Default View
Dual Language View
HOOFDSTUK 41
Broederlijke toewijding
Is een toegewijde doorlopend in toegewijde dienst en heeft hij blijkens verschillende extase-symptomen een rijpe broederlijke gemoedsgesteldheid van genegenheid tot de Godspersoon ontwikkeld, dan wordt zijn stemming die van broederlijke liefde tot God genoemd.
De aanzet tot deze broederlijke liefde tot God is God Zelf. Wanneer men bevrijd is en zijn eeuwige relatie met de Opperheer ontdekt, wordt de Heer Zelf de aanzet tot het toenemen van deze broederlijke liefde. De eeuwige metgezellen van de Heer in Vṛndāvana beschrijven dit als volgt:
"De Heer, Hari, wiens lichaam de kleur heeft van het indranīla-juweel, wiens glimlach even mooi is als de kunda-loem, wiens zijden gewaad zo geel is als het gouden herfstlover, wiens borst met bloemenkransen is getooid en die altijd op Zijn fluit speelt-deze vijand van de demon Agha trekt met Zijn omzwervingen door Vṛndāvana ons hart altijd tot Zich aan."
"De Heer, Hari, wiens lichaam de kleur heeft van het indranīla-juweel, wiens glimlach even mooi is als de kunda-loem, wiens zijden gewaad zo geel is als het gouden herfstlover, wiens borst met bloemenkransen is getooid en die altijd op Zijn fluit speelt-deze vijand van de demon Agha trekt met Zijn omzwervingen door Vṛndāvana ons hart altijd tot Zich aan."
Er zijn meer van zulke uitspraken in broederlijke liefde van buiten het gebied van Vṛndāvana . Toen de zoons van Pāṇḍu, onder leiding van Mahārāja Yudhișțhira , Kṛṣṇa op het Slagveld Kurukṣetra in Zijn vierarmige gedaante aanschouwden, terwijl Hij schelphoorn, werpschijf, knots en lotus vasthield, vergaten ze zichzelf volkomen en gingen op in de oceaan van nektar en geluk. Dit laat zien hoe de zoons van Pāṇḍu - Koning Yudhișțhira, Bhīma, Arjuna,Nakula en Sahadeva - allen in broederliefde aan Kṛṣṇa gebonden waren.
Soms leiden de verschillende namen, gedaanten, attributen en bovenzinnelijke eigenschappen van Kṛṣṇa tot broederlijke liefde. Zo wekken Zijn mooie kledij, Zijn sterk gebouwde gestalte en de alheilrijke tekenen van Zijn lichaam broederlijke liefde op, zoals ook Zijn kennis van verschillende talen, Zijn geleerde onderricht van de Bhagavad-gītā, Zijn buitengewone talent op elk gebied van activiteit, Zijn deskundigheid, Zijn genade, Zijn ridderlijkheid, Zijn optreden als minnaar, Zijn verstand, Zijn vergevingsgezindheid, Zijn aangetrokkenheid tot allerlei mensen, Zijn volheid en Zijn geluk.
Het is ook heel natuurlijk dat men zich in broederliefde tot Kṛṣṇa aangetrokken voelt wanneer men Zijn metgezellen in Vṛndāvana ziet, want hun persoonlijke lichamelijke kenmerken, hun eigenschappen en hun uitdossing zijn alle gelijk aan die van Kṛṣṇa. Deze metgezellen zijn altijd gelukkig in hun dienst aan Kṛṣṇa en staan bekend als vayasya's of leeftijdgenoten. De vayasya's rekenen volkomen op Kṛṣṇa's bescherming. Toegewijden bidden soms:
"Laten we onze eerbiedige eerbetuigingen brengen aan de vayasya's van Kṛṣṇa, die er vast van overtuigd zijn dat Hij hun vriend en beschermer is en wier toewijding jegens Kṛṣṇa nooit wankelt. Ze kennen geen vrees, en op gelijk niveau met Kṛṣṇa bewijzen ze Hem hun bovenzinnelijke liefdevolle toegewijde dienst."
Men vindt zulke eeuwige vayasya's ook buiten het gebied van Vrndāvana, in steden als Dvārakā en Hastināpura. Buiten Vṛndāvana worden alle plaatsen waar Kṛṣṇa Zijn spel en vermaak ontvouwde pura's (steden) genoemd. Mathurā en Hastināpura, de hoofdstad van het rijk van de Kuru's, zijn beide een pura. Personen als Arjuna, Bhīma, Draupadī en Śrīdāmā Brāhmaņa worden tot Kṛṣṇa's broederlijke toegewijden in de pura's gerekend.
"Laten we onze eerbiedige eerbetuigingen brengen aan de vayasya's van Kṛṣṇa, die er vast van overtuigd zijn dat Hij hun vriend en beschermer is en wier toewijding jegens Kṛṣṇa nooit wankelt. Ze kennen geen vrees, en op gelijk niveau met Kṛṣṇa bewijzen ze Hem hun bovenzinnelijke liefdevolle toegewijde dienst."
