Default View
Dual Language View
HOOFDSTUK 37
Stimulansen tot het dienen van Kṛṣṇa
De grondeloze genade van Kṛṣṇa, het stof van Zijn lotusvoeten, Zijn prasāda en de omgang met Zijn toegewijden zijn enkele zaken die een toegewijde ertoe stimuleren de Heer bovenzinnelijke liefdedienst te bewijzen.
Kṛṣṇa toonde Zijn grondeloze genade toen Hij bij het heengaan van grootvader Bhīșma tegenwoordig was. Tijdens de Slag van Kurukṣetra lag Bhīșmadeva, de grootvader van Arjuna, voordat hij deze sterfelijke wereld verliet, op een bed van pijlen uitgestrekt. Toen Heer Kṛṣṇa, Mahārāja Yudhișțhira en de andere Pāņdava's op Bhīșmadeva toetraden, was hij Heer Kṛṣṇa uiterst dankbaar en sprak als volgt tot de brahmaanse legerbevelhebber Kṛpācārya:
"Mijn beste Kṛpācārya, zie toch hoe geweldig Heer Kṛṣṇa's grondeloze genade is ! Ik verkeer in een hoogst ongelukkige positie.Ik heb niets te betekenen. Ik viel Arjuna, Kṛṣṇa's innigste vriend, aan -ik probeerde hem zelfs te doden! Er is dus zo veel dat tegen me pleit, en toch is de Heer zo goed dat Hij in mijn laatste levensuur bij me verschenen is. Hij verdient de aanbidding van alle grote wijzen, maar is zo genadig dat Hij naar een verfoeilijk mens als ik is toegekomen."
"Mijn beste Kṛpācārya, zie toch hoe geweldig Heer Kṛṣṇa's grondeloze genade is ! Ik verkeer in een hoogst ongelukkige positie.Ik heb niets te betekenen. Ik viel Arjuna, Kṛṣṇa's innigste vriend, aan -ik probeerde hem zelfs te doden! Er is dus zo veel dat tegen me pleit, en toch is de Heer zo goed dat Hij in mijn laatste levensuur bij me verschenen is. Hij verdient de aanbidding van alle grote wijzen, maar is zo genadig dat Hij naar een verfoeilijk mens als ik is toegekomen."
Soms zijn ook de klanken van Heer Kṛṣṇa's fluit en Zijn blazen op Zijn hoorn, Zijn glimlach, Zijn voetafdrukken op de grond, de bovenzinnelijke geur van Zijn lichaam en het verschijnen van een nieuwe wolk aan de hemel een stimulans tot extatische liefde voor Hem.
In de Vidagdha-mādhava vindt men de volgende uitspraak:
"Toen Kṛṣṇa op Zijn fluit speelde, zei Baladeva zeer bezorgd: 'Kijk toch eens hoe Indra, de hemelkoning, bij het horen van de bovenzinnelijke klank van Kṛṣṇa's fluit in tranen is uitgebarsten in zijn hemels koninkrijk! En nu zijn tranen op de grond vallen, lijkt Vṛndāvana een hemels godenverblijf te zijn geworden'."
"Toen Kṛṣṇa op Zijn fluit speelde, zei Baladeva zeer bezorgd: 'Kijk toch eens hoe Indra, de hemelkoning, bij het horen van de bovenzinnelijke klank van Kṛṣṇa's fluit in tranen is uitgebarsten in zijn hemels koninkrijk! En nu zijn tranen op de grond vallen, lijkt Vṛndāvana een hemels godenverblijf te zijn geworden'."
Men herkent extatische liefde voor Kṛṣṇa, die anubhāva wordt genoemd, aan de volgende symptomen: men raakt exclusief in dienst van de Heer verbonden en let erop dat men Zijn opdrachten getrouw opvolgt; in Zijn volledige bovenzinnelijke liefdedienst raakt men bevrijd van verwarring en afgunst; en men sluit vriendschap met de toegewijden van de Heer, die Hem hun trouwe dienst bewijzen. Al deze symptomen zijn kenmerkend voor anubhāva, extatische liefde.
