Default View
Dual Language View
HOOFDSTUK 29
Uitingen van liefde voor Kṛṣṇa
Er is een reeks uiterlijke tekenen van overstelpende extatische liefde (vyabhicāri-bhāva). Men telt er drieëndertig, en wel als volgt:
1)teleurstelling;
2)jammer;
3)nederigheid;
4) schuldgevoelens;
5) vermoeidheid;
6)bedwelming;
7)trots;
8)twijfel;
9) vrees;
10) intense emotie;
11)waanzin;
12)vergetelheid;
13) ziekte;
14) verwarring;
15) dood;
16)luiheid;
17) traagheid;
18) verlegenheid;
19) verhulling;
20)heugenis;
21)redeneerzucht;
22)benauwdheid;
23) bedachtzaamheid;
24) volharding;
25) geluk;
26) gretigheid;
27) geweld;
28) hooghartigheid;
29) afgunst;
30) onbeschaamdheid;
31) duizeligheid;
32) slaperigheid;
33) waakzaamheid.
1)teleurstelling;
2)jammer;
3)nederigheid;
4) schuldgevoelens;
5) vermoeidheid;
6)bedwelming;
7)trots;
8)twijfel;
9) vrees;
10) intense emotie;
11)waanzin;
12)vergetelheid;
13) ziekte;
14) verwarring;
15) dood;
16)luiheid;
17) traagheid;
18) verlegenheid;
19) verhulling;
20)heugenis;
21)redeneerzucht;
22)benauwdheid;
23) bedachtzaamheid;
24) volharding;
25) geluk;
26) gretigheid;
27) geweld;
28) hooghartigheid;
29) afgunst;
30) onbeschaamdheid;
31) duizeligheid;
32) slaperigheid;
33) waakzaamheid.
Teleurstelling
Als men gedwongen is om op verboden wijze te handelen of ver-hinderd wordt om op de juiste manier te handelen, denkt men vol spijt dat men eerloos te werk gaat. Men voelt zich daarbij teleurgesteld. In deze staat van teleurstelling raakt men zeer benauwd, vergiet tranen, verschiet van kleur, voelt zich klein en haalt zwoegend adem.
Toen Kṛṣṇa bij Zijn bestraffing van Kāliya in het giftige water van de Yamunā verdronken scheen te zijn, richtte Nanda Mahārāja zich als volgt tot Yasodādevī:
"Lieve vrouw, Kṛṣṇa is diep in het water gegaan, en daarom is er geen enkele reden meer waarom we nog in ons door-en-door zondige lichaam moeten blijven! Laten wij ook het giftige water van de Yamunā in gaan en zo alle zonden die we in ons leven hebben begaan weer goed maken!" Dit is een voorbeeld van diepe geschoktheid, waarbij de toegewijde hevige teleurstelling ervaart.
"Lieve vrouw, Kṛṣṇa is diep in het water gegaan, en daarom is er geen enkele reden meer waarom we nog in ons door-en-door zondige lichaam moeten blijven! Laten wij ook het giftige water van de Yamunā in gaan en zo alle zonden die we in ons leven hebben begaan weer goed maken!" Dit is een voorbeeld van diepe geschoktheid, waarbij de toegewijde hevige teleurstelling ervaart.
Toen Kṛṣṇa Vṛndāvana verliet, besloot Zijn innige vriend Subala ook weg te gaan, omdat er zonder Kṛṣṇa geen vreugde meer kon worden gevonden in het dorp. In dit verband past het beeld van een bij die weggaat van een bloem waar geen honing meer in zit: zo ging Subala uit Vṛndāvana weg, toen hij merkte dat er geen genietbaar bovenzinnelijk plezier meer te beleven viel.
In de Dāna-keli-kaumudī richt Śrīmatī Rādhārāņī Zich als volgt tot een van Haar vriendinnen:
“Lieve vriendin, als er niets meer over de heerlijke activiteiten van Kṛṣṇa te horen valt, kan Ik beter doof worden. En omdat Ik Hem nu niet kan zien, kan Ik net zo goed blind zijn."
Dit is een ander voorbeeld van teleurstelling als gevolg van gescheidenheid van Kṛṣṇa.
“Lieve vriendin, als er niets meer over de heerlijke activiteiten van Kṛṣṇa te horen valt, kan Ik beter doof worden. En omdat Ik Hem nu niet kan zien, kan Ik net zo goed blind zijn."
Dit is een ander voorbeeld van teleurstelling als gevolg van gescheidenheid van Kṛṣṇa.
De Harivamśa bevat een uitspraak van Satyabhāmā, een van Kṛṣṇa's koninginnen in Dvārakā, die tot haar echtgenoot zegt:
"Mijn lieve Kṛṣṇa, vanaf het ogenblik dat ik Nārada Rukmiņī hoorde verheerlijken ten overstaan van Jou, begrijp ik dat het geen zin meer heeft om over mezelf te praten!" Dit is een voorbeeld van teleurstelling veroorzaakt door afgunst. Rukmiņī en Satyabhāmā waren allebei met Kṛṣṇa getrouwd, en omdat Kṛṣṇa dus hun beider man was, bestond er uiteraard enige vrouwelijke afgunst tussen hen. Dus toen Satyabhāmā de heerlijkheid van Rukminī hoorde bezingen, werd ze jaloers op haar en voelde zich daarbij teleurgesteld.
"Mijn lieve Kṛṣṇa, vanaf het ogenblik dat ik Nārada Rukmiņī hoorde verheerlijken ten overstaan van Jou, begrijp ik dat het geen zin meer heeft om over mezelf te praten!" Dit is een voorbeeld van teleurstelling veroorzaakt door afgunst. Rukmiņī en Satyabhāmā waren allebei met Kṛṣṇa getrouwd, en omdat Kṛṣṇa dus hun beider man was, bestond er uiteraard enige vrouwelijke afgunst tussen hen. Dus toen Satyabhāmā de heerlijkheid van Rukminī hoorde bezingen, werd ze jaloers op haar en voelde zich daarbij teleurgesteld.
