Default View
Dual Language View
HOOFDSTUK 42
Broederlijke liefdesaangelegenheden
Kṛṣṇa's leeftijd, Zijn schoonheid, Zijn hoorn, Zijn fluit, Zijn schelphoorn en Zijn welwillendheid wekken allemaal liefde en vriendschap voor Hem op. Zijn uitzonderlijk grappenmaker talent, dat Hij soms tentoonspreidt door te doen alsof Hij een prins van koninklijke bloede is, of zelfs de Allerhoogste Godspersoon, dient toegewijden die liefde en vriendschap voor Kṛṣṇa ontwikkelen eveneens tot impuls.
Grote geleerden delen Kṛṣṇa's jeugd in drie levensperioden in: de leeftijd tot en met Zijn vijfde jaar wordt kaumāra genoemd, die van Zijn zesde tot en met Zijn tiende paugaṇḍa en die van Zijn elfde tot en met Zijn vijftiende kaiśora. Wanneer Kṛṣṇa Zijn dagen als koeienjongen doorbrengt, bevindt Hij Zich nog in de leeftijd van kaumāra en pauganda. Toen Kṛṣṇa in Zijn kaiśora-periode in Gokula verscheen, trad Hij op als koeienjongen, en vervolgens, op Zijn zestiende, ging Hij naar Mathurā om Kaṁsa te doden.
De kaumāra-periode is bijzonder geschikt voor het uitwisselen van kinderlijke liefdesblijken met moeder Yaśodā. In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.13.11) zegt Śukadeva Gosvāmi tot Koning Parīkṣit:
"Waarde vorst, hoewel Heer Kṛṣṇa de hoogste genieter en begunstigde is van alle vormen van offerplechtigheden, zat Hij altijd heel gewoon met Zijn vrienden, de koeienjongens, te eten. Dat komt omdat Hij ermee instemde om het spel van een gewone jongen te spelen, met Zijn fluit onder Zijn arm en Zijn hoorn rechts in Zijn gordel gestoken samen met Zijn stok. In Zijn linkerhand hield Hij een stukje yoghurt-rijst en in Zijn andere pīlu, de koning van alle vruchten. Als Hij met Zijn vrienden in de kring zat, leek Hij het hart van een lotus, terwijl Zijn vrienden de kelkbladeren vormden. Terwijl ze zo lekker grappen met elkaar zaten te maken, waren de hemelbewoners stom van verbazing en konden slechts naar hen omlaag staren."
"Waarde vorst, hoewel Heer Kṛṣṇa de hoogste genieter en begunstigde is van alle vormen van offerplechtigheden, zat Hij altijd heel gewoon met Zijn vrienden, de koeienjongens, te eten. Dat komt omdat Hij ermee instemde om het spel van een gewone jongen te spelen, met Zijn fluit onder Zijn arm en Zijn hoorn rechts in Zijn gordel gestoken samen met Zijn stok. In Zijn linkerhand hield Hij een stukje yoghurt-rijst en in Zijn andere pīlu, de koning van alle vruchten. Als Hij met Zijn vrienden in de kring zat, leek Hij het hart van een lotus, terwijl Zijn vrienden de kelkbladeren vormden. Terwijl ze zo lekker grappen met elkaar zaten te maken, waren de hemelbewoners stom van verbazing en konden slechts naar hen omlaag staren."
Kṛṣṇa's pauganda-periode kan in drie gedeelten worden onderscheiden: het begin, het midden en het einde. In het begin van Zijn pauganda-tijd ligt er een heel fraaie rossige gloed op Zijn lippen, Zijn buik is zeer slank en Zijn hals is geplooid als een hoornschelp. Soms kwamen mensen die al eerder naar Vṛndāvana waren geweest terug naar het dorp om Kṛṣṇa te zien en riepen uit, wanneer ze Hem weer zagen:
"O mijn beste Mukunda, Je wordt steeds maar mooier, als het blad van een banian! Mijn beste lotusoog, aan Je hals komen steeds duidelijker plooien te zien, als van een hoornschelp. En in de manestralen nemen Je tanden en wangen, fraai als ze gevormd zijn, het op tegen padmarāga-juwelen. Ik ben er zeker van dat Je fraaie lichaamsbouw Je vrienden veel plezier doet."
"O mijn beste Mukunda, Je wordt steeds maar mooier, als het blad van een banian! Mijn beste lotusoog, aan Je hals komen steeds duidelijker plooien te zien, als van een hoornschelp. En in de manestralen nemen Je tanden en wangen, fraai als ze gevormd zijn, het op tegen padmarāga-juwelen. Ik ben er zeker van dat Je fraaie lichaamsbouw Je vrienden veel plezier doet."
Op deze leeftijd had Kṛṣṇa kransen van allerlei bloemen om. Hij droeg altijd zijden kleren, die met verschillende verfsoorten waren gekleurd. Zulke fraaie tooi wordt als cosmetica voor Kṛṣṇa gezien. Kṛṣṇa droeg deze kledij wanneer Hij het bos in ging om de koeien te hoeden. Soms worstelde Hij daar met verschillende vrienden en soms ook dansten ze met hun allen in het woud. Dit zijn enkele van de specifieke activiteiten van de pauganda-periode.
