Default View
Dual Language View
HOOFDSTUK 35
Neutrale liefde tot God
Śrīla Rūpa Gosvāmī brengt zijn eerbiedige gebeden aan de eeuwige Allerhoogste Godspersoon, die altijd zo schoon is en aan wie de zuivere toegewijden altijd liefdevolle bovenzinnelijke dienst bewijzen. Deze derde afdeling van de Bhakti-rasāmṛta-sindhu beschrijft de vijf primaire vormen van toegewijde dienst, namelijk de neutrale, dienstbare, broederlijke, ouderlijke en amoureuze. Deze vijf aspecten zullen hier zeer omstandig worden uitgelegd. Ze worden figuurlijk aangeduid als de vijf golven in het westelijk deel van deze nectarzee van zuivere liefde.
Wanneer men werkelijk op bovenzinnelijk peil weet te blijven, heet men in de fase van neutrale toegewijde dienst te zijn aangekomen. Sommige grote wijzen bereikten deze neutrale positie door het doen van boete en het beoefenen van meditatie ter beteugeling van de zinnen. Dit soort wijzen wordt meestal mystieke yogi's genoemd en in de meeste gevallen zijn ze ertoe geneigd het geestelijk genoegen van de realisatie van het onpersoonlijk aspect van de Absolute Waarheid als het hoogste goed te zien. Ze hebben praktisch geen idee van het bovenzinnelijk genoegen dat men ontleent aan de persoonlijke omgang met de Opperheer.
In feite is het bovenzinnelijk genoegen dat men aan de omgang met de Allerhoogste Persoon ontleent veel groter dan het genoegen ontleend aan realisatie van het onpersoonlijk Brahman, aangezien men oog in oog verkeert met de eeuwige gedaante van de Heer. Impersonalisten missen het rechtstreeks bovenzinnelijk genoegen van de omgang met de Heer door over Zijn spel en vermaak te horen. Ze kunnen dan ook geen genietbare bovenzinnelijke vreugde puren uit het aanhoren van de onderwerpen van de Bhagavad-gitā, waarin de Heer persoonlijk tot Arjuna spreekt. De grondslag van hun impersonalistische houding staat niet toe dat ze de bovenzinnelijke vreugde ervaren welke de toegewijde geniet, wiens filosofische grondslag de Allerhoogste Persoon is. Het impersonalistische commentaar op de Bhagavad-gitā is dan ook een rampzalige aangelegenheid, want de impersonalist wil de Gītā op zijn eigen manier uitleggen zonder dat hij enig idee heeft waaruit haar bovenzinnelijke vreugde bestaat. Maar kan een impersonalist in aanraking komen met een zuivere toegewijde, dan valt zijn bovenzinnelijke positie te wijzigen in een van grotere verhevenheid. Daarom wordt het grote wijzen aangeraden de persoonlijke gedaante van de Heer te eren om tot de hoogste vorm van bovenzinnelijke vreugde te geraken.
Zonder aanbidding van de arcā-vigraha, de vorm of het beeld van de Heer, kan men Schriften als Bhagavad-gītā en Śrīmad-Bhāgavatam niet begrijpen. Het eerste wat grote wijzen die zich in transcendente neutraliteit bevinden zouden moeten doen is hun toevlucht zoeken bij Heer Viṣṇu, de vier-armige eeuwige gedaante van de Allerhoogste Godspersoon. Mystieke yogi's wordt daarom aanbevolen op de gedaante van Heer Vișņu te mediteren, zoals aangeraden door Kapila Muni in diens sānkhya-yoga-filosofie. Helaas proberen veel mystieke yogi's op iets leegs te mediteren, en volgens de Bhagavad-gitā is het resultaat daarvan dat ze slechts problemen moeten doorstaan en geen enkel tastbaar resultaat bereiken.
Toen enkele grote heiligen, die verschillende vormen van boete hadden gedaan, de vier-armige bovenzinnelijke gedaante van Viṣṇu aanschouwden, merkten ze op:
"Deze vier-armige gedaante van de Heer, die Zich in blauwe kleur aan ons openbaart, is de bron van alle vreugde en het hart van onze levenskracht. Nu we deze eeuwige gedaante van Vișņu zien, raken we in feite met tal van andere parama-haṁsa's onmiddellijk door de schoonheid van de Heer geboeid."
