Default View
Dual Language

HOOFDSTUK 36

Bovenzinnelijke genegenheid (dienaarschap)

De bovenzinnelijke stemming van genegenheid wordt door een autoriteit als Srīdhara Svāmī beschouwd als een volmaakte fase van toewijding. Ze bevindt zich even boven de neutrale gemoedsstemming en men dient haar te doorlopen als men tot de stemming van dienstbaarheid wil doordringen. In een schrift als de Nāma-kaumudi wordt deze levenstoestand als doorlopende genegenheid tot Kṛṣṇa beschouwd. Een autoriteit als Śukadeva ziet dit genegenheidsniveau als neutraal, maar in elk geval wordt deze genegenheid door de toegewijde in verschillende bovenzinnelijke smaken genoten, en daarom wordt deze fase over het algemeen genegenheid genoemd, of zuivere genegenheid voor Kṛṣṇa.
Toegewijden in dienstbaarheid zijn aan Kṛṣṇa gehecht in genegenheid of eerbied. Sommige inwoners van Gokula (het Vṛndāvana zoals op aarde geopenbaard) zijn op dit niveau van genegenheid in eerbied aan Kṛṣṇa gehecht. De inwoners van Vṛndāvana zeiden altijd:
"We zien Kṛṣṇa altijd voor ons met Zijn mooie wolkenzwarte huid. In Zijn lotushanden houdt Hij Zijn prachtige fluit. Hij gaat gekleed in gele zijde en draagt op Zijn hoofd een pauwenveer. Wanneer Kṛṣṇa met deze karakteristieke tooi bij de heuvel Govardhana ronzwerft, voelen alle bewoners van de hemelse planeten en van deze aarde zich bovenzinnelijk gelukzalig en beschouwen zichzelf als eeuwige dienaren van de Heer."
Soms raakt de toegewijde van dezelfde eerbied vervuld wanneer hij een afbeelding ziet van Vişņu, die als Kṛṣṇa gekleed gaat en een eendere tint
heeft. Het enige verschil is dat Viṣṇu vier handen heeft, waarin hij de schelphoorn, de werpschijf, de knots en de lotus draagt. Heer Viṣṇu is altijd met vele kostbare juwelen getooid, zoals de candrakānta en de sūryakānta.
In de Lalita-mādhavana van Rūpa Gosvāmi staat de volgende uitspraak van Dāruka, een van Kṛṣṇa's dienaars:
"Heer Viṣṇu is beslist heel mooi met Zijn halsketting van kaustubha juwelen, Zijn vier handen, waarin Hij schelphoorn, werpschijf, knots en lotus draagt, en Zijn verblindend mooie juwelen-tooi. Hij is ook heel prachtig in Zijn eeuwige positie op de rug van Garuḍa. Maar nu is deze Heer Vișņu onder ons als de vijand van Kaṁsa, en doordat ik Hem persoonlijk meemaak, vergeet ik de rijkdom van Vaikuņțha volkomen.”
Een andere toegewijde zei eens:
"Deze Allerhoogste Godspersoon uit wiens lichaamsporiën de universa voortdurend met miljoen tegelijk tevoorschijn komen, die de oceaan van genade is, die onvoorstelbare energie bezit, die altijd van alle volmaaktheden voorzien is, die de oorsprong van alle incarnaties is, die alle verloste personen aantrekt -deze Allerhoogste Godspersoon is de allerhoogste bestuurder en het allerhoogste voorwerp van aanbidding. Hij is alwetend, volkomen vastberaden en van alle volheid vervuld. Hij is het symbool van vergiffenis en de beschermer van de overgegeven zielen. Hij is milddadig, houdt Zich aan Zijn beloften, is ervaren, al-heilrijk, machtig en religieus. Hij houdt Zich strikt aan de Schriften, is de vriend van de toegewijden en Hij is grootmoedig, invloedrijk, dankbaar, vermaard, eerbiedwaardig, vol kracht en geeft Zich aan zuivere liefde gewonnen. Hij is beslist de enige toevlucht van toegewijden die in de genegenheid van het dienaarschap tot Hem aangetrokken zijn."
De toegewijden van de Heer in dienaarschap worden in vier klassen onderscheiden: aangestelde dienaren (zoals Heer Brahmā en Heer Śiva, die tot taak hebben de stoffelijke geaardheden hartstocht en onwetendheid te besturen), toegewijden in dienstbaarheid die door de Heer beschermd worden, toegewijden die altijd in Zijn gezelschap zijn en toegewijden die slechts het voorbeeld van de Heer volgen.