Het Śrīmad-Bhāgavatam (10.51.47) bevat de volgende uitspraak:
"Beste Kṛṣṇa, ik kan niet zeggen dat alleen anderen in het stoffelijk bestaan verstrikt zitten, want ook ik zit verward in de lichamelijk georiënteerde levensbeschouwing. Ik maak me altijd te druk om mijn gezin, huis, vrouw, bezit, land en koninkrijk. En omdat ik zo verdwaasd ben door de hele materiële sfeer, geloof ik nu dat ik mijn leven gewoon heb zitten verdoen."
Deze uitspraak is een voorbeeld van teleurstelling veroorzaakt door jammer.
"Beste Kṛṣṇa, ik kan niet zeggen dat alleen anderen in het stoffelijk bestaan verstrikt zitten, want ook ik zit verward in de lichamelijk georiënteerde levensbeschouwing. Ik maak me altijd te druk om mijn gezin, huis, vrouw, bezit, land en koninkrijk. En omdat ik zo verdwaasd ben door de hele materiële sfeer, geloof ik nu dat ik mijn leven gewoon heb zitten verdoen."
Deze uitspraak is een voorbeeld van teleurstelling veroorzaakt door jammer.
Volgens Bharata Muni is dit soort teleurstelling niet heilzaam. Maar er zijn andere grote geleerden die deze teleurstelling beschouwen als neutraal van aard, met een kiem van extatische liefde erin.
Jammer
Als men er niet in slaagt het begeerde levensdoel te bereiken, als men zich niet voldaan voelt in zijn huidige activiteit, als men tegenslag ondervindt en onder schuldgevoel gebukt gaat, heet men in staat van jammer te verkeren. In deze jammertoestand begint men zich van alles af te vragen, verzinkt in gedachten, wil huilen, voelt wroeging en haalt zwoegend adem. De huidskleur verandert en de mond wordt droog.
Een bejaarde toegewijde van Kṛṣṇa richtte zich tot Hem met de volgende woorden:
"Beste Kṛṣṇa, o doder van de demon Agha, mijn lichaam is nu gebrekkig van ouderdom. Ik kan niet vlot meer spreken, mijn stem begeeft het soms. Mijn geest is niet sterk meer en vaak vergeet ik van alles. Maar lieve Heer, Je bent als het maanlicht, en het enige wat me werkelijk spijt is dat ik uit gebrek aan gevoel voor Je aangename stralen geen vorderingen heb gemaakt in de ontwikkeling van mijn Kṛṣṇa-bewustzijn."
"Beste Kṛṣṇa, o doder van de demon Agha, mijn lichaam is nu gebrekkig van ouderdom. Ik kan niet vlot meer spreken, mijn stem begeeft het soms. Mijn geest is niet sterk meer en vaak vergeet ik van alles. Maar lieve Heer, Je bent als het maanlicht, en het enige wat me werkelijk spijt is dat ik uit gebrek aan gevoel voor Je aangename stralen geen vorderingen heb gemaakt in de ontwikkeling van mijn Kṛṣṇa-bewustzijn."
Deze uitspraak is een voorbeeld van jammer als gevolg van het onvermogen om het begeerde levensdoel te bereiken.
Een toegewijde zei:
“Vannacht droomde ik dat ik in de tuin allerlei bloemen plukte en erover dacht om een krans voor Kṛṣṇa te rijgen. Maar ik had het ongeluk dat mijn droom opeens ophield en ik zo mijn begeerde doel niet bereiken kon!"
Een toegewijde zei:
“Vannacht droomde ik dat ik in de tuin allerlei bloemen plukte en erover dacht om een krans voor Kṛṣṇa te rijgen. Maar ik had het ongeluk dat mijn droom opeens ophield en ik zo mijn begeerde doel niet bereiken kon!"
Deze uitspraak is een voorbeeld van jammer als gevolg van het onvermogen om zijn plicht te vervullen.
Toen Nanda Mahārāja zag dat zijn stiefzoon Kṛṣṇa in het worstelperk van Kaṁsa in verlegenheid verkeerde, zei hij:
"Wat een ongeluk treft mij dat ik mijn zoon niet in een kamer opgesloten heb gehouden. Helaas heb ik Hem naar Mathurā gebracht en zie nu dat Hij in verlegenheid verkeert door het verschijnen van deze reuze-olifant, genaamd Kuvalaya. Het is alsof de maan Kṛṣṇa door de schaduw van de aarde verduisterd wordt."
Dit is een voorbeeld van jammer veroorzaakt door tegenspoed.
"Wat een ongeluk treft mij dat ik mijn zoon niet in een kamer opgesloten heb gehouden. Helaas heb ik Hem naar Mathurā gebracht en zie nu dat Hij in verlegenheid verkeert door het verschijnen van deze reuze-olifant, genaamd Kuvalaya. Het is alsof de maan Kṛṣṇa door de schaduw van de aarde verduisterd wordt."
Dit is een voorbeeld van jammer veroorzaakt door tegenspoed.
In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.14.9) verklaart Brahmā:
"Lieve Heer, zie toch hoe onbeschaamd ik ben! U bent de on-begrensde, oorspronkelijke Godspersoon, de Superziel,- en U bestuurt de hoogst volmaakte begoochelende energieën! En zie toch hoe onbeschaamd ik ben! Ik wilde U de baas zijn met mijn eigen persoonlijk vermogen, zo opgeblazen was ik door mijn beetje macht. Zoals een vuurvonk het vuur zelf geen kwaad kan doen, bleef mijn verbijsterend vermogen volstrekt in gebreke om Uw superieur begoochelend vermogen te dwarsbomen. Daarom zie ik hoe hoogst onbeduidend ik ben en beschouw ik mezelf als een uiterst nutteloze figuur."
Deze uitspraak van Brahmā is een voorbeeld van jammer veroorzaakt door het begaan van een overtreding.
"Lieve Heer, zie toch hoe onbeschaamd ik ben! U bent de on-begrensde, oorspronkelijke Godspersoon, de Superziel,- en U bestuurt de hoogst volmaakte begoochelende energieën! En zie toch hoe onbeschaamd ik ben! Ik wilde U de baas zijn met mijn eigen persoonlijk vermogen, zo opgeblazen was ik door mijn beetje macht. Zoals een vuurvonk het vuur zelf geen kwaad kan doen, bleef mijn verbijsterend vermogen volstrekt in gebreke om Uw superieur begoochelend vermogen te dwarsbomen. Daarom zie ik hoe hoogst onbeduidend ik ben en beschouw ik mezelf als een uiterst nutteloze figuur."
