Default View
Dual Language

HOOFDSTUK 40

Eerbiedige toewijding van zoons en andere ondergeschikten

Van ware eerbiedige toewijding wordt blijk gegeven door degenen die zich ondergeschikt aan Kṛṣṇa achten en degenen die zichzelf als zoons van Kṛṣṇa zien. De beste voorbeelden van deze ondergeschikte houding zijn Sāraņa, Gada en Subhadrā. Zij waren allen lid van het geslacht Yadu en zagen zich altijd door Kṛṣṇa beschermd. Ook Kṛṣṇa 's zoons  Kṛṣṇa had veel zoons in Dvārakā. Bij elk van Zijn 16.108 koninginnen verwerkte Hij tien zoons, en allemaal, Pradyumna, Cārudeșņa en Sāmba voorop, dachten ze er altijd aan hoe ze door Kṛṣṇa werden beschermd. Wanneer Kṛṣṇa's zoons met Hem aten, hielden ze af en toe hun mond open, zodat Kṛṣṇa er wat in kon stoppen. Soms wilde Kṛṣṇa een van Zijn zoons aanhalen en dan kwam de jongen bij Hem op schoot zitten. En terwijl Kṛṣṇa het hoofd van Zijn zoon zegende door het te beruiken, plengden de andere jongens tranen bij de gedachte hoeveel vrome werken hun broer hiervoor in zijn vorige leven niet moest hebben gedaan. Van Kṛṣṇa's vele zoons wordt Pradyumna, kind van Kṛṣṇa's eerste koningin, Rukmiņī, als de leider beschouwd. Pradyumna ziet er precies als Kṛṣṇa uit. Zuivere toegewijden van Kṛṣṇa verheerlijken Pradyumna, omdat hij het zo treft: zo vader, zo zoon.
De Hari-vaṁśa geeft een beschrijving van hoe Pradyumna Prabhāvatī schaakte. Pradyumna richtte zich bij de schaking als volgt tot Prabhāvatī:
“Mijn lieve Prabhāvatī, kijk toch eens naar het hoofd van onze familie, Śrī Kṛṣṇa. Hij is Vișņu Zelf, de hoogst verheven berijder van Garuḍa en Hij is onze oppermeester. Omdat we zo trots en vol vertrouwen zijn vanwege Zijn bescherming, zijn we er soms niet eens in geïnteresseerd om met Tripurāri [Heer Śiva] te vechten."
Er zijn twee soorten toegewijden die toegewijde dienst in eerbied en ontzag verrichten - de ondergeschikten van de Heer en Zijn zoons. De dienaren in Zijn woning te Dvārakā aanbidden Kṛṣṇa altijd als de meest eerbiedwaardige en geëerde Godspersoon. Ze zijn helemaal in de ban van Kṛṣṇa door Zijn hoogst uitmuntende volheden. De leden van de familie die zich altijd door Kṛṣṇa beschermd wisten lieten zich in deze wetenschap wel eens helemaal gaan, want soms zag men dat de zoons van Kṛṣṇa zich her en der hoogst onwelvoeglijk gedroegen, maar niettemin volledig door Kṛṣṇa en Balarāma werden beschermd.
Zelfs Balarāma, Kṛṣṇa's oudere broer, bracht Hem soms -zonder het te weten- eer. Toen Kṛṣṇa een keer bij Heer Balarāma kwam en Zijn oudere broer graag Zijn eerbetuigingen wilde brengen, zakte Balarāma's knots naar Kṛṣṇa's lotusvoeten. Met andere woorden: de knots in Balarāma's hand bracht eigener beweging zijn eerbetuiging aan Kṛṣṇa. Deze gevoelens van ondergeschiktheid, zoals hierboven verklaard, worden soms als anubhāva geopenbaard.
Wanneer er goden van de hemelse planeten naar Śrī Kṛṣṇa kwamen, verschenen Kṛṣṇa's zoons allemaal ter plaatse, en dan sprenkelde Heer Brahmā uit zijn kamaṇḍalu water op hun hoofd. Verschenen de goden voor Kṛṣṇa, dan zaten de zoons niet op gouden stoelen, maar op de grond, die met hertenvel was bedekt. 
