Default View
Dual Language View
HOOFDSTUK 43
Ouderschap
Wanneer extatische liefde zich ontwikkelt tot een relatie van ouderlijke liefde en geleidelijk aan daarin verankerd raakt, is er sprake van vātsalya-rasa. Men treft dit vātsalya-rasa-niveau van toegewijde dienst aan in de omgang van Kṛṣṇa met Zijn toegewijden die zich opstellen als Zijn meerderen, zoals bijvoorbeeld vader, moeder en leraar.
Grote geleerden hebben de stimulans tot ouderliefde voor Kṛṣṇa, welke men aantreft bij oudere personen die met Hem omgaan,als volgt beschreven:
"De Allerhoogste Godspersoon, wiens huidskleur precies als de tint van een blauwachtige, pas ontloken lotus is, wiens lichaam heel teer is en wiens lotusogen omkranst zijn door een warreling van haar als bijen zo zwart, liep eens door de straten van Vṛndāvana, toen moeder Yaśodā, de beminde echtgenote van Nanda Mahārāja Hem in het oog kreeg. Onmiddellijk stroomde de melk haar uit de borsten en maakte haar helemaal nat."
Bepaalde kenmerken van Kṛṣṇa die tot ouderliefde opwekken zijn onder andere Zijn donkere huid, die heel aantrekkelijk en aangenaam is voor het oog, Zijn al-heilrijke lichamelijke kenmerken, Zijn mildheid, Zijn zoete woorden, Zijn eenvoud, Zijn verlegenheid, Zijn nederigheid, Zijn voortdurende bereidheid om oudere mensen vol achting te bejegenen en Zijn milddadigheid. Al deze eigenschappen worden gezien als stimulansen tot extatische ouderliefde.
"De Allerhoogste Godspersoon, wiens huidskleur precies als de tint van een blauwachtige, pas ontloken lotus is, wiens lichaam heel teer is en wiens lotusogen omkranst zijn door een warreling van haar als bijen zo zwart, liep eens door de straten van Vṛndāvana, toen moeder Yaśodā, de beminde echtgenote van Nanda Mahārāja Hem in het oog kreeg. Onmiddellijk stroomde de melk haar uit de borsten en maakte haar helemaal nat."
Bepaalde kenmerken van Kṛṣṇa die tot ouderliefde opwekken zijn onder andere Zijn donkere huid, die heel aantrekkelijk en aangenaam is voor het oog, Zijn al-heilrijke lichamelijke kenmerken, Zijn mildheid, Zijn zoete woorden, Zijn eenvoud, Zijn verlegenheid, Zijn nederigheid, Zijn voortdurende bereidheid om oudere mensen vol achting te bejegenen en Zijn milddadigheid. Al deze eigenschappen worden gezien als stimulansen tot extatische ouderliefde.
In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.8.45) verklaart Śukadeva Gosvāmī dat moeder Yaśodā Heer Kṛṣṇa als haar zoon beschouwde, hoewel Hij in de Veda's als hemelvorst wordt gezien, in de Upaniṣads als het onpersoonlijk Brahman, in de filosofie als de allerhoogste man, door de yogi's als de Superziel en door de toegewijden als de Allerhoogste Godspersoon.
Op een keer zei moeder Yaśodā tot een van haar vriendinnen:
“Nanda Mahārāja, de leider van de koeherders, heeft samen met mij heer Vișņu aanbeden en als gevolg hiervan is Kṛṣṇa gered uit de greep van Pūtanā en andere demonen. De twee arjuna-bomen knapten natuurlijk om door een sterke windstoot, en hoewel het er alles van weg heeft dat Kṛṣṇa samen met Balarāma de heuvel Govardhana heeft opgetild, geloof ik toch dat het Nanda Mahārāja is geweest die de berg in de lucht hield. Hoe zou zo'n kleine jongen anders zo'n grote heuvel omhoog hebben kunnen houden?"
