Default View
Dual Language View
HOOFDSTUK 28
Existentiële extatische liefde
Wanneer een toegewijde altijd intens bevangen is door liefde tot Kṛṣṇa in een rechtstreekse relatie tot Hem -of zelfs niet helemaal recht-streeks- wordt zijn toestand existentiële extatische liefde genoemd. De symptomen waarmee deze existentiële extatische liefde gepaard gaat worden in drieën onderscheiden: vochtig, verzengd en droog.
Vochtige existentiële extatische liefde die in relatie tot Kṛṣṇa wordt opgewekt onderscheidt men in tweeën: rechtstreeks en indirect. Toen Rādhārāņī tijdens het maken van een krans van kunda-bloemen de klank van Kṛṣṇa's fluit hoorde, liet Ze Haar werk dadelijk rusten. Dat is een voorbeeld van rechtstreekse vochtige existentiële extatische liefde. Indirecte vochtige existentiële extatische liefde wordt beschreven in de volgende verklaring: Kṛṣṇa, die ook Purușottama wordt genoemd, is voor moeder Yaśodā wat een wolk is voor de cātaki-vogel. Toen Kṛṣṇa naar Mathurā was gebracht, begon moeder Yaśodā de koning van Mathurā kwaad en bang allerlei verwijten te maken.
Verzengde existentiële extatische liefde wordt in drieën onderscheiden. Een voorbeeld: op een dag droomde moeder Yaśodā dat de reusachtige heks Pūtanā op het erf van haar huis lag, en dadelijk begon ze bezorgd naar Kṛṣṇa te zoeken.
Wanneer zich bij een niet-toegewijde lichamelijke extatische symptomen voordoen, worden deze droge symptomen van extatische liefde genoemd. Niet-toegewijden zijn in feite materialistisch, maar door contact met een zuivere toegewijde laten ze soms symptomen van extase zien. Kenners van toegewijde dienst spreken dan van droge symptomen.
Er zijn acht symptomen van existentiële extatische liefde: verstarren, zweten, kippenvel krijgen, bazelen, trillen, van kleur verschieten, tranen plengen en in staat van ontreddering verkeren. Śrila Rūpa Gosvāmī geeft de volgende wetenschappelijke uiteenzetting terzake van deze acht symptomen. Wanneer de levenskracht in contact is met de aarde, raakt men verstard.
Komt dezelfde kracht in aanraking met water, dan vergiet men tranen. Komt deze kracht in aanraking met vuur, dan transpireert men. Komt ze in aanraking met de lucht, dan is er algehele ontreddering. En wanneer de levenskracht met de ruimte in aanraking komt, dan beeft men, bazelt en krijgt kippenvel.
Genoemde symptomen doen zich nu eens innerlijk, dan weer uitwendig voor. De zuivere toegewijde ervaart ze altijd innerlijk; uit vrees dat buitenstaanders er niets van zullen begrijpen toont hij ze doorgaans niet aan de buitenwereld.
Verstarren
Het verstarringssymptoom treedt op bij extatische wederwaardigheden, vrees, verwondering, jammerklachten en woede. Het uit zich in verstomming van de spraak, roerloosheid, een gevoel van leegte en een uiterst sterke ervaring van gescheidenheid.
Bij zijn beschrijving van Kṛṣṇa's spel en vermaak aan Vidura zei Uddhava (Ś.B., 3.2.14):
"Op een dag, toen Kṛṣṇa verkleed als tuinmeisje de plantenkas binnenkwam en hen met Zijn gescherts en gelach verkwikte, verstarden de gopī's. Toen Kṛṣṇa daarna de kas verliet, zagen de gopī's Kṛṣṇa in zo'n grote vervoering na, dat het scheen alsof zowel hun geest als hun blik Hem volgde."
Uit deze symptomen blijkt dat de gopī's, die hun werk nog niet af hadden, van extatische liefde waren verstard.
"Op een dag, toen Kṛṣṇa verkleed als tuinmeisje de plantenkas binnenkwam en hen met Zijn gescherts en gelach verkwikte, verstarden de gopī's. Toen Kṛṣṇa daarna de kas verliet, zagen de gopī's Kṛṣṇa in zo'n grote vervoering na, dat het scheen alsof zowel hun geest als hun blik Hem volgde."
