Default View
Dual Language View
HOOFDSTUK 27
Symptomen van extatische liefde
De lichamelijke symptomen die zich bij een toegewijde voordoen wanneer hij extatische liefde voor Kṛṣṇa manifesteert, worden anu-bhāva genoemd. Praktisch gesproken manifesteert anubhāva zich bijvoorbeeld als dansen, over de grond rollen, hard zingen, zich uitrekken, luid huilen, zwoegend ademhalen, zich niets van de aanwezigheid van anderen aantrekken, kwijlen, lachen als een gek, het hoofd heen en weer schudden en boeren laten. Doet zich een buitengewone overdaad aan extatische liefde voor, waarbij al deze lichamelijke symptomen verschijnen, dan voelt men zich bovenzinnelijk verlicht.
Genoemde symptomen worden in tweeën onderscheiden: de ene soort wordt śita genoemd en de andere kṣepaṇa. Wordt er gegaapt, dan heten ze śita, en wordt er gedanst, dan noemt men ze kṣepaṇa.
Dansen
Terwijl hij naar de rāsa-dans van Heer Kṛṣṇa met de gopī's keek, zag Heer Śiva het schone gelaat van Kṛṣṇa en begon dadelijk te dansen en op zijn kleine diṇḍima-trom te slaan. Terwijl Heer Śiva extatisch op en neer sprong, deed zijn oudste zoon, Gaņeśa, met hem mee.
Over de grond rollen
In het Śrīmad-Bhāgavatam (3.1.32) vraagt Vidura aan Uddhava:
"Beste vriend, bevindt Akrūra zich in een gunstige situatie? Hijis niet alleen zeer geleerd en zonder zonden, maar hij is ook een toegewijde van Heer Kṛṣṇa. Hij heeft zo'n extatische liefde voor Kṛṣṇa, dat ik hem als ontzind heen en weer zag rollen over Kṛṣṇa's voetafdrukken in het stof."
Een gopī bracht Kṛṣṇa eens het bericht dat Rādhārāņī, omdat Ze Zich van Hem gescheiden voelde en betoverd was door de geur van Zijn bloemenkransen, over de grond rolde en daarbij Haar tere lichaam bezeerde.
"Beste vriend, bevindt Akrūra zich in een gunstige situatie? Hijis niet alleen zeer geleerd en zonder zonden, maar hij is ook een toegewijde van Heer Kṛṣṇa. Hij heeft zo'n extatische liefde voor Kṛṣṇa, dat ik hem als ontzind heen en weer zag rollen over Kṛṣṇa's voetafdrukken in het stof."
Een gopī bracht Kṛṣṇa eens het bericht dat Rādhārāņī, omdat Ze Zich van Hem gescheiden voelde en betoverd was door de geur van Zijn bloemenkransen, over de grond rolde en daarbij Haar tere lichaam bezeerde.
Hard zingen
Een gopī liet Kṛṣṇa weten dat Śrīmatī Rādhārāņī bij het bezingen van Zijn heerlijkheid al Haar vriendinnen zó betoverde, dat ze als versteend en stom om Haar heen stonden. Tegelijk begonnen de stenen in de buurt in extatische liefde weg te smelten.
Toen Nārada Muni de Hare Kṛṣṇa-mantra chantte, deed hij dit zo luid, dat men zich angstig afvroeg of Heer Nṛsiṁha was verschenen, en de demonen vluchtten alle kanten op.
Het uitrekken van het lichaam
Men zegt dat wanneer Nārada, de drager van de viņā, zich in grote extase zijn Heer Kṛṣṇa heugt, hij soms zijn lichaam met zo'n schok uitrekt, dat zijn heilige draad ervan knapt.
Luid huilen
Een gopī zei eens tot Kṛṣṇa:
"Lieve zoon van Nanda Mahārāja, bij het horen van Je fluit is Srīmatī Rādhārāņī in jammeren uitgebarsten en heel angstig geworden en huilt nu met gebroken stem als een kurarī-vogel."
