Default View
Dual Language View
HOOFDSTUK 32
Symptomen van doorlopende extase
De doorlopende liefdesextase kan zich handhaven als een machtige koning, die alle tijdelijke manifestaties van liefde als ook alle tegengestelde kwaadaardige elementen onderwerpt. Ze kan zich direct of indirect openbaren, zodat men extatische liefde als zowel direct als indirect kan bestempelen. Deze symptomen van extatische liefde doen zich alleen voor wanneer men zich op het bovenzinnelijk vlak bevindt. Directe extatische liefde kan in tweeën worden onderscheiden, namelijk als zelfzuchtig en onzelfzuchtig.
Wanneer zich duidelijk niet tegengestelde symptomen van extatische liefde voordoen, veroorzaakt elk bijkomend tegengesteld symptoom een gevoel van afschuw. Tegengestelde extatische liefde wordt zelfzuchtig genoemd. De extatische liefde die alle tegengestelde of niet tegengestelde symptomen met elkaar weet te verzoenen wordt directe onzelfzuchtige liefde genoemd. Deze onzelfzuchtige symptomen kunnen op hun beurt in vijven worden onderscheiden: neutraliteit, dienaarschap, broederlijkheid, ouderschap en amoureuze liefde. Deze extatische liefde neemt een bepaalde kleur aan afhankelijk van de voorwerpen waar de liefde naar uitgaat.
Neutraliteit
Neutraliteit kan op zichzelf worden onderscheiden in algemene, transparante en vreedzame neutraliteit. Algemene aangetrokkenheid tot Kṛṣṇa bij mensen of kinderen kan zich niet uiten in het aangaan van een bepaalde of voldoening schenkende relatie. Ze uit zich soms in het beven van het lichaam en het veranderen van de kleur van de ogen (in rood, wit enz.), terwijl zich geen symptoom van een bepaalde vorm van genegenheid voordoet.
Een oude man kreeg eens van een jongen te horen:
"Kijk deze kleuter toch eens – hij is amper drie - hoe uitgelaten hij doet! Alleen maar doordat hij Kṛṣṇa ziet, rent hij als een dolle in het rond en maakt me een kabaal. Kijk toch eens aan!"
Dit is een voorbeeld van neutrale extatische liefde in het hart van een kind, zonder dat het hierbij tot een bepaalde relatie met Kṛṣṇa komt.
"Kijk deze kleuter toch eens – hij is amper drie - hoe uitgelaten hij doet! Alleen maar doordat hij Kṛṣṇa ziet, rent hij als een dolle in het rond en maakt me een kabaal. Kijk toch eens aan!"
Dit is een voorbeeld van neutrale extatische liefde in het hart van een kind, zonder dat het hierbij tot een bepaalde relatie met Kṛṣṇa komt.
Naar gelang de verschillende wijzen waarop men tot Kṛṣṇa aangetrokken kan zijn, bestaan er verschillende typen toegewijden. Hun liefdessymptomen zijn transparant, als juwelen. Naar verluidt sprak een grote toegewijde brāhmaṇa de Allerhoogste Godspersoon nu eens aan als meester, dan weer maakte hij grappen met de Heer en bezigde daarbij gemeenzame taal. Nu eens wilde hij de Heer beschermen alsof Hij zijn zoon was, dan weer riep hij smachtend naar de Heer alsof Hij zijn geliefde was, terwijl hij ook wel op Hem mediteerde als de Super-ziel. Dit alles betekent dat de brāhmaṇa zijn extatische liefde bij verschillende gelegenheden met verschillende symptomen tot uiting bracht. Maar aangezien de brāhmaņa in alle vermelde gevallen van extatische liefde blijk gaf, ging hij op in de oceaan van geluk en raakte in zuivere liefde verankerd. Zo was hij een transparant medium, als een juweel dat naar zijn aard de werkelijkheid in wisselende kleuren laat zien.
Toen de grote wijze Nārada, zichzelf op vīņā begeleidend, het spel en vermaak van de Heer verheerlijkte, beefden de vier Kumāra's, van wie Sanaka de eerste was, hoewel ze de onpersoonlijke Brahman-conceptie waren toegedaan, over hun hele lichaam. Een toegewijde riep eens uit:
"Hoewel ik louter door de toegewijden te dienen verlost kan raken, hunkert mijn geest er nog steeds naar om de Allerhoogste Godspersoon te aanschouwen, die precies de kleur van een donkere wolk heeft."
Wanneer een toegewijde er zo gretig naar verlangt om met de Allerhoogste Godspersoon in aanraking te komen, kan zijn instelling ook als symptoom van neutrale liefde worden beschouwd.