Kṛṣṇa's vrienden, de koeienjongens, waren zo gelukkig in Zijn gezelschap, dat ze hun bovenzinnelijke gevoelens aldus der woorden brachten:
“Beste Kṛṣṇa, Je bent altijd de koeien aan het hoeden die overal door het mooie Vṛndāvana rondzwerven. Je hebt een prachtige bloemenkrans, een kleine hoornschelp, op Je tulband een pauwenveer, geel-zijden kleren, karņikāra-bloemen als versiering achter Je oren gestoken en een mallikā-bloemenkrans op Je borst. Wanneer Je net als een acteur doet alsof Je met ons vecht, geef Je ons, schoon als Je eruitziet, grenzeloos bovenzinnelijk geluk."
“Beste Kṛṣṇa, Je bent altijd de koeien aan het hoeden die overal door het mooie Vṛndāvana rondzwerven. Je hebt een prachtige bloemenkrans, een kleine hoornschelp, op Je tulband een pauwenveer, geel-zijden kleren, karņikāra-bloemen als versiering achter Je oren gestoken en een mallikā-bloemenkrans op Je borst. Wanneer Je net als een acteur doet alsof Je met ons vecht, geef Je ons, schoon als Je eruitziet, grenzeloos bovenzinnelijk geluk."
Wanneer Kṛṣṇa in het midden van de pauganda-periode groter is geworden, worden Zijn nagels vlijmscherp en Zijn dikke wangen glanzend en rond. Aan weerskanten van Zijn middel, boven Zijn gordel zijn drie duidelijke vouwlijnen in Zijn huid te zien, tri-valī genoemd.
De koeienjongens die met Kṛṣṇa bevriend zijn voelen zich erg trots dat ze met Hem mogen omgaan. Op die leeftijd laat Zijn neuspunt de schoonheid van de sesambloesem in het niet zinken, overstraalt de glans van Zijn wangen het glimmen van parels en zijn Zijn twee zijden prachtig mooi. Op deze leeftijd draagt Kṛṣṇa een zijden gewaad dat schittert als de bliksem, is Zijn hoofd getooid met een zijden tulband, met goudkant bedekt, en draagt Hij in Zijn hand een anderhalve meter lange stok. (1) Toen hij deze prachtig mooie uitdossing van Kṛṣṇa zag, zei een toegewijde tot zijn vriend:
"Beste vriend, kijk toch eens naar Kṛṣṇa! Zie hoe Hij een stok in Zijn hand houdt, waarvan onder tot boven gouden ringen om geschoven zijn, hoe Zijn goudkanten tulband prachtig glanst, en hoe Zijn fraaie kleed Zijn vrienden het hoogste bovenzinnelijke genoegen schenkt!"
"Beste vriend, kijk toch eens naar Kṛṣṇa! Zie hoe Hij een stok in Zijn hand houdt, waarvan onder tot boven gouden ringen om geschoven zijn, hoe Zijn goudkanten tulband prachtig glanst, en hoe Zijn fraaie kleed Zijn vrienden het hoogste bovenzinnelijke genoegen schenkt!"
(1) De bijzondere activiteiten van deze periode voltrokken zich in het woud dat bekend staat als Bhāndīravana. Dit Bhāndīravana bestaat met de elf andere vana's of bossen nog steeds in het gebied van Vṛndāvana , en toegewijden die het hele gebied van Vṛndāvana doorkruisen kunnen de schoonheid van deze bossen zelfs vandaag nog beleven.
Aan het eind van de paugaṇḍa-periode ziet men Kṛṣṇa's haar soms neerhangen tot op Zijn heupen, terwijl het ook wel in de war zit. Op deze leeftijd worden Zijn beide schouders hoger en breder en is Zijn gezicht met tilaka-tekens versierd. Wanneer Zijn mooie haar Zich over Zijn schouders spreidt, lijkt het een geluksgodin die Hem omhelst, en van deze omhelzing wordt bijzonder door Zijn vrienden genoten. Subala zei eens tot Hem:
"Mijn beste Keśava, Je ronde tulband, de lotus in Je hand, de vertikale tilaka-strepen op Je voorhoofd, Je muskus, die naar kuṅkuma ruikt, en Je hele uiterlijke schoonheid krijgen me vandaag klein, hoewel ik normaal sterker ben dan Jij of wie van onze vrienden ook. Gezien dit feit, zou ik niet weten hoe dit alles er niet in zal slagen om alle jonge meisjes van Vṛndāvana een toontje lager te laten zingen. Wanneer ík al door deze schoonheid verslagen wordt, wat hebben dan zíj, die van nature heel simpel en meegaand zijn, voor kans om haar te weerstaan?"
"Mijn beste Keśava, Je ronde tulband, de lotus in Je hand, de vertikale tilaka-strepen op Je voorhoofd, Je muskus, die naar kuṅkuma ruikt, en Je hele uiterlijke schoonheid krijgen me vandaag klein, hoewel ik normaal sterker ben dan Jij of wie van onze vrienden ook. Gezien dit feit, zou ik niet weten hoe dit alles er niet in zal slagen om alle jonge meisjes van Vṛndāvana een toontje lager te laten zingen. Wanneer ík al door deze schoonheid verslagen wordt, wat hebben dan zíj, die van nature heel simpel en meegaand zijn, voor kans om haar te weerstaan?"
Op deze leeftijd had Kṛṣṇa er plezier in om met Zijn vrienden te fluisteren, en het onderwerp van Zijn ontboezemingen was de schoonheid van de gopī's, die een eindje verder liepen te dralen. Subala zei eens tot Kṛṣṇa:
"Mijn beste Kṛṣṇa, wat ben Je slim. Je kunt de gedachten van anderen raden, daarom fluister ik Je toe dat die vijf gopī's, die hemelschoon zijn, door Je mooie kleren zijn aangetrokken. En ik geloof dat de liefdesgod hun de verantwoordelijkheid heeft opgelegd om zich van Je meester te maken."