Aangestelde dienaren

Sprekend met haar vriendin Kālindī vroeg Jāmbavatī, één van Kṛṣṇa's vrouwen:
'Wie is dat die daar al die ommegangen om onze Kṛṣṇa loopt te maken?"
Kālindi antwoordde:
"Het is Ambikā, hoofdopzichtster van alle universele aangelegenheden.
En wie is dat die bij de aanblik van Kṛṣṇa zo staat te beven?
Het is Heer Śiva.
En wie is dat die daar gebeden staat op te zenden?
Het is Heer Brahmā.
Wie is dat die zich op de grond heeft laten vallen en Kṛṣṇa zijn eerbetuigingen brengt?
Het is Indra, de hemelkoning.
En wie is dat die met de halfgoden is meegekomen en met ze lacht?
Kālindī antwoordde:
“Het is mijn oudste broer, Yamarāja, de oppertoezichthouder des doods."
Dit gesprek beschrijft hoe alle goden met inbegrip van Yamarāja op uiteenlopende wijze door de Heer in verschillende vormen van dienst zijn aangesteld. Zij worden adhikṛta-devatā genoemd, of goden die bepaalde bestuurstaken toegewezen hebben gekregen.

Toegewijden onder de hoede en bescherming van de Heer

Een inwoner van Vṛndāvana zei eens tot Heer Kṛṣṇa:
"Beste Kṛṣṇa, o vreugde van Vṛndāvana! Uit angst voor dit stoffelijk bestaan hebben wij ons heil bij Jou gezocht, want Jij kan ons volkomen beschermen! We zijn ons heel goed van Je grootheid bewust. Daarom zijn we niet meer in verlossing geïnteresseerd en zoeken ons heil slechts bij Je lotusvoeten. Aangezien we hebben gehoord van Je altijd toenemende bovenzinnelijke liefde, hebben we ons vrijwillig in Je bovenzinnelijke dienst begeven."
Dit is een uitspraak van een toegewijde die zich onder de hoede en bescherming van Heer Kṛṣṇa bevindt.
bescherming van Heer Kṛṣṇa bevindt.
Gestraft door de voeten van Kṛṣṇa, die hem voortdurend op zijn hoofd stampten, kwam Kāliya, de zwarte slang van de Yamunā, bij zijn positieven en erkende:
"O lieve Heer, ik heb me zo kwaad jegens U gedragen, maar toch bent U zo goed, dat U op mijn hoofd een teken van Uw lotusvoeten hebt willen aanbrengen."
Ook dit is een voorbeeld van iemand die zijn toevlucht bij de lotusvoeten van de Heer zoekt.
In de Aparādha-bhañjana brengt een zuivere toegewijde als volgt zijn gevoelens tot uiting:
“Lieve Heer, ik schaam me om U te bekennen dat ik steeds maar de wil heb gedaan van mijn meesters genaamd lust, woede, hebzucht, begoocheling en afgunst. Soms voerde ik hun opdrachten op een hoogst verfoeilijke wijze uit. Maar hoewel ik hen zo trouw heb gediend, voelen ze zich niet voldaan, noch zijn ze zo goed om me uit hun dienst te ontslaan. Ze schamen zich er zelfs niet voor om me zo tot verder dienen te dwingen. O lieve Heer, o hoofd van het geslacht Yadu, nu ben ik tot mijn positieven gekomen en zoek mijn toevlucht bij Uw lotusvoeten. Verbind me alstublieft in Uw dienst."
Ook dit is een geval van overgave aan Kṛṣṇa en het zoeken van toevlucht bij Zijn lotusvoeten.
In de verschillende Vedische Schriften vinden we veel voorbeelden van mensen die langs theoretiserende weg naar verlossing streefden, maar dit streven lieten varen teneinde zich geheel aan de lotusvoeten van Kṛṣṇa over te geven. Zulke personen zijn onder andere de brāhmaṇa's onder leiding van Saunaka in het Naimișāraņya-bos, (1) Grote geleerden beschouwen hen als toegewijden in volkomen staat van wijsheid.                 
In de Hari-bhakti-sudhodaya staat een uitspraak van deze grote brāhmaṇa's en wijzen onder leiding van Saunaka Rşi, gericht tot Sūta Gosvāmī:
"Dierbare grote ziel, kijk toch eens hoe prachtig dit is! Hoewel we als mensenwezens door allerlei stoffelijke smetten bezoedeld zijn, merken we, nu we met u over de Allerhoogste Godspersoon spreken, dat we ons verlangen naar verlossing steeds meer beginnen af te keuren."
