Default View
Dual Language

HOOFDSTUK 30

De verdere aspecten van extatische liefde voor Kṛṣṇa

Verwarring

De Haṁsa-dūta bevat de volgende uitspraak:
“Toen Śrīmatī Rādhārāņī Zich eens zeer teneergeslagen voelde, omdat Ze van Kṛṣṇa gescheiden was, begaf Ze Zich met een paar vriendinnen naar de oever van de Yamunā. Toen Ze daar een kleine hut zag waarin Ze met Kṛṣṇa allerlei liefdespret had gemaakt en daaraan moest terugdenken, raakte Ze door een duizeling bevangen. Haar duizeligheid was zeer duidelijk zichtbaar."
Dit ís een voorbeeld van verwarring veroorzaakt door gescheidenheid.
Er bestaat ook een uitspraak over verwarring veroorzaakt door vrees. Dit symptoom werd tentoongespreid door Arjuna, toen hij op het Slagveld van Kurukşetra Kṛṣṇa's kosmische gedaante aanschouwde. Zijn verwarring was zo intens, dat pijl en boog hem uit de hand vielen en hij niets meer duidelijk wist te onderscheiden.

Dood

Op een keer nam de demon Bakāsura de gedaante van een reusachtige reiger aan en opende zijn snavel om Kṛṣṇa en alle koeienjongens op te slokken. Toen Kṛṣṇa in zijn bek verdween, vielen Balarāma en de andere koeienjongens bijna flauw en scheen hun levensgeest te wijken. Zelfs als ze begoocheld worden door gruwelijke voorvallen of plotselinge gebeurtenissen, vergeten toegewijden Kṛṣṇa nooit. Zelfs in het grootste gevaar kunnen ze aan Kṛṣṇa blijven denken. Dat is het heil van het Kṛṣṇa-bewustzijn: zelfs in het doodsuur, wanneer alle lichaamsfuncties ontregeld raken, kan de toegewijde diep in zijn hart aan Kṛṣṇa blijven denken en dit behoedt hem voor een terugval in het stoffelijk bestaan. Zo draagt het Kṛṣṇa-bewustzijn iemand dadelijk van het stoffelijk niveau naar de geestelijke wereld.
In verband hiermee bestaat er een verklaring over mensen die in Mathurā hun lichaam verlieten: "Hun adem ging ietwat gejaagd, hun ogen waren opengesperd, hun lichaamskleur was veranderd en ze begonnen de heilige naam van Kṛṣṇa te zeggen. In die toestand gaven ze hun stoffelijk omhulsel prijs." Deze symptomen manifesteren zich kort voor de dood.

Luiheid

Wanneer iemand, ook al heeft hij er de energie voor, uit zelfvoldaanheid of uit hekel aan te veel werk, het verzuimt zijn plicht te vervullen, wordt hij lui genoemd. Deze luiheid openbaart zich ook in extatísche líefde voor Kṛṣṇa. Toen enkele brāhmaņa's bijvoorbeeld door Nanda Mahārāja werden verzocht om ommegangen rond de heuvel Govardhana te maken, zeiden ze hem dat ze meer geïnteresseerd waren in het schenken van zegens. Dit is een voorbeeld van luiheid uit zelfvoldaanheid.
Toen Kṛṣṇa eens met de koeienjongens voor de sport aan het vechten was, toonde Subala tekenen van vermoeidheid. Meteen zei Kṛṣṇa tot de andere jongens:
"Subala voelt zich te moe om met Me te stoeien, dus zit hem alsjeblieft niet dwars met nog meer uitdagingen." Dit is een geval van luiheid uit hekel aan te veel inspanning.

