: vrede sluiten, ruzie maken, op weg gaan naar de geliefde, samen zijn, gescheidenheid en hulp. Heer Kṛṣṇa ontvouwde een koninklijke aspecten-rijkdom van deze zesvoudige activiteiten, waarover Hij als vorst regeerde. Nu eens maakte Hij ruzie met de meisjes, dan weer krabde Hij ze met de nagels van een parkiet poot, soms had Hij het druk met naar de gopī's te gaan, en ook wel probeerde Hij door tussenkomst van Zijn vrienden, de koeienjongens, Zijn toevlucht bij hen te zoeken.
Enkele gopī's zeiden tot Hem:
“Nu Je groot wordt, lieve Kṛṣṇa, lijk Je wel de geestelijk leraar van deze meisjes en vertel Je ze hoe ze tegen elkaar moeten fluisteren. Je vertelt ze hoe ze plechtige gebeden moeten zeggen, terwijl Je ze ook leert hoe ze hun echtgenoot moeten bedriegen en 's nachts bij Jou in een tuin moeten komen zonder zich iets van de tegenwerpingen van hun meerderen aan te trekken. Je brengt ze door de geluidstrillingen van Je toverfluit in staat van vervoering, en als hun leraar onderricht Je ze in alle finesses van het liefdesspel."
“Nu Je groot wordt, lieve Kṛṣṇa, lijk Je wel de geestelijk leraar van deze meisjes en vertel Je ze hoe ze tegen elkaar moeten fluisteren. Je vertelt ze hoe ze plechtige gebeden moeten zeggen, terwijl Je ze ook leert hoe ze hun echtgenoot moeten bedriegen en 's nachts bij Jou in een tuin moeten komen zonder zich iets van de tegenwerpingen van hun meerderen aan te trekken. Je brengt ze door de geluidstrillingen van Je toverfluit in staat van vervoering, en als hun leraar onderricht Je ze in alle finesses van het liefdesspel."
It is said that even when Kṛṣṇa was a boy of five He manifested such youthful energies, but learned scholars do not explain them because of the absence of suitable age. Kṛṣṇa was beautiful because every part of His body was perfectly arranged without any defect. Such perfect bodily features of Kṛṣṇa are described as follows: “My dear enemy of Kaṁsa, Your broad eyes, Your rising chest, Your two pillarlike arms and the thin middle portion of Your body are always enchanting to every lotus-eyed beautiful girl.” The ornaments on the body of Kṛṣṇa were not actually enhancing His beauty, but just the reverse – the ornaments were beautified by Kṛṣṇa.
Het heet dat Kṛṣṇa Zich al op Zijn vijfde jaar met amoureuze zaken inliet, maar de grote geleerden besteden geen aandacht aan deze vermelding, omdat een en ander niet met de leeftijd overeenstemt. Kṛṣṇa was prachtig, omdat elk onderdeel van Zijn lichaam volmaakt in elkaar zat en niet één onregelmatigheid vertoonde. Kṛṣṇa's volmaakte uiterlijke schoonheid wordt als volgt beschreven:
"Lieve vijand van Kaṁsa, Je grote ogen, Je gewelfde borst, Je beide armen die zo dik als zuilen zijn en het slanke middengedeelte van Je lichaam houden iedere lotusogige jonge schoonheid voortdurend betoverd."
De sieraden aan Kṛṣṇa's lichaam verhoogden Zijn schoonheid eigenlijk niet, maar juist het tegenovergestelde deed zich voor: de sieraden werden mooier, omdat Kṛṣṇa ze droeg.
Iemand wordt zacht genoemd, wanneer hij zelfs niet de aanraking van het teerste voorwerp kan verdragen. Volgens de beschrijvingen was elk onderdeel van Kṛṣṇa's lichaam zo zacht, dat als Hij zelfs maar door een zojuist uitgebot blaadje werd beroerd, het aangeraakte huidgedeelte van kleur veranderde. In deze kaiśora-periode was Kṛṣṇa altijd doende om de rāsa-dans te laten plaatsvinden en de demonen in het bos van Vṛndāvana te doden. Terwijl Kṛṣṇa met de jongens en meisjes in het woud van het leven genoot, stuurde Kaṁsa steeds weer andere demonische trawanten om Kṛṣṇa te doden, en dan liet Kṛṣṇa zien hoe knap Hij hen van kant wist te maken.