Men vindt zulke eeuwige vayasya's ook buiten het gebied van Vrndāvana, in steden als Dvārakā en Hastināpura. Buiten Vṛndāvana worden alle plaatsen waar Kṛṣṇa Zijn spel en vermaak ontvouwde pura's (steden) genoemd. Mathurā en Hastināpura, de hoofdstad van het rijk van de Kuru's, zijn beide een pura. Personen als Arjuna, Bhīma, Draupadī en Śrīdāmā Brāhmaņa worden tot Kṛṣṇa's broederlijke toegewijden in de pura's gerekend.
Hoe de zoons van Pāņdu, de Pāņdava's, van Kṛṣṇa's gezelschap genieten wordt als volgt beschreven:
"Toen Srī Kṛṣṇa in de hoofdstad van het rijk van de Kuru's, Indraprastha, arriveerde, kwam Mahārāja Yudhisthira dadelijk naar buiten om de geur van Kṛṣṇa ‘s hoofd op te snuiven."
Het is een Vedisch gebruik dat een meerdere het hoofd van een ondergeschikte beruikt, wanneer deze ondergeschikte de meerdere eer brengt door zijn voeten aan te raken. Arjuna en Bhīma van hun kant omhelsden Kṛṣṇa zeer uitgelaten, en de twee jongste broers, Nakula en Sahadeva, raakten met tranen in hun ogen Kṛṣṇa's lotusvoeten aan en brachten Hem hun eerbetuigingen. Zo genoten de vijf gebroeders Pāndava in bovenzinnelijke stemming van hun broederlijke vriendschapsrelatie met Kṛṣṇa. Van de vijf Pāņdava's is Arjuna het innigst met Kṛṣṇa verbonden. Hij heeft een mooie boog, Gāṇḍīva genaamd, in zijn hand, zijn dijen worden met olifantenslurven vergeleken en zijn ogen zijn altijd roodachtig. Wanneer Kṛṣṇa en Arjuna samen op de strijdwagen zijn, tonen ze zich in hemelse schoonheid, die ieders oog streelt. Er wordt verteld dat Arjuna eens op bed lag met zijn hoofd op Kṛṣṇa's schoot en zeer ontspannen met Hem praatte en schertste, en lachend en uiterst voldaan van Kṛṣṇa's gezelschap genoot.
"Toen Srī Kṛṣṇa in de hoofdstad van het rijk van de Kuru's, Indraprastha, arriveerde, kwam Mahārāja Yudhisthira dadelijk naar buiten om de geur van Kṛṣṇa ‘s hoofd op te snuiven."
Het is een Vedisch gebruik dat een meerdere het hoofd van een ondergeschikte beruikt, wanneer deze ondergeschikte de meerdere eer brengt door zijn voeten aan te raken. Arjuna en Bhīma van hun kant omhelsden Kṛṣṇa zeer uitgelaten, en de twee jongste broers, Nakula en Sahadeva, raakten met tranen in hun ogen Kṛṣṇa's lotusvoeten aan en brachten Hem hun eerbetuigingen. Zo genoten de vijf gebroeders Pāndava in bovenzinnelijke stemming van hun broederlijke vriendschapsrelatie met Kṛṣṇa. Van de vijf Pāņdava's is Arjuna het innigst met Kṛṣṇa verbonden. Hij heeft een mooie boog, Gāṇḍīva genaamd, in zijn hand, zijn dijen worden met olifantenslurven vergeleken en zijn ogen zijn altijd roodachtig. Wanneer Kṛṣṇa en Arjuna samen op de strijdwagen zijn, tonen ze zich in hemelse schoonheid, die ieders oog streelt. Er wordt verteld dat Arjuna eens op bed lag met zijn hoofd op Kṛṣṇa's schoot en zeer ontspannen met Hem praatte en schertste, en lachend en uiterst voldaan van Kṛṣṇa's gezelschap genoot.
Wat de vayasya's (vrienden) in Vṛndāvana betreft: zij worden uiterst neerslachtig wanneer ze Kṛṣṇa ook maar één ogenblik niet kunnen zien.
Hier volgt een gebed van een toegewijde tot de vayasya's in Vṛndāvana:
"Alle roem aan Kṛṣṇa's vayasya's, die in leeftijd, eigenschappen, spel en vermaak, kledij en schoonheid precies als Kṛṣṇa zijn! Ze spelen altijd op hun fluit, gemaakt van palmblad, en ze hebben allemaal een buffelhoorn, versierd als die van Kṛṣṇa met juwelen als de indranīla en met goud en koraal. Ze zijn altijd net zo opgetogen als Kṛṣṇa. Mogen deze heerlijke metgezellen van Kṛṣṇa ons altijd beschermen!"
"Alle roem aan Kṛṣṇa's vayasya's, die in leeftijd, eigenschappen, spel en vermaak, kledij en schoonheid precies als Kṛṣṇa zijn! Ze spelen altijd op hun fluit, gemaakt van palmblad, en ze hebben allemaal een buffelhoorn, versierd als die van Kṛṣṇa met juwelen als de indranīla en met goud en koraal. Ze zijn altijd net zo opgetogen als Kṛṣṇa. Mogen deze heerlijke metgezellen van Kṛṣṇa ons altijd beschermen!"