Traagheid

In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.21.13) spreken de gopī's hun waardering uit over de traagheid van de koeien in Vṛndāvana. De gopī's zagen dat de koeien de zoete melodieën van Kṛṣṇa's fluit vernamen en de bovenzinnelijke klanken als nectar schenen in te drinken. De kalveren stonden verstard en vergaten aan de uiers te drinken. Ze schenen Kṛṣṇa met hun blik te omhelzen en de tranen stonden hun in de ogen. Dit is een voorbeeld van traagheid als gevolg van het horen van de bovenzinnelijke geluidstrillingen van Kṛṣṇa's fluit.
Toen Lakșmaņā van streek raakte bij het horen van woorden die tegen Kṛṣṇa waren gericht, stond ze roerloos en knipperde niet eens meer met haar ogen. Ook dit is een voorbeeld van traagheid veroorzaakt door het horen van bepaalde klanken.
Het Śrīmad-Bhāgavatam (10.71.39) bericht hoe Koning Yudhiṣṭhira van streek was, nadat hij Kṛṣṇa met het grootste eerbetoon ten paleize had uitgenodigd. Koning Yudhiṣṭhira was helemaal in de war van bovenzinnelijke vreugde, omdat Kṛṣṇa bij hem thuis was verschenen. Hij vergat zichzelf volkomen bij zijn ontvangst van Kṛṣṇa. Dit is een geval van traagheid uit extase bij het zien van Kṛṣṇa.
Het Śrīmad-Bhāgavatam (10.39.36) geeft hier nog een voorbeeld van. Toen Kṛṣṇa naar Mathurā vertrok, stonden alle gopī's erbij, en terwijl ze de wagen zagen wegrijden, verstarden ze en bewogen zich niet meer. Zo bleven ze staan tot de vlag op de wagen en het door de wielen opgeworpen stof niet meer zichtbaar waren.
Een vriend van Kṛṣṇa zei eens tegen Hem:
"Mijn beste Mukunda [Kṛṣṇa], wegens gescheidenheid van Jou staan de koeienjongens daar als verwaarloosde mūrti 's in het huis van een beroeps-brāhmaṇa."
Er is een bepaald soort brāhmaṇa's dat zich om den brode in de eredienst van de mūrti geïnteresseerd toont: ze stellen hoofdzakelijk belang in het geld dat ze als pseudo-heiligen kunnen verdienen. De mūrti 's die door deze beroeps-brahmana's worden vereerd, worden niet behoorlijk versierd, hun kleren worden niet verwisseld en hun lichaam wordt niet gereinigd. Ze zien er vuil uit en dus niet erg aantrekkelijk. Het eren van de mūrti dient juist zeer zorgvuldig te gebeuren: elke dag moeten de kleren worden verwisseld en voor zover mogelijk dienen ze sieraden te dragen. Alles moet zo schoon zijn, dat iedere bezoeker zich tot de mūrti aangetrokken voelt. Hier wordt een voorbeeld gegeven van de mūrti's in het huis van een beroeps-brāhmaṇa, omdat zulke mūrti 's helemaal niet aantrekkelijk zijn. In Kṛṣṇa's afwezigheid zagen de vrienden van Kṛṣṇa er net als zulke verwaarloosde mūrti 's uit.

Verlegenheid

Toen Rādhārāņī aan Kṛṣṇa werd voorgesteld, voelde Ze Zich heel verlegen. Een van Haar vriendinnen zei tot Haar:
“Lieve vriendin, Je hebt Jezelf in al Je schoonheid al aan Govinda verkocht. Nu moet Je niet meer verlegen zijn. Kijk Hem alsjeblieft vrolijk aan. Iemand die een ander een olifant heeft verkocht, moet niet vrekkig staan ruziën over de drietand waarmee de olifant wordt gemend."
Dit soort verlegenheid valt te wijten aan een hernieuwde kennismaking met Kṛṣṇa in extatische liefde.
Toen de hemelvorst Indra door Kṛṣṇa verslagen werd in de strijd om het bezit van de pārijāta-bloem, werd hij heel verlegen over zijn nederlaag. Hij stond met gebogen hoofd voor Kṛṣṇa, toen de Opperheer zei: “Goed, Indra, je kunt deze pārijāta-bloem krijgen. Anders zal je je vrouw, Śacīdevī, niet onder ogen kunnen komen."
Indra's verlegenheid werd veroorzaakt door zijn nederlaag. In een ander geval zwaaide Kṛṣṇa Uddhava lof toe wegens allerlei bijzondere kwaliteiten. Door Kṛṣṇa geprezen, boog ook Uddhava verlegen zijn hoofd.
In de Hari-vaṁśa zei Satyabhāmā, die zich door Rukmiņī in haar hoge positie tekortgedaan voelde:
"Lieve Kṛṣṇa, de berg Raivataka staat altijd vol lentebloemen, maar wat heeft het voor nut dat ik ernaar kijk, nu ik bij Je uit de gunst ben?"
Dit is een voorbeeld van verlegenheid als gevolg van een nederlaag.