Ook dit is een voorbeeld van extase in ouderliefde. Dit soort ouderliefde wordt in een toegewijde opgewekt wanneer hij er liefdevol van overtuigd is dat hij Kṛṣṇa 's meerdere is en dat Kṛṣṇa niet lang meer te leven heeft als hij Hem niet beschermt. Daarom bad een toegewijde als volgt tot Kṛṣṇa's ouders:
"Laat me mijn toevlucht zoeken bij de oudere toegewijden die Kṛṣṇa's ouders zijn. Ze hunkeren er altijd naar om Kṛṣṇa te dienen en in leven te houden en zijn Hem altijd zo welgezind. Laten we hen onze eerbiedige eerbetuigingen brengen, omdat ze zo goed zijn voor de Allerhoogste Godspersoon, die de vader van het hele universum is!"
Op een keer zei moeder Yaśodā tot een van haar vriendinnen:
“Nanda Mahārāja, de leider van de koeherders, heeft samen met mij heer Vișņu aanbeden en als gevolg hiervan is Kṛṣṇa gered uit de greep van Pūtanā en andere demonen. De twee arjuna-bomen knapten natuurlijk om door een sterke windstoot, en hoewel het er alles van weg heeft dat Kṛṣṇa samen met Balarāma de heuvel Govardhana heeft opgetild, geloof ik toch dat het Nanda Mahārāja is geweest die de berg in de lucht hield. Hoe zou zo'n kleine jongen anders zo'n grote heuvel omhoog hebben kunnen houden?"
Ook dit is een voorbeeld van extase in ouderliefde. Dit soort ouderliefde wordt in een toegewijde opgewekt wanneer hij er liefdevol van overtuigd is dat hij Kṛṣṇa 's meerdere is en dat Kṛṣṇa niet lang meer te leven heeft als hij Hem niet beschermt. Daarom bad een toegewijde als volgt tot Kṛṣṇa's ouders:
"Laat me mijn toevlucht zoeken bij de oudere toegewijden die Kṛṣṇa's ouders zijn. Ze hunkeren er altijd naar om Kṛṣṇa te dienen en in leven te houden en zijn Hem altijd zo welgezind. Laten we hen onze eerbiedige eerbetuigingen brengen, omdat ze zo goed zijn voor de Allerhoogste Godspersoon, die de vader van het hele universum is!"
Er bestaat ook zo'n gebed van een brāhmaṇa die zegt:
"Laten anderen maar de Veda's en de Upaniṣads vereren, en laten weer anderen het Mahābhārata vereren, als ze zo bang voor het stoffelijk bestaan zijn en ervan verlost willen worden. Maar wat mij betreft: ik vereer alleen maar Nanda Mahārāja, omdat de Allerhoogste Absolute Godspersoon, Kṛṣṇa , als zijn eigen kind over zijn erf rondscharrelt."
"Laten anderen maar de Veda's en de Upaniṣads vereren, en laten weer anderen het Mahābhārata vereren, als ze zo bang voor het stoffelijk bestaan zijn en ervan verlost willen worden. Maar wat mij betreft: ik vereer alleen maar Nanda Mahārāja, omdat de Allerhoogste Absolute Godspersoon, Kṛṣṇa , als zijn eigen kind over zijn erf rondscharrelt."
Hier volgt een opsomming van de namen van achtenswaardige lieden die ouderlijke liefdesgevoelens voor Kṛṣṇa genieten:
1) moeder Yaśodā, de vorstin van Vraja;
2) Nanda Mahārāja, de koning van Vraja;
3) moeder Rohiņī, de moeder van Balarāma;
4) alle oudere gopī's van wie Heer Brahmā de zoons ontvoerde;
5) Devakī, de echtgenote van Vasudeva;
6) de andere vijftien vrouwen van Vasudeva;
7) Kuntī, de moeder van Arjuna;
8) Vasudeva, de werkelijke vader van Kṛṣṇa;
9) Sāndīpani Muni, Kṛṣṇa's leraar.
Al deze mensen worden beschouwd als achtenswaardige oudere lieden die ouderliefde voor Kṛṣṇa koesteren. De namen in deze opsomming staan in volgorde van belangrijkheid. We zien hier dus dat moeder Yaśodā en Nanda Mahārāja als de allerbelangrijkste van alle oudere personen worden beschouwd.