Uit deze symptomen blijkt dat de gopī's, die hun werk nog niet af hadden, van extatische liefde waren verstard.
Een ander voorbeeld van verstarring kennen we uit de offer-arena van Kaṁsa, toen Kṛṣṇa daar door verschillende worstelaars werd omringd. Zijn moeder, Devakī, (1) raakte verstard, terwijl haar ogen verdroogden, toen ze Kṛṣṇa daar tussen de worstelaars zag.
(1) Devakī was de 'biologische' moeder van Kṛṣṇa; Zijn vader was Vasudeva. Teneinde de goddelijke baby te beschermen tegen Devakī's broer, Kaṁsa, bezorgde Vasudeva Kṛṣṇa thuis bij Nanda en moeder Yaśodā in Vṛndāvana . En daar was het dat Kṛṣṇa Zijn spel en vermaak als kind ontvouwde. Op Zijn zestiende jaar keerde Hij terug naar Mathurā (waar Devakī Hem ter wereld had gebracht) en versloeg Kaṁsa in de hier genoemde arena. Zie voor nadere gegevens over deze geschiedenis Het Kṛṣṇa-boek en het Śrīmad-Bhāgavatam van dezelfde auteur.
Er is ook een voorbeeld van Heer Brahmā die stom van verwondering was. In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.13.56) staat beschreven dat Heer Brahmā, toen Hij begreep dat de koeherdersjongen Kṛṣṇa de Allerhoogste Gods-persoon Zelf was, geheel verstarde. Al zijn zinnen staakten hun werk toen Hij alle koeherdersjongens weer zag, met Kṛṣṇa in hun midden. Heer Brahmā stond zo roerloos, dat Hij een vierhoofdig gouden beeld leek. Ook de inwoners van Vraja stonden verstard, toen ze zagen dat Kṛṣṇa de heuvel Govardhana met Zijn linkerhand in de lucht geheven hield.
Verstarring veroorzaakt door jammer deed zich voor toen Kṛṣṇa in het ingewand van de demon Bakāsura verdween en alle goden van de hogere planeten van jammer verstijfden. Ook Arjuna verstarde, toen hij zag dat Aśvatthāmā zijn brahmāstra (1) op Kṛṣṇa probeerde af te vuren.
(1) Het brahmāstra was een kernwapen, bestuurd door mantra of geluidstrilling.
Transpireren
Het Śrīmad-Bhāgavatam geeft een voorbeeld van transpiratie als gevolg van jubelvreugde. Een gopī zei tot Rādhārāṇī:
"Lieve Rādhārāņī, Jij geeft de zon nu wel de schuld, maar ik begrijp heus wel dat Je alleen maar zweet, omdat Je door lust bevangen bent bij het zien van Kṛṣṇa."
"Lieve Rādhārāņī, Jij geeft de zon nu wel de schuld, maar ik begrijp heus wel dat Je alleen maar zweet, omdat Je door lust bevangen bent bij het zien van Kṛṣṇa."
Raktaka, een van Kṛṣṇa's dienaars, zweette van angst. Op een dag had Kṛṣṇa Zich namelijk aangekleed als ABhīmanyu, Rādhārāṇī's echtgenoot. ABhīmanyu hield er niet van dat Rādhārāņī met Kṛṣṇa omging, en toen Raktaka Kṛṣṇa, verkleed als ABhīmanyu, aan zag komen en niet begreep wie hij voor zich had, sprak hij Hem in krasse bewoordingen toe. Zodra Raktaka echter begreep dat het Kṛṣṇa was, als Abhímanyu verkleed, brak het zweet hem uit. Deze transpiratie werd veroorzaakt door angst.
Transpiratie uit woede deed zich voor bij Garuḍa, de adelaar die Vișņu op zijn rug ronddraagt. Op een keer liet Indra de hemelkoning regenbuien neerhozen op Vṛndāvana. Garuḍa zag van boven de wolken wat zich afspeelde en begon uit woede te zweten.
Het te berge rijzen van het haar (kippevel)
Moeder Yaśodā's haar rees te berge toen ze in Kṛṣṇa's mond alle planetenstelsels van het universum ontwaarde. Ze had Kṛṣṇa juist gevraagd Zijn mond open te doen om te kunnen zien of Hij klei gegeten had. Toen Kṛṣṇa Zijn mond open deed, zag ze echter niet alleen de hele aarde erin, maar ook tal van andere planeten. Hierdoor rees haar haar te berge.