Deze uitspraak van Brahmā is een voorbeeld van jammer veroorzaakt door het begaan van een overtreding.
Nederigheid
Een gevoel van zwakte, veroorzaakt door verdriet, vrees of foutief gedrag, wordt nederigheid genoemd. In staat van nederigheid wordt men spraakzaam, klein van hart, vuil van geest, vol vrees en werkeloos.
Het Śrīmad-Bhāgavatam (10.51.57) bevat de volgende verklaring van Koning Mucukunda:
"Lieve Heer, vanwege mijn kwade daden in het verleden voel ik mij eeuwig vol smart. Ik heb altijd te lijden van mijn begeerten, maar toch voelen mijn zinnen zich door materieel genot nooit voldaan. Op een of andere manier verkeer ik thans door Uw ge-nade in staat van vrede, omdat ik mijn heil bij Uw lotusvoeten heb gezocht, waar het altijd vrij van alle jammer, vrees en dood is. O hoogste beschermer, o hoogste ziel! O allerhoogste bestuurder! Schenk me alstublieft Uw bescherming. Ik ben zo van streek." Deze uitspraak van Mucukunda is een voorbeeld van nederigheid als gevolg van een diep ellendige materiële bestaanstoestand.
"Lieve Heer, vanwege mijn kwade daden in het verleden voel ik mij eeuwig vol smart. Ik heb altijd te lijden van mijn begeerten, maar toch voelen mijn zinnen zich door materieel genot nooit voldaan. Op een of andere manier verkeer ik thans door Uw ge-nade in staat van vrede, omdat ik mijn heil bij Uw lotusvoeten heb gezocht, waar het altijd vrij van alle jammer, vrees en dood is. O hoogste beschermer, o hoogste ziel! O allerhoogste bestuurder! Schenk me alstublieft Uw bescherming. Ik ben zo van streek." Deze uitspraak van Mucukunda is een voorbeeld van nederigheid als gevolg van een diep ellendige materiële bestaanstoestand.
Toen Uttarā aangevallen werd door het brahmāstra van Aśvatthāmā, werd ze bang dat ze haar kind zou verliezen, namelijk Mahārāja Parīkșit, die zich nog in haar schoot bevond. Dadelijk gaf ze zich over aan Kṛṣṇa en zei:
"O lieve Heer, red mijn kind alstublieft. Het kan met niet schelen of ik daarbij door het brahmāstra van Asvatthāmā zelf gedood moet worden."
"O lieve Heer, red mijn kind alstublieft. Het kan met niet schelen of ik daarbij door het brahmāstra van Asvatthāmā zelf gedood moet worden."
Elders in het Śrīmad-Bhāgavatam (10.14.10) zegt Heer Brahmā:
"O onfeilbare! Ik ben in hartstocht geboren en daarom ben ik er ten onrechte trots op dat ik de schepper van deze wereld ben. Mijn valse trots is als diepe duisternis, en in deze duisternis was ik verblind. In mijn blindheid zag ik mezelf als Uw rivaal, o Allerhoogste Godspersoon. Maar ook al ziet men mij als de schepper van dit universum, lieve Heer, toch ben ik eeuwig Uw dienaar. Betoon me daarom altijd Uw mededogen en schenk me zo Uw vergiffenis."
Deze verklaring van Brahmā is een ander voorbeeld van nederigheid als gevolg van onjuist gedrag.
"O onfeilbare! Ik ben in hartstocht geboren en daarom ben ik er ten onrechte trots op dat ik de schepper van deze wereld ben. Mijn valse trots is als diepe duisternis, en in deze duisternis was ik verblind. In mijn blindheid zag ik mezelf als Uw rivaal, o Allerhoogste Godspersoon. Maar ook al ziet men mij als de schepper van dit universum, lieve Heer, toch ben ik eeuwig Uw dienaar. Betoon me daarom altijd Uw mededogen en schenk me zo Uw vergiffenis."
Deze verklaring van Brahmā is een ander voorbeeld van nederigheid als gevolg van onjuist gedrag.
Soms toont men zich nederig uit verlegenheid. Toen bijvoorbeeld Kṛṣṇa alle kleren had gestolen van de gopī's, die zich in de rivier aan het baden waren, smeekten ze Hem om hen niet zo onheus te behandelen. De gopī's richtten zich als volgt tot Hem:
"Lieve Kṛṣṇa, we weten dat Je de zoon van Nanda Mahārāja bent en de lieveling van heel Vṛndāvana . En ook wij houden ontzettend veel van Je! Maar waarom bezorg Je ons zo veel last! Geef alsjeblieft onze kleren terug. Zie toch hoe we staan te bibberen van de felle kou."
Deze nederigheid kwam voort uit verlegenheid, omdat ze naakt voor Kṛṣṇa stonden.
"Lieve Kṛṣṇa, we weten dat Je de zoon van Nanda Mahārāja bent en de lieveling van heel Vṛndāvana . En ook wij houden ontzettend veel van Je! Maar waarom bezorg Je ons zo veel last! Geef alsjeblieft onze kleren terug. Zie toch hoe we staan te bibberen van de felle kou."
Deze nederigheid kwam voort uit verlegenheid, omdat ze naakt voor Kṛṣṇa stonden.
Schuldgevoelens
Wanneer iemand zichzelf verwijt dat hij onjuist gehandeld heeft, heet hij behept met schuldgevoel.
Op een dag stond Śrīmatī Rādhārāņī yoghurt voor Kṛṣṇa te karnen. Haar met juwelen ingelegde polsbanden hoepelden om Haar handen en Ze stond de heilige namen van Kṛṣṇa te zingen. Opeens dacht Ze:
"Daar sta Ik de heilige namen van Kṛṣṇa te zingen en Mijn meerderen -Mijn schoonmoeder en Mijn schoonzuster- zouden Me kunnen horen!"
Deze gedachte bracht Rādhārāṇī in hevige verwarring. Dit is een voorbeeld van schuldgevoel als gevolg van toewijding jegens Kṛṣṇa.
"Daar sta Ik de heilige namen van Kṛṣṇa te zingen en Mijn meerderen -Mijn schoonmoeder en Mijn schoonzuster- zouden Me kunnen horen!"
Deze gedachte bracht Rādhārāṇī in hevige verwarring. Dit is een voorbeeld van schuldgevoel als gevolg van toewijding jegens Kṛṣṇa.
