Default View
Dual Language

HOOFDSTUK 31

Verdere symptomen

Alle drieëndertig tot dusver genoemde symptomen van extatische liefde worden vyabhicāri, of verwarrend, genoemd. Ze houden alle verband met kennelijk verwarde toestanden, maar zelfs in zo'n verwarde toestand kent de toegewijde acute extatische liefde voor Kṛṣṇa. Wel kunnen deze symptomen worden onderscheiden als eerste-, tweede-en derderangs. Er zijn tal van symptomen van verwarring in de extatische liefde, zoals afgunst, benauwdheid, trots, het maken van gevolgtrekkingen, lafheid, vergevingsgezindheid, ongeduld, hunkering, spijt, twijfel en onbeschaamdheid. Deze maken deel uit van de drieëndertig toestanden van extatische liefde. Śrīla Rūpa Gosvāmī geeft een zeer fraaie analyse van de verschillende soorten symptomen van verwarring, en hoewel het zeer moeilijk is de juiste westerse equivalenten voor vele gebezigde Sanskrit-termen te vinden, wordt zijn analyse hier thans weergegeven.
Wordt men kwaad wanneer men een ander in het leven vooruit ziet gaan, dan wordt men doorgaans als afgunstig beschouwd. Is men bang wanneer men een bliksemschicht aan de hemel ziet, dan leidt die vrees tot benauwdheid. Daarom kunnen vrees en benauwdheid als één en hetzelfde worden beschouwd. De behoefte om de ware geestesstaat te verhullen wordt avahitthā genoemd of verhulling, en het verlangen om zich superieur voor te doen wordt trots genoemd. Beide kunnen als pretentie worden aangeduid en bij de pretentieuze houding treft men zowel avahitthā als trots aan. Iemands onvermogen om een belediging die een ander hem toesmijt te incasseren wordt amarsa genoemd, en het onvermogen om de weelde van een ander te accepteren noemt men jaloezie. Jaloezie en amarṣa worden beide veroorzaakt door onverdraagzaamheid. lemands vermogen om de juiste strekking van een woord aan te voelen wordt als conclusiviteit bestempeld. En voordat men zo'n conclusieve beslissing of strekking onder woorden brengt is er een aandachtige beschouwing nodig. Derhalve maakt dit beschouwen deel uit van het bereiken van een conclusie. Doet men zich als onwetend voor, dan wordt deze houding nederig genoemd, en toont men zich allesbehalve enthousiast, dan spreekt men van lafheid. Bij nederigheid treft men dan soms ook lafheid aan. Is de geest evenwichtig, dan wordt ze standvastig genoemd, en het vermogen om beledigingen van anderen te tolereren wordt ook standvastigheid genoemd. Daarom kunnen vergevingsgezindheid en standvastigheid als synoniem worden beschouwd. Het verlangen om de tijd snel te zien verstrijken wordt ongeduld genoemd, en als men iets prachtigs ziet heet men door verwondering getroffen te zijn. Men kan ongeduldig worden wanneer men door verwondering getroffen is, en daarom kunnen ongeduld en de staat van getroffenheid door verwondering synoniem zijn. Benauwdheid in latente fase wordt hunkering genoemd. Daarom kunnen ook benauwdheid en hunkering synoniem zijn. Krijgt men spijt van een fout die men heeft gemaakt, dan spreekt men van verlegenheid: zo kunnen verlegenheid en spijt synoniem zijn. Twijfel is een van de aspecten van het betoog. Heeft men zich onbeschaamd gedragen, dan wordt men rusteloos. Derhalve kunnen rusteloosheid en onbeschaamdheid synoniem zijn.
Doen al deze symptomen zich voor bij extatische liefde, dan heten ze sañcārī of voortdurend aanwezige extatische symptomen. Al deze symptomen zijn bovenzinnelijk en doen zich op verschillende wijzen voor, waarbij ze in verschillende omstandigheden op elkaar inwerken. Ze zijn als de beantwoording van de liefde van minnaar en beminde.