1) moeder Yaśodā, de vorstin van Vraja;
2) Nanda Mahārāja, de koning van Vraja;
3) moeder Rohiņī, de moeder van Balarāma;
4) alle oudere gopī's van wie Heer Brahmā de zoons ontvoerde;
5) Devakī, de echtgenote van Vasudeva;
6) de andere vijftien vrouwen van Vasudeva;
7) Kuntī, de moeder van Arjuna;
8) Vasudeva, de werkelijke vader van Kṛṣṇa;
9) Sāndīpani Muni, Kṛṣṇa's leraar.
Al deze mensen worden beschouwd als achtenswaardige oudere lieden die ouderliefde voor Kṛṣṇa koesteren. De namen in deze opsomming staan in volgorde van belangrijkheid. We zien hier dus dat moeder Yaśodā en Nanda Mahārāja als de allerbelangrijkste van alle oudere personen worden beschouwd.
In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.9.3) geeft Śukadeva Gosvāmī aan Mahārāja Parīkṣit een beschrijving van de gedaante en schoonheid van moeder Yasodā. Hij zegt:
"Waarde vorst, de brede heupen van moeder Yaśodā waren gehuld in zijde en linnen, en uit liefde stroomde de melk haar uit de borsten. Terwijl ze boter stond te maken en strak aan het karntouw trok, schommelden haar armbanden en oorringen heen en weer, en de bloemen waarmee haar haar zo fraai versierd was glipten los en vielen omlaag. Als gevolg van haar hevige inspanning stonden haar de zweetdruppels op het gezicht."
"Waarde vorst, de brede heupen van moeder Yaśodā waren gehuld in zijde en linnen, en uit liefde stroomde de melk haar uit de borsten. Terwijl ze boter stond te maken en strak aan het karntouw trok, schommelden haar armbanden en oorringen heen en weer, en de bloemen waarmee haar haar zo fraai versierd was glipten los en vielen omlaag. Als gevolg van haar hevige inspanning stonden haar de zweetdruppels op het gezicht."
In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.9.3) geeft Śukadeva Gosvāmī aan Mahārāja Parīkṣit een beschrijving van de gedaante en schoonheid van moeder Yasodā. Hij zegt:
"Waarde vorst, de brede heupen van moeder Yaśodā waren gehuld in zijde en linnen, en uit liefde stroomde de melk haar uit de borsten. Terwijl ze boter stond te maken en strak aan het karntouw trok, schommelden haar armbanden en oorringen heen en weer, en de bloemen waarmee haar haar zo fraai versierd was glipten los en vielen omlaag. Als gevolg van haar hevige inspanning stonden haar de zweetdruppels op het gezicht."
"Waarde vorst, de brede heupen van moeder Yaśodā waren gehuld in zijde en linnen, en uit liefde stroomde de melk haar uit de borsten. Terwijl ze boter stond te maken en strak aan het karntouw trok, schommelden haar armbanden en oorringen heen en weer, en de bloemen waarmee haar haar zo fraai versierd was glipten los en vielen omlaag. Als gevolg van haar hevige inspanning stonden haar de zweetdruppels op het gezicht."
Dan is er de volgende beschrijving van moeder Yaśodā's genegenheid voor Kṛṣṇa:
"Wanneer moeder Yaśodā 's ochtends vroeg was opgestaan, gaf ze Kṛṣṇa allereerst de borst en begon dan verschillende mantra's te reciteren om Hem te beschermen. Vervolgens bracht ze een heel mooie versiering op Zijn voorhoofd aan en bond Hem beschermende talismans om Zijn armen. Uit al deze activiteiten wordt met zekerheid afgeleid dat ze het toonbeeld van alle moederliefde voor Kṛṣṇa is."
"Wanneer moeder Yaśodā 's ochtends vroeg was opgestaan, gaf ze Kṛṣṇa allereerst de borst en begon dan verschillende mantra's te reciteren om Hem te beschermen. Vervolgens bracht ze een heel mooie versiering op Zijn voorhoofd aan en bond Hem beschermende talismans om Zijn armen. Uit al deze activiteiten wordt met zekerheid afgeleid dat ze het toonbeeld van alle moederliefde voor Kṛṣṇa is."