Met andere woorden: de schoonheid van de gopī's kon Kṛṣṇa overmeesteren, hoewel Kṛṣṇa de meester van alle universa is.
"Mijn beste Kṛṣṇa, wat ben Je slim. Je kunt de gedachten van anderen raden, daarom fluister ik Je toe dat die vijf gopī's, die hemelschoon zijn, door Je mooie kleren zijn aangetrokken. En ik geloof dat de liefdesgod hun de verantwoordelijkheid heeft opgelegd om zich van Je meester te maken."
Met andere woorden: de schoonheid van de gopī's kon Kṛṣṇa overmeesteren, hoewel Kṛṣṇa de meester van alle universa is.
De kenmerken van de kaiśora-leeftijd zijn al beschreven, en het is deze leeftijdsperiode van Kṛṣṇa welke de toegewijden doorgaans het meest waarderen. Kṛṣṇa en Rādhārāņī worden aanbeden als Kiśora-kiśorī. Kṛṣṇa laat Zich uiterlijk niet ouder worden dan Zijn kaiśora-gedaante eruitziet, en de Brahma-samhitā bevestigt dat hoewel Hij de oudste persoon is en talloze verschillende gedaanten kent, Zijn oorspronkelijke gedaante altijd jeugdig is. Op de afbeeldingen van Kṛṣṇa op het Slagveld van Kurukșetra zien we dat Hij er jong uitziet, hoewel Hij in die tijd al zo oud was, dat Hij zoons, kleinzoons en achterkleinzoons had. Kṛṣṇa's vrienden, de koeienjongens, zeiden eens:
"Beste Kṛṣṇa, Je hoeft Je helemaal niet mooi te maken met zoveel sieraden. Je bovenzinnelijke trekken zijn op zichzelf al zo mooi, dat Je geen enkel sieraad nodig hebt."
Wanneer Kṛṣṇa op deze leeftijd 's ochtends vroeg de klanken van Zijn fluit tot trilling brengt, komen al Zijn vrienden meteen van hun bed overeind om met Hem naar de weidegronden te gaan. Een van Zijn vrienden zei eens:
"Beste vrienden, beste koeienjongens, het geluid van Kṛṣṇa's fluit van de heuvel van Govardhana zegt ons dat we Hem niet hoeven gaan zoeken aan de oever van de Yamunā."
"Beste Kṛṣṇa, Je hoeft Je helemaal niet mooi te maken met zoveel sieraden. Je bovenzinnelijke trekken zijn op zichzelf al zo mooi, dat Je geen enkel sieraad nodig hebt."
Wanneer Kṛṣṇa op deze leeftijd 's ochtends vroeg de klanken van Zijn fluit tot trilling brengt, komen al Zijn vrienden meteen van hun bed overeind om met Hem naar de weidegronden te gaan. Een van Zijn vrienden zei eens:
"Beste vrienden, beste koeienjongens, het geluid van Kṛṣṇa's fluit van de heuvel van Govardhana zegt ons dat we Hem niet hoeven gaan zoeken aan de oever van de Yamunā."
Pārvatī, de wederhelft van Heer Śiva, sprak tot haar echtgenoot:
"Mijn lieve Pañcamukha (vijfhoofdige], kijk toch eens naar de Pāņdava's! Zodra ze de klank van Kṛṣṇa's schelphoorn, Pāñcajanya, hoorden, kwamen ze weer op krachten en lijken nu wel leeuwen."
"Mijn lieve Pañcamukha (vijfhoofdige], kijk toch eens naar de Pāņdava's! Zodra ze de klank van Kṛṣṇa's schelphoorn, Pāñcajanya, hoorden, kwamen ze weer op krachten en lijken nu wel leeuwen."
Op deze leeftijd kleedde Kṛṣṇa Zich voor de grap eens aan als Rādhārāņī. Hij deed gouden oorbellen in, en omdat Hij een donkere huid heeft, wreef Hij Zijn hele lichaam in met gemalen kuṅkuma om er even licht uit te zien als Zij. Toen Kṛṣṇa's vriend Subala deze vermomming zag, was hij hoogst verbaasd.
Nu eens speelde Kṛṣṇa met Zijn intieme vrienden door eigenhandig met hen te vechten of worstelen, dan weer met ze te ballen en ook wel door met ze te schaken. Soms droegen ze elkaar op hun rug en ook wel lieten ze zien hoe goed ze waren in het houtblokken gooien. En de koeienjongens deden Kṛṣṇa een genoegen door samen met Hem op een bank of een schommel te zitten of op een rustbed te liggen, door grappen met elkaar te maken en samen in een poel te zwemmen. Al deze activiteiten worden anubhāva genoemd. Telkens wanneer alle vrienden in Kṛṣṇa's gezelschap waren, begonnen ze meteen al dit soort dingen te doen, vooral met elkaar te dansen. Over hun vechten vroeg een vriend Kṛṣṇa eens:
"Beste vriend, o doder van de demon Agha, Je loopt trots als een pauw tussen Je vrienden rond om te laten zien hoe sterk Je armen zijn. Ben Je soms afgunstig op mij? Ik weet dat Je me niet aan kan, en ik weet ook dat Je er een hele tijd maar wat bij hebt gezeten, omdat Je toch wel begrijpt dat Je tegen mij geen kans maakt."