Is iemand jaloers of te schande gezet, dan kan hij van kleur verschieten. Dit wordt beschreven als vibhāva, of subextase. Soms worden begoocheling, bezwijming en grote benauwdheid ook als vibhāva aangemerkt. Zijn er veel van zulke symptomen, dan kan men ze gewoon tezamen als extatische liefde opvatten.
Śrila Rūpa Gosvāmī zegt dat vrees, slaap, moeheid, luiheid en de waanzin die zich bij bedwelming voordoet, soms worden gerangschikt onder de voortdurende symptomen van extatische liefde, en ze zijn het gevolg van sterke aangetrokkenheid.
Onjuist geredeneer, vastberadenheid, standvastigheid, herinnering, vreugde, onwetendheid, nederigheid en bewusteloosheid worden ook als verschillende symptomen van extatische liefde beschouwd. Afhankelijkheid wordt ook tot extatische liefde gerekend en kan worden
onderverdeeld in superieure en ondergeschikte afhankelijkheid. De verschillende nuances tussen superieur en ondergeschikt worden door Śrīla Rūpa Gosvāmī aangegeven en zullen te bestemder plaatse worden besproken.
Een toegewijde riep eens uit:
"Ach, ik kan het district Mathurā niet zien! Ook al reist het haar me te berge wanneer ik alleen maar de naam Mathurā hoor, nergens kan ik het zien, dus wat heb ik eigenlijk aan mijn ogen?"
Deze uitspraak verraadt een benauwd verlangen om het distrikt Mathurā te aanschouwen als gevolg van sterke aangetrokkenheid tot Kṛṣṇa. Er is een ander voorbeeld van deze sterke aangetrokkenheid tot Kṛṣṇa, namelijk het geval waarin Bhīma mompelt:
“Mijn armen zijn als bliksemschichten, maar toch kon ik er Śiśupāla niet mee vermorzelen toen hij Kṛṣṇa uitvloekte. Dus wat heb ik aan deze sterke armen?”"
In dit geval was Bhīma kwaad geworden, en onder invloed van zijn woede werd zijn toestand van hulpeloosheid de oorzaak van sterke aangetrokkenheid tot Kṛṣṇa. Men kan hier spreken van sterke aan-getrokkenheid tot Kṛṣṇa in woede.
Toen Arjuna de kosmische gedaante van Kṛṣṇa aanschouwde, die met haar blikkerende tanden praktisch al het bestaande in het universum verslond, raakte Arjuna's mond verdroogd. Hij vergat zichzelf en besefte niet dat hij Kṛṣṇa's vriend Arjuna was, hoewel hij zich altijd volkomen op Kṛṣṇa's genade verliet. Dit gebeuren is een voorbeeld van ondergeschikte afhankelijkheid.
Soms wordt een sterke extatische liefde tot Kṛṣṇa ook ondersteund door gruwelijke activiteiten. Deze geestesstaat wordt extatische vrees in begoocheling genoemd. Het Śrīmad-Bhāgavatam (10.23.40) geeft de volgende verklaring van de brahmana's die aan het offeren waren:
"We hebben met onze geboorte drie voordelen meegekregen: we zijn ter wereld gekomen in hoge brahmaanse families, we hebben ceremonieel de heilige draad ontvangen en we zijn ook op gepaste wijze door een geestelijk leraar geïnitieerd. Maar helaas, ondanks deze gunstige toestand zijn we verdoemd. Zelfs het feit dat we ons aan brahmacarya houden is verdoemd."