Het uiterlijk van Nanda Mahārāja wordt als volgt beschreven:
"Zijn hoofdhaar is doorgaans zwart, met een beetje grijs doorschoten. Hij draagt kleren in het groen van jonge banyan-bladeren. Hij heeft een beetje een buikje, zijn tint is als de volle maan en hij bezit een prachtige snor. Toen Kṛṣṇa nog een hummel was, liep Hij op een dag over het erf naar Zijn vader en greep hem bij zijn vinger, en omdat Hij nog niet goed kon lopen, leek het of Hij bijna viel. Terwijl Nanda Mahārāja zijn transcendente zoon op deze manier zijn bescherming bood, kwamen de tranen hem in de ogen en raakte hij door vreugde overstelpt. Laten we allen onze eerbiedige eerbetuigingen brengen aan de lotusvoeten van Koning Nanda!"
"Zijn hoofdhaar is doorgaans zwart, met een beetje grijs doorschoten. Hij draagt kleren in het groen van jonge banyan-bladeren. Hij heeft een beetje een buikje, zijn tint is als de volle maan en hij bezit een prachtige snor. Toen Kṛṣṇa nog een hummel was, liep Hij op een dag over het erf naar Zijn vader en greep hem bij zijn vinger, en omdat Hij nog niet goed kon lopen, leek het of Hij bijna viel. Terwijl Nanda Mahārāja zijn transcendente zoon op deze manier zijn bescherming bood, kwamen de tranen hem in de ogen en raakte hij door vreugde overstelpt. Laten we allen onze eerbiedige eerbetuigingen brengen aan de lotusvoeten van Koning Nanda!"
Zijn prille leeftijd, Zijn kinderkleren, Zijn kinderbewegingen, Zijn zoete kindertaal, lieve lachjes en verschillende vormen van kinderspel ziet men als stimulansen tot toenemende ouderliefde voor Kṛṣṇa. De kinderjaren van Kṛṣṇa worden in drie perioden verdeeld: het begin van de kaumāra-periode, het midden van de kaumāra-periode en het eind ervan. Tijdens het begin en midden van de kaumāra-periode heeft Kṛṣṇa dikke dijen en is Zijn oogwit licht. Het lijkt alsof Hij tanden begint te krijgen en Hij is erg zoet en lief. Hij wordt als volgt beschreven:
"Toen er drie of vier tanden bij Kṛṣṇa doorkwamen, waren Zijn dijen dik, was Zijn lichaam heel erg klein en kort en begon Hij de ouderlíefde van Nanda Mahārāja en moeder Yaśodā door Zijn kinderactiviteiten te laten toenemen. Nu eens stapte Hij op zijn beentjes heen en weer, dan weer huilde Hij, en ook lachte Hij of zoog op Zijn duim of ging er plat bij liggen. Dit zijn enkele van de verschillende activiteiten van Kṛṣṇa als kind. Wanneer Kṛṣṇa op de grond lag, nu eens op Zijn tenen sabbelde, dan weer Zijn benen in de lucht gooide, soms huilde en dan weer lachte, vertoonde moeder Yaśodā, die haar zoon zo bezig zag, geen tekenen dat ze Hem iets in de weg wilde leggen, maar keek juist gretig naar haar kind, terwijl ze van Zijn prille activiteiten genoot."
In het begin van Kṛṣṇa's kaumāra-periode draagt de Heer een gouden kettinkje met tijgernagels om Zijn hals. Hij had beschermende tilaka op Zijn voorhoofd, zwarte oogschaduw en om Zijn middel een zijden draad. Zo luidt de beschrijving van Kṛṣṇa's uitmonstering aan het begin van Zijn kaumāra-periode.
"Toen er drie of vier tanden bij Kṛṣṇa doorkwamen, waren Zijn dijen dik, was Zijn lichaam heel erg klein en kort en begon Hij de ouderlíefde van Nanda Mahārāja en moeder Yaśodā door Zijn kinderactiviteiten te laten toenemen. Nu eens stapte Hij op zijn beentjes heen en weer, dan weer huilde Hij, en ook lachte Hij of zoog op Zijn duim of ging er plat bij liggen. Dit zijn enkele van de verschillende activiteiten van Kṛṣṇa als kind. Wanneer Kṛṣṇa op de grond lag, nu eens op Zijn tenen sabbelde, dan weer Zijn benen in de lucht gooide, soms huilde en dan weer lachte, vertoonde moeder Yaśodā, die haar zoon zo bezig zag, geen tekenen dat ze Hem iets in de weg wilde leggen, maar keek juist gretig naar haar kind, terwijl ze van Zijn prille activiteiten genoot."