Het te berge rijzen van het lichaamshaar als gevolg van uitgelatenheid wordt beschreven in het Śrīmad-Bhāgavatam (10.30.10) in verband met de gopī's tijdens de rāsa-dans. Tijdens de dans verdween Kṛṣṇa opeens met Rādhārāņī, en de gopī's begonnen overal naar Hem te zoeken. Ze richtten zich toen tot de aarde en zeiden:
"Beste planeet aarde, hoeveel boete moet u niet hebben gedaan,dat u Kṛṣṇa's lotusvoeten nu altijd op uw oppervlak mag hebben. Volgens ons bent u heel opgetogen, want de bomen en planten, die als haar op uw lichaam zijn, staan stralend overeind. Mogen we u vragen wanneer deze symptomen zich het eerst bij u hebben voorgedaan? Bent u al zo uitgelaten aan het genieten sinds u werd aangeraakt door de avatāra Vāmana of sinds u verlost werd door de avatāra Varāha?"
"Beste planeet aarde, hoeveel boete moet u niet hebben gedaan,dat u Kṛṣṇa's lotusvoeten nu altijd op uw oppervlak mag hebben. Volgens ons bent u heel opgetogen, want de bomen en planten, die als haar op uw lichaam zijn, staan stralend overeind. Mogen we u vragen wanneer deze symptomen zich het eerst bij u hebben voorgedaan? Bent u al zo uitgelaten aan het genieten sinds u werd aangeraakt door de avatāra Vāmana of sinds u verlost werd door de avatāra Varāha?"
Soms vocht Kṛṣṇa voor de grap met de koeienjongens. Wanneer Kṛṣṇa dan op Zijn hoorn blies, voelde Śrīdāmā, die voor vijand speelde, het haar op zijn lichaam te berge rijzen. Ook bij Arjuna rees het lichaamshaar te berge, namelijk toen hij Kṛṣṇa's reusachtige kosmische gedaante aanschouwde.
Stamelen
Toen Kṛṣṇa op de wagen, gemend door Akrūra, uit Mathurā wegging, probeerden Yaśodā en alle gopī's dit te verhoeden en Hem de weg te versperren. Rādhārāņī was zo van streek, dat ze moeder Yaśodā stamelend verzocht Akrūra tegen te houden.
Heer Brahmā zien we stamelen als gevolg van verbijstering. In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.13.64) wordt verteld hoe Heer Brahmā, toen hij opstond na Heer Kṛṣṇa zijn eerbetuigingen te hebben gebracht, stamelend gebeden tot de Heer opzond.
Elders in het Śrīmad-Bhāgavatam (10.29.30) wordt een voorbeeld gegeven van de gopī's, die er zo naar verlangden om met Kṛṣṇa te dansen, dat ze stamelend voor Hem stonden. Kṛṣṇa verzocht hun terug naar huis, naar hun man te gaan. Dit maakte de gopī's kennelijk erg boos en ze richtten zich stamelend tot Kṛṣṇa.
Een geval van stamelen als gevolg van uitgelaten vreugde is dat van Akrūra toen hij, zoals het Śrīmad-Bhāgavatam (10.39.56-57) beschrijft, alle Vaikuņțha-planeten te zien kreeg in het water van de Yamunā. Toen Akrūra besefte dat Kṛṣṇa de Allerhoogste Godspersoon is, boog hij zijn hoofd voor Zijn lotusvoeten neer en zond met gevouwen handen stamelend gebeden tot Hem op.
Er zijn ook voorbeelden van stamelen als gevolg van vrees. Een vriend van Kṛṣṇa loofde Hem als volgt:
"Mijn beste vriend, Je dienaar Patrī kreeg Je fluit in bewaring, en toen ik hem vroeg om haar terug te geven, begon hij te stamelen en trok geel weg."
"Mijn beste vriend, Je dienaar Patrī kreeg Je fluit in bewaring, en toen ik hem vroeg om haar terug te geven, begon hij te stamelen en trok geel weg."
