Default View
Dual Language

HOOFDSTUK 38

Onverschilligheid en gescheidenheid

De grote toegewijde Uddhava schreef Kṛṣṇa eens in een brief:
"Beste Kṛṣṇa, ik heb zojuist de bestudering beëindigd van allerlei filosofische werken en Vedische verzen over het doel van het leven en heb daardoor een beetje naam gemaakt. Maar in weerwil van mijn reputatie is mijn kennis verdoemd, want ook al baad ik me in de gloed van de Vedische kennis, toch had ik geen oog voor de gloed die aan de nagels van Je tenen ontspringt. Dus hoe eerder het met mijn trots en mijn Vedische kennis gedaan is, hoe beter!"
Dit is een voorbeeld van onverschilligheid.
Een andere toegewijde sprak zich zeer begerig als volgt uit:
"Mijn geest is erg wispelturig, daarom kan ik me niet op Je lotusvoeten concentreren. En nu ik mezelf zo machteloos zie, moet ik me schamen en kan de hele nacht niet slapen, omdat mijn groot onvermogen me vertwijfeld maakt."
In zijn Kṛṣṇa-karņāmrta legt Bilvamaṅgala Ṭhākura zijn rusteloosheid als volgt uit:
"Lieve Heer, Uw ondeugendheid als jongen is het prachtigste dat ik in de drie werelden ken. En U weet Zelf wat deze ondeugd voorstelt. Daarom kunt U heel makkelijk begrijpen waarom mijn geest zo wispelturig is. Het is iets tussen U en mij. Ik verlang er dan ook gewoon alleen maar naar om te weten hoe ik mijn geest op Uw lotusvoeten richten kan."
Een andere toegewijde toonde zich onbeschaamd, met de volgende woorden:
"Lieve Heer, vergetend hoe laag mijn positie is, moet ik bekennen dat mijn ogen als zwarte wespen zijn, die ernaar verlangen om rond Uw lotusvoeten te zweven."
In het Śrimad-Bhāgavatam (7.4.37) vertelt de grote wijze Nārada aan Mahārāja Yudhișțhira over Prahlāda, die van jongs af aan een toegewijde was. Het bewijs dat Prahlāda een spontane toegewijde was wordt geleverd door het feit dat hij zelfs als klein kind niet met zijn makkers speelde, maar er altijd op uit was om de heerlijkheid van de Heer te verkondigen. In plaats van met hen op te gaan en halsbrekende toeren met ze uit te halen, bleef hij werkeloos, omdat hij altijd in trance was en op Kṛṣṇa mediteerde. Daardoor kon hij met geen mogelijkheid door de uiterlijke wereld worden beroerd.
De volgende uitspraak is van een brahmaanse toegewijde:
“Deze brāhmaņa weet alles af van allerlei activiteiten, maar ik begrijp niet waarom hij zo omhoog zit te staren. Zijn lichaam lijkt even roerloos als een poppenlijf. Ik kan me indenken dat hij in deze toestand verstard is geraakt door de bovenzinnelijke schoonheid van die bedreven fluitspeler Śrī Kṛṣṇa, en uit gehechtheid aan Hem slechts naar die zwarte wolk staart, die hem aan de tint van Sri Kṛṣṇa's lichaam denken doet."
Uit dit voorbeeld blijkt hoe een toegewijde uit extatische liefde kan verstarren.
In het Śrīmad-Bhāgavatam (7.4.40) zegt Prahlāda Mahārāja dat hij zelfs als kind, wanneer hij de heerlijkheid van de Heer luidkeels verkondigde, altijd als een schaamteloze gek aan het dansen sloeg. En soms bootste hij, volledig opgaand in de activiteiten van de Heer, Zijn spel en vermaak na. Dit is een geval van een toegewijde die zich bijna als een dolleman gedraagt. Ook van de grote wijze Nārada wordt gezegd dat hij zo extatisch op Kṛṣṇa verliefd was, dat hij wel eens naakt rondsprong en zijn hele lichaam soms verstarde. Nu eens schaterde hij het uit, dan weer huilde hij luidkeels, ook wel zei hij niets, en soms ook leek het of hij een ziekte onder de leden had, hoewel dat niet het geval was. Ook dit is een voorbeeld van iemand die zich in de extase van zijn toewijding als een dolle gedraagt.
In de Hari-bhakti-sudhodaya wordt gezegd dat toen Prahlāda zichzelf niet geschikt achtte om tot de Allerhoogste Godspersoon te naderen, hij in een oceaan van droefenis verzonk. Daarbij vergoot hij tranen en lag als bewusteloos op de grond.
De leerlingen van een grote toegewijde spraken eens als volgt tot elkaar:
"Beste broeder-in-de-Heer, nadat onze geestelijk leraar de lotus-voeten van de Heer had gezien, heeft hij zich in het vuur van de jammer geworpen, en daardoor is zijn levenssap bijna helemaal verdroogd. Laten we nu de nectar van de heilige naam in zijn oren gieten, opdat de zwaan van zijn hart weer levenstekenen mag vertonen."
Toen Heer Kṛṣṇa naar de stad Śoņitapura ging om de strijd met Bali's zoon Bāņa aan te binden en al zijn armen af te hakken, raakte Uddhava uit gescheidenheid van Kṛṣṇa verstard, en in zijn gedachten aan de strijd kreeg hij het zelfs zo te kwaad, dat hij bijna het bewustzijn verloor.