Op een dag ging de mooi-ogige Rādhārāņī het bos in om bloemen te plukken voor een krans voor Kṛṣṇa. Terwijl Ze ze plukte, werd Ze bang dat iemand Haar zo zou kunnen zien en voelde Zich ietwat vermoeid en zwak. Dit is een gevolg van schuldgevoelens veroorzaakt door inspanning voor Kṛṣṇa.
De Rasa-sudhākara bevat een verklaring die inhoudt dat Rādhārāņī, na de nacht met Kṛṣṇa te hebben doorgebracht, Zich zo zwak voelde, dat Ze niet meer op kon staan. Toen Kṛṣṇa Haar bij de hand nam om Haar overeind te helpen, voelde Rādhārāņī Zich schuldig dat Ze de nacht met Hem had doorgebracht.
Vermoeidheid
Men voelt zich moe nadat men een lang eind gelopen heeft, nadat men gedanst heeft en na seksuele activiteit. Bij dit soort moeheid is men duizelig, men zweet, voelt zich zwaar in de leden, gaapt en haalt zwoegend adem.
Op een dag zat Yaśodā Kṛṣṇa achterna op haar erf, nadat Hij brutaal tegen haar was geweest. Na een poosje werd Yaśodā erg moe en begon daarbij te zweten, terwijl haar opgebonden haar omlaag kwam. Dit is een voorbeeld van moeheid veroorzaakt door te hard werk.
Soms dansten alle koeherdersjongens, Kṛṣṇa's vrienden en Balarāma, met elkaar als er feest was. Dan slingerden de bloemenkransen om hun hals en begonnen de jongens te zweten. Hun hele lichaam werd nat van hun extatisch dansen. Dit is een voorbeeld van moeheid veroorzaakt door dansen.
In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.33.20) heet het dat de gopī's soms erg moe werden nadat ze van hun liefdesspel met Kṛṣṇa hadden genoten, al dansend, vrijend en zoenend, en uit Zijn grondeloze genade en mededogen streek Kṛṣṇa dan met Zijn lotushanden over hun gezicht. Dit is een voorbeeld van moeheid veroorzaakt door zwoegende activíteit tijdens de rāsa-dans.
Bedwelming
Wanneer men arrogant wordt uit valse trots als gevolg van het drinken van bedwelmende drank of als gevolg van te grote wellust, gaat de stem verkeerd, zwellen de oogleden op en tekent het lichaam hier en daar rood. In de Lalita-mādhava staat beschreven hoe Heer Baladeva, bedwelmd door het drinken van te grote hoeveelheden honing, eens tot de mieren sprak:
"O jullie vorsten onder de mieren! Waarom verstoppen jullie je in die gaatjes?"
En tegelijk richtte Hij Zich tot de hemelkoning:
"O Koning Indra! Jij speelbal van Śacī! Wat zit je daar te lachen? Ik sta klaar om het hele universum te verbrijzelen en Ik weet dat Kṛṣṇa het Me niet kwalijk zal nemen!"(1)
Daarna zei Hij tot Kṛṣṇa:
"Mijn beste Kṛṣṇa, zeg Me dadelijk waarom de hele wereld siddert en waarom de maan er zo smalletjes uit ziet! En jullie leden van het geslacht Yadu, wat staan julle daar te lachen? Geef Me alsjeblieft Mijn kadamba-honing terug!"
Śrīla Rūpa Gosvāmī bidt dat Heer Balarāma voldaan over ons allen zal zijn terwijl Hij zulke dronkenmanstaal uitslaat.
"O jullie vorsten onder de mieren! Waarom verstoppen jullie je in die gaatjes?"
En tegelijk richtte Hij Zich tot de hemelkoning:
"O Koning Indra! Jij speelbal van Śacī! Wat zit je daar te lachen? Ik sta klaar om het hele universum te verbrijzelen en Ik weet dat Kṛṣṇa het Me niet kwalijk zal nemen!"(1)
Daarna zei Hij tot Kṛṣṇa:
"Mijn beste Kṛṣṇa, zeg Me dadelijk waarom de hele wereld siddert en waarom de maan er zo smalletjes uit ziet! En jullie leden van het geslacht Yadu, wat staan julle daar te lachen? Geef Me alsjeblieft Mijn kadamba-honing terug!"
Śrīla Rūpa Gosvāmī bidt dat Heer Balarāma voldaan over ons allen zal zijn terwijl Hij zulke dronkenmanstaal uitslaat.
(1) Baladeva of Balarāma is Kṛṣṇa's oudere broer. Hij is een expansie van God Zelf en moet derhalve als een avatāra van God worden beschouwd, zoals het Śrimad-Bhāgavatam uitlegt.
In deze staat van bedwelmdheid voelde Balarāma Zich moe en ging liggen om uit te rusten. Over het algemeen strekken verheven persoonlijkheden wanneer ze zich bedwelmd voelen zich te rusten uit, terwijl middelmatige mensen het op een lachen en zingen zetten, en laagstaande figuren gemene taal uitslaan en soms schreeuwen. Deze bedwelming doet zich sterker of zwakker voor naar gelang de leeftijd en de instelling van de betrokkene. Śrīla Rūpa Gosvāmī weidt niet verder in deze richtíng uit, omdat daar geen aanleiding voor bestaat.
Een andere beschrijving van de symptomen van de bedwelmende toestand wordt gegeven in verband met Śrīmatī Rādhārāņī nadat Ze Kṛṣṇa had gezien. Nu eens liep Ze van links naar rechts, dan weer lachte Ze, ook wel bedekte Ze Haar gezicht, soms kraamde Ze onzin uit en ook wel zag men Haar smeekbeden tot de gopī's in Haar gezelschap richten. Toen de gopī's deze tekenen bij Rādhārāņi waarnamen, zeiden ze tot elkaar:
"Kijk toch eens hoe Rādhārāņī bedwelmd is geraakt omdat Ze Kṛṣṇa heeft gezien!"
Dit is een voorbeeld van extatische liefde in bedwelmdheid.
"Kijk toch eens hoe Rādhārāņī bedwelmd is geraakt omdat Ze Kṛṣṇa heeft gezien!"
Dit is een voorbeeld van extatische liefde in bedwelmdheid.