Zo begonnen de brāhmaṇa's hun eigen activiteiten te veroordelen. Ze beseften dat ze zich in weerwil van hun verheven geboorte, ontwikkeling en cultuur nog steeds in de ban van de begoochelende energie bevonden. Ze erkenden ook dat zelfs grote yogi's, die de Heer niet toegewijd zijn, door de invloed van de stoffelijke energie zijn verhuld. Dit soort hulpeloosheid dat de brāhmaṇa's, die met hun ritualistische ceremoniën bezig waren, ervoeren, geeft praktisch geen gehechtheid aan Kṛṣṇa te zien. Er bestaat echter een ander soort hulpeloosheid waarbij men wel degelijk gehechtheid aan Kṛṣṇa aantreft. Toen de demonische stier de jonge dames van Vraja aanviel, riepen ze uit:
"O lieve Kṛṣṇa, red ons! Nu is het met ons gedaan!"
Dit is hulpeloosheid in gehechtheid aan Kṛṣṇa.
Toen Kṛṣṇa de demon Keśi van het leven beroofde, verloor Kaṁsa alle hoop. Hij zei:
“Keśīdaitya was me even lief als mijn eigen leven, maar nu is hij gedood door een of andere koeienjongen, die zich ruw gedraagt, onopgevoed is en niets van vechten afweet. Ook al heb ik moeiteloos de hemelkoning verslagen, toch ken ik de waarde van het leven niet."
Aangezien deze hulpeloosheid een zekere aangetrokkenheid tot Kṛṣṇa verraadt, wordt ze beschouwd als een afspiegeling van extatische liefde in hulpeloosheid.
Kaṁsa gaf Akrūra er eens met de volgende woorden van langs:
"Je bent dwaas dat je een koeienjongen voor Allerhoogste Godspersoon aanziet, omdat Hij toevallig een onschuldige water-slang ervan langs heeft gegeven. Het kan zijn dat deze jongen een steentje, genaamd de heuvel Govardhana, heeft opgetild, maar verbazingwekkender dan dat is jouw idee dat deze jongen de Godspersoon isl"
Dit is een voorbeeld van venijnig verzet uit hulpeloosheid in extatische liefde voor Kṛṣṇa.
Een toegewijde trachtte een kadamba-boom te troosten, die treurde omdat Kṛṣṇa niet eens zijn schaduw had beroerd. De toegewijde zei:
"Beste kadamba, zit er niet over in. Zodra Hij de slang Kāliya in de Yamunā verslagen zal hebben, komt Kṛṣṇa je verlangen vervullen."
Dit is een geval van ondergeschikte hulpeloosheid in extatische liefde voor Kṛṣṇa.
Garuḍa, de adelaar die Kṛṣṇa op zijn rug draagt, zei eens:
"Wie kan er zuiverder zijn dan ik? Waar vind je een tweede vogel als ik, die zo bekwaam en competent is? Misschien vindt Kṛṣṇa me niet aardig, misschien wil Hij niet met me meedoen, maar Hij moet Zich hoe dan ook van mijn vleugels afhankelijk stellen!"
Dit is een geval van hulpeloosheid in de neutrale stemmingsfase van extatische liefde.
De symptomen van extatische liefde worden soms in vier afdelingen ondergebracht, namelijk opwekking, verbinding, gezamenlijkheid en voldoening.
Kṛṣṇa zei eens tot Rādhārāņī:
"Mijn lieve vriendin, toen Je Me vanochtend alleen wilde zien, kreeg Je vriendin Mekhalā een holle maag van afgunst. Kijk haar daar eens staan!"
Toen Kṛṣṇa aldus met Rādhārāņī schertste, fronste Ze haar mooie wenkbrauwen. Rūpa Gosvāmī bidt dat iedereen gezegend mag worden door deze beweging van de wenkbrauwen van Śrīmatī Rādhārāṇī. Dit is een voorbeeld van het opwekken van venijn in extatische liefde tot Kṛṣṇa.