Verhulling

Er bestaat een ander symptoom van extatische liefde, bekend als verhulling of het pogen om zijn ware geestesstaat achter een uiterlijke façade te verbergen. In deze geestestoestand probeert men zijn ware gevoelens te verhelen door de andere kant uit te kijken, door onnodig te trachten iets te doen wat niet haalbaar is of door woorden te bezigen die de ware gedachten niet tot uitdrukking brengen. Volgens ācārya's die deskundig zijn op het gebied van de psychologische activiteiten geven deze pogingen die iemand in het werk stelt om zijn werkelijke genegenheid te verhullen een beeld van zijn extatische gevoelens voor Kṛṣṇa.
In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.32.15) verklaart Śukadeva Gosvāmī:
"Waarde vorst, de gopī's waren altijd prachtig en tooiden zich met vertrouwelijke lachjes en aantrekkelijke kledij. Met fraaie bewegingen, die bedoeld waren om lustgevoelens op te wekken, drukten ze soms Kṛṣṇa's hand tegen hun schoot en soms hielden ze Zijn lotusvoeten op hun borsten. Als ze zoiets gedaan hadden, praatten ze met Kṛṣṇa alsof ze erg boos op Hem waren."
Ook dit is een geval van deze verhulling in extatische liefde. Toen Kṛṣṇa, de allerhoogste grappenmaker, de pārijāta-boom in de hof van Satyabhāmā plantte, werd Rukmiņī, de dochter van Koning Vidarbha, erg boos, maar omdat ze van nature zachtmoedig was, liet ze daar niets van blijken. Niemand kon begrijpen wat er werkelijk in Rukminī omging. Dit is een voorbeeld van verhulling in wedijver.
Hiervan bestaat nog een geval, dat genoemd wordt in het Śrīmad-Bhāgavatam (1.11.32). Nadat Kṛṣṇa in Dvārakā was binnengegaan, werd Hij door Zijn verschillende familieleden op uiteenlopende wijze begroet. Toen ze hun echtgenoot van een afstand al zagen, omhelsden de vorstinnen van Dvārakā Hem dadelijk in hun hart en lieten hun blik langzaam over Hem heen gaan. Toen Kṛṣṇa naderbij kwam, duwden ze hun zoons naar Hem toe om Hem te gaan omhelzen. Anderen trachtten uit verlegenheid geen tranen te vergieten, maar konden niet verhinderen dat ze omlaag biggelden. Dit is een gevolg van verhulling uit verlegenheid.
Er is ook een geval waarin Śrīmatī Rādhārāņī dacht dat Kṛṣṇa een affaire had met een andere vrouw. Ze richtte zich als volgt tot Haar vriendin:
"Lieve vriendin, zodra Ik denk dat Krşņa, de koeherdersjongen, aan een andere vrouw verslingerd is, wordt Ik panisch van angst en rijst Mijn haar te berge. Ik moet erg oppassen dat Kṛṣṇa Me nooit in zo'n toestand te zien krijgt." Dit is een geval van verhulling uit verlegenheid en diplomatieke overwegingen.
We kennen de volgende uitspraak:
"Hoewel Śrīmatī Rādhārāņī een intens liefdevolle genegenheid voor Kṛṣṇa ontwikkelde, verborg Ze deze instelling in het diepst van Haar hart, zodat niemand Haar werkelijke gemoedstoestand kon peilen." Dit is een geval van verhulling uit zachtmoedigheid.
Toen Kṛṣṇa en Zijn vrienden, de koeienjongens, zoals gewoonlijk weer eens van hun vriendschappelijk gesprek genoten, richtte Kṛṣṇa Zich in alledaagse bewoordingen tot Zijn metgezellen. Kṛṣṇa's dienaar Patrī genoot ook van het gesprek. Maar zich toen zijn positie als dienaar herinnerend, boog Patrī zich voor zijn meester neer en bedwong met diepe achting en zelfbeheersing zijn lach. Dit bedwongen glimlachen is een gevolg van verhulling uit respect.

Heugenis

Er zijn veel symptomen van extatische liefde die zich voordoen wanneer men zich Kṛṣṇa heugt. Zo liet een vriend van Kṛṣṇa Hem weten:
"Beste Mukunda, vlak nadat Ze een blauwachtige wolk in de lucht had ontwaard, begon de lotusogige Rādhārāṇī aan Jou te denken. Alleen al bij het zien van deze wolk bekroop Haar de lust om bij Je te zijn."
Dit is een geval van denken aan Kṛṣṇa in extatische liefde vanwege het zien van iets wat aan Kṛṣṇa herinnert. Kṛṣṇa 's huidskleur lijkt zeer sterk op de blauwe tint van een wolk, dus door slechts zo'n blauwachtige wolk te zien, moest Śrīmatī Rādhārāņī aan Hem denken.
Een toegewijde zei dat hij, zelfs wanneer hij niet bijster oplettend was, soms schijnbaar uit dwaasheid in zijn hart aan de lotusvoeten van Kṛṣṇa moest denken. Dit is een geval van heugenis als gevolg van voortdurende oefening. Toegewijden die voortdurend aan de lotusvoeten van Kṛṣṇa denken zullen dus, zelfs wanneer hun gedachten even afdwalen, de gedaante van Kṛṣṇa in hun hart zien verschijnen.