"Beste vriend, o doder van de demon Agha, Je loopt trots als een pauw tussen Je vrienden rond om te laten zien hoe sterk Je armen zijn. Ben Je soms afgunstig op mij? Ik weet dat Je me niet aan kan, en ik weet ook dat Je er een hele tijd maar wat bij hebt gezeten, omdat Je toch wel begrijpt dat Je tegen mij geen kans maakt."
Alle vrienden waren erg driest en gingen geen enkel probleem uit de weg, omdat ze er vast op rekenden dat Kṛṣṇa hen bij elk avontuur zou laten zegevieren. Ze zaten in een kring en rieden elkaar aan wat ze moesten doen, waarbij ze elkaar nu eens aanmoedigden om de mensen te helpen; dan weer boden ze elkaar betelnoten aan, versierden elkaars gezicht met tilaka of smeerden elkaar sandelpulp op het lijf. Soms maakten ze voor de grap een gekke versiering op elkaars gezicht. Elke vriend was erop uit om het van Kṛṣṇa te winnen. Soms trok één van hen aan Zijn kleren of griste Hem de bloem af die Hij in Zijn hand hield. Ook wel probeerde de één de ander zijn lichaam te laten versieren, en wilde de vriend niet, dan stonden ze altijd klaar om te vechten en daagden elkaar uit. Dit zijn enkele van de geijkte activiteiten van Kṛṣṇa en Zijn vrienden.
Een belangrijk onderdeel van het spel en vermaak van de vrienden van Kṛṣṇa was ook dat ze boodschappen van en naar de gopī's overbrachten. Ze brachten de gopī's met Kṛṣṇa in contact en deden hun best voor Kṛṣṇa, Wanneer de gopī's het niet met Kṛṣṇa eens waren, boden deze vrienden als Kṛṣṇa erbij was Hem steun; maar was Kṛṣṇa er niet, dan heulden ze met de gopī's. Terwijl ze aldus nu eens de ene, dan weer de andere kant steunden, moest er heel wat onder vier ogen worden afgepraat, en in het oor gefluisterd worden, ook al ging het echt niet om zulke belangrijke dingen.
Een belangrijk onderdeel van het spel en vermaak van de vrienden van Kṛṣṇa was ook dat ze boodschappen van en naar de gopī's overbrachten. Ze brachten de gopī's met Kṛṣṇa in contact en deden hun best voor Kṛṣṇa, Wanneer de gopī's het niet met Kṛṣṇa eens waren, boden deze vrienden als Kṛṣṇa erbij was Hem steun; maar was Kṛṣṇa er niet, dan heulden ze met de gopī's. Terwijl ze aldus nu eens de ene, dan weer de andere kant steunden, moest er heel wat onder vier ogen worden afgepraat, en in het oor gefluisterd worden, ook al ging het echt niet om zulke belangrijke dingen.
Toen Kṛṣṇa na Zijn afstraffing van de Kāliyanāga uit de Yamunā kwam, wilde Śrīdāmā Hem als eerste omhelzen, maar kon zijn armen uit diep gevoeld respect niet omhoog krijgen.
Wanneer Kṛṣṇa op Zijn fluit speelde, leek de geluidstrilling op het donderen van de wolken in de hemel bij het verschijnen van de ster Svātī. Wanneer het onder het gesternte Svātī regent, zullen alle regendruppels die op de zeespiegel vallen volgens Vedische astronomische gegevens parels voortbrengen, terwijl regendruppels die op een slang terecht komen juwelen zullen voortbrengen. Toen nu Kṛṣṇa's fluit als een donderwolk onder het gesternte Svātī tekeer ging, zagen de zweetdruppels die als gevolg daarvan op Śrīdāmā 's huid verschenen er precies als parels uit.
Toen Kṛṣṇa en Subala elkaar eens omarmden, werd Śrīmatī Rādhārāņī een beetje jaloers en zei, zonder te laten merken dat Ze gepikeerd was:
"Mijn beste Subala, jij boft, omdat zelfs in tegenwoordigheid van jullie superieuren jij en Kṛṣṇa geen ogenblik aarzelen om jullie armen om elkaars schouders te slaan. Ik geloof dat men hierom moet begrijpen dat jullie in je vorige leven allerlei boetedoeningen met succes hebben volbracht."
Waar het hier om gaat is dat Rādhārāņī, die Haar armen altijd om Kṛṣṇa's schouders placht te leggen, dit nu niet kon doen, omdat Haar superieuren erbij stonden, terwijl Subala gewoon zijn gang kon gaan. Daarom roemde Rādhārāņī zijn geluk.
"Mijn beste Subala, jij boft, omdat zelfs in tegenwoordigheid van jullie superieuren jij en Kṛṣṇa geen ogenblik aarzelen om jullie armen om elkaars schouders te slaan. Ik geloof dat men hierom moet begrijpen dat jullie in je vorige leven allerlei boetedoeningen met succes hebben volbracht."
Waar het hier om gaat is dat Rādhārāņī, die Haar armen altijd om Kṛṣṇa's schouders placht te leggen, dit nu niet kon doen, omdat Haar superieuren erbij stonden, terwijl Subala gewoon zijn gang kon gaan. Daarom roemde Rādhārāņī zijn geluk.
Toen Kṛṣṇa en Subala elkaar eens omarmden, werd Śrīmatī Rādhārāņī een beetje jaloers en zei, zonder te laten merken dat Ze gepikeerd was:
"Mijn beste Subala, jij boft, omdat zelfs in tegenwoordigheid van jullie superieuren jij en Kṛṣṇa geen ogenblik aarzelen om jullie armen om elkaars schouders te slaan. Ik geloof dat men hierom moet begrijpen dat jullie in je vorige leven allerlei boetedoeningen met succes hebben volbracht."