Het eerste kenmerk van anubhāva, het verbonden raken in een bijzondere vorm van dienst, vindt men bij Dāruka, een dienaar van Kṛṣṇa die de Heer met een cāmara of wuifkwast bewaaierde. Wanneer hij deze dienst verrichtte, was hij van extatische liefde vervuld en werden de symptomen daarvan uiterlijk zichtbaar. Maar Dāruka was zo serieus op het verrichten van zijn dienst gespitst, dat hij al deze uitingen van extatische liefde een halt toeriep en slechts als verstoring van zijn bezigheid beschouwde. Hij liet zich niet veel aan deze symptomen gelegen liggen, ook al deden ze zich vanzelf bij hem voor.
In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.86.38) wordt beschreven hoe Śrutadeva, een brāhmaṇa uit het land Mithilā in Noord-India, zo door vreugde overweldigd raakte zodra hij Kṛṣṇa ontwaarde, dat hij dadelijk nadat hij zich aan de lotusvoeten van de Heer had neergebogen, opsprong en met beide armen boven het hoofd geheven begon te dansen.
Een toegewijde van Heer Kṛṣṇa sprak Hem eens aldus aan:
"Lieve Heer, hoewel U geen beroepsdanser bent, hebt U ons met Uw dansen zo verbluft, dat we begrijpen dat U de grote dansmeester in eigen persoon bent. U moet rechtstreeks van de liefdesgodin hebben leren dansen."
Wanneer een toegewijde in extatische liefde danst, doen er zich symptomen bij hem voor die sāttvika worden genoemd. Sāttvika betekent dat ze van bovenzinnelijk niveau zijn. Het zijn geen symptomen van materiële emotie; ze stijgen op uit de ziel zelf.
"Lieve Heer, hoewel U geen beroepsdanser bent, hebt U ons met Uw dansen zo verbluft, dat we begrijpen dat U de grote dansmeester in eigen persoon bent. U moet rechtstreeks van de liefdesgodin hebben leren dansen."
Wanneer een toegewijde in extatische liefde danst, doen er zich symptomen bij hem voor die sāttvika worden genoemd. Sāttvika betekent dat ze van bovenzinnelijk niveau zijn. Het zijn geen symptomen van materiële emotie; ze stijgen op uit de ziel zelf.
In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.85.38) zegt Śukadeva Gosvāmī tot Mahārāja Parīkṣit dat Bali Mahārāja, zodra hij al zijn hebben en houden aan de lotusvoeten van Vāmanadeva had overgegeven, de voeten van de Heer vastpakte en aan zijn hart drukte. Door vreugde overweldigd, openbaarde hij alle tekenen van extatische liefde, waarbij de tranen hem in de ogen kwamen en zijn stem stokte.
Bij zulke uitingen van extatische liefde zijn er vele andere bijkomende symptomen, zoals uitgelatenheid, ineenkrimpen, stilzwijgen, teleurstelling, somberheid, eerbied, bedachtzaamheid, heugenis, twijfel, vertrouwen, gretigheid, onverschilligheid, rusteloosheid, onbeschaamdheid, verlegenheid, traagheid, begoocheling, waanzin, gruwel, bespiegeling, gedroom, ziekte en tekenen van sterven. Ontmoet een toegewijde Kṛṣṇa, dan doen zich symptomen voor van uitgelatenheid, trots en volharding, en als er een groot gevoel van gescheidenheid van Kṛṣṇa is, voeren de symptomen van gruwel, ziekte en naderend sterven de boventoon.
In het Śrīmad-Bhāgavatam (1.11.5) wordt verklaard dat toen Heer Kṛṣṇa van het Slagveld van Kurukṣetra in Dvārakā thuiskwam, alle inwoners van Dvārakā met Hem begonnen te praten zoals een kind liefdevol met zijn vader praat wanneer zijn vader uit den vreemde is teruggekeerd. Dit is een voorbeeld van uitgelatenheid.