Redeneerzucht

Madhumaṅgala was een intieme vriend van Kṛṣṇa uit brahmaans milieu. Kṛṣṇa's vrienden waren doorgaans koeienjongens van de vaiśya -klasse, maar er waren er ook een paar die tot de klasse der brāhmaṇa's behoorden. In Vṛndāvana worden overigens de vaiśya- en de brahmana-klasse als vooraanstaand beschouwd. Deze Madhumaṅgala richtte zich eens als volgt tot Kṛṣṇa:
"Beste vriend, ik kan zien dat Je geen erg hebt in de pauwenveren die op de grond vallen, en tegelijk merk Je er niets van dat Je bloemenkransen worden aangeboden. Ik geloof dat ik wel kan raden waarom Je zo verstrooid bent, wanneer ik allebei Je ogen naar de ogen van Srīmatī Rādhārāņī zie schieten, als zwarte hommels die naar lotusbloemen vliegen."
Dit is een geval van redeneerzucht in extatische liefde.
Toen Kṛṣṇa eens uit wandelen ging, zei een van de gezellinnen van Rādhārāņī tot Haar:
“Lieve vriendin, denk je soms dat deze wandelende persoon een tamāla(1) is? Als Hij een tamāla-boom is, hoe kan Hij dan lopen en zo mooi zijn? Of is deze persoon een wolk? Maar als Hij een wolk is, waarom zit er dan geen mooie maan in? In de gegeven omstandigheden geloof ik dat we ermee moeten rekenen dat we hier te maken hebben met dezelfde betoverende Godspersoon die met de trillingen van Zijn fluit de drie werelden in Zijn ban houdt. Het moet dezelfde Mukunda zijn die voor de heuvel Govardhana staat."
Ook dit is een geval van redeneerzuchtige extatische liefde.
(1) Van de tamāla-boom wordt altijd gezegd dat hij dezelfde kleur als Kṛṣṇa heeft.

Benauwdheid

Het Śrīmad-Bhāgavatam (10.29.29) beschrijft dat toen Kṛṣṇa de gopī's vroeg om naar huis terug te gaan, ze dit niet fijn vonden. Omdat Zijn verzoek hun verdroot, slaakten ze diepe zuchten en schenen hun mooie gezichtjes te verdrogen. In die toestand bleven ze sprakeloos staan. Met hun tenen trokken ze strepen op de grond en met hun traanvocht drupte hun zwarte oogschaduw op hun borsten, die met rood kuṅkuma-poeder waren bestrooid. Dit is een geval van benardheid in extatische liefde.
Een van Kṛṣṇa's vrienden liet Hem eens weten:
"Beste doder van de demon Mura, Je lieve en goede moeder is in grote benauwdheid omdat Je nog niet thuis bent, en met grote moeite heeft ze de hele avond zittend op het balkon van Je huis doorgebracht. Het is werkelijk verbazend hoe Je Je moeder kunt vergeten, terwijl Je ergens anders streken loopt uit te halen!"
Dit is ook een voorbeeld van diepe benauwdheid in extatische liefde.
Toen moeder Yaśodā zeer gespannen op Kṛṣṇa's terugkeer uit Mathurā wachtte, troostte Mahārāja Nanda haar met de volgende woorden:
“Mijn lieve Yaśodā, maak je alsjeblieft niet druk. Droog alsjeblieft je mooie lotusgezicht. Het is nergens voor nodig dat je zulke hete zuchten slaakt. Ik zal meteen met Akrūra naar Kaṁsa's paleis gaan en je zoon voor je terug halen."
Dit is een geval van benauwdheid in extatische liefde uit zorg om het feit dat Kṛṣṇa in een moeilijke situatie zat.

Bedachtzaamheid

In het Vaiśākha-māhātmya van de Padma Purāṇa verklaart een toegewijde dat hoewel in enkele van de achttien Purāṇa's geen melding wordt gemaakt van de methode van het verheerlijken van Viṣṇu, terwijl in plaats daarvan de verheerlijking van een halfgod wordt aanbevolen, dit soort verheerlijking miljoenen jaren achtereen moet worden voortgezet. Want bestudeert men de Purāņa's uiterst nauwlettend, dan ontdekt men
dat uiteindelijk Heer Viṣṇu de Allerhoogste Godspersoon is. Dit is een geval van extatische liefde ontstaan uit bedachtzaamheid.
Het Śrīmad-Bhāgavatam (10.60.39) verhaalt van Rukmiņīdevī die een brief aan Kṛṣṇa schrijft met het verzoek om haar te schaken voordat ze als bruid aan een ander wordt gegeven. Rukmiņi laat daarbij blijken hoe ze aan Kṛṣṇa gehecht is:
"Mijn lieve Heer Kṛṣṇa, Uw bovenzinnelijke heerlijkheid wordt bezongen door grote wijzen die van stoffelijke smetten vrij zijn, en in ruil voor die verheerlijking bent U zo goed dat U Zichzelf vrijelijk aan zo veel toegewijden uitlevert. Zoals men zich louter door Uw genade kan verheffen, kan men ook slechts op Uw aanwijzing onder invloed van de eeuwige tijd voor alle zegen verloren raken. Daarom heb ik me Uwe Heerlijkheid tot echtgenoot gekozen, zonder acht te slaan op lieden als Brahmā en Indra, gezwegen nog van anderen."
Rukmini vergrootte haar liefde tot Kṛṣṇa door slechts aan Hem te denken. Dit is een geval van denken aan Kṛṣṇa in extatische liefde.