"Lieve zoon van Nanda Mahārāja, bij het horen van Je fluit is Srīmatī Rādhārāņī in jammeren uitgebarsten en heel angstig geworden en huilt nu met gebroken stem als een kurarī-vogel."
Het heet dat Heer Śiva bij het horen van de klanktrillingen van Kṛṣṇa's fluit erg in de war raakt en zó luid in het rond begint te schreeuwen, dat de demonen eraan bezwijken en de toegewijden door vreugde overmand raken.
Gapen
Men zegt dat wanneer de volle maan opkomt, de lotussen hun kelk verwijden. Wanneer Kṛṣṇa nu voor Rādhārāņī verscheen, verwijdde zich ook Haar gezicht, dat met een lotus vergeleken wordt, doordat Ze moest gapen.
Zwoegend ademhalen
Terzake van het zwoegend ademhalen wordt er verklaard:
“Lalitā [één van de gopī's] is net een cātakī-vogel, die alleen water drinkt dat zó uit een regenwolk gevallen komt en anders niet."
In deze uitspraak wordt Kṛṣṇa met de donkere wolk vergeleken en Lalitā met de cātakī die slechts Kṛṣṇa's gezelschap begeert. De beeldspraak gaat als volgt verder:
"Zoals een machtige wolk soms door de harde wind verwaait, verloor Lalitā door de zwoegende ademtochten uit haar neus Kṛṣṇa soms uit het oog: Hij bleek verdwenen te zijn tegen de tijd dat ze zichzelf weer in de hand kreeg."
“Lalitā [één van de gopī's] is net een cātakī-vogel, die alleen water drinkt dat zó uit een regenwolk gevallen komt en anders niet."
In deze uitspraak wordt Kṛṣṇa met de donkere wolk vergeleken en Lalitā met de cātakī die slechts Kṛṣṇa's gezelschap begeert. De beeldspraak gaat als volgt verder:
"Zoals een machtige wolk soms door de harde wind verwaait, verloor Lalitā door de zwoegende ademtochten uit haar neus Kṛṣṇa soms uit het oog: Hij bleek verdwenen te zijn tegen de tijd dat ze zichzelf weer in de hand kreeg."
Zich niets aantrekken van de aanwezigheid van anderen
Een voorbeeld van het negeren van de aanwezigheid van anderen is het gedrag van de echtgenoten van de brāhmaṇa’s die een offer aan het brengen waren in Vṛndāvana : zodra ze vernamen dat Kṛṣṇa in de buurt was, gingen ze van huis. Ze verdwenen zonder zich iets van hun geleerde echtgenoten aan te trekken. Dezen bespraken dit verschijnsel onderling als volgt:
"Wat een fantastische aantrekking gaat er van Kṛṣṇa uit, dat deze vrouwen ons daardoor achteloos verlaten!"
Zo is de invloed van Kṛṣṇa. Iedereen die tot Kṛṣṇa aangetrokken raakt, kan worden verlost uit de gevangenschap in de kringloop van geboorte en dood, welke kan worden vergeleken met het opgesloten leven van de brahmaanse vrouwen, die de boel erbij neergooiden.
"Wat een fantastische aantrekking gaat er van Kṛṣṇa uit, dat deze vrouwen ons daardoor achteloos verlaten!"
Zo is de invloed van Kṛṣṇa. Iedereen die tot Kṛṣṇa aangetrokken raakt, kan worden verlost uit de gevangenschap in de kringloop van geboorte en dood, welke kan worden vergeleken met het opgesloten leven van de brahmaanse vrouwen, die de boel erbij neergooiden.
In de Padyāvalī verklaren enkele toegewijden:
"Van buitenstaanders trekken we ons niets aan. Als ze de draak met ons willen steken, kan ons dat ook niets schelen. We blijven gewoon genieten van de bovenzinnelijke emotie van het chanten van Hare Kṛṣṇa en we zullen erbij over de grond rollen en in vervoering dansen. Zo zullen we eeuwig bovenzinnelijke vreugde genieten."