Deze waardering die enkele heiligen voor Heer Viṣṇu aan de dag legden is een voorbeeld van śānta-rasa, gesitueerd zijn in de neutrale fase van de toegewijde dienst. Mensen die naar verlossing streven uit de verstrikking in de stof wijden zich aanvankelijk aan het doen van pijnlijke boete, waarna ze tenslotte tot het onpersoonlijke niveau van de zelfverwerkelijking opstijgen. Op dit brahma-bhūta-niveau van verlossing uit de gevangenschap in de stof ervaart men volgens de Bhagavad-gita een type vreugde dat gekenmerkt wordt door het ontbreken van hetzij verlangen, hetzij afwijzing, en ziet alles met universele blik. Wanneer een toegewijde zich in de śānta-rasa, de neutrale fase van toegewijde dienst bevindt, heeft hij bewondering voor de Viṣṇu-gedaante van de Heer.
"Deze vier-armige gedaante van de Heer, die Zich in blauwe kleur aan ons openbaart, is de bron van alle vreugde en het hart van onze levenskracht. Nu we deze eeuwige gedaante van Vișņu zien, raken we in feite met tal van andere parama-haṁsa's onmiddellijk door de schoonheid van de Heer geboeid."
Deze waardering die enkele heiligen voor Heer Viṣṇu aan de dag legden is een voorbeeld van śānta-rasa, gesitueerd zijn in de neutrale fase van de toegewijde dienst. Mensen die naar verlossing streven uit de verstrikking in de stof wijden zich aanvankelijk aan het doen van pijnlijke boete, waarna ze tenslotte tot het onpersoonlijke niveau van de zelfverwerkelijking opstijgen. Op dit brahma-bhūta-niveau van verlossing uit de gevangenschap in de stof ervaart men volgens de Bhagavad-gita een type vreugde dat gekenmerkt wordt door het ontbreken van hetzij verlangen, hetzij afwijzing, en ziet alles met universele blik. Wanneer een toegewijde zich in de śānta-rasa, de neutrale fase van toegewijde dienst bevindt, heeft hij bewondering voor de Viṣṇu-gedaante van de Heer.
Het is in feite de bedoeling van de hele Vedische cultuur dat men dankzij haar begrijpt wie Heer Vișņu is. Een mantra in de Rg-veda verklaart dat iedereen die in het heilige leven gevorderd is er altijd naar streeft om onophoudelijk op de lotusvoeten van Vişņu te kunnen mediteren.
In het Śrīmad-Bhāgavatam wordt gezegd dat dwazen niet weten dat Viṣṇu het uiteindelijke levensdoel is. De slotsom van alle gezaghebbende Vedische Schriften luidt dat wanneer iemand oog voor de schoonheid van Vișņu begint te krijgen, hij aan het begin van de toegewijde dienst staat. Cultiveert men onder juiste leiding deze toegewijde dienst steeds meer in zijn leven, dan zullen andere aspecten van deze dienst zich geleidelijk openbaren. In de śānta-rasa-fase kan men Heer Viṣṇu aanschouwen, de Allerhoogste Godspersoon, die zelfs de demonen verlost. Bij dit begin van de toegewijde dienst kent men de Heer als de eeuwige bovenzinnelijke gedaante, de leider van alle zelf-verwerkelijkte zielen, de Superziel en het Allerhoogste Brahman. Hij wordt ook gezien als volkomen vreedzaam, volkomen beheerst en rein, vol mededogen jegens de toegewijde en onaangedaan door wat voor materiële toestand ook. Deze kijk op Heer Vişņu in eerbied en ontzag, die men bij heiligen aantreft, wordt beschouwd als teken dat ze zich in sānta-rasa bevinden, de neutrale fase van de toegewijde dienst.
Het sānta-rasa-niveau kunnen de impersonalisten slechts bereiken wanneer ze met zuivere toegewijden omgaan. Anders is het niet mogelijk. Wanneer een verloste ziel na het bereiken van de Brahman-realisatie met de zuivere toegewijden van Heer Kṛṣṇa in aanraking komt en zonder onjuiste interpretatie in alle nederigheid het onderricht van Heer Kṛṣṇa aanvaardt, raakt hij in deze neutrale fase van toegewijde dienst gevestigd. Het beste voorbeeld van heiligen in de śānta-rasa is dat van Sanaka, Sanātana, Sananda en Sanat-kumāra, de gebroeders Kumāra. Deze vier heiligen, die men kent als de Catuḥ-sana, zijn zoons van Heer Brahmā. Toen ze na hun geboorte van hun vader te horen kregen dat ze moesten trouwen en de mensheid in tal laten toenemen, weigerden ze. Ze zeiden dat ze reeds besloten hadden om niet in het gezinsleven verstrikt te raken: ze gaven er de voorkeur aan om heilige brahmacāri's te blijven en zo aan hun eigen volmaaktheid te werken. Deze grote heiligen leven intussen al miljoenen jaren, maar nog steeds zien ze eruit als jongetjes van vier of vijf. Hun tint is heel licht, hun lichaam straalt en ze trekken altijd naakt rond. Het heilig viertal blijft haast altijd bij elkaar.