Toen Bahulāśva, de koning van Mithilā, Kṛṣṇa in Zijn paleis bezocht, besloot hij Hem zijn eer te betuigen door minstens honderd keer voor Hem neer te buigen, maar hij werd zo door liefdegevoelens overweldigd, dat hij al bij de eerste buiging vergat waar hij was en niet meer overeind kon komen.
Toen Bahulāśva, de koning van Mithilā, Kṛṣṇa in Zijn paleis bezocht, besloot hij Hem zijn eer te betuigen door minstens honderd keer voor Hem neer te buigen, maar hij werd zo door liefdegevoelens overweldigd, dat hij al bij de eerste buiging vergat waar hij was en niet meer overeind kon komen. Dit is een voorbeeld van verschrompeling als gevolg van extatische liefde.
Koning Indra, de hemelvorst, bracht als volgt zijn teleurstelling onder woorden. Toen hij de zonnegod zag, zei Indra tot Hem:
"Mijn beste zonnegod, je zonneschijn is allerheerlijkst, omdat hij tot de lotusvoeten van Heer Kṛṣṇa reikt, die de meester van de
Yadu-dynastie is. Ik heb duizenden ogen, maar ze blijken allemaal
nutteloos te zijn, omdat ik er zelfs geen ogenblik de lotusvoeten van de Heer mee kan aanschouwen."
"Mijn beste zonnegod, je zonneschijn is allerheerlijkst, omdat hij tot de lotusvoeten van Heer Kṛṣṇa reikt, die de meester van de
Yadu-dynastie is. Ik heb duizenden ogen, maar ze blijken allemaal
nutteloos te zijn, omdat ik er zelfs geen ogenblik de lotusvoeten van de Heer mee kan aanschouwen."
Eerbiedige toewijding tot de Heer neemt geleidelijk toe en gaat over in extatische liefde, vervolgens in genegenheid en dan in aangetrokkenheid. In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.38.6) zegt Akrūra:
"Omdat ik Heer Kṛṣṇa vandaag zal zien, zijn alle tekenen van onheil al gedood. Mijn leven is nu met succes bekroond, omdat ik mijn eerbetuigingen zal kunnen brengen aan de lotusvoeten van de Allerhoogste Godspersoon!"
"Omdat ik Heer Kṛṣṇa vandaag zal zien, zijn alle tekenen van onheil al gedood. Mijn leven is nu met succes bekroond, omdat ik mijn eerbetuigingen zal kunnen brengen aan de lotusvoeten van de Allerhoogste Godspersoon!"
Een andere toegewijde in de extase van eerbiedige genegenheid zei eens:
"Wanneer komt die heerlijke dag in mijn leven dat ik naar de oever van de Yamunā zal kunnen gaan en daar Heer Kṛṣṇa als koeienjongen kan zien spelen?"
"Wanneer komt die heerlijke dag in mijn leven dat ik naar de oever van de Yamunā zal kunnen gaan en daar Heer Kṛṣṇa als koeienjongen kan zien spelen?"
Wanneer deze extatische liefde niet vermindert en van alle vormen van twijfel is ontdaan, heeft de toegewijde het niveau van bestendige liefde voor Kṛṣṇa bereikt. Alle uitingen van leed van de toegewijde op dat niveau worden anubhāva of extatische liefdessymptomen genoemd.
Het symptoom van extatische genegenheid in eerbied zoals bij Bali Mahārāja werd als volgt door hem beschreven:
"Lieve Heer, U hebt me zowel gestraft als me Uw grondeloze genade getoond. Mijn conclusie hieruit is dat wanneer ik mijn heil bij Uw lotusvoeten heb gezocht, ik in geen enkele levensomstandigheid van streek zal kunnen raken. Of U me nu de gelegenheid geeft om alle volmaaktheden van het yoga-stelsel te genieten of me in de meest verfoeilijke helse bestaanstoestand werpt, ik raak er nooit van in de war."