"Lieve vijand van Kaṁsa, Je grote ogen, Je gewelfde borst, Je beide armen die zo dik als zuilen zijn en het slanke middengedeelte van Je lichaam houden iedere lotusogige jonge schoonheid voortdurend betoverd."
De sieraden aan Kṛṣṇa's lichaam verhoogden Zijn schoonheid eigenlijk niet, maar juist het tegenovergestelde deed zich voor: de sieraden werden mooier, omdat Kṛṣṇa ze droeg.
Iemand wordt zacht genoemd, wanneer hij zelfs niet de aanraking van het teerste voorwerp kan verdragen. Volgens de beschrijvingen was elk onderdeel van Kṛṣṇa's lichaam zo zacht, dat als Hij zelfs maar door een zojuist uitgebot blaadje werd beroerd, het aangeraakte huidgedeelte van kleur veranderde. In deze kaiśora-periode was Kṛṣṇa altijd doende om de rāsa-dans te laten plaatsvinden en de demonen in het bos van Vṛndāvana te doden. Terwijl Kṛṣṇa met de jongens en meisjes in het woud van het leven genoot, stuurde Kaṁsa steeds weer andere demonische trawanten om Kṛṣṇa te doden, en dan liet Kṛṣṇa zien hoe knap Hij hen van kant wist te maken.
Kṛṣṇa's kledij en bloemenkransen
Doorgaans draagt Kṛṣṇa vier verschillende kledingstukken: zijn hemd, tulband, gordel en gewaad. In Vṛndāvana droeg Hij altijd een rode doek met daarover een gouden hemd en op Zijn hoofd een oranje tulband. De verschillende soorten gordels die Hij omhad en Zijn betoverende manier van lachen vergrootten altijd de bovenzinnelijke gelukzaligheid van Zijn metgezellen. Deze uitdossing van Kṛṣṇa wordt als schitterend beschreven. Zoals een klein olifantje soms met kleurige doeken schitterend wordt aangekleed, zag Kṛṣṇa er schitterend uit met al die verschillende kleuren kleren aan Zijn lijf.
Met het woord ākalpa wordt verwezen naar de fijnheid van Kṛṣṇa's haar, Zijn fraai geklede gedaante, gezalfd met sandelpulp en getooid met bloemenkransen, Zijn tilaka en het feit dat Hij pān kauwde. Kṛṣṇa was altijd op deze ākalpa-manier getooid. Soms was Zijn haar met bloemen versierd, die in het midden waren gestoken, of anders hing het op Zijn rug omlaag. Zo droeg Kṛṣṇa Zijn haar bij verschillende gelegenheden op uiteenlopende wijze. De sandelpulp waarmee Hij Zijn lichaam inwreef zag er meestal wit uit, en was ze met saffraan ver-mengd, dan leek ze geel.
Kṛṣṇa deed altijd een vaijayantī-krans om Zijn hals. Zo'n vaijayantī-krans wordt geregen van minstens vijf verschillende kleuren bloemen. De krans was altijd zo lang, dat hij tot Ķrsņa's knieën of voeten kwam. Hij droeg ook nog andere bloemenkransen, soms om Zijn hoofd, of om Zijn hals en borst. Men kon op Zijn huid ook fraaie tekeningen van sandelpulp en gekleurd sandelhout aantreffen.
Een gopī, sprekende tot haar vriendin, prees het schone uiterlijk van Kṛṣṇa. Ze loofde Zijn donkere tint, waarvan het rood van Zijn pān kauwende tanden de schoonheid honderdmaal vergrootte, de golvende lokken op Zijn hoofd, de rode kuṅkuma-stippen op Zijn lichaam en de tilaka op Zijn voorhoofd.