Beven
Toen Kṛṣṇa de demon Sańkha probeerde te vangen, beefde Rādhā-rāni van angst. Dit beven gaf ook Sahadeva, de jongere broer van Nakula, te zien. Toen Śiśupāla de Heer de vurigste verwensingen naar het hoofd slingerde, begon Sahadeva te beven van woede.
Rādhārāņī liet ook zien hoe Ze kon beven van ellende. Zo trilde Ze over Haar hele lichaam, terwijl Ze tegen een van de gopī's zei:
"Maak geen grapjes met die vervelende jongen. Vraag Hem om alsjeblieft bij Me weg te blijven, want Hij bezorgt ons altijd alleen maar verdriet."
"Maak geen grapjes met die vervelende jongen. Vraag Hem om alsjeblieft bij Me weg te blijven, want Hij bezorgt ons altijd alleen maar verdriet."
Van kleur verschieten
Soms ziet men dat iemand als gevolg van grote smart, veroorzaakt door Kṛṣṇa's gedrag, van kleur verschiet. Zo richtten de gopī's zich als volgt tot de Heer:
“Lieve Kṛṣṇa, omdat ze gescheiden van Je zijn, zijn alle inwoners van Vṛndāvana van kleur verschoten. En vanwege hun bleekheid dacht zelfs de grote wijze Nārada dat Vṛndāvana een wit eiland in de melkoceaan was."
“Lieve Kṛṣṇa, omdat ze gescheiden van Je zijn, zijn alle inwoners van Vṛndāvana van kleur verschoten. En vanwege hun bleekheid dacht zelfs de grote wijze Nārada dat Vṛndāvana een wit eiland in de melkoceaan was."
Toen Kṛṣṇa en Balarāma in het worstelperk van Kaṁsa verschenen, verschoot Kaṁsa van kleur. Ook Indra's gezicht verschoot van kleur, toen hij zag dat Kṛṣṇa alle inwoners van Vraja beschermde door de heuvel Govardhana boven hun hoofd te tillen. Als iemand als gevolg van uitzinnige vreugde van kleur verschiet, wordt hij rood. Aangezien zo'n verandering van kleur uiterst zeldzaam plaatsvindt, wijdt Śrila Rūpa Gosvāmī er hier verder geen aandacht aan.
Tranen plengen
Voelt men zich uitgelaten, kwaad of verlaten, dan kunnen er tranen uit de ogen stromen. Wanneer de tranen erg koud zijn, komt dat door uitgelatenheid, en als gevolg van woede worden de tranen heet. In alle gevallen zijn de ogen fel in beweging en in de regel worden ze rood. Ook beginnen ze te prikken, en dan wil men erin wrijven.
Toen de lotusogige Rukmiņī, Kṛṣṇa's eerste koningin in Dvārakā, uit uítgelaten vreugdetranen vergoot, was Ze daar niet mee ingenomen. In de Hari-vaṁśa staat een passage die beschrijft hoe Satyabhāmā uit grote genegenheid voor Kṛṣṇa tranen begint te plengen.
Een voorbeeld van iemand die tranen vergiet uit woede is dat van Bhīma, toen hij zag hoe Śiśupāla tijdens het Rājasūya-offer Kṛṣṇa beledígde. Bhīma wilde Śiśupāla dadelijk doden, maar omdat Kṛṣṇa hem hier geen bevel toe gaf, werd hij nors van woede. Volgens de beschrijving stonden zijn ogen vol hete tranen, zoals de avondmaan soms door een dun waas wordt omhuld. Wanneer de maan's avonds door een waas wordt oversluierd, ziet ze er heel mooi uit, en ook Bhīma zag er prachtig uit toen hij uit woede tranen vergoot.
Het Śrīmad-Bhāgavatam (10.60.23) geeft een mooi voorbeeld van het plengen van tranen uit jammer. In een gesprek tussen Kṛṣṇa en Rukmiņī werd Rukmiņī bang dat Ze van Kṛṣṇa gescheiden zou raken en krabde met de rode lotusnagels van Haar tenen over de grond. Aangezien Ze tranen vergoot, droop Haar zwarte oogschaduw samen met Haar traanvocht op Haar borsten, die met rood kuṅkuma-poeder waren bedekt. Rukmiņī was zo verslagen, dat Haar stem het begaf.