In het begin van Kṛṣṇa's kaumāra-periode draagt de Heer een gouden kettinkje met tijgernagels om Zijn hals. Hij had beschermende tilaka op Zijn voorhoofd, zwarte oogschaduw en om Zijn middel een zijden draad. Zo luidt de beschrijving van Kṛṣṇa's uitmonstering aan het begin van Zijn kaumāra-periode.
Wanneer Nanda Mahārāja de schoonheid van Kṛṣṇa als kind zag, met de tijgernagels om Zijn hals, Zijn tint als de kleur van de schors van een jonge tamāla-boom, prachtig getooid met tilaka, die in de koeienurine was opgelost, met armversieringen van mooie zijdedraad en ook een zijden sjerp om Zijn middel-wanneer Nanda Mahārāja zijn kind zo zag, raakte zijn blik nooit verzadigd van het kijken.
In het midden van de kaumāra-periode begint Kṛṣṇa's haar om zijn ogen te vallen. Soms heeft Hij iets aan dat de onderste helft van Zijn lichaam bedekt en soms is Hij volkomen bloot. Soms probeert Hij stap voor stap te lopen en ook zegt Hij heel zoete woordjes in gebroken kindertaal. Dit zijn enkele van de kenmerken van het midden van Zijn kaumāra-periode. Er is de volgende beschrijving van Hem, toen moeder Yaśodā Hem in het midden van de kaumāra-periode zag: Zijn losse haar hing Hem tot op Zijn wenkbrauwen, Zijn ogen gingen rusteloos heen en weer, maar Hij kon Zijn gevoelens niet op de juiste wijze in woorden uiten; toch praatte Hij en Zijn woorden waren zo heerlijk en zoet. Toen moeder Yaśodā naar Zijn oortjes keek en Hem bloot zag, terwijl Hij heel hard probeerde weg te hollen op Zijn kleine beentjes, voelde ze zich opgenomen in een oceaan van nectar. Kṛṣṇa's tooi op deze leeftijd bestaat uit een pareltje aan Zijn neus, boter op Zijn lotushandjes en een belletjessnoer om Zijn heupen. Naar verluidt voelde moeder Yaśodā zich altijd heerlijk gestreeld wanneer ze haar kind zag rond bewegen met de rinkelende belletjes om Zijn heupen en haar toelachte met de parel onder Zijn neus en de boter aan Zijn handjes.
In het midden van de kaumāra-periode begint Kṛṣṇa's haar om zijn ogen te vallen. Soms heeft Hij iets aan dat de onderste helft van Zijn lichaam bedekt en soms is Hij volkomen bloot. Soms probeert Hij stap voor stap te lopen en ook zegt Hij heel zoete woordjes in gebroken kindertaal. Dit zijn enkele van de kenmerken van het midden van Zijn kaumāra-periode. Er is de volgende beschrijving van Hem, toen moeder Yaśodā Hem in het midden van de kaumāra-periode zag: Zijn losse haar hing Hem tot op Zijn wenkbrauwen, Zijn ogen gingen rusteloos heen en weer, maar Hij kon Zijn gevoelens niet op de juiste wijze in woorden uiten; toch praatte Hij en Zijn woorden waren zo heerlijk en zoet. Toen moeder Yaśodā naar Zijn oortjes keek en Hem bloot zag, terwijl Hij heel hard probeerde weg te hollen op Zijn kleine beentjes, voelde ze zich opgenomen in een oceaan van nectar. Kṛṣṇa's tooi op deze leeftijd bestaat uit een pareltje aan Zijn neus, boter op Zijn lotushandjes en een belletjessnoer om Zijn heupen. Naar verluidt voelde moeder Yaśodā zich altijd heerlijk gestreeld wanneer ze haar kind zag rond bewegen met de rinkelende belletjes om Zijn heupen en haar toelachte met de parel onder Zijn neus en de boter aan Zijn handjes.