Soms lijkt het gedrag van Kṛṣṇa's zoons verwant aan dat van Zijn persoonlijke dienaars. Zo brachten Zijn zoons Hem eerbetuigingen, hielden zich stil, waren onderdanig en rustig en stonden altijd klaar om zelfs met gevaar voor hun leven Kṛṣṇa's opdrachten uit te voeren. Waren ze bij Kṛṣṇa, dan bogen ze zich ter aarde. Ze waren erg kalm en evenwichtig en hielden hun hoesten en lachen in aanwezigheid van de Heer altijd in. Ook spraken ze nooit over Kṛṣṇa's amoureuze spel en vermaak. Dus degenen die toegewijde dienst in eerbied verrichten behoren niet met elkaar over Kṛṣṇa's liefdesaffaires te spreken. Niemand mag aanspraak maken op een bepaalde relatie met Kṛṣṇa, tenzij hij verlost is. In de gebonden levensstaat dienen de toegewijden zich aan hun voorgeschreven plichten te houden, zoaIs deze in de aanwijzingen voor de toegewijde dienst worden aanbevolen. Is men in de toegewijde dienst gerijpt en een zelfgerealiseerde ziel, dan kan men ontwaren wat zijn eeuwige relatie met Kṛṣṇa inhoudt. Men mag niet op gekunstelde wijze een bepaalde relatie willen vestigen. Men ziet soms dat een wellustige, gebonden mens, die nog niet tot rijpe toewijding is gekomen, op gekunstelde wijze een amoureuze relatie met Kṛṣṇa wil aangaan. Het gevolg hiervan is dat men een prākṛta-sahajiyā wordt, of iemand die alles zeer lichtvaardig opvat. Zulke mensen willen weliswaar dolgraag een amoureuze relatie met Kṛṣṇa aangaan, maar hun gebonden leven in de stoffelijke wereld is nog hoogst verfoeilijk. lemand die zijn relatie met Kṛṣṇa werkelijk gevestigd heeft kan niet meer op materieel niveau optreden en zijn persoonlijk karakter verdient geen kritiek meer.
Toen de liefdesgod een keer bij Kṛṣṇa op bezoek kwam, sprak een toegewijde hem als volgt aan:
"Beste liefdesgod, aangezien u het geluk heeft dat u uw blik op de lotusvoeten van Kṛṣṇa heeft kunnen vestigen, zijn de zweetdruppels op uw huid bevroren en lijken net kaņțaki's (een vruchtje dat aan bepaalde doornstruiken groeit]."
Dit is een teken van extase en verering voor de Allerhoogste Gods-persoon. Toen de prinsen van het geslacht Yadu de geluidstrilling van Kṛṣṇa's hoornschelp Pāñcajanya vernamen, rees het haar op hun lichaam terstond te berge in extatische uitgelatenheid. Het leek wel alsof al het haar op het lichaam van de prinsen in vervoering danste.
Behalve symptomen van uitgelatenheid zijn er soms ook symptomen van teleurstelling. Pradyumna richtte zich eens als volgt tot Sāmba:
"Beste Sāmba, wat is je leven toch heerlijk! Ik heb eens gezien dat je helemaal onder het stof was gekomen van het spelen. Tóch nam onze vader, Heer Kṛṣṇa, je bij Zich op schoot. Mij treft het ongeluk dat ik nooit zo veel liefde van onze vader heb gekregen!"
Deze uitspraak getuigt van teleurgesteldheid in de liefde.
Kṛṣṇa als meerdere beschouwen wordt eerbied genoemd, en wanneer de toegewijde daarbij Kṛṣṇa als zijn beschermer kent, raakt zijn bovenzinnelijke liefde tot Kṛṣṇa verhoogd, en de combinatie van deze verschillende gevoelens wordt eerbiedige toewijding genoemd. Neemt deze standvastige eerbiedige toewijding verder toe, dan heet ze liefde tot God in eerbiedige toewijding. Aangetrokkenheid en genegenheid zijn twee dominante symptomen in deze fase. Vanuit deze eerbiedige toegewijde houding praatte Pradyumna nooit luidop tot zijn vader. In feite deed hij niet eens zijn lippen van elkaar, noch liet hij ooit zijn tranen zien. Hij keek altijd alleen maar naar zijn vaders lotusvoeten.