Kṛṣṇa wordt soms vana-mālī genoemd. Vana betekent woud en mālī betekent hovenier, en het woord vana-mālī heeft dan betrekking op iemand die uitgebreid bloemen en kransen om de verschillende delen van zijn lichaam draagt. Kṛṣṇa ging niet alleen zo gekleed in Vṛndāvana, maar ook op het Slagveld Kuruksetra. Toen ze Zijn kleurige kledij en kransen van verschillende bloemen zagen, baden enkele grote wijzen:
"Heer Kṛṣṇa is niet naar het Slagveld Kuruksetra gekomen om te strijden, maar om alle toegewijden met Zijn aanwezigheid te zegenen."
Kṛṣṇa's fluit
Van de klanktrilling van Kṛṣṇa's prachtige fluit wordt gezegd dat deze de meditatie van de grootste wijzen wist te verstoren. Krachtens dit feit, dat Kṛṣṇa's bovenzinnelijke heerlijkheid over de hele wereld uitdraagt, stak Kṛṣṇa de liefdesgod naar de kroon.
Kṛṣṇa gebruikte drie soorten fluiten. De ene wordt veṇu genoemd, de andere muralī en de derde vaṁśī. De veṇu is heel klein, niet langer dan vijftien centimeter, met zes gaten. De muralī is ongeveer vijfenveertig centimeter lang, met een gat aan het eind en vier gaten in de schacht. Deze fluit laat een betoverend geluid horen. De vamśī is ongeveer achtendertig centimeter lang en heeft negen gaten. De aard van de gelegenheid bepaalde op welke fluit Kṛṣṇa speelde. Hij had ook een langere vamśī, die mahānandā of sammohinī wordt genoemd. Een nog langere vamśī wordt ākarṣiṇī genoemd; en nog langer dan de ākarșiņī is de ānandinī. De ānandinī doet het gehoor van de koeienjongens weldadig aan en wordt technisch vaṁśulī genoemd. Sommige van deze fluiten waren met juwelen ingelegd. Andere waren van marmer en weer andere van hol bamboe. Is een fluit met juwelen ingelegd, dan heet ze sanmohinī; is ze van goud dan wordt ze ākarșiņī genoemd.
Kṛṣṇa's buffelhoorn
Kṛṣṇa gebruikte een buffelhoorn om er signalen op te blazen. Dit instrument was altijd glanzend gepoetst en had goudbeslag, terwijl erin het midden een gat zat. Met betrekking tot Kṛṣṇa's blaasinstrumenten bestaat er een beeldspraak over de gopī Tārāvalī. Het heet daarin dat Tārāvalī door de zeer giftige slang van Kṛṣṇa's fluit gebeten was. Om zich vervolgens tegengif toe te dienen, dronk ze de melk van de buffelhoorn in Kṛṣṇa's hand. Maar in plaats van dat de giftige werking minder werd, werd ze duizend keer zo groot. Zo bevond de gopī zich in een aller akeligste vergiftigingstoestand.
Kṛṣṇa's aantrekkelijke enkelbelletjes
Een gopī zei tot haar vriendin:
“Lieve vriendin, wanneer ik Śrī Kṛṣṇa's enkelbelletjes hoorde rinkelen, liep ik meteen naar buiten om Hem te zien aankomen. Maar zeer tot mijn spijt was ik in gezelschap van mijn meerdere, zodat ik niet naar buiten kon."
“Lieve vriendin, wanneer ik Śrī Kṛṣṇa's enkelbelletjes hoorde rinkelen, liep ik meteen naar buiten om Hem te zien aankomen. Maar zeer tot mijn spijt was ik in gezelschap van mijn meerdere, zodat ik niet naar buiten kon."
Kṛṣṇa's schelphoorn
Kṛṣṇa's schelphoorn wordt Pāñcajanya genoemd. Deze Pāñcajanya-schelphoorn wordt ook in de Bhagavad-gītā (I.15) vermeld. Kṛṣṇa blies erop vóór de Slag van Kuruksetra. Men zegt dat wanneer Heer Kṛṣṇa op Zijn bovenzinnelijke schelphoorn blaast, de vrouwen van de demonen miskramen krijgen en de vrouwen van de goden met alle heil worden gezegend. Zo trok de klankvibratie van Kṛṣṇa's schelphoorn door de hele kosmos.