De vayasya's in Vṛndāvana zijn zo innig met Kṛṣṇa bevriend, dat ze soms denken dat ze even goed als Kṛṣṇa zijn. Hier volgt een voorbeeld van deze vriendschappelijke gemoedsgesteldheid. Toen Kṛṣṇa de heuvel Govardhana met Zijn linkerhand in de lucht geheven hield, zeiden de vayasya's:
"Beste vriend, Je hebt daar nu al minstens zeven dagen en nachten gestaan zonder uit te rusten. Dat geeft ons grote problemen, want we zien dat Je een heel afmattende taak op Je genomen hebt. Daarom lijkt het ons beter dat Je daar niet zo blijft staan met die heuvel op Je hand. Zet hem maar even op Sudāmā's hand. Het spijt ons vreselijk dat we Je in deze toestand zien. AlsJe denkt dat Sudāmā de heuvel Govardhana niet kan tillen, zet hem dan tenminste op Je andere hand. In plaats van hem links te dragen, moet Je hem nu naar rechts dragen, zodat we Je linkerhand voor Je kunnen masseren."
Dit is een voorbeeld van intimiteit, dat laat zien hoezeer de vayasya's zichzelf op gelijk niveau met Kṛṣṇa beschouwen.
"Beste vriend, Je hebt daar nu al minstens zeven dagen en nachten gestaan zonder uit te rusten. Dat geeft ons grote problemen, want we zien dat Je een heel afmattende taak op Je genomen hebt. Daarom lijkt het ons beter dat Je daar niet zo blijft staan met die heuvel op Je hand. Zet hem maar even op Sudāmā's hand. Het spijt ons vreselijk dat we Je in deze toestand zien. AlsJe denkt dat Sudāmā de heuvel Govardhana niet kan tillen, zet hem dan tenminste op Je andere hand. In plaats van hem links te dragen, moet Je hem nu naar rechts dragen, zodat we Je linkerhand voor Je kunnen masseren."
Dit is een voorbeeld van intimiteit, dat laat zien hoezeer de vayasya's zichzelf op gelijk niveau met Kṛṣṇa beschouwen.
In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.12.11) zegt Śukadeva Gosvāmi tot Koning Parīkṣit:
"Waarde vorst, voor de geleerde transcendentalist is Kṛṣṇa de Allerhoogste Godspersoon, voor de impersonalist is Hij het hoogste geluk, voor de toegewijde is Hij de Godheid die zijn hoogste aanbidding verdient en voor iemand die door māyā begoocheld is lijkt Hij gewoon een jongen. En denk je eens in - deze koeienjongens spelen met de Allerhoogste Persoon alsof ze Zijn gelijke zijn! Hierdoor kan iedereen begrijpen dat deze jongens massa's goede werken moeten hebben gedaan, dat ze als gevolg daarvan op zo'n intiem vriendschappelijke voet met de Allerhoogste Godspersoon mogen omgaan."
"Waarde vorst, voor de geleerde transcendentalist is Kṛṣṇa de Allerhoogste Godspersoon, voor de impersonalist is Hij het hoogste geluk, voor de toegewijde is Hij de Godheid die zijn hoogste aanbidding verdient en voor iemand die door māyā begoocheld is lijkt Hij gewoon een jongen. En denk je eens in - deze koeienjongens spelen met de Allerhoogste Persoon alsof ze Zijn gelijke zijn! Hierdoor kan iedereen begrijpen dat deze jongens massa's goede werken moeten hebben gedaan, dat ze als gevolg daarvan op zo'n intiem vriendschappelijke voet met de Allerhoogste Godspersoon mogen omgaan."
Er bestaat een beschrijving van Kṛṣṇa's gevoel voor Zijn vayasya's in Vṛndāvana. Hij zei eens tot Balarāma:
"Beste broer, toen Mijn metgezellen door de Aghāsura werden verslonden, huilde ik hete tranen. Terwijl ze over Mijn wangen stroomden, lieve oudere broer, raakte Ik toch wel heel even buiten Mijzelf."
"Beste broer, toen Mijn metgezellen door de Aghāsura werden verslonden, huilde ik hete tranen. Terwijl ze over Mijn wangen stroomden, lieve oudere broer, raakte Ik toch wel heel even buiten Mijzelf."
Kṛṣṇa's vayasya's in Gokula worden in de regel in vier groepen onderscheiden:
1) sympathisanten;
2) vrienden;
3) vertrouwde vrienden;
4) intieme vrienden.
Kṛṣṇa's sympathisanten zijn een beetje ouder dan Kṛṣṇa en hun genegenheid heeft iets ouderlijks in zich. Omdat ze ouder dan Kṛṣṇa zijn, proberen ze Hem aItijd voor allerlei leed te behoeden. Zo zijn ze soms gewapend, teneinde booswichten die Kṛṣṇa willen kwetsen ervan langs te kunnen geven. Tot deze sympathisanten worden gerekend Subhadra, (1) Maṇḍalībhadra, Bhadravardhana, Gobhaṭa, Yakṣa, Indrabhaṭa, Bhadrāṅga, Vīrabhadra, Mahāguṇa, Vijaya en Balabhadra. Ze zijn ouder dan Kṛṣṇa en zijn altijd op Zijn welzijn bedacht.
1) sympathisanten;
2) vrienden;
3) vertrouwde vrienden;
4) intieme vrienden.