Toen Kṛṣṇa een beetje groter werd en op de kleine kalveren paste, ging Hij vaak naar de bosrand en wanneer Hij een beetje laat was met thuis komen, klom Nanda Mahārāja in zijn candra-śālikā (een optrekje op het dak van waaruit men de omtrek in het rond kan afspieden) en stond dan op de uitkijk. Bezorgd vanwege de late thuiskomst van zijn zoon, bleef Nanda Mahārāja net zo lang in de candra-śālikā staan tot hij zijn vrouw kon berichten dat Kṛṣṇa in de vriendenkring van kleine koeherdersjongens met de kalveren op huis aan kwam. Nanda Mahārājā wees dan naar de pauwenveer op het hoofd van zijn zoon en liet zijn geliefde echtgenote weten hoe de jongen zijn blikken streelde.
Moeder Yaśodā zei dan tot Nanda Mahārāja:
“Kijk mijn lieve jongen toch, met Zijn lichte ogen, Zijn tulband op, Zijn omslagdoek om en Zijn zoet rinkelende enkelbelletjes. Daar komt Hij aan met Zijn surabhi-kaIveren. Kijk toch eens hoe Hij over het heilige land van Vṛndāvana rondstapt!"
“Kijk mijn lieve jongen toch, met Zijn lichte ogen, Zijn tulband op, Zijn omslagdoek om en Zijn zoet rinkelende enkelbelletjes. Daar komt Hij aan met Zijn surabhi-kaIveren. Kijk toch eens hoe Hij over het heilige land van Vṛndāvana rondstapt!"
En dan zei Nanda Mahārāja tot zijn vrouw:
“Lieve Yaśodā, kijk toch eens naar je telg, Kṛṣṇa! Kijk toch hoe zwart Hij glanst, wat een rode gloed er uit Zijn ogen straalt, hoe breed Zijn borst is, hoe mooi Zijn gouden ketting! Wat ziet Hij er toch prachtig uit en wat neemt mijn bovenzinnelijk geluk toch steeds maar toe!"
“Lieve Yaśodā, kijk toch eens naar je telg, Kṛṣṇa! Kijk toch hoe zwart Hij glanst, wat een rode gloed er uit Zijn ogen straalt, hoe breed Zijn borst is, hoe mooi Zijn gouden ketting! Wat ziet Hij er toch prachtig uit en wat neemt mijn bovenzinnelijk geluk toch steeds maar toe!"
Wanneer Kṛṣṇa, de geliefde zoon van Nanda Mahārāja, de kaiśora-període binnengaat, bevindt Hij Zich in de ogen van Zijn ouders, hoewel Hij steeds mooier wordt, nog steeds in de paugaṇḍa -periode -al is Hij reeds tussen de tien en de vijftien. Wanneer Kṛṣṇa Zich in Zijn paugaṇḍa-periode bevindt, beschouwen ook sommige van Zijn dienaren Hem als kaisora. In Zijn kinderspel breekt Kṛṣṇa altijd de melk- en yoghurtkruiken, gooit de yoghurt over het erf en steelt de room uit de melk. Nu eens breekt Hij de karnstok en dan weer gooit Hij de boter in het vuur. Zo vergroot Hij de bovenzinnelijke vreugde van Zijn moeder Yasodā.
Moeder Yaśodā zei eens tot haar dienares Mukharā:
"Kijk toch eens hoe Kṛṣṇa stiekem alle kanten uitkijkt en lángzaam uit de struiken komt. Het ziet ernaar uit dat Hij boter wil komen stelen. Laat je niet zien, anders begrijpt Hij dat we Hem in de gaten hebben. Ik wil ervan genieten hoe Hij zo eigenwijs Zijn wenkbrauwen beweegt en ik wil Zijn ogen en mooie gezicht zien."
"Kijk toch eens hoe Kṛṣṇa stiekem alle kanten uitkijkt en lángzaam uit de struiken komt. Het ziet ernaar uit dat Hij boter wil komen stelen. Laat je niet zien, anders begrijpt Hij dat we Hem in de gaten hebben. Ik wil ervan genieten hoe Hij zo eigenwijs Zijn wenkbrauwen beweegt en ik wil Zijn ogen en mooie gezicht zien."