Trots
Uitingen van extatische liefde in trots kunnen het gevolg zijn van uitzonderlijke rijkdom, exquise schoonheid, het bezit van een eersterangs woonverblijf of het bereiken van het ideale doel. Men wordt ook als trots beschouwd wanneer men zich er niets van aantrekt wanneer anderen tekort worden gedaan.
Bilvamangala Thākura zei:
"Lieve Kṛṣṇa, Je gaat van me weg en rukt Je los uit mijn greep. Maar ik zal pas van Je kracht onder de indruk komen wanneer Je Je uit het diepst van mijn hart weet los te rukken."
Dit is een voorbeeld van trots in extatische liefde voor Kṛṣṇa.
"Lieve Kṛṣṇa, Je gaat van me weg en rukt Je los uit mijn greep. Maar ik zal pas van Je kracht onder de indruk komen wanneer Je Je uit het diepst van mijn hart weet los te rukken."
Dit is een voorbeeld van trots in extatische liefde voor Kṛṣṇa.
Toen Rādhārāņī tijdens de rāsa-dans de plaats van de dans verlaten had en Kṛṣṇa Haar wilde gaan zoeken, zei een van Haar dierbare vriendinnen tot Hem:
“Lieve Kṛṣṇa, Je hebt Je zeer verplicht door de gedaante van onze Srīmatī Rādhārāņī te dienen, en nu laat Je alle andere gopī's alleen om Haar te gaan zoeken. Sta me toe dat ik Je vraag hoe Je wil dat Ze Zich tegenover Je gedraagt."
Dit is een voorbeeld van trots vanwege exquise schoonheid.
“Lieve Kṛṣṇa, Je hebt Je zeer verplicht door de gedaante van onze Srīmatī Rādhārāņī te dienen, en nu laat Je alle andere gopī's alleen om Haar te gaan zoeken. Sta me toe dat ik Je vraag hoe Je wil dat Ze Zich tegenover Je gedraagt."
Dit is een voorbeeld van trots vanwege exquise schoonheid.
Soms voelde Rādhārāņī de trots in Zich opkomen en sprak:
"Hoewel de koeienjongens mooie bloemenkransen voor Kṛṣṇa rijgen, is Hij stom van verbazing wanneer Ik Hem Mijn krans aanbied en neemt hem dadelijk aan en drukt hem aan Zijn hart."
"Hoewel de koeienjongens mooie bloemenkransen voor Kṛṣṇa rijgen, is Hij stom van verbazing wanneer Ik Hem Mijn krans aanbied en neemt hem dadelijk aan en drukt hem aan Zijn hart."
En in het Śrīmad-Bhāgavatam (10.2.33) zegt Heer Brahmā:
"Mijn waarde Madhusūdana, zuivere toegewijden van Uwe Heerlijkheid ervaren werkelijk Uw extatische vriendschap, en kunnen daardoor door geen vijand overwonnen worden. Ze weten dat U hen altijd beschermt en kunnen daarom achteloos over hun vijanden heen lopen."
"Mijn waarde Madhusūdana, zuivere toegewijden van Uwe Heerlijkheid ervaren werkelijk Uw extatische vriendschap, en kunnen daardoor door geen vijand overwonnen worden. Ze weten dat U hen altijd beschermt en kunnen daarom achteloos over hun vijanden heen lopen."
Dus als men volkomen zijn toevlucht bij de lotusvoeten van de Heer heeft gezocht, is men er altijd trots op dat men alle vijanden kan overwinnen.
Een wever in Mathurā richtte zich als volgt tot Kṛṣṇa:
"Beste Koning van Vṛndāvana , ik ben door Uw grondeloze genade jegens mij zo trots geworden, dat ik niet eens meer op de genade van de Heer van Vaikuņțha reken, waar vele grote wijzen in diepe meditatie steeds naar streven."
Dus ook al mediteren de yogi's en grote wijzen altijd op Heer Vișņu, die in Vaikuņțha verblijft, een toegewijde van Kṛṣṇa is zo trots, dat hij dat soort meditatie niet bijster waardevol vindt. Dit gevoel van trots is het gevolg van het bereiken van het hoogste levensdoel - Kṛṣṇa.
Een wever in Mathurā richtte zich als volgt tot Kṛṣṇa:
"Beste Koning van Vṛndāvana , ik ben door Uw grondeloze genade jegens mij zo trots geworden, dat ik niet eens meer op de genade van de Heer van Vaikuņțha reken, waar vele grote wijzen in diepe meditatie steeds naar streven."
Dus ook al mediteren de yogi's en grote wijzen altijd op Heer Vișņu, die in Vaikuņțha verblijft, een toegewijde van Kṛṣṇa is zo trots, dat hij dat soort meditatie niet bijster waardevol vindt. Dit gevoel van trots is het gevolg van het bereiken van het hoogste levensdoel - Kṛṣṇa.
Twijfel
Nadat Heer Brahmā alle kalveren, koeien en koeienjongens van Kṛṣṇa had gestolen, probeerde hij weg te gaan. Maar opeens twijfelde hij aan de zin van zijn dieverij en keek met alle acht zijn ogen om zich heen, Heer Brahmā heeft vier hoofden en bezit derhalve acht ogen. Dit is een geval van extatische liefde in twijfel, veroorzaakt door diefstal.
Om Kṛṣṇa een genoegen te doen, pleegde Akrūra eveneens een diefstal, namelijk van de syamantaka- maṇi, een steen die onbegrensde hoeveelheden goud kan voortbrengen, maar kreeg later berouw van zijn daad, Dit is ook een voorbeeld van extatische liefde voor Kṛṣṇa in twijfel, veroorzaakt door diefstal.
Toen de hemelkoning Indra stortbuien op het land van Vraja liet neerrazen, werd hem aangeraden zich aan de lotusvoeten van Kṛṣṇa over te geven. Op dat moment raakte Indra's gezicht door twijfel verduisterd.
Vrees
Wanneer iemand innerlijk van streek raakt bij het zien van de bliksem in het zwerk of van een wild dier, of bij het horen van donderend lawaai, wordt zijn geestesgesteldheid bevreesd genoemd. In deze staat van vrees tracht men bescherming te zoeken bij iets wat veiligheid biedt. Het lichaamshaar kan hierbij te berge rijzen, men kan beven en soms vergissingen begaan. Ook raakt het lichaam soms verstard.