In een van de gebeden van de Kumāra's wordt deze uitspraak gedaan:
"O Heer Mukunda [Kṛṣṇa, die verlossing schenkt], slechts zo lang men Uw eeuwige gedaante van zaligheid en kennis, die er als een jonge, blauwglanzende tamāla-boom uitziet, niet aanschouwt, slechts zo lang kan het onpersoonlijke aspect van de Absolute Waarheid, bekend als Brahman, een heilige zeer bekoren."
"O Heer Mukunda [Kṛṣṇa, die verlossing schenkt], slechts zo lang men Uw eeuwige gedaante van zaligheid en kennis, die er als een jonge, blauwglanzende tamāla-boom uitziet, niet aanschouwt, slechts zo lang kan het onpersoonlijke aspect van de Absolute Waarheid, bekend als Brahman, een heilige zeer bekoren."
In een van de gebeden van de Kumāra's wordt deze uitspraak gedaan:
"O Heer Mukunda [Kṛṣṇa, die verlossing schenkt], slechts zo lang men Uw eeuwige gedaante van zaligheid en kennis, die er als een jonge, blauwglanzende tamāla-boom uitziet, niet aanschouwt, slechts zo lang kan het onpersoonlijke aspect van de Absolute Waarheid, bekend als Brahman, een heilige zeer bekoren."
"O Heer Mukunda [Kṛṣṇa, die verlossing schenkt], slechts zo lang men Uw eeuwige gedaante van zaligheid en kennis, die er als een jonge, blauwglanzende tamāla-boom uitziet, niet aanschouwt, slechts zo lang kan het onpersoonlijke aspect van de Absolute Waarheid, bekend als Brahman, een heilige zeer bekoren."
Een heilige denkt als volgt:
"Wanneer zal ik eindelijk alleen in een grot in de bergen kunnen leven? Wanneer zal ik alleen maar een lendendoek hoeven dragen? Wanneer zal ik genoeg hebben aan een beetje fruit en wat groente? Wanneer zal ik altijd aan de lotusvoeten van Mukunda kunnen denken, die de oorsprong van het Brahman-licht is? Wanneer zal ik in die geestelijke levenstoestand volkomen begrijpen dat mijn dagen en nachten onbeduidende ogenblikken zijn in de eeuwige tijd?"
"Wanneer zal ik eindelijk alleen in een grot in de bergen kunnen leven? Wanneer zal ik alleen maar een lendendoek hoeven dragen? Wanneer zal ik genoeg hebben aan een beetje fruit en wat groente? Wanneer zal ik altijd aan de lotusvoeten van Mukunda kunnen denken, die de oorsprong van het Brahman-licht is? Wanneer zal ik in die geestelijke levenstoestand volkomen begrijpen dat mijn dagen en nachten onbeduidende ogenblikken zijn in de eeuwige tijd?"
De toegewijde en zelfgerealiseerde zielen die de heerlijkheid van de Heer verkondigen koesteren altijd een extatische liefde voor de Heer in hun hart. Zo vinden ze baat bij de stralenglans van de extatische maan en worden heilig genoemd.
Een heilige is er altijd toe geneigd om op te gaan in het onderzoek van de Veda's, met name van de Upaniṣads, om ergens te wonen waar de gewone mensen niet komen storen, om altijd aan de eeuwige gedaante van Kṛṣṇa te denken, gereed te zijn om de Absolute Waarheid dieper te begrijpen, altijd uit te blinken in het tentoonspreiden van kennis, de Opperheer in Zijn universele gedaante (viśva-rūpa) te aanschouwen, altijd met geleerde toegewijden om te gaan en met niet minder verheven personen de conclusies van de Veda's te bespreken. Een heilige bij wie men al deze kwaliteiten aantreft raakt erdoor tot het peil van sānta-rasa verheven.