Een ander voorbeeld van evenwichtige en standvastige liefde tot Kṛṣṇa wordt gegeven door Arjuna, die Hem inlichtte over de dood van Arjuna's zoon, Abhīmanyu, die tevens Kṛṣṇa 's neef was. Abhīmanyu was de zoon van Kṛṣṇa's jongere zuster Subhadrā. Hij werd gedood tijdens de Slag van Kurukṣetra door de samengebundelde krachten van alle bevelhebbers van Koning Duryodhana, namelijk Karņa, Aśvatthāmā, Jayadratha, Bhīșma, Kṛpācārya en Droņācārya. Ten einde Kṛṣṇa ervan te verzekeren dat Subhadrā's liefde er niet door verminderd was, zei Arjuna tot Hem:
"Hoewel Abhīmanyu bijna vlak onder Je ogen werd gedood, is Subhadrā's liefde voor Jou geenszins aan het wankelen geraakt, noch is ze ook maar iets van karakter veranderd."
De genegenheid die Kṛṣṇa voor Zijn toegewijde heeft bleek eens uit Zijn verzoek aan Pradyumna om niet zo verlegen tegen Hem te doen. Hij richtte zich aldus tot Pradyumna:
"Mijn lieve jongen, voel je toch niet zo ondergeschikt en laat je hoofd niet zo hangen. Praat duidelijk tegen Me en laat je tranen niet de vrije loop. Je kunt Me recht aankijken en Me gewoon aanraken. Het is nergens voor nodig dat je zo eerbiedig tegen je vader doet."
Pradyumna liet zijn gehechtheid aan Kṛṣṇa altijd door zijn daden blijken. Wanneer zijn vader hem vroeg iets te doen, aarzelde hij geen ogenblik en beschouwde zijn plicht als nectar, ook al was ze misschien vergift. En wanneer hij wist dat bepaalde dingen door zijn vader zouden worden afgekeurd, verwierp hij ze onmiddellijk als vergift, ook al waren ze schijnbaar als nectar.
Pradyumna bracht zijn gehechtheid aan Kṛṣṇa in benauwdheid tot uiting toen hij tot zijn vrouw Rati zei:
"De vijand, Śambara, is al gedood. Nu verlang ik er vurig naar om mijn vader te zien, die mijn geestelijk leraar is en altijd de schelphoorn Pāñcajanya bij Zich draagt."
Pradyumna voelde zich zeer van Kṛṣṇa gescheiden, toen deze tijdens de Slag van Kurukṣetra niet in Dvārakā was. Hij zei: "Sinds mijn vader Dvārakā heeft verlaten, heb ik geen plezier in het oefenen in de strijd, noch ben ik in sport en spel geïnteresseerd. Waar praat ik eigenlijk over? Ik wil niet eens in Dvārakā blijven zolang mijn vader er niet is."
Toen Pradyumna thuiskwam nadat hij Śambarāsura gedood had en zijn vader, Kṛṣṇa, voor zich zag, raakte hij zo opgetogen, dat hij zijn eigen vreugde niet begrijpen kon. Dit is een voorbeeld van vreugde door succes behaald in gescheidenheid. Dezelfde voldoening kon men zien toen Kṛṣṇa in Dvārakā thuiskwam na de slag van Kurukṣetra. Al zijn zoons waren zo opgetogen, dat ze uit extase de ene fout na de andere maakten. Deze fouten zijn blijken van volkomen voldoening.
Elke dag keek Pradyumna met tranen in zijn ogen naar Kṛṣṇa's lotusvoeten. Zo'n teken van eerbiedige toewijding mag in hetzelfde licht worden gezien als dergelijke tekenen bij andere toegewijden.