Wanneer een toegewijde volkomen verliefd is op de Allerhoogste Godspersoon, kunnen zich uit zijn gevoelens van gescheidenheid van de Heer de volgende symptomen voordoen: een koortsachtige lichamelijke toestand, wegkwijningsverschijnselen, slaaptekort, onthechtheid, werkeloosheid, een ziekelijk voorkomen, waanzin, bewusteloosheid en soms de dood. 
Ten aanzien van de koortsachtige lichaamstoestand zei Uddhava eens tot Nārada:
"Mijn beste grote wijze, de lotus, die een vriend van de zon is, kan ons treurig stemmen, het vuur in de zee kan ons schroeien, en Indivara, de demonenvriend, kan ons op verschillende wijzen dwarszitten -het laat ons onverschillig. Het meest betreurenswaardige van dit alles is echter dat het ons aan Kṛṣṇa laat denken, en dat berokkent ons te veel leed!"
Dit is een voorbeeld van een koortsachtige toestand als gevolg van gescheidenheid van Kṛṣṇa.
Enkele van de toegewijden die Kṛṣṇa in Dvārakā gingen opzoeken en bij de poort werden tegengehouden zeiden:
"Beste Kṛṣṇa, o vriend van de Pāņdu's, zoals de zwanen graag hun hals tussen de lelies in het water steken en zouden sterven als ze eruit werden gehaald, willen ook wij alleen bij U zijn. Onze ledematen verschrompelen en verkwijnen, omdat U van ons weggenomen bent."
Hoewel de koning van Bahula er in zijn paleis riant bij zat, begon hijzijn nachten als uiterst lang en bedrukkend te ervaren, omdat hijniet bij Kṛṣṇa was.
Koning Yudhiṣṭhira zei eens:
"Kṛṣṇa, Arjuna's wagenmenner, is mijn enige familie in de drie werelden. Daarom is mijn geest dag en nacht door het dolle, zolang ik van Zijn lotusvoeten gescheiden ben, en weet ik niet hoe ik me moet gedragen en waarheen ik moet gaan om innerlijke rust te vinden."
Ook dit is een voorbeeld van slaaptekort.
Een paar van Kṛṣṇa's koeherdersvrienden zeiden:
“Beste Kṛṣṇa, o vijand van de demon Mura, denk eens aan Je lijfknecht Raktaka. Alleen maar omdat hij een pauwenveer zag, zit hij nu met zijn ogen dicht en heeft geen aandacht meer voor het hoeden van de koeien. Hij heeft ze juist in een afgelegen wei achtergelaten en niet eens de moeite genomen om ze met zijn stok bij elkaar te houden."
Dit is een geval van geestelijke onevenwichtigheid uit gescheidenheid van Kṛṣṇa.
Toen Heer Kṛṣṇa naar de hoofdstad van Koning Yudhiṣṭhira ging, raakte Uddhava zo door het vuur van de gescheidenheid van Srī Kṛṣṇa verzengd, dat het zweet hem van het verhitte lijf en de tranen hem uit de ogen gutsten, en daarbij verstarde hij volkomen.
Toen Srī Kṛṣṇa de stad Dvārakā verliet om het syamantaka-juweel te gaan zoeken en steeds maar niet thuiskwam, raakte Uddhava zo van streek, dat zijn líchaam ziekteverschijnselen begon te vertonen. In feite kreeg Uddhava door zijn buitensporige extatische liefde voor Kṛṣṇa in Dvärakā de naam dat hij een gek was. Tot zijn grote geluk raakte Uddhava's reputatie als gek die dag onwankelbaar gevestigd. Het bewijs voor Uddhava's gekheid werd vrijwel volledig geleverd, toen hij naar de heuvel Raivataka ging om er de samengedreven zwarte wolken aan een nauwkeurige beschouwing te onderwerpen. In zijn verwarde geestestoestand begon hij tot deze wolken te bidden boog zich uitgelaten voor hen neer.
Uddhava liet Kṛṣṇa weten:
"Mijn beste leider van het geslacht Yadu, Je dienaars in Vṛndāvana
kunnen 's nachts niet slapen, omdat ze aan Je liggen te denken, en nu liggen ze allemaal bijna verlamd aan de oever van de Yamunā. Ze lijken wel dood, want hun adem gaat heel traag."
Dit is een voorbeeld van bewusteloosheid uit gescheidenheid van Kṛṣṇa.
Kṛṣṇa kreeg eens te horen:
"U bent hart en ziel van alle inwoners van Vṛndāvana. Omdat U nu uit Vṛndāvana weg bent, ondergaan alle dienaars van Uw lotusvoeten leed. Het is alsof de lotusvijvers door de verzengende hitte van de gescheidenheid van U zijn verdroogd."
In dit voorbeeld worden de inwoners van Vṛndāvana vergeleken met vijvers vol lotussen, en vanwege de verzengende hitte van de gescheidenheid van Kṛṣṇa raken de vijvers -met de lotussen van hun leven- verdroogd. En de zwanen in de vijvers, met wie de levenskracht van de inwoners van Vṛndāvana vergeleken wordt, willen er niet meer wonen. Dus vanwege de verzengende hitte gaan de zwanen uit de meren weg. Met dit beeld wordt de geestesstaat geschetst van de toegewijden die van Kṛṣṇa gescheiden zijn.