Een heilige is er altijd toe geneigd om op te gaan in het onderzoek van de Veda's, met name van de Upaniṣads, om ergens te wonen waar de gewone mensen niet komen storen, om altijd aan de eeuwige gedaante van Kṛṣṇa te denken, gereed te zijn om de Absolute Waarheid dieper te begrijpen, altijd uit te blinken in het tentoonspreiden van kennis, de Opperheer in Zijn universele gedaante (viśva-rūpa) te aanschouwen, altijd met geleerde toegewijden om te gaan en met niet minder verheven personen de conclusies van de Veda's te bespreken. Een heilige bij wie men al deze kwaliteiten aantreft raakt erdoor tot het peil van sānta-rasa verheven.
Degenen die zich op śānta-rasa-niveau bevinden ontvangen hun impuls tot vooruitgang in de toegewijde dienst uit het opsnuiven van de geur van tulasī-blaadjes geofferd aan de lotusvoeten van de Heer, uit het horen van het geluid van Zijn schelphoorn, uit het zien van een heilige plek in de bergen of heuvels, uit het aanschouwen van een bos zoals men dat in Vṛndāvana kan zien, uit het bezoeken van een bedevaartsoord, uit het afreizen van de rivier de Ganges, uit het zegevieren over de eisen van het lichaam (eten, slapen, paren en zich weren),uit het begrijpen van de verwoestende werking van de eeuwige tijd en uit voortdurend verkeren met toegewijden die in Kṛṣṇa-bewustzijn opgaan. Al deze verschillende dingen kunnen heiligen die zich in de sānta-rasa-fase bevinden helpen om tot het gevorderde niveau van de toegewijde dienst te komen.
Het Śrīmad-Bhāgavatam (3.15.43) bevat een uitspraak van de vier heiligen die men kent als Catuḥ-sana, van wie Sanat-kumāra de eerste is. Ze waren de Heer van Vaikuṇṭha gaan bezoeken in de geestelijke hemel, en toen ze zich voor Hem neerbogen, drong de geur van tulasī, met saffraan vermengd, hun neus binnen en kreeg dadelijk vat op hun geest. Hoewel deze vier heiligen altijd opgingen in gedachten aan het onpersoonlijke Brahman, rees door hun contact met de Heer en het ruiken van de tulasī-blaadjes hun lichaamshaar dadelijk te berge. Dit toont aan dat zelfs iemand die in staat van Brahman-realisatie is door omgang met toegewijden in zuivere toegewijde dienst dadelijk tot het persoonlijk aspect van de Heer aangetrokken raakt.
Men kan grote wijzen die zich in de śanta-rasa fase van de toegewijde dienst bevinden aan de volgende symptomen kennen. Ze concentreren hun blik op de punt van de neus en gedragen zich precies als een avadhūta. Het begrip avadhūta heeft betrekking op een hoog verheven mysticus die zich niets gelegen laat liggen aan maatschappelijke, religieuze of Vedische gedragsregels. Een ander symptoom is dat zulke mensen er altijd goed op letten naar voren te komen wanneer ze een uiteenzetting geven. Wanneer ze spreken, brengen ze de punt van wijsvinger en duim tegen elkaar. (Dit wordt de jñāna-mudrā-positie genoemd.) Ze zijn niet tegen de atheïsten, noch hebben ze een bepaalde voorkeur voor de toegewijden. Deze mensen leggen de nadruk op verlossing en onthechting van de materialistische levenswijze. Ze zijn altijd overal afzijdig van en kennen geen genegenheid voor materiële zaken, noch identificeren ze zich er ten onrechte mee. Ze zijn altijd ernstig, maar gaan volkomen op in gedachten aan de Allerhoogste Godspersoon. Deze ongewone trekken ontwikkelen zich bij toegewijden die zich in śānta-rasa bevinden.
Ter zake van de concentratie van de blik op de neuspunt verschaft de Bhakti-rasāmrta-sindhu ons een uitspraak van een toegewijde die dit verschijnsel bijeen yogī waarnam. Hij merkte op:
"De grote wijze concentreert zijn blik op de punt van zijn neus en hieruit blijkt dat hij de eeuwige gedaante van de Heer in zichzelf al heeft gerealiseerd."
"De grote wijze concentreert zijn blik op de punt van zijn neus en hieruit blijkt dat hij de eeuwige gedaante van de Heer in zichzelf al heeft gerealiseerd."