Volharding

Wanneer iemand wegens het verkrijgen van kennis volkomen voldaan is, waarbij hij aan alle verdriet ontstijgt of zijn begeerde levensdoel in bovenzinnelijke toegewijde dienst aan God bereikt, wordt zijn staat van volharding of evenwichtigheid van geest dhṛti genoemd. In deze fase raakt men door geen enkel verlies, hoe zwaar ook, verstoord; noch schijnt er ook maar iets onvolkomen te zijn.
Volgens de grote geleerde Bhartṛhari denkt iemand die tot dit niveau van volharding verheven is als volgt:
"Ik wil geen hoge positie in het bestuursapparaat. Ik blijf liever naakt, zonder behoorlijke kleren. Ik lig het liefst zonder matras zó op de grond. En in weerwil van al dat ongemak zal ik weigeren wie dan ook te dienen, zelfs de regering." Dus wanneer men extatische liefde voor de Godspersoon ervaart, kan men alles tolereren wat volgens materiële maatstaven als ongemak wordt beschouwd.
Nanda Mahārāja, de vader van Kṛṣṇa, dacht altijd:
"Op mijn land is de geluksgodin in eigen persoon, aanwezig en ik bezit meer dan een miljoen koeien, die her en der rondzwerven. Maar bovenal heb ik een zoon als Kṛṣṇa, die zo hard en geweldig kan werken. Daarom voel ik me hoogst voldaan, al ben ik maar een huisman!"
Dit is een geval van geestelijke volharding als gevolg van de afwezigheid van alle leed.
Een andere toegewijde zegt:
"Ik zwem altijd in de nectarzee van het spel en vermaak van de Godspersoon en voel me daarom niet meer aangetrokken tot ritualisme, economische vooruitgang, zinsbevrediging of zelfs de uiteindelijke verlossing, waarbij men in de existentie van het Brahman opgaat."
Dit is een voorbeeld van een volhardende geest als gevolg van het bereiken van het beste wat het leven te bieden heeft: opgaan in Kṛṣṇa-bewustzijn.

Geluk

In de Viṣṇu Purāņa wordt beschreven hoe Akrūra, toen hij Kṛṣṇa en Balarāma kwam halen om ze mee te nemen naar Mathurā, alleen al bij het zien van Hun gezicht zo vrolijk werd, dat er overal aan zijn lichaam symptomen van extatische liefde verschenen. Deze toestand wordt geluk genoemd.
Het Śrīmad-Bhāgavatam (10.33.11) verklaart:
"Toen ze merkte dat Kṛṣṇa's arm om haar schouder lag, werd een van de gopī's tijdens de rāsa-dans zo extatisch gelukkig, dat ze Kṛṣṇa op Zijn wang zoende."
Dit is een geval van geluksgevoelens vanwege het bereiken van het begeerde doel.

Gretigheid

Het Śrīmad-Bhāgavatam (10.71.33) vertelt:
"Toen Kṛṣṇa voor het eerst uit Zijn koninkrijk Dvārakā naar Indraprastha(1) reisde, verlangden de meisjes en jonge vrouwen van de stad er zo gretig naar om Hem te zien, dat ze zich zelfs 's nachts in bed naast hun echtgenoot niet konden bedwingen. Hoewel ze onvoldoende gekleed waren en hun haar los hing en er een massa te doen was in huis, lieten ze alles voor wat het was en gingen meteen de straat op om Kṛṣṇa te zien."
Dit is een voorbeeld van gretigheid in extatische liefde.
(1) Indraprastha is het tegenwoordige Delhi.
In zijn boek Stavāvalī bidt Śrī Rūpa Gosvāmī om de genade van Rādhārāņī, die zo in de ban van het geluid van Kṛṣṇa's fluit was, dat Ze dadelijk aan de inwoners van het bos van Vṛndāvana vroeg waar Hij was. Toen Ze Kṛṣṇa voor het eerst zag, schoot Ze zo vol extatische liefde en vreugde, dat Ze Zich aan haar oren begon te krabben. De jongedames van Vraja en Rādhārāņī zijn uiterst slimme praatsters, en zodra ze Kṛṣṇa zagen, kwamen de tongen los. Kṛṣṇa, die deed alsof Hij wat bloemen voor hen wilde halen, verliet onmiddellijk hun gezelschap en ging een berggrot in. Dit is een ander voorbeeld van het gretig uitwisselen van liefdesblijken tussen de gopī's en Kṛṣṇa.