"Van buitenstaanders trekken we ons niets aan. Als ze de draak met ons willen steken, kan ons dat ook niets schelen. We blijven gewoon genieten van de bovenzinnelijke emotie van het chanten van Hare Kṛṣṇa en we zullen erbij over de grond rollen en in vervoering dansen. Zo zullen we eeuwig bovenzinnelijke vreugde genieten."
Kwijlen
Als voorbeeld van iemand bij wie het speeksel uit de mond loopt wordt Nārada Muni genoemd, van wie gezegd wordt dat hij soms bij het chanten van de Hare Kṛṣṇa-mantra verstomd raakte, terwijl het speeksel uit zijn mond welde.
Lachen als een gek
Wanneer een toegewijde hard moet lachen als een gek, gebeurt dat uit een buitengewone opwelling van extatische liefde in het hart. Dat dolle lachen is een uiting van de gemoedstoestand die technisch aṭṭahāsa wordt genoemd. Raakt een toegewijde door deze gemoedstoestand aangedaan, dan uit hij zijn liefde via zijn lippen. De lach-geluiden, welke na elkaar opklinken, worden vergeleken met bloemen die neervallen van de klimrank der toewijding die in het hart van de toegewijde opgroeit. Ook in de Caitanya- caritāmṛta(Madhya 19.151-162) wordt toegewijde dienst aan de Heer vergeleken met het opgroeien van een klimrank naar de lotusvoeten van Kṛṣṇa in Goloka Vṛndāvana.
Het heen en weer schudden van het hoofd
Een gopī zei tot haar vriendin:
"Het lijkt wel of Heer Kṛṣṇa, de vijand van de demon Agha, een wervelwind uit Zijn mond heeft laten ontsnappen, die vat heeft gekregen op jouw hoofd en geleidelijk aan hetzelfde doet met de andere lotusogige gopī's."
"Het lijkt wel of Heer Kṛṣṇa, de vijand van de demon Agha, een wervelwind uit Zijn mond heeft laten ontsnappen, die vat heeft gekregen op jouw hoofd en geleidelijk aan hetzelfde doet met de andere lotusogige gopī's."
Boeren laten
Soms is ook boeren een teken van extatische liefde voor Kṛṣṇa . Dit blijkt uit de woorden die Paurṇamāsī richtte tot een huilende gezellin van Rādhārāṇī:
“M'n lieve kind, zit er niet over in dat Śrīmatī Rādhārāṇī boeren laat. Ik sta op het punt Haar een middeltje tegen dat verschijnsel toe te dienen. Toe, huil niet zo. Dat boeren komt niet door een slechte spijsvertering; het is een teken van extatische liefde voor Kṛṣṇa. Ik zal ervoor zorgen dat er dadelijk een eind aan dat geboer komt. Maak je niet bezorgd." Deze uitspraak van Paurṇamāsī laat zien dat extatische liefde voor Kṛṣṇa zich soms in boeren uit.
“M'n lieve kind, zit er niet over in dat Śrīmatī Rādhārāṇī boeren laat. Ik sta op het punt Haar een middeltje tegen dat verschijnsel toe te dienen. Toe, huil niet zo. Dat boeren komt niet door een slechte spijsvertering; het is een teken van extatische liefde voor Kṛṣṇa. Ik zal ervoor zorgen dat er dadelijk een eind aan dat geboer komt. Maak je niet bezorgd." Deze uitspraak van Paurṇamāsī laat zien dat extatische liefde voor Kṛṣṇa zich soms in boeren uit.
Soms ziet men ook trillingen over het hele lichaam gaan en bloed uit bepaalde lichaamsdelen komen als blijken van extatische liefde voor Kṛṣṇa, maar dergelijke symptomen komen uiterst zelden voor en daarom besteedt Śrila Rūpa Gosvāmī er hier verder geen aandacht aan.