Soms ziet men een toegewijde in śānta-rasa gapen, zich uitrekken, onderricht geven over toegewijde dienst, eerbiedige eerbetuigingen brengen aan de gedaante van de Heer, fraaie gebeden opzenden aan de Heer en verder blijk geven van het verlangen om met zijn lichaam direct dienst te bewijzen. Dit zijn enkele van de gewone symptomen bij toegewijden die zich in de neutrale fase bevinden. Toen de ene toegewijde de andere zag gapen, zei hij:
"Beste mysticus, aan je gapen te oordelen, geloof ik dat er wat extatische toegewijde liefde in je hart is." Soms ziet men dat een toegewijde in sānta-rasa op de grond valt, terwijl het haar op zijn lichaam overeind staat en hij over zijn hele lichaam trilt. Zo ziet men bij zulke toegewijden vanzelf verschillende symptomen van extatische tranceverschijningen.
"Beste mysticus, aan je gapen te oordelen, geloof ik dat er wat extatische toegewijde liefde in je hart is." Soms ziet men dat een toegewijde in sānta-rasa op de grond valt, terwijl het haar op zijn lichaam overeind staat en hij over zijn hele lichaam trilt. Zo ziet men bij zulke toegewijden vanzelf verschillende symptomen van extatische tranceverschijningen.
In de Bhakti-rasāmṛta-sindhu wordt gezegd dat toen Heer Kṛṣṇa op Zijn schelphoorn blies, die men als Pāñcajanya kent, tal van grote wijzen die in de berggrotten woonden er onmiddellijk op reageerden en uit hun meditatie-trance ontwaakten. Ze zagen dat het haar op hun lichaam overeind stond. Sommige toegewijden in śānta-rasa raken verdoofd, worden vreedzaam, uitbundig, bezonnen, nadenkend, benauwd, behendig en twistziek. Deze symptomen verraden onophoudelijke extase of bestendige emotie.
Een grote zelfgerealiseerde wijze klaagde er eens over dat de Opperheer, Kṛṣṇa, in Dvārakā woonde, maar dat hij niet zijn voordeel met die omstandigheid kon doen door naar Hem toe te gaan. Onmiddellijk hierna raakte de wijze verdoofd. Hij dacht dat hij gewoon zijn tijd aan het verdoen was. Met andere woorden: de wijze klaagde omdat de Allerhoogste Godspersoon persoonlijk aanwezig was, maar hij met die aanwezigheid zijn voordeel niet wist te doen, aangezien hij moest mediteren.
Wanneer de mysticus aan allerlei hersenspinsels ontstijgt en in Brahman verkeert, wordt zijn toestand trance genoemd - buiten bereik van de invloed van de materiële levensbeschouwing. Wanneer men in die fase over het bovenzinnelijk spel en vermaak van de Heer hoort, kan men gaan beven.
Wanneer een toegewijde, die Brahman-realisatie heeft verkregen en in de fase van bestendige trance is aangekomen, de eeuwige gedaante van Kṛṣṇa ontmoet, vergroot zijn bovenzinnelijke vreugde zich miljoenen malen. Een grote wijze vroeg eens aan een ander:
"Beste vriend, denk je dat wanneer ik bij de beoefening van de achtvoudige yoga tot volmaaktheid ben gekomen, ik in staat zal zijn de eeuwige gedaante van de Allerhoogste Godspersoon te aanschouwen?"
Deze vraag van de wijze is een geval van nieuwsgierigheid bij een toegewijde die zich in de neutrale fase van de toegewijde dienst bevindt.
"Beste vriend, denk je dat wanneer ik bij de beoefening van de achtvoudige yoga tot volmaaktheid ben gekomen, ik in staat zal zijn de eeuwige gedaante van de Allerhoogste Godspersoon te aanschouwen?"
Deze vraag van de wijze is een geval van nieuwsgierigheid bij een toegewijde die zich in de neutrale fase van de toegewijde dienst bevindt.
Toen Heer Kṛṣṇa met Zijn oudere broer Balarāma en Zijn zuster Subhadrā in een wagen naar Kurukṣetra kwam om er een zonsverduistering mee te maken, verschenen er ook vele mystieke yogi's. Toen dezen Heer Kṛṣṇa en Balarāma zagen, riepen ze uit dat nu ze de uitmuntende lichtgloed van het lichaam van de Heer hadden aanschouwd, ze de vreugde welke men door onpersoonlijke Brahman-realisatie verkrijgt bijna vergeten waren. Een van de mystici trad op Kṛṣṇa toe en zei:
"O mijn Heer, U bent altijd vervuld van bovenzinnelijke gelukzaligheid en gaat alle andere geestelijke posities te boven. Door U slechts uit de vérte te aanschouwen ben ik tot de conclusie gekomen dat het nergens voor nodig is dat ik me in de bovenzinnelijke gelukzaligheid van het onpersoonlijk Brahman ophoud."