Geweld

Toen Kṛṣṇa met de slang Kāliya in strijd was en op zijn koppen danste, beet Kāliya Kṛṣṇa in Zijn been. Dit maakte Garuḍa zo razend, dat hij mompelde:
"Kṛṣṇa is zo machtig, dat Hij alleen al met Zijn donderende stem de vrouwen van Kāliya een miskraam heeft bezorgd. Omdat mijn Heer beledigd is door deze slang, wil ik hem meteen verslinden, maar dat kan ik niet doen waar mijn Heer bij is, omdat Hij dan misschien boos op me wordt." Dit is een geval van gretigheid om in extatische liefde op te treden tegen een schandelijke bejegening van Kṛṣṇa.
Toen Śiśupāla zich verzette tegen de verering van Kṛṣṇa in het offerperk van het Rājasūya-offer, gearrangeerd door Mahārāja Yudhișțhíra, zei Arjuna's jongere broer, Sahadeva:
"Iemand die het niet kan velen dat Kṛṣṇa aanbeden wordt is mijn vijand en bezit een duivelse natuur. Daarom wil ik hem met mijn linkervoet een trap tegen zijn dikke kop verkopen om hem steviger te straffen dan Yamarāja het met zijn staf doet!"
Hierop jammerde Baladeva:
"Ach, wat een onheil overkomt Heer Kṛṣṇa! Ik sta stom verbaasd dat de vervloekte telgen van het geslacht Kuru, die de troon van het koninkrijk zo in de strijd met de wet in bezit hebben genomen, Kṛṣṇa zo slinks bekritiseren. Ach, dit is onverdraaglijk!"
Ook dit is een voorbeeld van gretigheid veroorzaakt door een schandelijke bejegening van Kṛṣṇa.

Hooghartigheid, uitlopend in kwalijk taalgebruik

In de Vidagdha-mādhava kritiseerde Jațilā, Rādhārāņī's schoonmoeder, Kṛṣṇa als volgt:
"Kṛṣṇa, daar sta Jij, en Rādhārāņī, die net met mijn zoon getrouwd is, staat daar ook. Ik weet heel goed hoe Jullie zijn, dus waarom zal ik me niet haasten om mijn schoondochter voor Je dansende ogen te beschermen?" Dit is een geval van kwalijk taalgebruik om Kṛṣṇa indirect te kritiseren. 
Ook een paar gopī's richtten eens schandelijke woorden tot Kṛṣṇa:
"Lieve Kṛṣṇa, Je bent een dief van het zuiverste water. Dus ga alsjeblieft dadelijk weg. We weten dat Je meer van Candrāvalī houdt dan van ons, maar dat betekent nog niet dat Je haar moet ophemelen waar wij bij zijn. Je moet de naam van Rādhārāṇī hier alsjeblieft niet komen bezoedelen!"
Ook dit is een voorbeeld van schandelijke woorden die Kṛṣṇa in extatische liefde naar het hoofd geslingerd worden.
Het Śrīmad-Bhāgavatam (10.31.16) geeft nog een uitspraak. Toen alle gopī's hun huis verlieten om Kṛṣṇa in het bos van Vṛndāvana te ontmoeten, wilde Kṛṣṇa hen niet ontvangen en vroeg hun naar huis terug te gaan, waarbij Hij hun een zedepreek gaf. De gopī's zeiden toen:
"Lieve Kṛṣṇa, het doet ontzettend zeer om van Je gescheiden te zijn, en het is ontzettend heerlijk om Je gewoon zo te zien. Daarom zijn we allemaal weggegaan bij onze mannen, familie, broers en vriendinnen en zijn nu gewoon bij Jou, omdat we in de ban zijn van het geluid van Je bovenzinnelijke fluit. O, onfeilbare, het is beter dat Je weet waarom we hier gekomen zijn. We zijn allemaal mooie meisjes, maar Jij bent zo dwaas dat Je niet met ons wil omgaan. Behalve Jou kennen wij niemand die de kans zou willen mislopen om in het holst van de nacht te midden van jonge meisjes te zijn!"
Dit is ook een voorbeeld van indirect kwalijk taalgebruik tegen Kṛṣṇa in extatische liefde.

Afgunst

In de Padyāvalī richtte een van Rādhārāņi's vriendinnen zich als volgt tot Haar:
"Lieve vriendin, doe niet zo opgeblazen omdat Kṛṣṇa eigenhandig Je voorhoofd heeft versierd. Misschien voelt Kṛṣṇa Zich nu wel aangetrokken tot een ander mooi meisje. Ik zie dat de versiering op Je voorhoofd heel mooi is gemaakt, en het lijkt dus wel alsof Kṛṣṇa niet verstoord werd toen Hij ermee bezig was. Hoe zou Hij anders zulke zuivere lijnen hebben kunnen tekenen?" Dit is een geval van afgunst vanwege Rādhā's geluk.
Het Śrīmad-Bhägavatam (10.30.30) bevat de volgende uitspraak:
"Toen de gopī's na de rāsa-dans naar Kṛṣṇa en Rādhā zochten, zeiden ze tot elkaar: 'We hebben de voetafdrukken van Kṛṣṇa en Rādhā op de grond van Vṛndāvana gezien, en dat doet ons vreselijk zeer, omdat hoewel Kṛṣṇa alles voor ons is, dat meisje Hem op Haar eentje zo sluw bij ons heeft weggekaapt en nu van Zijn kussen geniet zonder dat wij mogen meegenieten !' '' Ook dit is een geval van afgunst vanwege het geluk dat Srīmatī Rādhārānī ten deel valt.
Wanneer de koeienjongens in de bossen van Vṛndāvana speelden, deed Kṛṣṇa mee aan de ene kant en Balarāma aan de andere. Ze deden wedstrijden of vochten voor de sport, en wanneer Kṛṣṇa's partij verslagen was door die van Balarāma, zeiden de jongens: “Als de partij van Balarāma altijd maar wint, wie ter wereld is er dan zwakker dan wij!"
Ook dit is een geval van afgunst in extatische liefde.