Kṛṣṇa's voetafdrukken
In het Śrīmad-Bhāgavatam wordt verteld dat Akrūra, die Kṛṣṇa van Vṛndāvana naar Mathurā reed, bij het zien van Kṛṣṇa's voetafdrukken op de grond van Vṛndāvana zijn extatische liefde voor Kṛṣṇa zo steil voelde opstijgen, dat het haar op zijn lichaam te berge rees. De tranen stroomden hem uit de ogen en in zijn vervoering sprong hij van zijn wagen, viel languit op de grond en riep uit: "O wat móói! O wat móói!"
De gopī's kregen met dergelijke gevoelens te kampen toen ze naar de oever van Yamunā gingen en Kṛṣṇa's voetafdrukken in het stof van de weg zagen. Kṛṣṇa's voetafdrukken op de grond van Vṛndāvana waren herkenbaar aan de tekenen van onder andere een vlag, een bliksem-schicht, een vis, een olifant stokje en een lotus. Als de gopī's deze tekenen alleen maar op de grond herkenden, raakten ze al overweldigd.
De plaatsen van Kṛṣṇa's spel en vermaak
Een toegewijde riep eens uit:
"Helaas, ik heb nog steeds niet de plaatsen bezocht waar het schitterende spel en vermaak van de Heer zich voltrok. Maar alleen al door het horen van de naam Mathurā voel ik me door vreugde overstelpt!"
"Helaas, ik heb nog steeds niet de plaatsen bezocht waar het schitterende spel en vermaak van de Heer zich voltrok. Maar alleen al door het horen van de naam Mathurā voel ik me door vreugde overstelpt!"
Kṛṣṇa's lievelingsplant: tulasī
Heer Kṛṣṇa is heel dol op tulasī -blaadjes en -knoppen. Aangezien de tulasi-knoppen in de regel aan Kṛṣṇa's lotusvoeten worden geofferd, bad een toegewijde eens tot deze knoppen om inlichtingen over de lotusvoeten van de Heer. De toegewijde nam aan dat de tulasi-knoppen wel iets van de heerlijkheid van Srī Kṛṣṇa's lotusvoeten zouden afweten.
Kṛṣṇa's toegewijden
Soms raakt men door vreugde bevangen wanneer men een toegewijde van de Heer ziet. Toen Dhruva Mahārāja twee metgezellen van Heer Nārāyaņa zag aankomen, stond hij uit oprechte eerbied en toewijding meteen voor hen op en bleef met gevouwen handen voor hen staan; maar vanwege zijn extatische liefde kon hij ze nauwelijks op gepaste wijze verwelkomen.
Een gopī zei eens tot Kṛṣṇa's vriend Subala:
"Beste Subala, ik weet dat Kṛṣṇa je vriend is en dat je er altijd van houdt om met Hem te lachen en grappen te maken. Laatst zag ik jullie samen. Jij had je arm om Kṛṣṇa 's schouder en jullie stonden allebei vrolijk te lachen. Toen ik jullie daar zo op een afstandje zag, schoten de tranen me in de ogen."
"Beste Subala, ik weet dat Kṛṣṇa je vriend is en dat je er altijd van houdt om met Hem te lachen en grappen te maken. Laatst zag ik jullie samen. Jij had je arm om Kṛṣṇa 's schouder en jullie stonden allebei vrolijk te lachen. Toen ik jullie daar zo op een afstandje zag, schoten de tranen me in de ogen."
Bijzondere gedenkdagen
Er zijn tal van uitspraken over de feestdagen ter gedachtenis van de verschillende activiteiten van Kṛṣṇa. Eén van deze dagen is janmāștamī, de dag van Kṛṣṇa's geboorte. Janmāștamī is het meest luisterrijke feest van de toegewijde, en in het huis van iedere Hindoe in India wordt het met grote plechtigheid gevierd. Soms ziet men zelfs dat volgelingen van andere religieuze wegen hun voordeel doen met het aanbreken van deze heilrijke dag en meegenieten van het janmāștamī-ceremonieel. Extatische liefde voor Kṛṣṇa wordt eveneens opgewekt op de ekādaśi-dagen.