Kṛṣṇa's sympathisanten zijn een beetje ouder dan Kṛṣṇa en hun genegenheid heeft iets ouderlijks in zich. Omdat ze ouder dan Kṛṣṇa zijn, proberen ze Hem aItijd voor allerlei leed te behoeden. Zo zijn ze soms gewapend, teneinde booswichten die Kṛṣṇa willen kwetsen ervan langs te kunnen geven. Tot deze sympathisanten worden gerekend Subhadra, (1) Maṇḍalībhadra, Bhadravardhana, Gobhaṭa, Yakṣa, Indrabhaṭa, Bhadrāṅga, Vīrabhadra, Mahāguṇa, Vijaya en Balabhadra. Ze zijn ouder dan Kṛṣṇa en zijn altijd op Zijn welzijn bedacht.
(1) Niet te verwarren met Kṛṣṇa's zuster Subhadrā.
Een van Zijn oudere vrienden zei:
"Mijn beste Maṇḍalībhadra, waarom sta je met dat glimmende zwaard te zwaaien alsof je naar Ariṣṭāsura toe wilt hollen om hem te doden? Mijn beste Baladeva, waarom sjouw je nodeloos met dat zware ploegijzer rond? Mijn beste Vijaya, doe niet zo onnodig geagiteerd. Mijn beste Bhadravardhana, het is nergens voor nodig dat je zulke dreigende bewegingen maakt. Als jullie allemaal wat beter willen opletten, zie je dat er alleen maar een onweerswolk boven de heuvel Govardhana hangt. Het is niet de Ariṣṭāsura in de gedaante van een reusachtige stier, zoals jullie denken."
Inderdaad hadden Kṛṣṇa's oudere vrienden een grote zwarte wolk, die de vorm van een stier vertoonde, voor Arișțāsura aangezien. Toen hun opgewondenheid ten top steeg, ontdekte een van hen dat de vermeende stier slechts een wolk was. Daarom liet hij de anderen weten dat ze zich niet druk moesten maken om Kṛṣṇa, omdat er geen onmiddellijk gevaar van de kant van Ariṣṭāsura dreigde.
"Mijn beste Maṇḍalībhadra, waarom sta je met dat glimmende zwaard te zwaaien alsof je naar Ariṣṭāsura toe wilt hollen om hem te doden? Mijn beste Baladeva, waarom sjouw je nodeloos met dat zware ploegijzer rond? Mijn beste Vijaya, doe niet zo onnodig geagiteerd. Mijn beste Bhadravardhana, het is nergens voor nodig dat je zulke dreigende bewegingen maakt. Als jullie allemaal wat beter willen opletten, zie je dat er alleen maar een onweerswolk boven de heuvel Govardhana hangt. Het is niet de Ariṣṭāsura in de gedaante van een reusachtige stier, zoals jullie denken."
Inderdaad hadden Kṛṣṇa's oudere vrienden een grote zwarte wolk, die de vorm van een stier vertoonde, voor Arișțāsura aangezien. Toen hun opgewondenheid ten top steeg, ontdekte een van hen dat de vermeende stier slechts een wolk was. Daarom liet hij de anderen weten dat ze zich niet druk moesten maken om Kṛṣṇa, omdat er geen onmiddellijk gevaar van de kant van Ariṣṭāsura dreigde.
Van de sympathisanten onder de vrienden zijn Maṇḍalībhadra en Balabhadra de belangrijkste. Maṇḍalībhadra wordt als volgt beschreven: zijn huidskleur is gelig en hij gaat zeer aantrekkelijk gekleed. Hij heeft altijd een veelkleurige stok bij zich. Hij draagt een pauwenveer op zijn hoofd en ziet er altijd mooi uit. Met de volgende uitspraak openbaart Maṇḍalībhadra zijn geestesinstelling:
"Beste vrienden, onze geliefde Kṛṣṇa is nu erg moe van het werk met de koeien in de weidegronden en van het rondtrekken door het hele bos. Ik kan zien dat Hij uitgeput is. Laat mij rustig Zijn hoofd masseren, terwijl Hij ligt bij te komen. En jij, Subala, jij masseert Zijn dijen."
"Beste vrienden, onze geliefde Kṛṣṇa is nu erg moe van het werk met de koeien in de weidegronden en van het rondtrekken door het hele bos. Ik kan zien dat Hij uitgeput is. Laat mij rustig Zijn hoofd masseren, terwijl Hij ligt bij te komen. En jij, Subala, jij masseert Zijn dijen."
Een toegewijde beschreef de persoonlijke schoonheid van Baladeva als volgt:
“Laat me mijn toevlucht zoeken bij de lotusvoeten van Balarāma, wiens schoonheid verhoogd wordt door Zijn oorringen, die Zijn wangen beroeren. Zijn gelaat is gesierd met tilaka van kastūrī [muskus] en Zijn brede borst is verlucht met een guñjā ketting [van hoornschelpjes]. Zijn huid is zo blank als een herfstwolk, Hij draagt blauwe kleren en Zijn stem klinkt heel ernstig. Zijn armen zijn bijzonder lang, Zijn handen raken Zijn dijen en Hij heeft laten zien hoe sterk Hij is door de demon Pralamba te doden. Laat me mijn toevlucht zoeken bij deze ridderlijke Balarāma.”(1)
“Laat me mijn toevlucht zoeken bij de lotusvoeten van Balarāma, wiens schoonheid verhoogd wordt door Zijn oorringen, die Zijn wangen beroeren. Zijn gelaat is gesierd met tilaka van kastūrī [muskus] en Zijn brede borst is verlucht met een guñjā ketting [van hoornschelpjes]. Zijn huid is zo blank als een herfstwolk, Hij draagt blauwe kleren en Zijn stem klinkt heel ernstig. Zijn armen zijn bijzonder lang, Zijn handen raken Zijn dijen en Hij heeft laten zien hoe sterk Hij is door de demon Pralamba te doden. Laat me mijn toevlucht zoeken bij deze ridderlijke Balarāma.”(1)
(1) Balarāma en Baladeva zijn verschillende namen voor dezelfde expansie van Kṛṣṇa.Hij is Kṛṣṇa's oudere broer.