"O mijn Heer, U bent altijd vervuld van bovenzinnelijke gelukzaligheid en gaat alle andere geestelijke posities te boven. Door U slechts uit de vérte te aanschouwen ben ik tot de conclusie gekomen dat het nergens voor nodig is dat ik me in de bovenzinnelijke gelukzaligheid van het onpersoonlijk Brahman ophoud."
Toen een grote mysticus eens uit zijn meditatie-trance ontwaakte bij het horen van de geluidsvibratie van Kṛṣṇa's schelphoorn Pāñcajanya, raakte hij zo door het geluid overweldigd, dat hij zijn hoofd tegen de grond begon te slaan en met zijn ogen vol tranen van extatische liefde alle yoga-regels en -bepalingen overtrad. Hij liet dus meteen de Brahman-realisatie methode varen.
In zijn boek Kṛṣṇa-karņāmrta zegt Bilvamaṅgala Ṭhākura:
"Laten de impersonalisten zich maar bezighouden met hun bovenzinnelijke zelfverwerkelijkingsmethode, die uit de verering van het onpersoonlijk Brahman bestaat. Hoewel ook ik in deze zelfverwerkelijkingsmethode was ingewijd, ben ik nu van dat pad afgebracht door een ondeugende jongen -een geweldige slimmerik, die zich erg tot de gopī's aangetrokken voelt en mij tot zijn dienstmaagd heeft gemaakt. Daarom heb ik helemaal geen aandacht meer voor de Brahman-realisatie-weg."
"Laten de impersonalisten zich maar bezighouden met hun bovenzinnelijke zelfverwerkelijkingsmethode, die uit de verering van het onpersoonlijk Brahman bestaat. Hoewel ook ik in deze zelfverwerkelijkingsmethode was ingewijd, ben ik nu van dat pad afgebracht door een ondeugende jongen -een geweldige slimmerik, die zich erg tot de gopī's aangetrokken voelt en mij tot zijn dienstmaagd heeft gemaakt. Daarom heb ik helemaal geen aandacht meer voor de Brahman-realisatie-weg."
Bilvamaṅgala Ṭhākura ontving de geestelijke initiatie nodig om het onpersoonlijk aspect van de Absolute Waarheid te realiseren, maar toen hij later met Kṛṣṇa in Vṛndāvana omging, werd hij een gevorderde toegewijde. Hetzelfde overkwam Śukadeva Gosvāmī, die eveneens door de genade van de Heer van weg veranderde, en van impersonalist tot toegewijde werd.
Śukadeva Gosvāmī en Bilvamańgala Ṭhākura, die de onpersoonlijke conceptie van de Absolute Waarheid lieten varen ter wille van de toegewijde dienst, zijn het beste voorbeeld van toegewijden in de neutrale fase. Volgens sommige autoriteiten kan deze toestand niet als een van de transcendente stemmingen of rasa's worden beschouwd, maar Śrīla Rūpa Gosvāmi zegt dat zelfs al accepteert men haar niet als bovenzinnelijke stemming, men haar toch als beginpositie van de toegewijde dienst moet zien. Stijgt men van daar echter niet verder naar het niveau van daadwerkelijke dienst aan de Heer, dan wordt men niet geacht zich op het peil van de bovenzinnelijke stemmingen te bevinden. In dit verband geeft Heer Kṛṣṇa in het elfde canto van het Śrimad-Bhāgavatam Uddhava de volgende aanwijzing:
"De toestand waarin men in meditatie op Mijn persoonlijke gedaante is gevestigd wordt śānta-rasa genoemd, en zonder deze fase te doorlopen kan men niet doorgaan naar de werkelijke zuivere toegewijde dienst."
Dus men kan niet tot het persoonlijk aspect van de Allerhoogste Godspersoon doordringen, als men niet op zijn minst in sānta-rasa gevestigd is.
"De toestand waarin men in meditatie op Mijn persoonlijke gedaante is gevestigd wordt śānta-rasa genoemd, en zonder deze fase te doorlopen kan men niet doorgaan naar de werkelijke zuivere toegewijde dienst."
Dus men kan niet tot het persoonlijk aspect van de Allerhoogste Godspersoon doordringen, als men niet op zijn minst in sānta-rasa gevestigd is.