De Padyāvalī bevat de volgende uitspraak:
"Beste vriend, Kṛṣṇa verblijft nu in de kring van demonen in Mathurā, die onder leiding staat van de demonenvorst Kaṁsa, en dat maakt me bezorgd."
Dit is een voorbeeld van vrees voor gevaar voor Kṛṣṇa in extatische liefde tot Hem.
"Beste vriend, Kṛṣṇa verblijft nu in de kring van demonen in Mathurā, die onder leiding staat van de demonenvorst Kaṁsa, en dat maakt me bezorgd."
Dit is een voorbeeld van vrees voor gevaar voor Kṛṣṇa in extatische liefde tot Hem.
Toen Vṛṣāsura als stier in Vṛndāvana verscheen, raakten alle gopī's hevig aangedaan door vrees. Van streek als ze waren, sloegen ze hun armen om de tamāla-bomen heen. Dit is een voorbeeld van vrees, veroorzaakt door een wild dier, en van het zoeken naar bescherming, waarbij men zich Kṛṣṇa in extatische liefde heugt. Wanneer moeder Yaśodā soms de jakhalzen hoorde huilen in het bos van Vṛndāvana hield ze scherp het oog op Kṛṣṇa uit vrees dat Hij door ze aangevallen zou worden. Dit is een geval van extatische liefde voor Kṛṣṇa in angst, veroorzaakt door lawaai. Dit soort angst verschilt enigszins van werkelijke vrees. Als men ergens bang voor is kan men nog besef hebben van verleden en toekomst. Maar wanneer men door dit soort extatische vrees bevlogen raakt, heeft men daar geen oog meer op.
Intense emotie
Emotie wordt veroorzaakt door iets zeer liefs, door iets verfoeilijks, door brand, door harde wind, door zware regenval, door een storend natuurverschijnsel, bij het zien van een grote olifant of bij het zien van een vijand. Wanneer men geëmotioneerd raakt doordat met iets zeer dierbaars ziet, kan men zeer snel met zachte woorden beginnen te spreken. Is men geëmotioneerd bij het zien van iets verfoeilijks, dan schreeuwt men hard. Ondergaat men emoties bij het zien van een brand, dan probeert men te vluchten. Men kan dan ook over zijn hele lichaam beven, de ogen dichtknijpen en tranen in de ogen krijgen. Is men geëmotioneerd omdat het hard waait, dan probeert men hard weg te hollen en wrijft zich in de ogen. Zijn er emoties omdat het hard regent, dan grijpt men een paraplu en is lichamelijk gespannen. Wanneer men door een plotselinge verstoring in de natuur geëmotioneerd raakt, trekt de kleur weg uit het gezicht of staat men stom verbijsterd en trilt van top tot teen. Ondergaat men emoties bij het zien van een olifant, dan kan men opspringen en allerlei tekenen van vrees vertonen, terwijl men ook steeds achterom kan willen kijken. Is men geëmotioneerd door het verschijnen van een vijand, dan zoekt men naar een dodelijk wapen en probeert te vluchten.
Wanneer Kṛṣṇa uit het bos van Vṛndāvana thuiskwam, raakte moeder Yaśodā bij het zien van haar zoon zo geëmotioneerd, dat de melk haar uit de borsten stroomde. Dit is een geval van emotie veroorzaakt door het zien van iets liefs.
In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.23.18) laat Śukadeva Gosvāmī Koning Parīkṣit weten:
"Waarde vorst, de vrouwen van de brāhmaņa's waren normaal bijzonder gehecht aan het verheerlijken van Kṛṣṇa en daardoor verlangden ze er steeds vurig naar om Hem te zien te krijgen. Toen ze dus hoorden dat Kṛṣṇa in de buurt was, wilden ze Hem zo graag zien, dat ze meteen uit huis gingen."
Dit is een geval van emotionele activiteit door de aanwezigheid van een zeer dierbaar iemand.
"Waarde vorst, de vrouwen van de brāhmaņa's waren normaal bijzonder gehecht aan het verheerlijken van Kṛṣṇa en daardoor verlangden ze er steeds vurig naar om Hem te zien te krijgen. Toen ze dus hoorden dat Kṛṣṇa in de buurt was, wilden ze Hem zo graag zien, dat ze meteen uit huis gingen."
Dit is een geval van emotionele activiteit door de aanwezigheid van een zeer dierbaar iemand.
Toen de demonische heks Pūtanā door Kṛṣṇa geveld en gedood was, stond moeder Yaśodā stom van verbazing en riep geëmotioneerd uit: "Ach wat krijgen we nu?" Toen ze haar lieve baby Kṛṣṇa op de borst van het dode demonische schepsel zag zitten spelen, begon moeder Yaśodā, niet wetend wat te doen, druk heen en weer te lopen. Dit is een geval van emotionaliteit als gevolg van het zien van iets gruwelijks.
Toen Kṛṣṇa de twee arjuna-bomen ontwortelde en Yaśodā de stammen omlaag hoorde kraken, raakte ze door emotie overweldigd en kon alleen maar omhoog staren, te verbijsterd om iets anders te doen. Dit is een geval van emotionaliteit vanwege het horen van veel lawaai.
Toen er in Vṛndāvana een bosbrand uitbrak, liepen alle koeherders te hoop en smeekten Kṛṣṇa wanhopig om bescherming. Dit is een voorbeeld van emotie veroorzaakt door brand.
The whirlwind demon known as Tṛṇāvarta once carried Kṛṣṇa off from the ground and blew Him around along with some very big trees. At that time, mother Yaśodā could not see her son, and she was so disturbed that she began to walk this way and that. This is an instance of emotion caused by severe wind.
Op een dag nam de wervelwinddemon, bekend als Tṛṇāvarta, Kṛṣṇa van de grond en blies Hem met een paar reusachtige bomen door de lucht in het rond. Moeder Yaśodā kon haar zoon niet onderscheiden en was zo van streek, dat ze alle kanten uit liep. Dit is een geval van emotie veroorzaakt door harde wind. Het Śrīmad-Bhāgavatam (10.25.11) bevat een beschrijving van zware regenval over Vṛndāvana, teweeggebracht door Indra. Alle koeien en koeienjongens werden door de storm en de kou zo belaagd, dat ze te hoop liepen om hun bescherming bij Kṛṣṇa's lotusvoeten te zoeken. Dit is een geval van emotie veroorzaakt door zware regenval.