(1) Dit zijn de brāhmaņa's tot wie het Śrīmad-Bhāgavatam werd gesproken door Sūta Gosvāmī, zoals beschreven in het Śrīmad-Bhāgavatam (1.1.1) van dezelfde auteur.
"Laten de mensen die aan de speculatieve kennisverwervingsweg van de zelfverwerkelijking gehecht zijn, voor wie het vaststaat dat de Allerhoogste Waarheid niet door meditatie te kennen valt en die zo in de geaardheid goedheid gevestigd zijn geraakt -laat ze rustig doorgaan met hun bezigheden. Maar wat ons betreft, wij zijn alleen maar gehecht aan de Allerhoogste Godspersoon, die zo strelend zacht van aard is, wiens huid de kleur van een donkere wolk bezit, die in het geel gekleed gaat en prachtige lotusogen heeft. Alleen op Hem willen wij mediteren."
Mensen die vanaf de eerste fase van hun zelfverwerkelijking aan de toegewijde dienst zijn gehecht worden sevāniṣṭha's genoemd. Sevāniṣṭha betekent ‘gewoon aan de toegewijde dienst gehecht'. De beste voorbeelden van zulke toegewijden zijn Heer Śiva, Koning Indra, Koning Ikșvāku, Śrutadeva en Puṇḍarīka. Een toegewijde zegt:
"Lieve Heer, Uw bovenzinnelijke eigenschappen trekken zelfs de verloste zielen aan en voeren hen binnen in de kring van toegewijden, waar Uw heerlijkheid voortdurend bezongen wordt. Zelfs grote wijzen, die normaal op eenzame plekken verblijven, worden evenzeer door de liederen die Uw heerlijkheid bezingen aangelokt. En oog in oog met al Uw bovenzinnelijke eigenschappen, ben ook ik ertoe aangetrokken geraakt en heb besloten mijn leven aan Uw liefdedienst te wijden."

Vaste metgezellen

In de stad Dvārakā staan de volgende toegewijden bekend als Kṛṣṇa's intieme metgezellen: Uddhava, Dāruka, Sātyaki, Śrutadeva, Śatrujit, Nanda, Upananda en Bhadra. Al deze personen omringen de Heer als zijn secretarissen, maar soms bewijzen ze Hem ook een persoonlijke dienst. Van de Kuru-dynastie zijn ook Bhīșma, Mahārāja Parīkṣit en Vidura als intieme metgezellen van Heer Kṛṣṇa bekend. Van hen wordt gezegd:
"Alle metgezellen van Heer Kṛṣṇa hebben een stralend lichaam en hun ogen zijn precies lotussen. Ze zijn zo sterk, dat ze de kracht van de goden overtreffen en hun bijzondere kenmerk is dat ze altijd met kostbare sieraden getooid zijn."
Toen Kṛṣṇa in de hoofdstad Indraprastha was, zei iemand tot Hem:
"Lieve Heer, Uw persoonlijke metgezellen onder leiding van Uddhava staan bij de toegangspoort van Dvārakā altijd op Uw aanwijzingen te wachten. Meestal kijken ze naar U met tranen in hun ogen, en in het enthousiasme van hun dienst aan U zijn ze zelfs niet bang voor het verwoestende vuur dat door Heer Śiva wordt verwekt. Deze zielen zijn volkomen aan Uw lotusvoeten uitgeleverd."
Van de vele intieme metgezellen van Heer Kṛṣṇa wordt Uddhava als de beste beschouwd. Hier volgt een beschrijving van hem:
"Zijn lichaamskleur is zwart als de tint van de Yamunā en zijn huid is even koel. Hij gaat altijd getooid met bloemenkransen die eerst door Heer Kṛṣṇa zijn gebruikt, en hij draagt kleren van gele zijde. Zijn twee armen zijn net deurgrendels, zijn ogen lotussen en hij is de belangrijkste toegewijde onder alle metgezellen. Laten we daarom onze eerbiedige eerbetuigingen aan Uddhava's lotusvoeten brengen."
Uddhava heeft de bovenzinnelijke eigenschappen van Srī Kṛṣṇa als volgt beschreven:
"Heer Śrī Kṛṣṇa, die onze meester is en het Godsbeeld dat wij aanbidden, de bestuurder van Heer Śiva en Heer Brahmā alsook van het ganse heelal, laat Zich besturen door de opdrachten van Zijn grootvader Ugrasena. Hij is de eigenaar van miljoenen universa, maar toch vroeg Hij de oceaan om een beetje land. En hoewel Hij een oceaan van wijsheid is, vraagt Hij mij soms om raad. Verheven en grootmoedig als Hij is, doet Hij toch allerlei gewone mensendingen."