Waar het hier om gaat is dat Rādhārāņī, die Haar armen altijd om Kṛṣṇa's schouders placht te leggen, dit nu niet kon doen, omdat Haar superieuren erbij stonden, terwijl Subala gewoon zijn gang kon gaan. Daarom roemde Rādhārāņī zijn geluk.
"Mijn beste Subala, jij boft, omdat zelfs in tegenwoordigheid van jullie superieuren jij en Kṛṣṇa geen ogenblik aarzelen om jullie armen om elkaars schouders te slaan. Ik geloof dat men hierom moet begrijpen dat jullie in je vorige leven allerlei boetedoeningen met succes hebben volbracht."
Waar het hier om gaat is dat Rādhārāņī, die Haar armen altijd om Kṛṣṇa's schouders placht te leggen, dit nu niet kon doen, omdat Haar superieuren erbij stonden, terwijl Subala gewoon zijn gang kon gaan. Daarom roemde Rādhārāņī zijn geluk.
Wanneer Kṛṣṇa en Zijn vrienden volkomen zonder gevoel van wederzijds respect met elkaar omgaan en elkaar op gelijk niveau tegemoet treden, spreekt men van extatische liefde in vriendschap, die sthāyī wordt genoemd. Heeft men zo'n vertrouwelijke vriendschap met Kṛṣṇa, dan uit deze liefde zich in symptomen als aangetrokken-heid, genegenheid, affiniteit en gehechtheid. Een voorbeeld van sthāyī is het verzoek dat Arjuna (1) aan Akrūra deed:
"Waarde zoon van Gāndinī, vraag Kṛṣṇa alstublieft wanneer ik Hem in mijn armen zal kunnen sluiten."
"Waarde zoon van Gāndinī, vraag Kṛṣṇa alstublieft wanneer ik Hem in mijn armen zal kunnen sluiten."
Is men volkomen bekend met Kṛṣṇa's superieure positie, maar toont men in de vriendschappelijke omgang met Hem geen enkele vorm van respect, dan is er sprake van genegenheid. Er is een schitterend voorbeeld van deze genegenheid: toen de goden, met Heer Śiva vooraan, Kṛṣṇa eerbiedige gebeden brachten, waarin de heerlijke volheid van de Heer beschreven werd, stond Arjuna (1) vóór Hem met een hand op Zijn schouder en tikte met de andere het stof van Zijn pauwenveer weg.
(1) Deze Arjuna, woonachtig te Vṛndāvana , is een ander dan de gelijknamige vriend tot wie de Bhagavad-gitā werd uitgesproken.
Toen de Pāṇḍava's door Duryodhana werden verbannen en incognito in het bos moesten wonen, wist niemand te zeggen waar ze zaten. In die tijd kwam de grote wijze Nārada bij Heer Kṛṣṇa en zei:
"Mijn waarde Mukunda, hoewel U de Allerhoogste Godspersoon bent, de Almachtige, zijn niettemin de Pāṇḍava's door hun vriendschap met U hun rechtmatige aanspraak op de heerschappij over de wereld kwijtgeraakt-en bovendien wonen ze nu incognito in het bos. Soms moeten ze zelfs als gewoon werkvolk bij anderen thuis aan de slag. Dit lijkt materieel gesproken uiterst heilloos, maar de schoonheid van deze toestand is dat de Pāṇḍava ’s hun geloof in U noch hun liefde voor U zijn kwijtgeraakt, in weerwil van al deze wederwaardigheden. In feite denken ze onophoudelijk aan U en verheerlijken in extatische vriendschap Uw naam."
"Mijn waarde Mukunda, hoewel U de Allerhoogste Godspersoon bent, de Almachtige, zijn niettemin de Pāṇḍava's door hun vriendschap met U hun rechtmatige aanspraak op de heerschappij over de wereld kwijtgeraakt-en bovendien wonen ze nu incognito in het bos. Soms moeten ze zelfs als gewoon werkvolk bij anderen thuis aan de slag. Dit lijkt materieel gesproken uiterst heilloos, maar de schoonheid van deze toestand is dat de Pāṇḍava ’s hun geloof in U noch hun liefde voor U zijn kwijtgeraakt, in weerwil van al deze wederwaardigheden. In feite denken ze onophoudelijk aan U en verheerlijken in extatische vriendschap Uw naam."
Een ander voorbeeld van acute genegenheid voor Kṛṣṇa wordt gegeven in het Śrīmad-Bhāgavatam (10.15.18). In de wei voelde Kṛṣṇa Zich een beetje moe en wilde wat uitrusten, dus Hij strekte Zich uit op de grond. Op dat moment verzamelde zich een heel stel koeienjongens om Hem heen en begon met grote genegenheid allerlei liederen te zingen die ertoe moesten bijdragen dat Kṛṣṇa heel fijn zou kunnen uitrusten.