Toen Kṛṣṇa in het woud van Vṛndāvana verbleef, vielen er zware hagelbuien, en de bejaarde mensen smeekten Hem:
"Kṛṣṇa, verroer Je nu niet! Zelfs sterkere en oudere mensen dan Jij kunnen zich nu niet bewegen. En Jij bent nog maar een kleine vent. Dus blijf zitten waar Je zit!" Dit is een geval van emotie veroorzaakt door zware hagel.
"Kṛṣṇa, verroer Je nu niet! Zelfs sterkere en oudere mensen dan Jij kunnen zich nu niet bewegen. En Jij bent nog maar een kleine vent. Dus blijf zitten waar Je zit!" Dit is een geval van emotie veroorzaakt door zware hagel.
Toen Kṛṣṇa Kāliya afstrafte in het vergiftigde water van de Yamunā, begon moeder Yaśodā geëmotioneerd te spreken:
"O, kijk toch hoe de aarde schijnt te beven! Het lijkt wel een aardbeving, en in de hemel vliegen overal tranen in het rond! Mijn lieve jongen is het giftige water van de Yamunā ingegaan. Wat moet ik nu beginnen?"
Dit ís een voorbeeld van emotie, voortkomend uit een storing in de natuur.
"O, kijk toch hoe de aarde schijnt te beven! Het lijkt wel een aardbeving, en in de hemel vliegen overal tranen in het rond! Mijn lieve jongen is het giftige water van de Yamunā ingegaan. Wat moet ik nu beginnen?"
Dit ís een voorbeeld van emotie, voortkomend uit een storing in de natuur.
Toen Kṛṣṇa in Kaṁsa's arena door grote olifanten werd aangevallen, riepen alle aanwezige dames tot Hem:
"Lieve jongen, ga daar onmiddellijk weg! Ga daar onmiddellijk weg! Zie Je die grote olifanten niet op Je afkomen? Kijk ze niet zo onschuldig aan, het maakt ons te erg van streek!"
Hierop zei Kṛṣṇa tot moeder Yaśodā:
"Lieve moeder, raak niet zo van streek bij het zien van die olifanten en paarden die met zoveel geweld komen aandraven en al dat stof opwerpen, waardoor deze lotus-ogige dames verblind raken. Ook al verschijnt demon Keśī voor Me, Mijn armen zijn sterk genoeg om hem te overwinnen, dus raak alsjeblieft niet in de war."
"Lieve jongen, ga daar onmiddellijk weg! Ga daar onmiddellijk weg! Zie Je die grote olifanten niet op Je afkomen? Kijk ze niet zo onschuldig aan, het maakt ons te erg van streek!"
Hierop zei Kṛṣṇa tot moeder Yaśodā:
"Lieve moeder, raak niet zo van streek bij het zien van die olifanten en paarden die met zoveel geweld komen aandraven en al dat stof opwerpen, waardoor deze lotus-ogige dames verblind raken. Ook al verschijnt demon Keśī voor Me, Mijn armen zijn sterk genoeg om hem te overwinnen, dus raak alsjeblieft niet in de war."
In de Lalita-mādhava krijgt moeder Yaśodā van een vriendin te horen:
"Hoe wonderbaarlijk is het dat toen de Śaṅkhacūḍa-demon, die zo groot en sterk als een heuvel was, Je mooie zoon aanviel, die even mooi is als de liefdesgod, er niemand in heel Vṛndāvana was die Hem kon helpen. En toch werd de demon door je zoontje gedood. Volgens mij komt het door de strenge boete die je in je vorige levens hebt gedaan, dat je kind op deze manier is gered."
"Hoe wonderbaarlijk is het dat toen de Śaṅkhacūḍa-demon, die zo groot en sterk als een heuvel was, Je mooie zoon aanviel, die even mooi is als de liefdesgod, er niemand in heel Vṛndāvana was die Hem kon helpen. En toch werd de demon door je zoontje gedood. Volgens mij komt het door de strenge boete die je in je vorige levens hebt gedaan, dat je kind op deze manier is gered."
In dezelfde Lalita-mādhava staat beschreven hoe Kṛṣṇa Rukmiņī schaakte tijdens de plechtigheid ter ere van haar koninklijk huwelijk. Alle aanwezige vorsten begonnen druk door elkaar te praten en zeiden:
"Wij hebben onze olifanten, paarden, strijdwagens, bogen, pijlen en zwaarden, dus waarom zouden we bang voor Kṛṣṇa zijn? Ten aanval! Hij is alleen maar een wellustige koeienjongen! We kunnen Hem de prinses niet zomaar laten wegroven! Allemaal ten aanval!"
Dit is een geval van emotie veroorzaakt door de aanwezigheid van vijanden.
"Wij hebben onze olifanten, paarden, strijdwagens, bogen, pijlen en zwaarden, dus waarom zouden we bang voor Kṛṣṇa zijn? Ten aanval! Hij is alleen maar een wellustige koeienjongen! We kunnen Hem de prinses niet zomaar laten wegroven! Allemaal ten aanval!"
Dit is een geval van emotie veroorzaakt door de aanwezigheid van vijanden.
Met bovenstaande voorbeelden probeert Śrīla Rūpa Gosvāmī te laten zien dat er met betrekking tot Kṛṣṇa geen onpersoonlijke relaties mogelijk zijn. In relatie tot Kṛṣṇa doen alle persoonlijke activiteiten zich voor.
Waanzin
In zijn Kṛṣṇa-karnāmrta bidt Śrīla Bilvamangala Thākura als volgt:
"Moge Srīmatī Rādhārāņī de hele wereld louteren, want Zij heeft Zich volkomen aan Kṛṣṇa uitgeleverd. Uit extatische liefde voor Hem deed Ze soms alsof Ze gek was geworden en probeerde yoghurt te karnen hoewel er geen yoghurt in de karnpot zat. En Kṛṣṇa raakte bij het zien hiervan zo door Rādhārāņī betoverd, dat Hij een stler in plaats van een koe begon te melken." Er zijn verschillende voorbeelden van krankzinnigheid of waanzin met betrekking tot de liefdesaangelegenheden van Rādhā en Kṛṣṇa. In het Śrīmad-Bhāgavatam wordt verhaald dat Śrīmatī Yaśodādevi gek werd toen Kṛṣṇa het giftige water van de Yamunā inging. In plaats van op zoek te gaan naar heelkruiden, richtte ze zich tot de bomen alsof deze slangenbezweerders waren. Met gevouwen handen boog ze zich voor de bomen neer en vroeg Hun:
"Met welk kruid kunnen we voorkomen dat Kṛṣṇa in het giftige water sterft?"