Baladeva's genegenheid voor Kṛṣṇa blijkt uit de volgende woorden tot Subala:
"Beste vriend, laat Kṛṣṇa alsjeblieft weten dat Hij vandaag niet naar het meer van Kāliya moet gaan. Hij is vandaag jarig en daarom wil Ik met Hem naar moeder Yaśodā gaan om Hem in bad te doen. Zeg Hem dat Hij vandaag niet uit huis moet gaan."
Hieruit blijkt hoe Balarāma, Kṛṣṇa's oudere broer, in het kader van Zijn broederliefde, met ouderlijke liefde voor Kṛṣṇa zorgde.
"Beste vriend, laat Kṛṣṇa alsjeblieft weten dat Hij vandaag niet naar het meer van Kāliya moet gaan. Hij is vandaag jarig en daarom wil Ik met Hem naar moeder Yaśodā gaan om Hem in bad te doen. Zeg Hem dat Hij vandaag niet uit huis moet gaan."
Hieruit blijkt hoe Balarāma, Kṛṣṇa's oudere broer, in het kader van Zijn broederliefde, met ouderlijke liefde voor Kṛṣṇa zorgde.
Vrienden die jonger dan Kṛṣṇa zijn, die altijd aan Hem gehecht zijn of allerlei dingen voor Hem doen, worden gewone vrienden of gewoon vrienden genoemd. Deze gewone vrienden heten sakhā's, en de namen van enkele sakhā's zijn Viśāla, Vṛṣabha, Ojasvī, Devaprastha, Varūthapa, Maranda, Kusumāpīḍa, Maṇibandha and Karandhama. Al deze sakhā's van Kṛṣṇa, streven er slechts naar om Hem te dienen. Soms stonden enkele van hen 's ochtends vroeg op en gingen dadelijk naar Kṛṣṇa's huis om daar bij de deur te wachten om Kṛṣṇa te zien en met Hem naar de weidegronden te gaan. Intussen werd Kṛṣṇa dan door moeder Yaśodā aangekleed, en wanneer ze een jongen bij de deur zag staan, riep ze naar hem:
"Wel, Viśāla, wat sta je daar? Kom hier!"
Dus met toestemming van moeder Yaśodā ging hij onmiddellijk het huis binnen, en terwijl moeder Yaśodā met Kṛṣṇa bezig was, probeerde hij haar te helpen met Kṛṣṇa Zijn enkelbelletjes om te doen, en dan gaf Kṛṣṇa hem voor de grap een tik met Zijn fluit. Dan riep moeder Yasodā:
“Zeg, Kṛṣṇa, wat krijgen we nu? Waarom plaag Jij Je vriend?"
En dan lachte Kṛṣṇa en Zijn vriend lachte ook. Met dit soort dingen houden Kṛṣṇa's sakhā's zich onder meer bezig. Soms gingen ze achter de koeien aan die her en der wegdwaalden; dan zeiden ze tegen Kṛṣṇa:
"De koeien lopen alle kanten uit."
En dan bedankte Kṛṣṇa ze.
"Wel, Viśāla, wat sta je daar? Kom hier!"
Dus met toestemming van moeder Yaśodā ging hij onmiddellijk het huis binnen, en terwijl moeder Yaśodā met Kṛṣṇa bezig was, probeerde hij haar te helpen met Kṛṣṇa Zijn enkelbelletjes om te doen, en dan gaf Kṛṣṇa hem voor de grap een tik met Zijn fluit. Dan riep moeder Yasodā:
“Zeg, Kṛṣṇa, wat krijgen we nu? Waarom plaag Jij Je vriend?"
En dan lachte Kṛṣṇa en Zijn vriend lachte ook. Met dit soort dingen houden Kṛṣṇa's sakhā's zich onder meer bezig. Soms gingen ze achter de koeien aan die her en der wegdwaalden; dan zeiden ze tegen Kṛṣṇa:
"De koeien lopen alle kanten uit."
En dan bedankte Kṛṣṇa ze.