Er bestaat een fraai voorbeeld van de vriendschap tussen Kṛṣṇa en Arjuna op het Slagveld Kurukṣetra. Terwijl de strijd voortging, viel Aśvatthāmā, de zoon van Droņācārya, buiten alle regels om Kṛṣṇa aan, want volgens de geldende bepalingen mag de vijand nooit iemands wagenmenner aanvallen. Aśvatthāmā gedroeg zich op vele manieren zo schandelijk, dat hij er niet voor terugdeinsde Kṛṣṇa fysiek te attaqueren, ook al trad Kṛṣṇa slechts als Arjuna's wagenmenner op. Toen Arjuna zag dat Aśvatthāmā allerlei schichten afschoot om Kṛṣṇa te verwonden, stelde hij zich dadelijk voor Kṛṣṇa op om ze lijflijk te onderscheppen. Hoewel Arjuna door de pijlen gewond werd, ervoer híj extatische liefde voor Kṛṣṇa en de pijlen leken op hem neer te komen als een bloemenregen.
Er bestaat nog een ander voorbeeld van extatische liefde voor Kṛṣṇa in vriendschap. Toen een koeienjongen, Vṛṣabha, eens bloemen liep te plukken in het bos om een krans voor Kṛṣṇa te rijgen, bereikte de zon het zenith, en hoewel de zonnestralen schroeiend heet waren, kwamen ze Vṛṣabha voor als de koele maneschijn. Zo brengt men bovenzinnelijke liefdedienst aan de Heer. Wanneer de toegewijden in grote moeilijkheden zitten, zelfs in het geval van de Pāṇḍava's, zoals hierboven beschreven, ervaren ze hun ellendige toestand als een grote faciliteit voor hun dienst aan de Heer.
Een ander voorbeeld van Arjuna's vriendschap voor Kṛṣṇa is de volgende uitspraak van Nārada, gericht tot Kṛṣṇa:
"Toen Arjuna de kunst van het boogschieten leerde, kon hij U vele dagen lang niet zien. Maar toen U ter plaatse aankwam, liet hij al zijn activiteiten varen en sloeg dadelijk zijn armen om U heen."
Dit betekent dat Arjuna, hoewel hij in het leren van de krijgskunst opging, Kṛṣṇa geen ogenblik uit het geheugen verloren was, en zodra hij de kans kreeg om Kṛṣṇa te zien, omhelsde hij Hem ook meteen.
"Toen Arjuna de kunst van het boogschieten leerde, kon hij U vele dagen lang niet zien. Maar toen U ter plaatse aankwam, liet hij al zijn activiteiten varen en sloeg dadelijk zijn armen om U heen."
Dit betekent dat Arjuna, hoewel hij in het leren van de krijgskunst opging, Kṛṣṇa geen ogenblik uit het geheugen verloren was, en zodra hij de kans kreeg om Kṛṣṇa te zien, omhelsde hij Hem ook meteen.
Een dienaar van Kṛṣṇa, Patrī, richtte zich als volgt tot Hem:
"Lieve Heer, U hebt de koeienjongens gered van de honger van de demon Aghāsura, en U hebt ze beschermd tegen de giftige activiteiten van de slang Kāliya. Ook hebt U ze gered uit de woeste bosbrand. Maar ik lijd omdat ik U niet zie, wat veel ernstiger is dan de honger van Aghāsura, het gif van Kāliya's meer en de vlammen van de bosbrand. Dus waarom zou U mij niet voor de kwelling van deze gescheidenheid behoeden?"
Een andere vriend zei eens tot Kṛṣṇa:
"Beste vijand van Kaṁsa, sinds Je niet bij ons bent, is het vuur van de gescheidenheid van Jou steeds feller opgelaaid. En deze hitte treft ons extra hevig nu we begrijpen dat Je in Bhāṇḍīra-vana verkwikt wordt door de koele golven van de rivier Bhānu-tanayā [Rādhārāṇī]."
De strekking van deze uitspraak is dat wanneer Kṛṣṇa met Rādhārāṇī bezig was, de koeienjongens, met Subala aan hun hoofd, een diepe gescheidenheid ervoeren, die hun onverdraaglijk voorkwam.
"Lieve Heer, U hebt de koeienjongens gered van de honger van de demon Aghāsura, en U hebt ze beschermd tegen de giftige activiteiten van de slang Kāliya. Ook hebt U ze gered uit de woeste bosbrand. Maar ik lijd omdat ik U niet zie, wat veel ernstiger is dan de honger van Aghāsura, het gif van Kāliya's meer en de vlammen van de bosbrand. Dus waarom zou U mij niet voor de kwelling van deze gescheidenheid behoeden?"
Een andere vriend zei eens tot Kṛṣṇa:
"Beste vijand van Kaṁsa, sinds Je niet bij ons bent, is het vuur van de gescheidenheid van Jou steeds feller opgelaaid. En deze hitte treft ons extra hevig nu we begrijpen dat Je in Bhāṇḍīra-vana verkwikt wordt door de koele golven van de rivier Bhānu-tanayā [Rādhārāṇī]."
De strekking van deze uitspraak is dat wanneer Kṛṣṇa met Rādhārāṇī bezig was, de koeienjongens, met Subala aan hun hoofd, een diepe gescheidenheid ervoeren, die hun onverdraaglijk voorkwam.
Een andere vriend zei eens tot Kṛṣṇa:
"Mijn beste Kṛṣṇa, O doder van Aghāsura, toen Je uit Vṛndāvana wegging om Koning Kaṁsa te doden in Mathurā, raakten alle koeienjongens beroofd van hun vier bhūta's (de elementen aarde, water, vuur en ruimte]. En het vijfde bhūta, de lucht, vloog schichtig door hun neusgaten in en uit."
