Default View
Dual Language View
HOOFDSTUK 34
De nectar van de toegewijde liefde
Het bijzondere extatische liefdesgevoel dat zich in het hart van een bepaalde toegewijde ontwikkelt, wordt als vibhāva beschouwd. En de uitingen ervan, zoals het bewegen van de wenkbrauwen, vrees, verwondering en geglimlach, waarover hierboven uitleg is gegeven, worden anubhāva genoemd. De verschillende oorzaken die aan de ontwikkeling van anubhāva en vibhāva ten grondslag liggen worden evenwichtige extase of sancāri-bhāva genoemd.
Altijd wanneer er poëzie gelezen wordt of een toneelstuk opgevoerd over het spel en vermaak van Kṛṣṇa, krijgt het publiek de neiging om verschillende vormen van bovenzinnelijke liefdedienst voor de Heer te verrichten. Men geniet dan van verschillende vormen van vibhāva, anubhāva en sāncārī-bhāva.
Als men zich nog op stoffelijk niveau bevindt, dient men de verschillende beschrijvingen van bhāva en anubhāva, waarbij men diverse verklaringen uit bovenzinnelijke Schriften aanhaalt, nooit te bespreken. Deze liefdesuitingen zijn blijken van het bovenzinnelijk vreugde-vermogen van de Heer. Men moet slechts proberen te begrijpen dat er op geestelijk niveau tal van vormen van wederzijdse liefde bestaan. De uitwisseling van bovenzinnelijke liefdesblijken mogen nooit als materieel worden gezien. In het Udyama-parva van het Mahābhārata wordt gewaarschuwd dat zaken welke men niet kan bevatten nooit het onderwerp van een debat mogen vormen. In onze huidige levenstoestand zijn de manieren waarop men in de geestelijke wereld met elkaar omgaat in feite onbegrijpelijk. Een grote verloste ziel als Rūpa Gosvāmī en zijn gelijken hebben getracht ons iets duidelijk te maken van de bovenzinnelijke activiteiten in de geestelijke wereld. Maar over het algemeen blijft het voor ons in onze huidige toestand onvoorstelbaar wat ze inhouden. Men kan de uitwisseling van liefdesblijken met Kṛṣṇa alleen begrijpen wanneer men werkelijk met het vreugdevermogen van de Opperheer in aanraking is.
In dit verband geeft Śrī Rūpa Gosvāmī het voorbeeld van de wolken in de lucht. De wolken in de lucht stijgen op uit zee, en wanneer de wolken weer water worden en op de grond belanden, glijden ze in zee terug. Het vreugdevermogen van Kṛṣṇa wordt met deze zee vergeleken. De zuivere toegewijde is de vreugderijke wolk, en wanneer hij met bovenzinnelijke liefdedienst gevuld is, kan hij zijn genade schenken als een regenbui - en zo keert het vreugdevermogen terug naar de zee van Kṛṣṇa.
Rechtstreekse en indirecte aangetrokkenheid tot Kṛṣṇa
Men kan de bovenzinnelijke vreugde welke men aan de toegewijde dienst beleeft in twee categorieën onderbrengen: directe toegewijde dienst en indirecte toegewijde dienst. Directe toegewijde dienst wordt in vijf bovenzinnelijke stemmingen of gemoedsgesteldheden onderscheiden, terwijl indirecte toegewijde dienst in zeven bovenzinnelijke stemmingen onderscheiden wordt. Die van de directe toegewijde dienst zijn de volgende: de neutrale, de dienstbare, de broederlijke, de ouderlijke en de amoureuze. Indirecte toegewijde dienst kent de gemoedsstemmingen van gelach, mededogen, woede, ridderlijkheid, schrik, verwondering en gruwel. Toegewijde dienst kan dus in twaalf stemmingstypen worden onderscheiden, welke elk hun eigen kleur hebben. Deze kleuren zijn wit, veelkleurig, oranje, rood, lichtgroen, grijs, geel, gebroken wit, rook grijs, rose, zwart en bewolkt. De twaalf typen van bovenzinnelijke gemoedsgesteldheid worden bestuurd door verschillende avatāra's van God, namelijk Kapila, Mādhava, Upendra, Nṛsiṁha, Nanda-nandana, Balarāma, Kūrma, Kalki, Rāghava, Bhārgava, Varāha en Matsya.