Wanneer Kṛṣṇa met Zijn sakhā's naar de weidegrond ging, stuurde Karsa dikwijls een demon om Kṛṣṇa te doden. Daarom was er bijna elke dag een gevecht met een andere demon. Na zo'n gevecht voelde Kṛṣṇa Zich afgemat, Zijn haarlokken waren in de war, en dan kwamen de sakhā's omiddellijk naar Hem toe om Hem op verschillende wijzen verlichting te geven. Sommige zeiden:
"Beste Viśāla, pak die waaier van lotusbladeren en wuif Kṛṣṇa koelte toe, zodat Hij Zich prettig voelt. Varūthapa, strijk jij die haarslierten weg uit Kṛṣṇa's gezicht. Vrșabha, praat niet als het niet nodig is! Kom onmiddellijk Kṛṣṇa's lichaam masseren. Zijn armen zijn moe geworden van het vechten en worstelen met die demon. Ach, kijk toch eens hoe moe onze vriend Kṛṣṇa geworden is!"
Hieruit blijkt hoe de sakhā's met Kṛṣṇa omgaan.
"Beste Viśāla, pak die waaier van lotusbladeren en wuif Kṛṣṇa koelte toe, zodat Hij Zich prettig voelt. Varūthapa, strijk jij die haarslierten weg uit Kṛṣṇa's gezicht. Vrșabha, praat niet als het niet nodig is! Kom onmiddellijk Kṛṣṇa's lichaam masseren. Zijn armen zijn moe geworden van het vechten en worstelen met die demon. Ach, kijk toch eens hoe moe onze vriend Kṛṣṇa geworden is!"
Hieruit blijkt hoe de sakhā's met Kṛṣṇa omgaan.
Een van de sakhā's, Devaprastha, wordt als volgt beschreven: hij is erg sterk, zit vol parate kennis en is bijzonder goed in het ballen. Hij gaat gekleed in het wit en bindt zijn haar met een touwtje in een bos bij elkaar. Telkens wanneer Kṛṣṇa met een demon moet vechten, is Devaprastha er als de eerste bij om Hem te helpen en hij vecht als een olifant.
Een van de sakhā's, Devaprastha, wordt als volgt beschreven: hij is erg sterk, zit vol parate kennis en is bijzonder goed in het ballen. Hij gaat gekleed in het wit en bindt zijn haar met een touwtje in een bos bij elkaar. Telkens wanneer Kṛṣṇa met een demon moet vechten, is Devaprastha er als de eerste bij om Hem te helpen en hij vecht als een olifant.
De meer vertrouwelijke vrienden worden priya-sakhā's genoemd en zijn bijna even oud als Kṛṣṇa. Vanwege hun zeer vertrouwelijke relatie is hun instelling jegens Hem die van zuivere vriendschap. De instelling van andere vrienden heeft een basis van ouderlijke liefde of dienstbaarheid, maar bij de vertrouwelijke vrienden gaat het slechts om vriendschap op niveau van gelijkheid. Enkele van deze vertrouwelijke vrienden zijn: Śrīdāmā, Sudāmā, Dāmā, Vasudāmā, Kiṅkiṇi, Stoka-kṛṣṇa, Aṁśu, Bhadrasena, Vilāsī, Puṇḍarīka, Viṭaṅka and Kalaviṅka. Door hun verschillende activiteiten in uiteenlopende episoden van Kṛṣṇa's spel en vermaak schonken al deze vrienden Hem bovenzinnelijke voldoening.
Het gedrag van deze vertrouwelijke vrienden wordt door een vriendin als volgt aan Rādhārāņī beschreven:
“Lieve sierlijke Rādhārāņī, Je innige vriend Kṛṣṇa wordt ook gediend door Zijn innige vrienden. Sommige van ze maken onschuldige grappen met Hem en doen Hem daar een groot genoegen mee."
Zo had Kṛṣṇa een brahmaanse vriend die Madhumaṅgala heette. Deze jongen deed altijd voor de grap alsof hij een hele gulzige brāhmaņa was. Als de vrienden met elkaar aten, at hij meer dan alle anderen, vooral laḍḍu 's, waar hij dol op was. Nadat hij dan meer laḍḍu’'s dan wie dan ook gegeten had, was Madhumaṅgala nog niet voldaan en zei tot Kṛṣṇa:
"Als Je me nog één laḍḍu geeft, zal het me behagen Je de zegen te schenken dat Je vriendin Rādhārāņī heel tevreden over Je zal zijn."
Brāhmaṇa's worden verondersteld vaisya's (mensen die tot de kaste van boeren en kooplieden behoren) hun zegen te schenken, en Kṛṣṇa speelde de rol van zoon van Mahārāja Nanda, die vaiśya was; dus de brahmaanse jongen verkeerde in de positie dat hij Kṛṣṇa zijn zegen mocht schenken. Kṛṣṇa was dan zeer blij met de zegen van Zijn vriend en gaf hem de ene laḍḍu na de andere.
“Lieve sierlijke Rādhārāņī, Je innige vriend Kṛṣṇa wordt ook gediend door Zijn innige vrienden. Sommige van ze maken onschuldige grappen met Hem en doen Hem daar een groot genoegen mee."
Zo had Kṛṣṇa een brahmaanse vriend die Madhumaṅgala heette. Deze jongen deed altijd voor de grap alsof hij een hele gulzige brāhmaņa was. Als de vrienden met elkaar aten, at hij meer dan alle anderen, vooral laḍḍu 's, waar hij dol op was. Nadat hij dan meer laḍḍu’'s dan wie dan ook gegeten had, was Madhumaṅgala nog niet voldaan en zei tot Kṛṣṇa:
"Als Je me nog één laḍḍu geeft, zal het me behagen Je de zegen te schenken dat Je vriendin Rādhārāņī heel tevreden over Je zal zijn."