Onbeschaamdheid

In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.52.41) schrijft Rukminī de volgende brief aan Kṛṣṇa:
"Mijn lieve, onoverwinnelijke Kṛṣṇa, morgen is de dag van mijn huwelijk. Ik verzoek Je ongemerkt naar de stad Vidarbha te komen. Laat dan Je soldaten en bevelhebbers plotseling de hele strijdmacht van de vorst van Magadha omsingelen en verslaan, en schaak me dan alsjeblieft en trouw met me, zoals de demonen het doen."
Volgens het Vedische stelsel kan men op acht manieren trouwen en een daarvan heet rākșasa-vivāha. Rākșasa-vivāha houdt in dat men een meisje schaakt en haar met geweld trouwt. Dit wordt als een demonische trouwmethode gezien. Toen Rukmiņī, als gevolg van de desbetreffende keuze van haar oudste broer, met Śiśupāla zou gaan trouwen, schreef ze Kṛṣṇa bovengenoemde brief met het verzoek haar te schaken. Dit is een geval van onbeschaamdheid in extatische liefde voor Kṛṣṇa.
Een van de gopī's zei:
"Moge Kṛṣṇa's fluit door de golven van de Yamunā worden weggespoeld en in de oceaan terecht komen! De zoete tonen van die fluit zijn zo onbeschaamd, dat we in tegenwoordigheid van onze meerderen niet meer weten hoe we ons goed moeten houden." 

Duizeligheid

Iedere avond kwam Kṛṣṇa tegen zonsondergang met de kalveren van de weidegronden terug. Wanneer moeder Yaśodā de zoete trillingen van Zijn fluitspel niet kon horen, raakte ze erg in de war en daardoor voelde ze zich duizelig. Dus men kan ook uit benauwdheid in extatische liefde voor Kṛṣṇa duizelig zijn.
Toen Yaśodā Kṛṣṇa eens had vastgebonden, dacht ze:
"Kṛṣṇa's lichaam is zo zacht en teer. Hoe is het mogelijk dat ik Hem met dat touw heb kunnen vastbinden?" Terwijl ze zo dacht, raakten haar hersens verward en voelde ze zich duizelig.
De gopī's werden door hun meerderen aangeraden om hun deur
's nachts op de grendel te houden, maar ze waren zo onbekommerd, dat ze deze opdracht niet bijster strikt uitvoerden. Wanneer ze aan Kṛṣṇa dachten, vertrouwden ze er zozeer op dat ze geen enkel gevaar liepen, dat ze 's nachts op het erf van hun huis lagen te slapen. Dit is een geval van duizelige onnadenkendheid in extatische liefde als gevolg van natuurlijke genegenheid voor Kṛṣṇa.
Men kan zich afvragen waarom toegewijden van Kṛṣṇa last van duizeligheid kunnen krijgen, wat men toch meestal meer bij de geaardheid onwetendheid aantreft. In antwoord hierop zegt Śrī Jīva Gosvāmī dat de toegewijden van de Heer altijd aan alle geaardheden van de stoffelijke natuur ontstegen zijn; voelen ze zich duizelig of gaan ze slapen, dan gebeurt dit niet onder invloed van de geaardheden, maar dient het te worden beschouwd als een trance-gebeuren in de toegewijde dienst. De Garuḍa Purāṇa doet een gezaghebbende uitspraak over mystieke yogi's die onder directe bescherming van de Allerhoogste Godspersoon staan:
"In alle drie bewustzijnsfasen - waken, dromen en diepe slaap - gaan de toegewijden in gedachten aan de Allerhoogste Gods-persoon op. Daarom slapen ze ook niet in hun volkomen opgaan in Kṛṣṇa."

Slaperigheid

Op een keer begon Heer Baladeva als voIgt in Zijn slaap te praten:
"O lotusogige Kṛṣṇa, de avonturen van Je kinderjaren voltrekken zich slechts door Jouw eigen wil. Maak daarom alsjeblieft een eind aan de koppige trots van deze slang Kāliya."
Met deze uitspraak verblufte Heer Baladeva de verzamelde Yadu's en zorgde Hij voor langdurig gelach. Met een diepe gaap, waar Zijn buik van oprimpelde, keerde Heer Baladeva, de ploegdrager, weer terug naar Zijn diepe slaap. Dit is een voorbeeld van slaperigheid in extatische liefde.