Ontreddering
Wanneer iemand door het gelijktijdig optreden van geluk en ramp-spoed in verwarring is en niet weet wat te doen, wordt deze toestand pralaya of ontreddering genoemd. In deze staat van pralaya stort iemand soms ter aarde, waarbij alle tekenen van extatische liefde zich openbaren. Toen de gopī's naar Kṛṣṇa zochten en Hij plotseling uit de struiken en klimranken tevoorschijn kwam, raakten ze allen verstard en bijna van hun zinnen beroofd. In deze toestand zagen de gopī's er prachtig uit. Dit is een voorbeeld van pralaya of ontreddering in geluk.
Er zijn ook voorbeelden van pralaya in rampspoed. Een voorbeeld hiervan wordt gegeven door Śukadeva Gosvāmī in het Śrīmad-Bhāgavatam (10.39.15), waarin hij tegen Koning Parīkṣit zegt:
"Waarde vorst, toen de gopī's Kṛṣṇa kwijt waren, raakten ze zo intens in meditatie op Hem verzonken, dat al hun zinnen hun werk staakten en ze geen enkele lichamelijke gewaarwording meer kenden. Het was alsof ze van alle materiële omstandigheden verlost waren."
"Waarde vorst, toen de gopī's Kṛṣṇa kwijt waren, raakten ze zo intens in meditatie op Hem verzonken, dat al hun zinnen hun werk staakten en ze geen enkele lichamelijke gewaarwording meer kenden. Het was alsof ze van alle materiële omstandigheden verlost waren."
Gradaties van extase-symptomen
Van de vele lichamelijke symptomen van extase is het symptoom van verstarring van bijzondere betekenis. Afhankelijk van de mate van verstarring roert de levenskracht zich in het lichaam, en door deze toestand raken de overige extatische liefdessymptomen soms beïnvloed. De bovenzinnelijke symptomen van extase komen geleidelijk tot ontwikkeling en naar gelang hun intensiteit worden ze rokend, gloeiend en soms ook laaiend genoemd. Men ervaart deze drie gradaties van extase jaren achtereen en ze strekt zich tot in verschillende lichaamsdelen uit. In tegenstelling tot het vergieten van tranen of het stokken van de stem is de toestand van verstarring een algeheel lichamelijk verschijnsel. Tranen vergieten en stamelen doen zich slechts te bestemder plaatse voor.
Door het vergieten van tranen echter worden de ogen soms dik en wit en soms ook veranderen de pupillen van stand. Bij het stamelen raakt de keel soms verstikt en voelt men zich erg benauwd. Zoals deze tekenen van extase zich plaatselijk voordoen, gaan ze ook vergezeld van verschillende plaatselijke reacties: wanneer de keel bijvoorbeeld tijdens het stamelen verstikt raakt, kan men een geluid horen dat klinkt als 'ghura'. Met zulke geluiden raakt de stem verstikt en gepaard aan grote gekweldheid, kunnen ze zich op verschillende manieren voordoen. Al deze symptomen vallen onder de noemer van de droge existentiële toestand welke men kent als rokend, en ze openbaren zich op verschillende wijze.
Soms ziet men iemand tijdens een gelegenheid ter viering van Kṛṣṇa's spel en vermaak of in gezelschap van toegewijden extatisch dansen. Hij toont dan gevoelens die gloeiend worden genoemd.
Geen van genoemde symptomen kan zich voordoen als de be-trokkene niet wezenlijk aan Kṛṣṇa gehecht is. In de rokende extase-toestand kunnen de symptomen verscholen blijven. De priester Garga-muni gaf hiervan blijk, toen hij tijdens het celebreren van een rite ten huize van Nanda Mahārāja hoorde dat Kṛṣṇa de demon Aghāsura had gedood. Zijn ogen werden nat, zijn keel sidderde en zijn hele lichaam raakte met zweet overdekt. Hierdoor zag priester Gargamuni's schone gelaat er eens zo mooi uit.
Wanneer zich verschillende extatische symptomen tegelijk aandienen, spreekt men van een toestand van gloeiende extase. Zo zei een van Kṛṣṇa's vrienden tot de Heer:
"Mijn beste vriend, zodra ik Je fluit in het bos hoorde klinken, trok haast alle beweging uit mijn handen weg en liepen mijn ogen vol tranen -ze schoten zo vol, dat ik Je pauwenveer niet eens meer kon onderscheiden. Mijn dijen raakten bijna helemaal verstijfd, zodat ik me geen centimeter meer kon verroeren. Ik moet dus wel erkennen, beste vriend, dat Je bovenzinnelijke fluit wonderbaarlijke klanken voortbrengt."
