Default View
Dual Language

HOOFDSTUK 39

Hoe men Kṛṣṇa ontmoet

Wanneer Kṛṣṇa en Zijn toegewijden elkaar ontmoeten, wordt deze ontmoeting technisch yoga genoemd, of verbinding met de Heer. De ontmoeting van Kṛṣṇa met Zijn toegewijde kan in drie categorieën worden onderscheiden, te weten volmaaktheid, voldoening en bestendigheid.
Wanneer de toegewijde Kṛṣṇa vol verlangen ontmoet, wordt dat niveau van ontmoeten als volmaaktheid aangemerkt. In het Kṛṣṇa-karnāmrta beschrijft Bilvamańgala Ţhākura hoe Kṛṣṇa Zijn toegewijden ontmoet:
"Met een pauwenveer op Zijn hoofd, marakata-stenen op Zijn borst en Zijn altijd betoverende glimlach, Zijn rusteloze ogen en Zijn uiterst tere lichaam."
In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.38.34) vertelt Śukadeva Gosvāmī aan Koning Parīkṣit:
"Mijn waarde vorst, zodra Akrūra, de wagenmenner, Heer Kṛṣṇa en Zijn oudere broer Balarāma in Vṛndāvana zag, kwam hij dadelijk van zijn wagen omlaag en viel, getroffen door genegenheid voor de bovenzinnelijke Heer, aan Zijn lotusvoeten neer om Hem zijn eerbiedige eerbetuigingen te brengen."
Dit zijn enkele voorbeelden van volmaakte ontmoetingen met Kṛṣṇa.
Wanneer een toegewijde Kṛṣṇa na een lange periode van gescheidenheid ontmoet, ligt zo'n ontmoeting op het vlak van voldoening. In het Śrīmad-Bhāgavatam (1.11.10) wordt verklaard dat toen Kṛṣṇa naar Zijn hoofdstad Dvārakā terugkeerde, de inwoners zeiden:
"Lieve Heer, als U zo lang in het buitenland bent, blijft ons de aanblik van Uw lachende gezicht onthouden! Wanneer we Uw gelaat aanschouwen, voelen we ons als Uw eeuwige dienaars hogelijk voldaan. Alle benauwdheid van ons bestaan valt dan dadelijk van ons af. Als we U niet kunnen zien, omdat U zo lang uit Dvārakā wegblijft, kunnen we onmogelijk door blijven leven."
Dit is een voorbeeld van voldoening bij het ontmoeten van Kṛṣṇa na lange gescheidenheid.
Toen Kṛṣṇa's lijfknecht Dāruka de Heer bij de poort van Dvārakā aanschouwde, vergat hij Hem met bijeengebrachte handen eer te betuigen.
Wanneer een toegewijde uiteindelijk met Kṛṣṇa omgaat, noemt men zijn positie die van bestendigheid in toegewijde dienst. Deze bestendige positie in de toegewijde dienst wordt beschreven in het werk Hamsadūta. Men leest daar hoe Akrūra, die door de gopī's als de verschrikking in eigen persoon werd beschouwd, met Kṛṣṇa over de activiteiten van de Kurudynastie sprak. Even bestendig als Akrūra's positie was die van Uddhava, de discipel van Bṛhaspati. Hij masseerde altijd Kṛṣṇa's lotusvoeten, terwijl hij voor Hem op de grond geknield zat.
Is een toegewijde in dienst van de Heer, dan heet hij het yoga-niveau te hebben bereikt. Het equivalent in onze taal voor het woord yoga is "verbinding". Werkelijke verbinding met Kṛṣṇa, de Allerhoogste Godspersoon, begint wanneer de toegewijde hem dienst bewijst. Toe-gewijden in de bovenzinnelijke dienaarschaps-rasa bewijzen hun bijzondere dienst wanneer zich daartoe ook maar even de gelegenheid voordoet, Soms zitten ze bij Kṛṣṇa klaar om Zijn opdrachten aan te nemen. Er zijn mensen die aarzelen om dit niveau van toegewijde dienst als werkelijke bhakti-yoga te beschouwen, en in sommige Purāṇa 's wordt het dienaarschap in toegewijde dienst aan Kṛṣṇa inderdaad ook niet als werkelijke bhakti geaccepteerd. Maar het Śrīmad-Bhāgavatam maakt volkomen duidelijk dat de dienaarsrelatie het werkelijke begin van de yoga-realisatie is.
In het Śrīmad-Bhāgavatam (11.3.32) wordt verklaard dat toegewijden die bhakti-yoga beoefenen soms bij het denken aan Kṛṣṇa in tranen uitbarsten, nu eens lachen, dan weer uitgelaten raken, en ook op hoogst ongebruikelijke wijze beginnen te praten. Nu eens dansen ze, dan weer zingen ze, en ook bewijzen ze de Heer werkelijk dienst, terwijl ze soms zwijgend neerzitten, alsof ze in trance opgaan.
In het Śrīmad-Bhāgavatam (7.7.34) zegt Prahlāda Mahārāja tot zijn vrienden:
"Beste vrienden, zodra zuivere toegewijden van Heer Kṛṣṇa van het bovenzinnelijk spel en vermaak horen van de Heer, die de eeuwige oorsprong van elk spel en vermaak is, en van Zijn bovenzinnelijke eigenschappen vernemen, raken ze door uitgelatenheid overstelpt. Hun lichaam vertoont tekenen van extase. Ze vergieten tranen, spreken stamelend, verheerlijken de Heer luidkeels en zingen en dansen in vervoering. Deze extase is er altijd, maar soms gaat ze alle perken te buiten en kunnen alle aanwezigen de symptomen ervan onderscheiden."
De weg van overgave aan de Allerhoogste Godspersoon kent zes aspecten:
1) alles aannemen wat gunstig is voor de toegewijde dienst;
2) alles verwerpen wat ongunstig is voor de toegewijde dienst;
3) vast geloven dat Kṛṣṇa altijd Zijn bescherming zal verlenen;
4) zich vereenzelvigen met Kṛṣṇa's toegewijden;
5) zich altijd machteloos voelen zonder Kṛṣṇa's hulp;
6) zich altijd Kṛṣṇa's mindere weten, ook al is men zelf volkomen tot handelen in staat.
Is men er terdege van overtuigd dat men in alle omstandigheden Kṛṣṇa's bescherming geniet, dan verkeert men in de fase die eerbiedige toewijding wordt genoemd. Eerbiedige toewijding verricht men in relatie tot de Allerhoogste Godspersoon tezamen met de andere door Hem beschermde toegewijden.
Toen Kṛṣṇa in Dvārakā verbleef, legden soms enkele van de oudere leden van het geslacht Yadu Hem belangrijke zaken voor. Kṛṣṇa schonk daar dan zorgvuldig aandacht aan. En viel er iets leuks te vermelden, dan reageerde Kṛṣṇa altijd met een glimlach. Wanneer Kṛṣṇa Zijn plichten vervulde in het raadhuis genaamd Sudharmā, vroeg hij de oudere leden van de vergadering om hun wijze raad. In deze activiteiten openbaart Hij Zich als de hoogste geestelijk leraar, de hoogste uitvoerende autoriteit, de hoogste intelligentie en de hoogste macht, beschermer en instandhouder.