Toen Kṛṣṇa naar Mathurā ging om Koning Kaṁsa te doden, werden alle koeienjongens zo door gescheidenheid aangegrepen dat ze bijna dood gingen. Wanneer iemand dood is, heet het dat hij de vijf elementen, bekend als bhūta's, heeft losgelaten, waardoor het lichaam weer uiteenvalt in de vijf elementen waaruit het was samengesteld. In het onderhavige geval was het overgebleven element lucht, hoewel de vier elementen, aarde, water, vuur en ruimte al weggegaan waren, nog steeds zeer merkbaar aanwezig en joeg schichtig door de neusgaten heen en weer. Met andere woorden: nadat Kṛṣṇa Vṛndāvana had verlaten, zaten de koeienjongens altijd in de rats om wat er in Zijn gevecht met Koning Kaṁsa zou kunnen plaatsgrijpen.
"Mijn beste Kṛṣṇa, O doder van Aghāsura, toen Je uit Vṛndāvana wegging om Koning Kaṁsa te doden in Mathurā, raakten alle koeienjongens beroofd van hun vier bhūta's (de elementen aarde, water, vuur en ruimte]. En het vijfde bhūta, de lucht, vloog schichtig door hun neusgaten in en uit."
Toen Kṛṣṇa naar Mathurā ging om Koning Kaṁsa te doden, werden alle koeienjongens zo door gescheidenheid aangegrepen dat ze bijna dood gingen. Wanneer iemand dood is, heet het dat hij de vijf elementen, bekend als bhūta's, heeft losgelaten, waardoor het lichaam weer uiteenvalt in de vijf elementen waaruit het was samengesteld. In het onderhavige geval was het overgebleven element lucht, hoewel de vier elementen, aarde, water, vuur en ruimte al weggegaan waren, nog steeds zeer merkbaar aanwezig en joeg schichtig door de neusgaten heen en weer. Met andere woorden: nadat Kṛṣṇa Vṛndāvana had verlaten, zaten de koeienjongens altijd in de rats om wat er in Zijn gevecht met Koning Kaṁsa zou kunnen plaatsgrijpen.
Weer een andere vriend liet Kṛṣṇa weten:
"Toen één van Je vrienden zich erg gescheiden van Je voelde, vulden zijn lotusogen zich met tranen, waardoor de zwarte hommels van de slaap er niet in durfden en wegvlogen."
Wanneer zwarte hommels een lotus zien, vliegen ze de kelk in om er honing uit te puren. De ogen van Kṛṣṇa's vriend worden met de lotus vergeleken, en omdat ze vol tranen waren, konden de zwarte hommels van de slaap er geen honing uit puren en trokken daarom weg. Omdat hij dus te zeer bedrukt was, stonden zijn ogen vol tranen en kon hij niet slapen. Dit is een voorbeeld van nachtelijke slapeloosheid uit gescheidenheid van Kṛṣṇa.
"Toen één van Je vrienden zich erg gescheiden van Je voelde, vulden zijn lotusogen zich met tranen, waardoor de zwarte hommels van de slaap er niet in durfden en wegvlogen."
Wanneer zwarte hommels een lotus zien, vliegen ze de kelk in om er honing uit te puren. De ogen van Kṛṣṇa's vriend worden met de lotus vergeleken, en omdat ze vol tranen waren, konden de zwarte hommels van de slaap er geen honing uit puren en trokken daarom weg. Omdat hij dus te zeer bedrukt was, stonden zijn ogen vol tranen en kon hij niet slapen. Dit is een voorbeeld van nachtelijke slapeloosheid uit gescheidenheid van Kṛṣṇa.
De volgende uitspraak geeft een voorbeeld van hulpeloosheid:
“Omdat Kṛṣṇa uit Vṛndāvana naar Mathurā was gegaan, voel-den de koeienjongens, die Kṛṣṇa zo lief waren, zich zo licht in het hoofd als het maar kon. Ze waren als katoenpluisjes, lichter dan de lucht, en zweefden er allemaal in rond zonder ergens hun toevlucht te kunnen vinden."
De koeienjongens voelen zich innerlijk dus bijna helemaal leeg uit gescheidenheid van Kṛṣṇa.
De koeienjongens waren ook een voorbeeld van ongeduld, toen Kṛṣṇa naar Mathurā was gegaan. Uit verdriet om hun gescheidenheid vergaten al deze jongens hun taak om voor de koeien te zorgen en probeerden alle melodieuze liedjes te vergeten die ze altijd in de weidegronden zongen. Op het laatst wilden ze niet eens meer in leven blijven, omdat Kṛṣṇa niet meer bij hen was.
“Omdat Kṛṣṇa uit Vṛndāvana naar Mathurā was gegaan, voel-den de koeienjongens, die Kṛṣṇa zo lief waren, zich zo licht in het hoofd als het maar kon. Ze waren als katoenpluisjes, lichter dan de lucht, en zweefden er allemaal in rond zonder ergens hun toevlucht te kunnen vinden."
De koeienjongens voelen zich innerlijk dus bijna helemaal leeg uit gescheidenheid van Kṛṣṇa.
De koeienjongens waren ook een voorbeeld van ongeduld, toen Kṛṣṇa naar Mathurā was gegaan. Uit verdriet om hun gescheidenheid vergaten al deze jongens hun taak om voor de koeien te zorgen en probeerden alle melodieuze liedjes te vergeten die ze altijd in de weidegronden zongen. Op het laatst wilden ze niet eens meer in leven blijven, omdat Kṛṣṇa niet meer bij hen was.