Brāhmaṇa's worden verondersteld vaisya's (mensen die tot de kaste van boeren en kooplieden behoren) hun zegen te schenken, en Kṛṣṇa speelde de rol van zoon van Mahārāja Nanda, die vaiśya was; dus de brahmaanse jongen verkeerde in de positie dat hij Kṛṣṇa zijn zegen mocht schenken. Kṛṣṇa was dan zeer blij met de zegen van Zijn vriend en gaf hem de ene laḍḍu na de andere.
Soms kwam een vertrouwelijke vriend naar Kṛṣṇa toe en omhelsde Hem vol genegenheid en liefde. Dan kwam een andere van achteren aanlopen en deed Zijn handen voor Kṛṣṇa open. Kṛṣṇa voelde Zich altijd heel gelukkig als Zijn vertrouwelijke vrienden zo met Hem omgingen.
Van al deze vertrouwelijke vrienden wordt Śrīdāmā als de belangrijkste beschouwd. Śrīdāmā liep altijd in het geel. Hij had een buffelhoorn in de hand en zijn tulband was koperrood. Zijn huidskleur was vrijwel zwart en om zijn hals droeg hij een mooie bloemenkrans. Hij liep Kṛṣṇa altijd vrolijk uit te dagen. Laten we bidden dat Śrīdāmā ons zijn genade wil schenkenl
Soms zei Śrīdāmā tot Kṛṣṇa:
"Ach wat ben Je wreed dat Je ons alleen gelaten hebt aan de oever van de Yamunā. We werden gewoon gek toen we Je daar niet zagen! Nu hebben we het bijzondere geluk dat we Je hier kunnen zien. Als Je ons wil geruststellen moet Je ons allemaal in Je armen nemen. Maar geloof me, beste vriend, één ogenblik zonder Jou leidt tot grote verwarring, niet alleen voor ons, maar ook voor de koeien. Alles gaat dan verkeerd en we worden gek van Je."
"Ach wat ben Je wreed dat Je ons alleen gelaten hebt aan de oever van de Yamunā. We werden gewoon gek toen we Je daar niet zagen! Nu hebben we het bijzondere geluk dat we Je hier kunnen zien. Als Je ons wil geruststellen moet Je ons allemaal in Je armen nemen. Maar geloof me, beste vriend, één ogenblik zonder Jou leidt tot grote verwarring, niet alleen voor ons, maar ook voor de koeien. Alles gaat dan verkeerd en we worden gek van Je."
Er zijn andere, nog vertrouwelijker vrienden. Ze worden priya-narmā of intieme vrienden genoemd. Tot deze priya-narmā vrienden worden gerekend Subala, Arjuna, Gandhara, Vasanta en Ujjvala. De gopī's, Rādhārāņī's vriendinnen, praatten wel eens over deze intiemste vrienden. Een van hen zei tot Rādhārāṇī:
"Lieve Krśāngī [tedere], kijk toch eens hoe Subala Jouw boodschap in Kṛṣṇa's oor fluistert, hoe hij de vertrouwelijke brief van Śyāmādāsī stilletjes in Kṛṣṇa 's hand stopt, hoe hij de betelnoten, die Pālikā heeft klaargemaakt, in Kṛṣṇa's mond schuift en hoe hij Kṛṣṇa Tārakā's bloemenkrans omhangt. Wist Je, lieve vriendin, dat al deze intiemste vrienden van Kṛṣṇa Hem altijd op deze manier van dienst zijn?"
Van de vele intieme priya-narmā's worden Subala en Ujjvala als de meest vooraanstaande beschóuwd.
"Lieve Krśāngī [tedere], kijk toch eens hoe Subala Jouw boodschap in Kṛṣṇa's oor fluistert, hoe hij de vertrouwelijke brief van Śyāmādāsī stilletjes in Kṛṣṇa 's hand stopt, hoe hij de betelnoten, die Pālikā heeft klaargemaakt, in Kṛṣṇa's mond schuift en hoe hij Kṛṣṇa Tārakā's bloemenkrans omhangt. Wist Je, lieve vriendin, dat al deze intiemste vrienden van Kṛṣṇa Hem altijd op deze manier van dienst zijn?"
Van de vele intieme priya-narmā's worden Subala en Ujjvala als de meest vooraanstaande beschóuwd.
. Subala wordt als volgt beschreven:
"Zijn huidskleur is precies die van gesmolten goud. Hij is Kṛṣṇa uiterst dierbaar. Hij heeft altijd een krans om zijn hals en draagt altijd gele kleren. Zijn ogen zijn net lotusblaadjes en hij is zo intelligent, dat alle andere vrienden het grootste plezier hebben in zijn manier van praten en zijn zedelijk onderricht. Laten we allemaal onze eerbiedige eerbetuigingen brengen aan Kṛṣṇa's vriend Subala!"
"Zijn huidskleur is precies die van gesmolten goud. Hij is Kṛṣṇa uiterst dierbaar. Hij heeft altijd een krans om zijn hals en draagt altijd gele kleren. Zijn ogen zijn net lotusblaadjes en hij is zo intelligent, dat alle andere vrienden het grootste plezier hebben in zijn manier van praten en zijn zedelijk onderricht. Laten we allemaal onze eerbiedige eerbetuigingen brengen aan Kṛṣṇa's vriend Subala!"