"Mijn beste vriend, zodra ik Je fluit in het bos hoorde klinken, trok haast alle beweging uit mijn handen weg en liepen mijn ogen vol tranen -ze schoten zo vol, dat ik Je pauwenveer niet eens meer kon onderscheiden. Mijn dijen raakten bijna helemaal verstijfd, zodat ik me geen centimeter meer kon verroeren. Ik moet dus wel erkennen, beste vriend, dat Je bovenzinnelijke fluit wonderbaarlijke klanken voortbrengt."
Zo zei ook de ene gopī tot de andere:
"Lieve vriendin, toen ik Kṛṣṇa's fluit hoorde klinken, probeerde ik niet te laten merken hoe de trilling op me inwerkte. Toch kon ik niet verhoeden dat mijn lichaam begon te beven, en daardoor konden al mijn vriendinnen in huis duidelijk zien hoe ik aan Kṛṣṇa gehecht ben."
"Lieve vriendin, toen ik Kṛṣṇa's fluit hoorde klinken, probeerde ik niet te laten merken hoe de trilling op me inwerkte. Toch kon ik niet verhoeden dat mijn lichaam begon te beven, en daardoor konden al mijn vriendinnen in huis duidelijk zien hoe ik aan Kṛṣṇa gehecht ben."
Wanneer de symptomen van extase niet kunnen worden betoomd en ze tegelijk met vier of vijf tevoorschijn komen, spreekt men van laaiende extatische liefde. In dit verband wordt het voorbeeld gegeven van de wijze Nārada die Heer Kṛṣṇa voor zich zag staan, waarbij hij zo verstarde, dat hij zijn viņā-spel moest staken. Omdat zijn stem het begaf, kon hij geen gebeden tot Kṛṣṇa opzenden, terwijl zijn ogen vol tranen liepen. Zo werd Nārada gefnuikt in zijn vermogen om Kṛṣṇa te zien.
Toen zulke symptomen zich voordeden bij Śrīmatī Rādhārāṇī, kwamen enkele van Haar vriendinnen met de volgende kritiek:
"Lieve vriendin, Je geeft de bloemengeur de schuld van de tranen in Je ogen. Je zegt boos dat het van de wind komt dat Je haar overeind staat. En Je zegt dat Je dijen verstijfd zijn door al dat verwenste heen-en-weer geloop door het bos. Maar Je stamelende stem verraadt dat al deze dingen een andere oorzaak hebben: en dat is alleen maar Jouw gehechtheid aan Kṛṣṇa!"
"Lieve vriendin, Je geeft de bloemengeur de schuld van de tranen in Je ogen. Je zegt boos dat het van de wind komt dat Je haar overeind staat. En Je zegt dat Je dijen verstijfd zijn door al dat verwenste heen-en-weer geloop door het bos. Maar Je stamelende stem verraadt dat al deze dingen een andere oorzaak hebben: en dat is alleen maar Jouw gehechtheid aan Kṛṣṇa!"
Śrīla Rūpa Gosvāmi merkt op dat wanneer verschillende symptomen zich zeer sterk openbaren, de extatische toestand van de toegewijde op haar helderst mag worden genoemd. Zo zei een vriend van Kṛṣṇa tot Hem:
"Mijn beste Pītāmbara, omdat ze van Jou gescheiden zijn, baden alle inwoners van Goloka Vṛndāvana in hun zweet. Ze slaken allerlei jammerklachten en hun ogen zijn nat van de tranen. Ze zijn werkelijk allemaal in staat van hevige verwarring."
"Mijn beste Pītāmbara, omdat ze van Jou gescheiden zijn, baden alle inwoners van Goloka Vṛndāvana in hun zweet. Ze slaken allerlei jammerklachten en hun ogen zijn nat van de tranen. Ze zijn werkelijk allemaal in staat van hevige verwarring."
Het symptoom van de hoogste extatische liefde wordt mahābhāva genoemd. Deze uiting van mahābhāva kan men slechts aantreffen bij Rādhārāṇī, maar toen Śri Kṛṣṇa Caitanya eeuwen later verscheen, teneínde Zich in de liefde van Rādhārāņī in te leven, gaf Hij eveneens alle tekenen van mahābhāva te zien.