Volgelingen van de Heer

Degenen die altijd in persoonlijke dienst van de Heer zijn worden anuga's of volgelingen genoemd. Voorbeelden van zulke volgelingen zijn Sucandra, Maṇḍana, Stamba en Sutamba. Het zijn allen inwoners van de stad Dvārakā en ze kleden en sieren zich als de andere metgezellen. De verschillende vormen van dienst die aan de anuga's worden toevertrouwd lopen uiteen. Maṇḍana draagt altijd de parasol boven Heer Kṛṣṇa's hoofd. Sucandra bewaaiert Hem altijd met de witte cāmara, de wuifkwast, en Sutamba moet steeds voor verse betelnoten zorgen. Het zijn allen grote toegewijden en ze zijn altijd bezig in de bovenzinnelijke liefdedienst van de Heer.
Zoals er anuga's in Dvārakā zijn, zijn er ook veel anuga's in Vṛndāvana. De namen van de anuga's in Vṛndāvana zijn: Raktaka, Patraka, Patrī, Madhukaņțha, Madhuvrata, Rasāla, Suvilāsa, Premakanda, Marandaka, Ānanda, Candrahāsa, Payoda, Bakula, Rasada en Sārada.
Het uiterlijk van de anuga's in Vṛndāvana  wordt met de volgende uitspraak beschreven:
"Laten we onze eerbiedige eerbetuigingen brengen aan de vaste metgezellen van de zoon van Mahārāja Nanda. Ze verblijven altijd in Vṛndāvana en hun lichaam is getooid met parelsnoeren en ringen en armbanden van goud. Hun tint is als die van zwarte bijen en de gouden maan, en hun kledij past precies bij hun bijzondere uiterlijk."
Wat hun speciale taak is kan men leren uit een verklaring van moeder Yaśodā, die zei:
"Bakula, maak alsjeblieft Kṛṣṇa 's gele kleed schoon. Vārika, doe een scheutje aguru [reukolie] in het badwater en Rasāla, maak jij de betelnoten klaar. Jullie kunnen allemaal zien dat Kṛṣṇa eraan komt. Er hangt stof in de lucht en men kan de koeien al goed onderscheiden."
Van alle anuga's wordt Raktaka als de belangrijkste gezien. Zijn uiterlijk wordt als volgt beschreven:
"Hij heeft gele kleren aan en zijn huidskleur is als die van jong gras. Hij is een bekwaam zanger en bewijst de zoon van Mahārāja Nanda altijd zijn dienst. Laten we allemaal Raktaka's voorbeeld volgen in het liefdevol dienen van Kṛṣṇa!"
Hoezeer Raktaka aan Heer Kṛṣṇa gehecht was kan men afleiden uit deze uitspraak van hem, gericht tot Rasada:
"Hoor wat ik je zeg! Laat me alsjeblieft altijd daar zijn waar ik Heer Kṛṣṇa kan dienen, die nu beroemd is geworden als degene die de heuvel Govardhana heeft opgetild."
De toegewijden van Kṛṣṇa die Hem persoonlijk dienen zijn altijd zeer op hun hoede, omdat ze weten dat het persoonlijk dienaarschap van Heer Kṛṣṇa niet zomaar wat is. Als iemand alleen al respect betoont aan de mieren die de Heer dienen, wordt hij eeuwig gelukkig, laat staan dus als men Heer Kṛṣṇa rechtstreeks dienst bewijst. Raktaka zei eens bij zichzelf:
"Kṛṣṇa is niet alleen mijn Heer die ik aanbid en dien, maar ook de vriendinnen van Kṛṣṇa, de gopī's, ben ik dezelfde dienst en eerbied verschuldigd. En niet alleen de gopī's, maar iedereen die in dienst van de Heer is moet ik dienen en eren. Ik weet dat ik erg op moet passen dat ik niet overdreven trots word, omdat ik een van de dienaren en toegewijden van de Heer ben."
Uit deze verklaring kan men afleiden dat de zuivere toegewijden, die in werkelijke dienst van de Heer zijn, altijd bijzonder op hun hoede zijn en zich nooit op hun dienst beroemen.
Deze instelling van de persoonlijke dienaar van Kṛṣṇa wordt dhūrya genoemd. Afgaand op het resultaat van de bestudering van de persoonlijke metgezellen van de Heer, verricht door grote deskundigen, heeft Śrīla Rūpa Gosvämi hen onderverdeeld in drie categoriën, namelijk dhūrya, dhīra en vīra. Raktaka is ondergebracht bij de dhūrya's of degenen die eraan gehecht zijn om altijd de meest geliefde gopī's te dienen.
Deze instelling van de persoonlijke dienaar van Kṛṣṇa wordt dhūrya genoemd. Afgaand op het resultaat van de bestudering van de persoonlijke metgezellen van de Heer, verricht door grote deskundigen, heeft Śrīla Rūpa Gosvämi hen onderverdeeld in drie categoriën, namelijk dhūrya, dhīra en vīra. Raktaka is ondergebracht bij de dhūrya's of degenen die eraan gehecht zijn om altijd de meest geliefde gopī's te dienen.
Een vīra metgezel verklaarde eens trots:
"Ook al is Heer Baladeva een grote vijand van Pralabāsura, ik heb niets van Hem te duchten. En wat Pradyumna aangaat, ik hoef niets van hem te pikken, want hij is nog maar een jongen. Daarom verwacht ik geen problemen van wie dan ook. Ik verwacht alleen dat Kṛṣṇa me welwillend aanziet, en daarom ben ik zelfs niet bang voor Satyabhāmā, die Kṛṣṇa zo dierbaar is."
In het Śrīmad-Bhāgavatam (4.20.28) zegt Koning Prthu tot de Heer:
"Lieve Heer, het is mogelijk dat de geluksgodin ontevreden is over mijn werk, of misschien rijst er zelfs een misverstand tussen mij en haar, maar het kan me niet schelen, omdat ik volledig op U vertrouw. U bent Uw dienaren altijd grondeloos genadig en beschouwt zelfs hun hand- en spandiensten als hoogst gevorderd. Dus ik vertrouw erop dat U mijn nederige dienst wilt aanvaarden, ook al is ze het niet waard dat U haar opmerkt. Lieve Heer, U bent in Uzelf voldaan, U kunt doen wat U wilt zonder dat iemand U daarbij zou moeten helpen. Dus zelfs als de geluksgodin ontevreden over me is, weet ik dat U hoe dan ook altijd mijn dienst zult willen aannemen."
Toegewijden die in bovenzinnelijke liefdedienst aan de Heer gehecht zijn kunnen beschreven worden als overgeven zielen, als zielen die gevorderd zijn in toegewijde kennis, of als zielen die volkomen in bovenzinnelijke liefdedienst verbonden zijn. Ze worden respectievelijk beginneling, volmaakt en eeuwig volmaakt genoemd.