De vijf zichtbare symptomen bij de uitwisseling van extatische liefdesblijken zijn ondersteuning, openbaring, uitbreiding, bespiegeling en jammer. Men kan daarom iemands toegewijde dienst op authenticiteit toetsen aan de hand van deze vijf symptomen. Bij neutrale toegewijde dienst vindt men ondersteuning, bij ridderlijke toegewijde dienst uitbreiding, bij toegewijde dienst in mededogen bespiegeling, bij toegewijde dienst in woede jammer enz.
Een ogenschijnlijk beklagenswaardige toestand waarin een toegewijde zich bevindt kan de onervaren beginneling als verdrietig voorkomen, maar de gevoelens die de toegewijde in deze toestand beleefd worden door ervaren en in de toegewijde dienst als extatisch beschouwd. Zo wordt bijvoorbeeld het verhaal van het Rāmāyaṇa soms als treurig en verdrietig voor het hart gezien, maar dat is het eigenlijk niet. Het Rāmāyaņa verhaalt hoe Heer Rāma, juist toen Hij tot de troon zou worden verheven, door Zijn vader naar het woud verbannen werd. Na het vertrek van Heer Rāma stierf Zijn vader, Mahārāja Daśaratha. In het bos werd Zijn vrouw Sītādevī geschaakt door Rāvaņa, waarna een grote strijd ontbrandde. Toen Sītādevī tenslotte uit de greep van Rāvaņa bevrijd werd, dolven Rāvaņa's familie en koninkrijk en Rāvaņa zelf het onderspit. Toen Sitādevi weer thuiskwam werd Ze aan een vuurproef onderworpen en na enkele dagen weer naar het bos verbannen. Al deze zaken in het Rāmāyaņa doen uiterst treurig aan, en degene die het leest kan er zeer verdrietig bij zijn, maar dat is eigenlijk niet juist. Hoe zou anders Heer Rāmacandra's grote toegewijde Hanumān elke dag over de activiteiten van Heer Rāmacandra willen lezen, zoals het Rāmāyaṇa zelf beschrijft? De werkelijkheid wil dat alles wat met elke van de vermelde twaalf bovenzinnelijke stemmingen van de toegewijde dienst verband houdt bovenzinnelijk aangenaam is.
Śrila Rūpa Gosvāmī treurt om degenen die zich ophouden in het vuur van de valse verzaking, en van het droge theoretiseren, en die de toegewijde dienst links laten liggen. Mensen die aan de ritualistische ceremoniën gehecht zijn welke door de Veda's worden aanbevolen, of die tot het onpersoonlijk Brahman willen opgaan kunnen geen bovenzinnelijke vreugde beleven aan de toegewijde dienst. De toegewijden die al iets van de nectar van de toegewijde liefde hebben geproefd dienen er volgens Śrī Rūpa Gosvāmi op toe te zien dat de toegewijde dienst voor deze droge theoretici, ritualistische elevationisten met hun plichtplegingen en impersonalistische verlossingszoekers wordt behoed. Toegewijden behoren het kostbare juweel van de geestelijke liefde tegen de grijpklauwen van dieven en rovers te beschermen. Een zuivere toegewijde mag de toegewijde dienst en de ontleding van haar verschillende aspecten niet blootgeven aan droge theoretici en pseudo-verzakers.
Niet-toegewijden kunnen nimmer de zegeningen van de toegewijde dienst ontvangen. Voor hen is het onderwerp van de toegewijde dienst altijd bijzonder moeilijk te begrijpen. Alleen mensen die zich volkomen uitleveren aan de lotusvoeten van de Allerhoogste Godspersoon kunnen de ware nectar van de toegewijde liefde genieten.
Wanneer men het niveau van de extatische liefde te boven gaat en op het hoogste niveau van zuivere goedheid gevestigd raakt, heet het dat men zijn hart van alle stoffelijke smetten gereinigd heeft. In die reine levensfase kan men deze nectar proeven, en dit vermogen tot proeven wordt technisch rasa, of bovenzinnelijke stemming, genoemd.
Zo eindigt Bhaktivedanta's samenvattende bewerking van het tweede deel van de Bhakti-rasāmrta-sindhu, terzake van de algemene toegewijde dienst.