Śrī Rūpa Gosvāmī ontleedt de extatische liefdesuitingen voorts in vier groepen, die sāttvikābhāsā worden genoemd.
Soms ziet men dat impersonalisten, die in feite geen toegewijde dienst verrichten, eveneens symptomen van extatische liefde vertonen, maar deze mogen niet als blijk van echte extase worden beschouwd. Ze zijn er slechts een afschaduwing van. Zo kan men soms in Vārāņasi, een heilige stad van de impersonalistische geleerden, een sannyāsī zien huilen wanneer hij de heerlijkheid van de Heer hoort beschrijven. Men ziet impersonalisten soms ook dansen en de Hare Kṛṣṇa-mantra chanten, maar ze beschouwen het dienen van de Heer niet als hun doel. Ze willen met Hem één worden en in Zijn existentie opgaan. Rūpa Gosvāmī zegt dan ook dat zelfs al ziet men bij een impersonalist de extatische reacties van het chanten, ze toch niet als tekenen van werkelijke gehechtheid mogen worden aangemerkt, doch slechts als een afschaduwing daarvan, als zonlicht dat door het venster in een donkere kamer binnen valt. Het chanten van Hare Kṛṣṇa is echter zo fijn en bovenzinnelijk, dat het uiteindelijk zelfs het hart van een impersonalist zal laten smelten. Rūpa Gosvāmī zegt dat de symptomen welke de impersonalisten ten beste geven slechts een afschaduwing van extatische liefde verraden, en geen ware extase.
Soms ziet men dat onverdroten theoretici, die geen zweem van toewijding kennen en eigenlijk geen idee hebben van de bovenzinnelijke heerlijkheid van de Heer, wanneer ze in de kring van toegewijden van Zijn heerlijkheid vernemen, schijnen te smelten en tranen vergieten. In dit verband bestaat er een uitspraak van een toegewijde, die zich als volgt tot de Heer richt:
"Mijn beste Mukunda, ik kan de heerlijkheid van Uw spel en vermaak niet goed onder woorden brengen. Zelfs wanneer niet-toegewijden van Uw heerlijk spel en vermaak horen, raken ze erdoor aangedaan en vergieten tranen en beginnen te beven."
"Mijn beste Mukunda, ik kan de heerlijkheid van Uw spel en vermaak niet goed onder woorden brengen. Zelfs wanneer niet-toegewijden van Uw heerlijk spel en vermaak horen, raken ze erdoor aangedaan en vergieten tranen en beginnen te beven."
Deze niet-toegewijden zijn in wezen niet verzaakt: ze zijn onvermurwbaar. Maar de invloed van de heerlijkheid van de Heer is zo groot, dat zelfs zij soms tranen vergieten.
Men ziet ook wel dat een niet-toegewijde, die praktisch geen gevoel voor Kṛṣṇa heeft en zich aan regels noch bepalingen houdt, zich erin kan oefenen om een vertoon van devotionele symptomen ten beste te geven, waarbij hij het zelfs bestaat om te midden van de toegewijden in tranen uit te barsten. Zulk huilen is natuurlijk geen ware uitdrukking van extatische liefde. Het is slechts de vrucht van flink oefenen. Hoewel het onnodig is zulke afschaduwingen van extatische liefde te beschrijven, geeft Rūpa Gosvāmī een paar voorbeelden van mensen die geen echte toegewijde dienst verrichten en toch zulke tekenen vertonen.
Men ziet ook wel dat een niet-toegewijde, die praktisch geen gevoel voor Kṛṣṇa heeft en zich aan regels noch bepalingen houdt, zich erin kan oefenen om een vertoon van devotionele symptomen ten beste te geven, waarbij hij het zelfs bestaat om te midden van de toegewijden in tranen uit te barsten. Zulk huilen is natuurlijk geen ware uitdrukking van extatische liefde. Het is slechts de vrucht van flink oefenen. Hoewel het onnodig is zulke afschaduwingen van extatische liefde te beschrijven, geeft Rūpa Gosvāmī een paar voorbeelden van mensen die geen echte toegewijde dienst verrichten en toch zulke tekenen vertonen.