Hoe intiem Kṛṣṇa en Subala met elkaar omgingen kan men opmaken uit het feit dat hun gesprekken zo vertrouwelijk waren, dat niemand anders kon begrijpen waar ze het over hadden.
Een andere intieme vriend Ujjvala, wordt als volgt beschreven:
"Ujjvala heeft altijd iets van oranje aan en zijn ogen bewegen steeds rusteloos heen en weer. Hij houdt ervan om zich met allerlei bloemen te versieren, zijn huidskleur is bijna gelijk aan die van Kṛṣṇa en om zijn hals draagt hij altijd een parelsnoer. Hij is Kṛṣṇa altijd zeer dierbaar. Laten we allen Ujjvala, Kṛṣṇa's intiemste vriend, eer bewijzen!"
"Ujjvala heeft altijd iets van oranje aan en zijn ogen bewegen steeds rusteloos heen en weer. Hij houdt ervan om zich met allerlei bloemen te versieren, zijn huidskleur is bijna gelijk aan die van Kṛṣṇa en om zijn hals draagt hij altijd een parelsnoer. Hij is Kṛṣṇa altijd zeer dierbaar. Laten we allen Ujjvala, Kṛṣṇa's intiemste vriend, eer bewijzen!"
Terzake van de vertrouwelijke dienst van Ujjvala kennen we de volgende uitspraak van een van de vriendinnen van Rādhārāṇī:
"Lieve Rādhārāņī, het is ondoenlijk om mijn fatsoen te houden! Ik wilde het vermijden om verder nog tot Kṛṣṇa te spreken -maar kijk toch eens aan! Daar heb je Zijn vriend Ujjvala weer, die een goed woordje bij me komt doen. Zijn smeekbeden zijn zo dringend, dat het voor een gopī heel moeilijk is om Kṛṣṇa haar liefde te onthouden, ook al is ze nog zo verlegen, haar huiselijke plichten nog zo toegedaan en haar echtgenoot nog zo trouw."
"Lieve Rādhārāņī, het is ondoenlijk om mijn fatsoen te houden! Ik wilde het vermijden om verder nog tot Kṛṣṇa te spreken -maar kijk toch eens aan! Daar heb je Zijn vriend Ujjvala weer, die een goed woordje bij me komt doen. Zijn smeekbeden zijn zo dringend, dat het voor een gopī heel moeilijk is om Kṛṣṇa haar liefde te onthouden, ook al is ze nog zo verlegen, haar huiselijke plichten nog zo toegedaan en haar echtgenoot nog zo trouw."
De volgende uitspraak van Ujjvala geeft blijk van zijn uitgelaten aard:
"Beste Kṛṣṇa, doder van Aghāsura, Je hebt zulke uitgebreide liefdesaffaires, dat Je met een oceaan kan worden vergeleken die geen grenzen kent. En alle jonge meisjes van de wereld, die allemaal op zoek zijn naar de volmaakte minnaar, zijn als rivieren die in deze oceaan uitstromen. Zoals de zaken nu staan, kunnen al deze jonge-meisjes-rivieren weliswaar proberen hun loop te verleggen, maar uiteindelijk moeten ze toch bij Jou uitkomen."
"Beste Kṛṣṇa, doder van Aghāsura, Je hebt zulke uitgebreide liefdesaffaires, dat Je met een oceaan kan worden vergeleken die geen grenzen kent. En alle jonge meisjes van de wereld, die allemaal op zoek zijn naar de volmaakte minnaar, zijn als rivieren die in deze oceaan uitstromen. Zoals de zaken nu staan, kunnen al deze jonge-meisjes-rivieren weliswaar proberen hun loop te verleggen, maar uiteindelijk moeten ze toch bij Jou uitkomen."
Van de verschillende soorten vrienden van Kṛṣṇa zijn sommige zeer bekend uit díverse Schriften en andere uit de volksoverlevering. Er zijn drie afdelingen van vrienden van Kṛṣṇa: sommige zijn eeuwig met Hem bevriend, andere zijn verheven goden en weer andere zijn volmaakte toegewijden. Bij elke groep zijn er die van nature in Kṛṣṇa's dienst verankerd zijn en Hem altijd van advies dienen; sommige zijn dol op grappen en maken Kṛṣṇa met hun woorden altijd vanzelf aan het lachen; andere zijn heel simpel van aard en schenken Heer Kṛṣṇa voldoening door hun eenvoud; weer andere zorgen door hun activiteiten voor schitterende situaties, die schijnbaar tegen Kṛṣṇa gericht zijn; sommige, bijzonder spraakzaam, zijn altijd in een woordentwist met Kṛṣṇa verwikkeld en trekken alles in de debat-sfeer; en wéér andere zijn zeer zachtmoedig en schenken Kṛṣṇa met hun zoete woorden vreugde. Al deze vrienden gaan bijzonder intiem met Kṛṣṇa om en tonen zich uiterst bedreven in het verrichten van allerlei activiteiten, waarbij het er altijd om gaat Kṛṣṇa voldoening te schenken.