Dit is een geval van waanzin veroorzaakt door groot gevaar.
"Moge Srīmatī Rādhārāņī de hele wereld louteren, want Zij heeft Zich volkomen aan Kṛṣṇa uitgeleverd. Uit extatische liefde voor Hem deed Ze soms alsof Ze gek was geworden en probeerde yoghurt te karnen hoewel er geen yoghurt in de karnpot zat. En Kṛṣṇa raakte bij het zien hiervan zo door Rādhārāņī betoverd, dat Hij een stler in plaats van een koe begon te melken." Er zijn verschillende voorbeelden van krankzinnigheid of waanzin met betrekking tot de liefdesaangelegenheden van Rādhā en Kṛṣṇa. In het Śrīmad-Bhāgavatam wordt verhaald dat Śrīmatī Yaśodādevi gek werd toen Kṛṣṇa het giftige water van de Yamunā inging. In plaats van op zoek te gaan naar heelkruiden, richtte ze zich tot de bomen alsof deze slangenbezweerders waren. Met gevouwen handen boog ze zich voor de bomen neer en vroeg Hun:
"Met welk kruid kunnen we voorkomen dat Kṛṣṇa in het giftige water sterft?"
Dit is een geval van waanzin veroorzaakt door groot gevaar.
Hoe een toegewijde uit extatische liefde in staat van krankzinnigheid kan raken wordt beschreven in het Śrīmad-Bhāgavatam (10.30.4), wanneer de gopī's in de bossen van Vṛndāvana naar Kṛṣṇa lopen te zoeken. De gopī's liepen luidkeels Kṛṣṇa's heerlijkheid te bezingen, terwijl ze het ene bos na het andere afzochten. Ze wisten dat Kṛṣṇa niet op één plek is, maar alomtegenwoordig. Hij is in de lucht, Hij is in het water, Hij is in de ruimte en Hij is de Superziel in ieders hart. Zo zag men de gopī's bij allerlei bomen en planten naar de Allerhoogste Godspersoon informeren. Dit is een geval van extatische waanzin van toegewijden.
Zo zijn er ook ziektesymptomen veroorzaakt door extatische liefde. De ziektetoestand wordt door grote geleerden aangemerkt als mahā-bhāva. Deze hoogverheven bewustzijnsstaat wordt ook divyonmāda of bovenzinnelijke waanzin genoemd.
Vergetelheid
Toen Kṛṣṇa buiten Vṛndāvana woonde, in Mathurā, berichtte Srīmatī Rādhārāņī Hem dat Zijn moeder, de koningin van Vraja, zich zo gescheiden van Hem voelde, dat het schuim haar op de mond stond, als schuim op het oceaanstrand. En soms zwaaide ze haar armen omhoog als de golven van de oceaan, en uit intense gescheidenheid liet ze zich soms over de grond rollen en stiet daarbij fel brullende geluiden uit. Soms ook was ze volkomen stil, als een kalme zee. Deze blijken van gescheidenheid van Kṛṣṇa worden apasmāra of vergetelheid genoemd. Men vergeet totaal in wat voor toestand men zich bevindt, wanneer men in extatische liefde deze tekenen te zien geeft.
Kṛṣṇa kreeg ook eens bericht dat toen Hij Kaṁsa gedood had, één van Kaṁsa's demonische vrienden gek geworden was. De demon stond het schuim op de mond, terwijl hij met zijn armen zwaaiend over de grond rolde. Dit demonisch vertoon in relatie tot Kṛṣṇa komt voort uit een gruwelijk vijandige gezindheid. Deze gezindheid kent men als een van de indirecte relaties welke men met Kṛṣṇa kan hebben. De eerste vijf relaties worden direct genoemd en de zeven overige indirect. Op de een of andere manier moet de demon in relatie met Kṛṣṇa zijn geweest, aangezien zijn symptomen zich voordeden toen hij hoorde dat Kṛṣṇa Kaṁsa al gedood had. Śrīla Rūpa Gosvāmī merkt hier op dat dit symptoom ook blijk geeft van bovenzinnelijke uitnemendheid.
Ziekte
Toen Kṛṣṇa niet meer in Vṛndāvana was en in Mathurā woonde, lieten enkele vrienden Hem weten:
"Beste Kṛṣṇa, uit gescheidenheid van Jou zijn de inwoners van Vraja zo aangedaan, dat ze wel ziek lijken. Hun lichaam is koortsig en ze kunnen zich niet goed bewegen. Ze liggen gewoon op de grond en halen zwoegend adem."
"Beste Kṛṣṇa, uit gescheidenheid van Jou zijn de inwoners van Vraja zo aangedaan, dat ze wel ziek lijken. Hun lichaam is koortsig en ze kunnen zich niet goed bewegen. Ze liggen gewoon op de grond en halen zwoegend adem."
In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.12.44) informeerde Mahārāja Parīk-șit naar Heer Ananta, en toen hij hem zo hoorde vragen, leek het alsof Śukadeva Gosvāmī in zwijm zou vallen. Maar hij wist zich te beheersen en gaf Koning Parīkṣit vriendelijk antwoord. Deze neiging tot bezwijmen wordt beschreven als een toestand van koortsige verhitheid als gevolg van extatische vreugde.
Een andere beschrijving in het Śrīmad-Bhāgavatam verhaalt hoe de jongedames van Vraja vele jaren na het spel van hun jeugd, Kṛṣṇa op het heilige veld van Kurukṣetra ontmoetten. Toen ze Hem bij gelegenheid van een zonsverduistering in dat heilig oord terugzagen, raakten alle gopī's verstard. Hun ademhaling, het knipperen van hun ogen en wat dies meer zij hielden op, en ze stonden star als beelden voor Kṛṣṇa. Ook dit is een geval van een ziektetoestand veroorzaakt door uitgelaten bovenzinnelijke vreugde.