In de nacht na het doden van de demon Pūtanā kon men baby Kṛṣṇa op haar borst zien spelen. Toen moeder Yaśodā dat zag, stond ze even verstard. Dit is een geval van de verbinding van verschillende symptomen van extatische liefde. Deze verbinding kan gunstig of ongunstig zijn. Dat de demon Pūtanā gedood was moet als gunstig worden beschouwd, maar dat Kṛṣṇa in het holst van de nacht op haar borst zat te spelen, zonder dat er iemand bij was om Hem bij te staan in geval van gevaar, was ongunstig. Yaśodā zat tussen het gunstige en het ongunstige in.
Toen Kṛṣṇa net had leren lopen, dribbelde Hij dikwijls het huis in en uit. Dat verbaasde Yasodā. Ze zei:
"Dit kind is wel erg onrustig en ongehoorzaam! Hij marcheert hier de hele tijd in Gokula [Vṛndāvana] rond en komt dan weer terug in huis. Ik zie dat Hij nergens bang voor is, maar desondanks word ik steeds banger dat Hem iets overkomt."
Ook dit is een geval van de verbinding van twee tegenovergestelde elementen: het kind kende geen enkele angst, maar tegelijk was moeder Yaśodā bang dat Hem iets zou overkomen. Hier is het mogelijke gevaar de oorzaak en zijn Yaśodā's gevoelens in verbinding met twee tegenovergestelde symptomen. Kortom: Yaśodā voelde zowel geluk als twijfel, of groeiende angst.
Toen Devakī, Kṛṣṇa's moeder, zag dat haar zoon in tegenwoordigheid van de worstelaars in de arena van Kaṁsa zeer uitgelaten was, biggelden er twee soorten tranen tegelijk langs haar wangen omlaag: nu eens waren het warme, dan weer waren het koude. Dit is een voorbeeld van het samengaan van uitgelatenheid en jammer als gevolg van verschillende oorzaken van extatische liefde.
Toen Rādhārāņī op een keer in het bos van Vṛndāvana aan de oever van de Yamunā stond, werd Ze aangevallen door Kṛṣṇa, die sterker is dan Zij. Hoewel Ze het uiterlijk liet voorkomen alsof Ze hierdoor van streek was, moest Ze inwendig lachen en voelde Zich zeer voldaan. Uiterlijk fronste Ze haar wenkbrauwen en deed alsof Ze niets van Kṛṣṇa moest hebben. In deze stemming zag Rādhārāņī er heel mooi uit, en Śrīla Rūpa Gosvāmī verheerlijkt Haar schoonheid. Dit is een voorbeeld van het tentoonspreiden van verschillende gevoelens in extatische liefde, hoewel er slechts één oorzaak aan ten grondslag ligt - Kṛṣṇa.
Soms was er groot feest bij Nanda Mahārāja thuis en dan kwamen alle inwoners van Vņrdāvana er bij elkaar. Op een zo'n feest zag men Srimatī Rādhārāni een gouden halsketting dragen, die Haar door Kṛṣṇa gegeven was. Dit werd onmiddellijk opgemerkt door moeder Yaśodā en door Rādhārāņī's moeder, want de halsketting was te lang voor Haar. Tegelijk zag Rādhārāņī vlakbij Kṛṣṇa alsook Haar eigen man, Abhīmanyu. Dit alles bij elkaar maakte dat Rādhārāņī zich ontzettend schaamde, en met Haar weggetrokken gezichtje zag Ze er eens zo mooi uit. In dit geval hebben we te maken met een kombinatie van verlegenheid, woede, uitgelatenheid en jammer. Dit is een geval van een verzameling symptomen van extatische liefde.
Kaṁsa zei eens:
"Wat kan deze jongen me voor kwaad doen? Hij is nergens toe in staat."
Het volgende ogenblik kreeg Kaṁsa te horen dat al zijn vrienden door de bewuste jongen gedood waren. Daarop dacht hij verbijsterd:
"Zal ik meteen naar Hem toegaan en me overgeven? Maar hoe kan een groot krijger zoiets doen?"