"Lieve Heer, U hebt me zowel gestraft als me Uw grondeloze genade getoond. Mijn conclusie hieruit is dat wanneer ik mijn heil bij Uw lotusvoeten heb gezocht, ik in geen enkele levensomstandigheid van streek zal kunnen raken. Of U me nu de gelegenheid geeft om alle volmaaktheden van het yoga-stelsel te genieten of me in de meest verfoeilijke helse bestaanstoestand werpt, ik raak er nooit van in de war."
Nadat Kṛṣṇa Bali Mahārāja had gesproken, zei Hij Zelf tot Uddhava:
"Mijn beste vriend, hoe kan Ik het voortreffelijke karakter van Balí Mahārāja, de zoon van Virocana, beschrijven? Hoewel de koning van de sura's [halfgoden] door deze zoon van Virocana vervloekt was, en hoewel Ik hem in Mijn Vāmana-gedaante be-droog en al zijn gebied in het hele universum van hem afnam, en hoewel Ik hem nog bekritiseerde ook, als had hij zijn belofte niet waargemaakt, toch bemint hij Me, zoals je zojuist hebt bemerkt in zijn koninkrijk, waar hij zijn liefde voor Mij met warmte onder woorden bracht."(1)
"Mijn beste vriend, hoe kan Ik het voortreffelijke karakter van Balí Mahārāja, de zoon van Virocana, beschrijven? Hoewel de koning van de sura's [halfgoden] door deze zoon van Virocana vervloekt was, en hoewel Ik hem in Mijn Vāmana-gedaante be-droog en al zijn gebied in het hele universum van hem afnam, en hoewel Ik hem nog bekritiseerde ook, als had hij zijn belofte niet waargemaakt, toch bemint hij Me, zoals je zojuist hebt bemerkt in zijn koninkrijk, waar hij zijn liefde voor Mij met warmte onder woorden bracht."(1)
(1) Bali was een demonenvorst die oorlog voerde tegen de goden en het universum bijna veroverde. Toen de goden om hulp baden, verscheen de Heer als Vāmanadeva, een brāhmaṇa in dwerggedaante, en vroeg Bali om drie passen grond. Bali stemde hiermee in, en met zijn eerste twee passen omvatte Vāmana alle werelden. Vervolgens wenste Hij te weten waar Hij Zijn derde stap zou kunnen zetten. Bali legde nu zijn hoofd onder de voet van de Heer en werd zo een mahājana of grote toegewijde.
When such a feeling of love becomes intensified, it is called affection. In that affectional stage, one cannot bear separation from Kṛṣṇa even for a moment.
Een toegewijde zei tot Dāruka, de dienaar van Kṛṣṇa:
"Mijn beste Dāruka, wanneer je er uit gescheidenheid van Kṛṣṇa als een blok hout bijstaat, is dat niets speciaals. Wanneer willekeurig welke toegewijde Kṛṣṇa ziet, lopen zijn ogen vol tranen, en in gescheidenheid van Hem zou iedere toegewijde als jij verstard raken en er precies als een houten pop bijstaan. Dat is heus niet zo erg bijzonder."
"Mijn beste Dāruka, wanneer je er uit gescheidenheid van Kṛṣṇa als een blok hout bijstaat, is dat niets speciaals. Wanneer willekeurig welke toegewijde Kṛṣṇa ziet, lopen zijn ogen vol tranen, en in gescheidenheid van Hem zou iedere toegewijde als jij verstard raken en er precies als een houten pop bijstaan. Dat is heus niet zo erg bijzonder."
"Mijn beste Dāruka, wanneer je er uit gescheidenheid van Kṛṣṇa als een blok hout bijstaat, is dat niets speciaals. Wanneer willekeurig welke toegewijde Kṛṣṇa ziet, lopen zijn ogen vol tranen, en in gescheidenheid van Hem zou iedere toegewijde als jij verstard raken en er precies als een houten pop bijstaan. Dat is heus niet zo erg bijzonder."