Waakzaamheid

Een toegewijde verklaarde eens:
"Ik ben de geaardheid onwetendheid al te boven gekomen en bevind me nu op het niveau van transcendente kennis. Daarom zal ik me nu slechts bezighouden met het zoeken naar de Allerhoogste Godspersoon."
Dit is een geval van waakzaamheid in extatische liefde. Bovenzinnelijke waakzaamheid is mogelijk wanneer de begoochelde toestand volkomen overwonnen is. Wanneer een toegewijde op dat niveau in contact is met de werking van materiële elementen, zoals geluid, geur, aanraking of smaak, ervaart hij de bovenzinnelijke aanwezigheid van de Allerhoogste Godspersoon. In deze toestand zijn de tekenen van extase (bijvoorbeeld het te berge rijzen van het haar, het draaien van de oogbollen en het plotseling opstaan uit de slaap) bij herhaling zichtbaar.
Toen Srīmatī Rādhārāņī Kṛṣṇa voor het eerst zag, raakte Ze Zich opeens bewust van alle bovenzinnelijk geluk en verstarden de functies van Haar verschillende ledematen. Toen Lalitā, die Haar altijd vergezelt, Haar Kṛṣṇa's heilige naam in het oor fluisterde, sperde Rādhārāņī Haar ogen open. Dit is een geval van waakzaamheid veroorzaakt door het horen van Kṛṣṇa's naam.
In een schertsende bui liet Kṛṣṇa Rādhārāņī eens weten:
“Mijn lieve Rādhārāņī, Ik ga Je gezelschap verlaten."
Na deze woorden was Hij verdwenen, en hierdoor raakte Rādhārāņī zo aangedaan, dat Ze van kleur verschoot en op de grond van Vṛndāvana neerviel. Haar ademhaling stond praktisch stil, maar toen Ze de geur van de bloemen om Zich heen rook, sloeg Ze in extase Haar ogen op en kwam overeind. Dit is een geval van bovenzinnelijke waakzaamheid veroorzaakt door het ruiken van een geur.
Toen Kṛṣṇa eens een gopī aanraakte, zei deze tot haar gezellin:
"Lieve vriendin, wiens hand raakte me daar aan? Het donkere bos aan de Yamunā heeft me heel bang gemaakt, maar de plotselinge aanraking van deze hand zorgt ervoor dat ik niet hysterisch word."
Dit is een gevolg van waakzaamheid als gevolg van een aanraking. 
Een gopī zei tot Kṛṣṇa:
"Lieve Kṛṣṇa, toen Je van het toneel van de rāsa-dans verdween, viel onze liefste vriendin Rādhārāņī meteen ter aarde en bezwijmde. Maar toen ik Haar vervolgens wat betelnoot gaf waar Jij op gekauwd had, kwam Ze dadelijk bij, terwijl Haar lichaam tekenen van uitgelatenheid vertoonde."
Dit is een voorbeeld van waakzaamheid als gevolg van het proeven van iets.
Rādhārāņī praatte 's nachts eens in Haar droom:
"Mijn lieve Kṛṣṇa," zei Ze, "Haal alsjeblieft geen grappen meer met Me uit! Hou op alsjeblieft! En kom alsjeblieft ook niet aan Mijn kleren. Anders zeg Ik het tegen Mijn mensen en zal Ik ze vertellen hoe ondeugend Je doet."
Terwijl Ze in Haar droom deze woorden sprak, werd Ze opeens wakker en zag een paar oudere mensen aan haar bed. Dit is een gevolg van waakzaamheid na het wakker schrikken uit de slaap.
Hier bestaat nog een voorbeeld van. Een boodschapper van Kṛṣṇa trof Srímatī Rādhārāņī slapend aan, maar Ze werd dadelijk wakker. Ook toen Kṛṣṇa 's nachts op Zijn fluit begon te blazen, kwamen alle gopī's, de schone dochters van de koeherders, onmiddellijk uit hun slaap overeind. Dit valt met een heel mooi beeld te vergelijken:
"De lotus is soms omringd door witte zwanen en soms door zwarte wespen, die zijn honing verzamelen. Rommelt de donder in de lucht, dan gaan de zwanen weg, maar de zwarte wespen blijven van de lotussen genieten."
Het slapen van de gopī's wordt vergeleken met de witte zwanen en het geluid van Kṛṣṇa's fluit met een zwarte wesp. Toen Kṛṣṇa's fluit opklonk, waren de witte zwanen, die de slaaptoestand van de gopī's vertegenwoordigen, dadelijk verdwenen, waarna de zwarte wesp van de fluit van de lotus-schoonheid van de gopī's begon te genieten.