Het volgende ogenblik dacht hij:
"Waarom zou ik bang zijn voor Hém?  Er staat een hele massa worstelaars achter me om me te steunen."
Maar daarna dacht hij weer:
"Het is beslist geen gewone jongen, want Hij heeft de hele heuvel Govardhana opgetild, met Zijn linkerhand! Dus wat kan ik in dit geval doen? Laat ik naar Vṛndāvana gaan en de inwoners kwellen. Maar ik kan niet eens van huis gaan, omdat mijn hart siddert uit angst voor deze jongen!"
Deze geestesstaat van Kaṁsa openbaart een samengaan van trots, jammer, nederigheid, vastberadenheid, heugenis, twijfel, woede en vrees. Het waren in feite acht verschillende symptomen die tezamen de geestesstaat van Kaṁsa vormden. Ook dit is een geval van een verzameling symptomen in hulpeloze extatische liefde.
Een toegewijde huisman zei eens:
"O, mijn Heer, ik ben zo'n ellendeling, dat deze twee ogen hier er zelfs nooit naar verlangen om de heerlijke stad Mathurā te aanschouwen. Daarom zijn mijn ogen in feite verdoemd. Ik ben een ontwikkeld man, maar ik heb mijn ontwikkeling alleen maar verspild aan het dienen van de overheid. Ik heb geen acht geslagen op de geduchte tijd, die sterker is dan wat dan ook, en die alles schept en vernietigt. Aan wie moet ik straks al mijn bezittingen en geld overdragen? Ik word steeds ouder. Wat moet ik doen? Moet ik hier thuis toegewijde dienst beginnen te verrichten? Dat kan ik niet, want mijn geest wordt aangetrokken door het bovenzinnelijke land van Vṛndāvan.” 
Dit is een geval van hulpeloosheid, trots, twijfel, geduld, jammer, vastberadenheid en gretigheid-het samengaan van een verzameling van zeven verschillende symptomen in extatische liefde voor Kṛṣṇa.
Er is een Sanskrit spreekwoord dat zegt:
"Teleurstelling leidt tot de grootste voldoening."
Dus als iemands gevoel of streven te groot wordt en niet in vervulling kan gaan dan na schijnbaar hopeloze tegenslag, wordt dat als de grootste voldoening aangemerkt. Op een dag liepen de koeienjongens in Vṛndāvana heel lang tevergeefs naar Kṛṣṇa te zoeken, en daardoor werd hun gezicht duister en zagen ze er vaal uit. Juist toen konden ze van de heuvel het zwak getril van de tonen van Kṛṣṇa's fluit horen. Meteen waren ze allemaal dolblij. Dit is een geval van voldoening bij teleurstelling.
Śrila Rūpa Gosvāmi zegt dat hoewel hij geen deskundige is op het gebied van de geluiden en betekenissen en stemmingen van de symptomen van extatische liefde, hi niettemin geprobeerd heeft enkele voorbeelden te vinden van de verschillende vormen van liefde tot Kṛṣṇa. Verder verklaart hij dat de drieëndertig symptomen van verwarring van de extatische liefde alsmede acht andere symptomen tezamen de eenenveertig primaire symptomen van extatische liefde worden genoemd. Deze symptomen verschijnen als transformaties van fysieke activiteiten en van de bewegingen van de zintuigen. Alle kunnen worden beschouwd als verschillende uitingen van de gevoelens van het hart. Soms zijn enkele gevoelens heel natuurlijk. Soms ook zijn enkele van slechts zeer voorbijgaande aard. De symptomen die heel natuurlijk zijn blijven in de toegewijden altijd zowel innerlijk als uiterlijk aanwezig.