"Hoewel ik louter door de toegewijden te dienen verlost kan raken, hunkert mijn geest er nog steeds naar om de Allerhoogste Godspersoon te aanschouwen, die precies de kleur van een donkere wolk heeft."
Wanneer een toegewijde er zo gretig naar verlangt om met de Allerhoogste Godspersoon in aanraking te komen, kan zijn instelling ook als symptoom van neutrale liefde worden beschouwd.
Zuiver en gemengd
Over het algemeen behoort een toegewijde van Heer Kṛṣṇa tot een van drie verschillende groepen. De eerste bestaat uit degenen die zich volkomen afhankelijk stellen van de genadige liefde van de Allerhoogste Godspersoon, de tweede bestaat uit toegewijden die vriendschappelijk met Kṛṣṇa omgaan en de derde uit degenen die als Kṛṣṇa's meerderen optreden en Hem met ouderlijke genegenheid bejegenen. Deze drie typen toegewijden ontwikkelen geleidelijk verschillende relaties in bovenzinnelijke gemoedsstemming met de Godspersoon. Wanneer hun aantrekking slechts op één bepaalde betrekkingsvorm is gebaseerd, wordt ze kevalā, of in zuivere staat genoemd. Eenmaal in deze zuivere staat van toegewijde dienst, ontwikkelt de toegewijde het verlangen om de schreden van een eeuwige metgezel van Kṛṣṇa te drukken, bijvoorbeeld die van Rasāla, Kṛṣṇa's persoonlijke dienaar in Goloka Vṛndāvana, of die van Kṛṣṇa's vrienden Śrīdāmā en Sudāmā, of die van Nanda en Yaśodā, die Kṛṣṇa als Zijn ouders dienen. Extatische liefde voor Kṛṣṇa doet zich nooit rechtstreeks met betrekking tot Kṛṣṇa voor. De toegewijde moet het voorbeeld van de eeuwige metgezellen van Kṛṣṇa in Goloka Vṛndāvana volgen.
Raken de bovenzinnelijke relaties met Kṛṣṇa qua stemming met elkaar vermengd (bijvoorbeeld vriendschap, dienaarschap en ouderschap tezamen), dan wordt het resultaat hiervan een gemengde stemming of kleur genoemd. Zo'n gemengde bovenzinnelijke relatietint openbaart zich bij toegewijden als Uddhava en Bhīma, en bij Mukharā, de persoonlijke dienares van moeder Yaśodā. Hoewel men ziet dat toegewijde relaties zich soms gelijktijdig voordoen, is er altijd één welke de boventoon voert. Deze dominante stemming wordt als de basis-betrekking van de toegewijde met Kṛṣṇa beschouwd. Uddhava's betrekking met Kṛṣṇa bijvoorbeeld is die van vriend, maar bij Uddhava kan men ook een zekere dienstbaarheid aan Kṛṣṇa onderscheiden Zo’n vriendschap wordt vriendschap in eerbied genoemd. De vriendschap echter welke kenmerkend is voor Srīdāmā en Sudāmā is de basis-vriendschap, die niet door eerbied is gekleurd.
Ondergeschikte extatische liefde
Toegewijden die altijd aan Kṛṣṇa denken als hun meerdere, bevinden zich in een toestand van ondergeschikte extatische liefde. In zo'n toegewijde is het idee van ondergeschiktheid aan de Heer zeer dominant, en men ziet hem zelden belang stellen in een andere vorm van bovenzinnelijke liefde tot de Heer.
In een van zijn gebeden in het Mukunda-mālā-stotra zegt Koning Kulasekhara:
"Lieve Heer, U verlost de levende wezens uit de helse staat van het stoffelijk bestaan, maar dat kan mij niet schelen. Of ik nu verheven word naar de hemel of op deze planeet aarde moet blijven of naar een helse planeet word gestuurd, het laat me allemaal onverschillig. Ik bid alleen dat ik me in het stervensuur Uw twee prachtige voeten mag herinneren, die als lotussen zijn welke openbloeien in de herfst."
"Lieve Heer, U verlost de levende wezens uit de helse staat van het stoffelijk bestaan, maar dat kan mij niet schelen. Of ik nu verheven word naar de hemel of op deze planeet aarde moet blijven of naar een helse planeet word gestuurd, het laat me allemaal onverschillig. Ik bid alleen dat ik me in het stervensuur Uw twee prachtige voeten mag herinneren, die als lotussen zijn welke openbloeien in de herfst."