Wanneer genegenheid de symptomen te zien geeft van ter wille geluk en verdriet, wordt ze aangetrokkenheid genoemd. In deze staat van aangetrokkenheid in extatische liefde kan men allerlei rampspoed rustig onder ogen zien. Een toegewijde in deze toestand raakt zelfs in doodsgevaar nooit van zijn bovenzinnelijke liefdedienst aan de Heer vervreemd. Een prachtig voorbeeld van zulke extatische liefde werd getoond door Koning Parīkṣit, toen hij op het punt stond te sterven. Hoewel hij van zijn koninkrijk, dat zich over de hele wereld uitstrekte, ontdaan was, en hoewel hij niet eens een druppel water meer tot zich nam in de zeven dagen die hem van zijn leven restten, omdat hij naar de verhalen over het bovenzinnelijke spel en vermaak zoals verteld door Śukadeva Gosvāmī luisterde, voelde hij zich niet in het minst bedrukt. Hij ervoer integendeel rechtstreekse bovenzinnelijke extatische vreugde in de omgang met Śukadeva Gosvāmi.
Een toegewijde bracht eens vertrouwelijk deze mening naar voren:
"Als ik ook maar één druppel van de genade van Heer Kṛṣṇa mag ontvangen, zal ik me volkomen zorgeloos voelen, al zit ik midden in een brand of lig ik midden in de oceaan. Maar raak ik van Zijn grondeloze genade beroofd, dan zal ik, ook al werd ik koning van Dvārakā, van het minste geringste in de war raken."
"Als ik ook maar één druppel van de genade van Heer Kṛṣṇa mag ontvangen, zal ik me volkomen zorgeloos voelen, al zit ik midden in een brand of lig ik midden in de oceaan. Maar raak ik van Zijn grondeloze genade beroofd, dan zal ik, ook al werd ik koning van Dvārakā, van het minste geringste in de war raken."
Toegewijden als Mahārāja Parīkṣit en Uddhava bevinden zich in extatische aangetrokkenheid op basis van genegenheid, en in die toestand van genegenheid openbaart zich een gevoel van vriendschap. Toen Uddhava van alle stoffelijke smetten gereinigd was, zag hij de Heer, en zijn keel raakte verstikt, zodat hij niet kon spreken. Hij kon de Heer slechts met de bewegingen van zijn wenkbrauwen omhelzen. Dit soort extatische liefde wordt door grote geleerden in tweeën onderscheiden: optelling en aftrekking. Als een toegewijde niet rechtstreeks met de Heer omgaat, wordt ze aftrekking genoemd. In deze liefdestoestand is men innerlijk voortdurend op de lotusvoeten van de Heer gericht. De toegewijde begint ernaar te hunkeren om de bovenzinnelijke eigenschappen van de Heer te leren kennen. Het belangrijkste waarnaar zo'n toegewijde kan streven is omgang met de Heer.
Toegewijden als Mahārāja Parīkṣit en Uddhava bevinden zich in extatische aangetrokkenheid op basis van genegenheid, en in die toestand van genegenheid openbaart zich een gevoel van vriendschap. Toen Uddhava van alle stoffelijke smetten gereinigd was, zag hij de Heer, en zijn keel raakte verstikt, zodat hij niet kon spreken. Hij kon de Heer slechts met de bewegingen van zijn wenkbrauwen omhelzen. Dit soort extatische liefde wordt door grote geleerden in tweeën onderscheiden: optelling en aftrekking. Als een toegewijde niet rechtstreeks met de Heer omgaat, wordt ze aftrekking genoemd. In deze liefdestoestand is men innerlijk voortdurend op de lotusvoeten van de Heer gericht. De toegewijde begint ernaar te hunkeren om de bovenzinnelijke eigenschappen van de Heer te leren kennen. Het belangrijkste waarnaar zo'n toegewijde kan streven is omgang met de Heer.