Zoals iemand door naar een lap te kijken kan zien met wat voor kleur verf de lap geverfd is, kan men door slechts de verschillende tekenen van deze symptomen van extase te begrijpen onderscheiden waar ze naar verwijzen. Met andere woorden: er bestaat maar één gehechtheid aan Kṛṣṇa, maar omdat er verschillende soorten toegewijden zijn, openbaart deze gehechtheid zich op tal van wijzen. Zoals men aan de rode kleur van kleren kan zien dat ze in rode verf hebben gelegen, kan men de tijdelijke opleving van een bepaald soort gevoel ontdekken en waarnemen aan de hand van een extatisch symptoom. Alle verschillende gevoelens en stemmingen van de toegewijden brengen in feite uiteenlopende bijzondere bewegingen in de geest teweeg. En naar gelang de verschillende nuances verschijnen de symptomen van de extatische liefde in verschillende vormen en intensiteiten. Is men verheven, ernstig en grootmoedig van hart, of is men ruw en grof van inborst, dan verschijnen er afhankelijk van de gemoedsgesteldheid verschillende symptomen van extatische liefde. Eigenlijk kunnen de mensen over het algemeen de verschillende geesteskwaliteiten niet bevatten, maar is men zeer zacht en teder van hart, dan wordt dit alles heel makkelijk zichtbaar en kan men het zeer duidelijk begrijpen. Het hart van iemand die hoog verheven en ernstig is wordt met goud vergeleken. Is iemand erg zacht en teder van hart, dan wordt zijn hart vergeleken met een katoenpluis. Wanneer er zich extatische gevoelens in de geest voordoen, raakt het gouden of ernstige hart niet beroerd, maar het zachte hart is dadelijk opgewonden.
Een ernstig, grootmoedig hart wordt ook wel vergeleken met een grote stad, en een zacht hart met een onbeduidend hutje. In de grote stad kan men uitgebreide straatverlichting of zelfs grote olifanten aantreffen, maar niemand zal er speciale aandacht aan besteden. Maar wanneer er zoveel licht of olifanten te zien zijn bij een klein hutje, kan iedereen dat allemaal duidelijk aanwijzen.
Een hard hart wordt met een bliksemflits vergeleken en met goud en schellak. Een bliksemflits is bikkelhard en wordt nooit zacht. Zo raakt ook het hart van degenen die zich met strenge boetedoening bezighouden nooit makkelijk verzacht. Het gouden hart zal smelten bij een hoge temperatuur, zoals in extatische liefde. En het hart van schellak smelt heel makkelijk bij een lage temperatuur.
Een zacht hart wordt vergeleken met honing, boter en nectar. En de geestesstaat wordt vergeleken met zonneschijn. Zoals honing en boter zelfs bij een klein beetje zon al smelten, smelt ook het hart van zachtmoedige personen erg makkelijk. Nectar is echter van nature altijd vloeibaar. En het hart van degenen die in zuivere extatische liefde voor Kṛṣṇa verkeren, is van nature altijd al vloeibaar als nectar.
Een zuivere toegewijde van Kṛṣṇa is altijd speciaal voorzien van de eigenschappen van nectar en soms van die van boter en honing. Over het algemeen kan men zeggen dat in elke van de vermelde toestanden het hart in bepaalde omstandigheden kan smelten, zoals een harde diamant soms smelten kan, wanneer hij aan een kombinatie van bepaalde chemikaliën wordt blootgesteld. In de Dāna-keli-kaumudi wordt verklaard:
"Wanneer zich liefde in het hart van een toegewijde ontwikkelt, kan hij de transformatie van zijn gevoelens niet in de hand houden. Zijn hart is net als de oceaan bij maansopkomst, wanneer de vloed niet te temmen is: dadelijk moeten er hoge golven oprijzen."
Hoewel de oceaan in zijn natuurlijke toestand altijd ernstig en onpeilbaar is, kan niemand bij maansopkomst verhinderen dat hij in beroering raakt. Zo kunnen ook zuivere toegewijden op geen enkele manier de beweging van hun innerlijke gevoelens beteugelen.