Default View
Dual Language

HOOFDSTUK 33

Indirecte uitingen van extatische liefde

Gelach

Nadat Hij wat yoghurt uit de kruiken van een paar gopī's had gestolen, zei Kṛṣṇa tot een van hen:
"Mijn lieve mooie vriendin, Ik kan zweren dat Ik zelfs geen druppel yoghurt uit je kruik gestolen heb! Maar dat neemt niet weg dat je vriendin Rādhārāņī volkomen schaamteloos aan Mijn mond staat te ruiken. Verbied Haar alsjeblieft om Haar gezicht zo slim vlak bij het Mijne te houden."
Toen Kṛṣṇa zo sprak, konden Rādhārāņī's vriendinnen hun lachen niet inhouden. Dit is een voorbeeld van gelach in extatische liefde.

Verwondering

Op een keer zag Brahmā alle koeien en koeienjongens gekleed in gele gewaden en getooid met kostbare juwelen. De jongens toonden zich in het bezit van vier armen en werden door honderden andere Brahmā's aanbeden. Alle koeienjongens lieten blijken hoe blij ze waren met het gezelschap van Kṛṣṇa, het Allerhoogste Brahman. Toen liet Brahmā merken hoe verwonderd hij was. Hij riep uit:
"Wat zíet mijn oog?"
Dit is een geval van verwondering in extatische liefde.

Ridderlijkheid

Aan de oever van de Yamunā klonk eens geritsel van droge bladeren, gegiechel van de koeienjongens en gerommel uit het zwerk. Srīdāmā trok zijn gordel strak om met Kṛṣṇa , de overwinnaar van de demon Agha, te gaan vechten. Dit is een geval van ridderlijkheid in extatische liefde.

LAMENTATION

Het Śrīmad-Bhāgavatam (10.7.25) beschrijft hoe Kṛṣṇa eens door de wervelwind-demon, Tṛṇāvarta, werd meegesleurd. Terwijl Kṛṣṇa meegenomen werd in de lucht, begonnen de gopī's luid te jammeren. Ze holden naar moeder Yaśodā en zeiden dat ze de zoon van Nanda nergens meer konden vinden. Dit is een voorbeeld van jammer in extatische liefde.
Toen Kṛṣṇa in gevecht was met Kāliya, riep moeder Yaśodā:
“Kṛṣṇa zit nu gevangen in de kammen van de slang Kāliya-en nog ben ik niet aan flarden! Ik moet dus toegeven hoe fantastisch het bindend vermogen van dit stoffelijk omhulsel is!"
Ook dit is een geval van jammer in extatische liefde.

Woede

Toen Abhīmanyu's moeder, Jațilā zag dat Kṛṣṇa een halsketting droeg, begreep ze wel dat het kostbare sieraad Hem door Rādhārāṇī geschonken was, Daarom vlamde de woede in haar op en fronste ze haar wenkbrauwen. Zo bracht ze in extatische liefde haar boosheid tot uiting.

Gruwel

Er bestaat een uitspraak van Yāmunācārya die hierop neerkomt:
"Sinds ik ben gaan genieten van de uitwisseling van deze bovenzinnelijke liefdesblijken, die steeds nieuwer zijn, krult mijn mond zich van afkeer en wil ik spuwen bij de gedachte aan de genoegens van mijn vroegere seksuele leven." Dit is een voorbeeld van extatische liefde in gruwel.

Schrik

Een oude toegewijde zei:
"Lieve Heer, wanneer we niet bij U zijn, verlangen we er naar U weer te zien en is ons leven vol ellende. Maar wanneer we U zien, zijn we dadelijk bang om weer van U gescheiden te raken. Dus of we U nu wel of niet zien, in beide gevallen zijn we aan allerlei vormen van schrik ten prooi."
Dit is een voorbeeld van extatische liefde voor Kṛṣṇa die uit tegengestelde elementen is samengesteld. Zo'n vorm van extatische liefde is genietbaar, en deskundige critici vergelijken haar met een mengsel van stremsel, kandij en een snuifje zwarte peper. De smaak van dit alles bij elkaar is uiterst genietbaar.