In de Kṛṣṇa-karṇāmṛta, geschreven door Bilvamaṅgala Ṭhākura, prijkt de volgende uiting van gretig verlangen in extatische liefde:
"O hoe ellendig is het, mijn lieve Kṛṣṇa, o vriend van hen die alle hoop hebben opgegeven! O genadige Heer, hoe kan ik deze vreugdeloze dagen doorkomen zonder U te zien?"
Net zo'n gevoel bracht Uddhava onder woorden in een brief aan Kṛṣṇa:
"Mijn beste Opperheer van Vraja, Jou te zien is nectar voor het oog, en zonder Je lotusvoeten en de stralengloed van Je lichaam te aanschouwen is mijn geest altijd somber. Ik kan dan in geen enkele omstandigheid vrede vinden. Bovendien lijkt elk ogenblik dat ik van Je gescheiden ben vele lange jaren te duren."
"O hoe ellendig is het, mijn lieve Kṛṣṇa, o vriend van hen die alle hoop hebben opgegeven! O genadige Heer, hoe kan ik deze vreugdeloze dagen doorkomen zonder U te zien?"
Net zo'n gevoel bracht Uddhava onder woorden in een brief aan Kṛṣṇa:
"Mijn beste Opperheer van Vraja, Jou te zien is nectar voor het oog, en zonder Je lotusvoeten en de stralengloed van Je lichaam te aanschouwen is mijn geest altijd somber. Ik kan dan in geen enkele omstandigheid vrede vinden. Bovendien lijkt elk ogenblik dat ik van Je gescheiden ben vele lange jaren te duren."
In de Kṛṣṇa-karṇāmṛta wordt ook gezegd:
“Lieve Heer, U bent de oceaan van genade. Met mijn armen om mijn hoofd, buig ik me in alle nederigheid en oprechtheid voor U neer. Ik bid tot U, mijn Heer, wilt U zo genadig zijn om slechts een beetje water van Uw blik op me te sprenkelen? Dat zal mij grote voldoening schenken."
“Lieve Heer, U bent de oceaan van genade. Met mijn armen om mijn hoofd, buig ik me in alle nederigheid en oprechtheid voor U neer. Ik bid tot U, mijn Heer, wilt U zo genadig zijn om slechts een beetje water van Uw blik op me te sprenkelen? Dat zal mij grote voldoening schenken."
Een toegewijde van Heer Kṛṣṇa zei:
"Wanneer zelfs Śaśiśekhara [Heer Śiva] U niet kan zien, wat voor kans heb ík dan nog, die minder ben dan een ellendige wurm? Ik heb alleen maar kwaad gedaan. Ik weet dat ik helemaal niet de juiste figuur ben om U mijn gebeden te brengen, maar omdat men U kent als Dīnabandhu, de vriend van
de gevallenen, bid ik nederig dat U me in Uw goedheid met het licht van Uw bovenzinnelijke blik wilt louteren. Alleen als ik volkomen door Uw genadige blik zal worden gebaad, word ik misschien gered. Daarom verzoek ik U, mijn Heer, me Uw genadige blik te schenken."
"Wanneer zelfs Śaśiśekhara [Heer Śiva] U niet kan zien, wat voor kans heb ík dan nog, die minder ben dan een ellendige wurm? Ik heb alleen maar kwaad gedaan. Ik weet dat ik helemaal niet de juiste figuur ben om U mijn gebeden te brengen, maar omdat men U kent als Dīnabandhu, de vriend van
de gevallenen, bid ik nederig dat U me in Uw goedheid met het licht van Uw bovenzinnelijke blik wilt louteren. Alleen als ik volkomen door Uw genadige blik zal worden gebaad, word ik misschien gered. Daarom verzoek ik U, mijn Heer, me Uw genadige blik te schenken."