Vriendschap
De hoogontwikkelde toegewijden, die bijna als Kṛṣṇa zijn, worden als grote autoriteiten beschouwd op het punt van de vriendschapsrelatie met de Allerhoogste Godspersoon. Op het niveau van vriendschap bestaan er verschillende manieren waarop men lachend en schertsend met de Heer omgaat. Een voorbeeld van zo'n vriendschappelijke relatie met Kṛṣṇa vindt men beschreven in het Śrīmad-Bhāga-vatam, dat verhaalt hoe Kṛṣṇa eens dacht:
"Toen Ik vandaag de koeien aan het hoeden was in de weidegronden van Vṛndāvana , liep Ik een mooie tuin in om een paar bloemen te plukken. Mijn vrienden, de koeienjongens, voelden zich ongelukkig als ze ook maar twee minuten uit Mijn buurt waren. En toen ze Me vonden, holden we op elkaar af om te zien wie de ander het eerst met de bloemen in zijn hand zou aanraken."
"Toen Ik vandaag de koeien aan het hoeden was in de weidegronden van Vṛndāvana , liep Ik een mooie tuin in om een paar bloemen te plukken. Mijn vrienden, de koeienjongens, voelden zich ongelukkig als ze ook maar twee minuten uit Mijn buurt waren. En toen ze Me vonden, holden we op elkaar af om te zien wie de ander het eerst met de bloemen in zijn hand zou aanraken."
Een vriend bekritiseerde Kṛṣṇa eens als volgt:
"Beste Dāmodara, hoewel Je verslagen bent door Srīdāmā en als krachtpatser netjes op Je nummer bent gezet, probeer Je met allerlei vals vertoon van kracht toch de schande van Je nederlaag te verhelen."
"Beste Dāmodara, hoewel Je verslagen bent door Srīdāmā en als krachtpatser netjes op Je nummer bent gezet, probeer Je met allerlei vals vertoon van kracht toch de schande van Je nederlaag te verhelen."
De superieure of ouder-relatie
Toen moeder Yaśodā hoorde dat Kṛṣṇa's koeien met geweld werden meegenomen door de sterke dienaars van Kaṁsa en dat de teergebouwde koeienjongens de dieren probeerden te beschermen, dacht ze:
"Hoe kan ik die arme jongens tegen de aanval van Kaṁsa's dienaars beschermen?"
Dit is een voorbeeld van de superieure houding van een toegewijde.
"Hoe kan ik die arme jongens tegen de aanval van Kaṁsa's dienaars beschermen?"
Dit is een voorbeeld van de superieure houding van een toegewijde.
Zodra moeder Yaśodā haar zoon Kṛṣṇa van de weidegronden bij zich teruggekeerd zag, begon ze Hem klopjes te geven en de wangen van de Heer aan te raken.
Amoureuze liefde
Zelfs nog boven de liefdesrelatie van Kṛṣṇa met Zijn ouders is de amoureuze liefdesrelatie. De Heer en de jonge gopī's ontvouwen haar op verschillende wijzen - door elkaar blikken toe te werpen, de wenkbrauwen te bewegen, zoet gevooisd met elkaar te praten en elkaar toe te lachen.
In de Govinda-vilāsa staat een uitspraak die hierop neerkomt:
"Srīmatī Rādhārāṇī keek heel benauwd en bijna teleurgesteld rond om te zien waar Kṛṣṇa was."
Wanneer de amoureuze liefde aldus indirect tot uiting komt, doen zich de volgende verschijnselen voor: glimlachen, verwondering, geestdrift, jammer, woede, schrik en soms ook gruwel. Deze zeven blijken van amoureuze liefde vormen een afzonderlijke toestand van extatische liefde.
"Srīmatī Rādhārāṇī keek heel benauwd en bijna teleurgesteld rond om te zien waar Kṛṣṇa was."
Wanneer de amoureuze liefde aldus indirect tot uiting komt, doen zich de volgende verschijnselen voor: glimlachen, verwondering, geestdrift, jammer, woede, schrik en soms ook gruwel. Deze zeven blijken van amoureuze liefde vormen een afzonderlijke toestand van extatische liefde.
Bij een directe amoureuze relatie vinden we gelach, verwondering, ridderlijkheid, jammer, woede en schrik, maar er is geen gruwel. Deze uitingen worden als bronnen van grote vreugde gezien. Wanneer deze zeven extatische liefdesblijken zich voordoen, bereiken ze het niveau van evenwicht, van waaruit de stemming van de amoureuze liefde zich uitbreidt.