Een voorbeeld van stilte uit gescheidenheid is het volgende. Een vriend van Kṛṣṇa liet Hem in Mathurā weten dat alle koeienjongens als ontbladerde bomen op een heuveltop waren geworden. Ze leken bijna naakt, mager en zwak als ze waren geworden, en droegen vruchten noch bloemen. Soms voelden de koeienjongens zich ziek van gescheidenheid van Kṛṣṇa, en diep neerslachtig zwierven ze doelloos langs de oevers van de Yamunā.
Er bestaat ook een voorbeeld van waanzin uit gescheidenheid van Kṛṣṇa. Toen Kṛṣṇa uit Vṛndāvana weg was, raakten alle koeienjongens in de war, en terwijl ze al hun activiteiten lieten varen, leek het alsof ze gek waren geworden. Soms lagen ze op de grond te rollen in het stof, dan weer lachten ze verdwaasd en ook wel renden ze pijlsnel in het rond. Zo leek het allemaal alsof ze krankzinnig waren geworden. Een vriend van Kṛṣṇa uitte kritiek op Hem met de woorden:
“Lieve Heer, na het doden van Kaṁsa ben Je koning van Mathurā geworden en dat is heel goed nieuws voor ons. Maar in Vṛndāvana zijn alle inwoners nu blind, omdat ze onophoudelijk huilen van gescheidenheid van Jou. Ze kennen alleen maar zorgen en zijn er helemaal niet blij om dat Je nu koning van Mathurā bent."
“Lieve Heer, na het doden van Kaṁsa ben Je koning van Mathurā geworden en dat is heel goed nieuws voor ons. Maar in Vṛndāvana zijn alle inwoners nu blind, omdat ze onophoudelijk huilen van gescheidenheid van Jou. Ze kennen alleen maar zorgen en zijn er helemaal niet blij om dat Je nu koning van Mathurā bent."
Soms deden zich ook doodsverschijnselen voor uit gescheidenheid van Kṛṣṇa. Zo kreeg Kṛṣṇa eens te horen:
"Beste vijand van Kaṁsa, uit gescheidenheid van Jou moeten de koeienjongens te veel lijden, en nu liggen ze languit in het dal, terwijl ze nauwelijks meer ademhalen. Uit meegevoel met de jongens in hun betreurenswaardige toestand vergieten zelfs hun vrienden uit het bos, de herten, tranen."
"Beste vijand van Kaṁsa, uit gescheidenheid van Jou moeten de koeienjongens te veel lijden, en nu liggen ze languit in het dal, terwijl ze nauwelijks meer ademhalen. Uit meegevoel met de jongens in hun betreurenswaardige toestand vergieten zelfs hun vrienden uit het bos, de herten, tranen."
In het Mathurā-khaṇḍa-hoofdstuk van de Skanda Purāņa wordt een beschrijving gegeven van Kṛṣṇa en Balarāma, die omringd door alle koeienjongens altijd met de koeien en kalveren in de weer zijn. Toen Kṛṣṇa in een pottenbakkerij in de stad Drupadanagara Arjuna tegenkwam, sloten ze innige vriendschap, omdat ze uiterlijk zo sprekend op elkaar leken. Dit is een voorbeeld van het aangaan van vriendschap uit aangetrokkenheid tot iemand met hetzelfde uiterlijk.
In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.71.27) wordt verklaard dat toen Kṛṣṇa in de stad Indraprastha aankwam, Bhīma zo door vreugde werd overstelpt, dat hij met tranen in de ogen en een lach op zijn gezicht dadelijk zijn neef omhelsde. Zijn jongere broers Nakula en Sahadeva volgden samen met Arjuna zijn voorbeeld en ze waren allemaal zo overweldigd bij het zien van Kṛṣṇa, dat ze de Heer, die men kent als Acyuta, naar hartenlust omarmden. Iets dergelijks is ook bekend van de koeienjongens van Vṛndāvana. Toen Kṛṣṇa op het Slagveld te Kurukṣetra was, kwamen alle koeienjongens met kostbare ringen in hun oren naar Hem kijken. Uitgelaten van vreugde, strekten ze hun armen naar Hem uit en omhelsden Kṛṣṇa als hun oude vriend. Dit zijn voorbeelden van volkomen voldoening in vriendschap voor Kṛṣṇa.
Het Śrīmad-Bhāgavatam (10.12.12) verklaart dat de grote mystieke yogi's, zelfs nadat ze grote boete hebben gedaan en zich aan de regels van yoga hebben onderworpen, nauwelijks aan het stof van Kṛṣṇa's lotusvoeten zullen kunnen tippen, maar deze zelfde Godspersoon, Kṛṣṇa, kan makkelijk worden ontwaard door de blik van de inwoners van Vṛndāvana. Dit betekent dat het geluk van deze toegewijden zijn weerga niet kent. De vriendschappelijke relatie van de koeienjongens met Kṛṣṇa is doortrokken van een bijzondere vorm van geestelijke extase, die bijna gelijk is aan de amoureuze. De extase van de liefdevolle omgang van de koeienjongens met Kṛṣṇa laat zich zeer moeilijk verklaren. Diep gerealiseerde toegewijden zoals Rūpa Gosvāmī en de zijnen tonen zich verbaasd over de onvoorstelbare omvang van gevoelens die in Kṛṣṇa en Zijn vrienden, de koeienjongens, leven.
De bijzondere vorm van extatische liefde van Kṛṣṇa en Zijn intieme vrienden ontplooit zich verder tot ouderliefde, en vandaar kan ze zich ontwikkelen tot amoureuze liefde, de meest verheven gemoedstoestand of stemming van extatische liefde van Kṛṣṇa en Zijn toegewijden.