In deze periode van Kṛṣṇa's zeer stiekeme boterdiefstallen ervoer moeder Yaśodā de extase van moederliefde tot de Heer, waarbij ze Zijn hoofd berook, Zijn lichaam met haar hand beklopte, Hem nu eens zegende, dan weer een opdracht gaf, Hem aangaapte, Hem onderhield en Hem afried om een dief te worden. Deze activiteiten werden verricht in extatische moederliefde. Een belangrijk punt dat in dit verband moet worden opgemerkt is dat de kinderlijke neiging tot stelen zelfs bij de Allerhoogste Godspersoon aanwezig is en dat deze neiging dus niets kunstmatigs heeft. Stelen op geestelijk niveau is echter niet zo'n dwaasheid als stelen in de materiële wereld.
In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.13.33) zegt Śukadeva Gosvāmi tot Koning Parīkṣit:
"Waarde vorst, zodra de oudere gopī's hun zoons zagen aan-komen, raakten ze allemaal vervuld van onuitsprekelijke ouderliefde. Eerst wilden ze de jongens nog op hun kop geven voor het stelen van de boter, maar zodra ze hen onder ogen kwamen, smolt hun woede en raakten ze door liefde overstelpt. Ze drukten de jongens stijf tegen zich aan en beroken hun hoofd. Terwijl ze dit deden, werden ze bijna dol van liefde."
In hun kinderspel deden al deze koeienjongens met Kṛṣṇa mee bij het boter stelen. In plaats van boos te worden, werd moeder Yaśodā nat van de melk die uit haar borsten stroomde. Uit liefde voor Kṛṣṇa berook ze keer op keer Zijn hoofd.
"Waarde vorst, zodra de oudere gopī's hun zoons zagen aan-komen, raakten ze allemaal vervuld van onuitsprekelijke ouderliefde. Eerst wilden ze de jongens nog op hun kop geven voor het stelen van de boter, maar zodra ze hen onder ogen kwamen, smolt hun woede en raakten ze door liefde overstelpt. Ze drukten de jongens stijf tegen zich aan en beroken hun hoofd. Terwijl ze dit deden, werden ze bijna dol van liefde."
In hun kinderspel deden al deze koeienjongens met Kṛṣṇa mee bij het boter stelen. In plaats van boos te worden, werd moeder Yaśodā nat van de melk die uit haar borsten stroomde. Uit liefde voor Kṛṣṇa berook ze keer op keer Zijn hoofd.
De normale activiteiten van de moeders van de koeienjongens bestonden eruit dat ze hen zoenden, omhelsden, bij hun naam riepen en soms ook mild berispten om hun gedief. Deze uitingen van ouderliefde worden beschreven als de sāttvika-extase, waarbij zich acht soorten extase-symptomen voordoen. In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.13.22) zegt Śukadeva Gosvāmi tot Koning Parīkṣit:
"Alle moeders van de koeienjongens waren in de ban van de versluierende invloed van het yoga-māyā-vermogen van de Godspersoon, en zodra ze hun jongens op de fluit hoorden spelen, drukten ze hun zoons, die een schepping waren van het innerlijk vermogen van Kṛṣṇa, inwendig aan hun hart. Hen voor hun bloedeigen kinderen aanziend, tilden ze hen op en omhelsden hen, waarbij ze het kinderlijf stevig tegen zich aandrukten. De emoties die bij dit gebeuren tevoorschijn kwamen waren zoeter dan de meest bedwelmende nectar en de melk die hun uit de borsten stroomde werd meteen door de kinderen opgedronken."
"Alle moeders van de koeienjongens waren in de ban van de versluierende invloed van het yoga-māyā-vermogen van de Godspersoon, en zodra ze hun jongens op de fluit hoorden spelen, drukten ze hun zoons, die een schepping waren van het innerlijk vermogen van Kṛṣṇa, inwendig aan hun hart. Hen voor hun bloedeigen kinderen aanziend, tilden ze hen op en omhelsden hen, waarbij ze het kinderlijf stevig tegen zich aandrukten. De emoties die bij dit gebeuren tevoorschijn kwamen waren zoeter dan de meest bedwelmende nectar en de melk die hun uit de borsten stroomde werd meteen door de kinderen opgedronken."
In de Lalita-mādhava van de hand van Rūpa Gosvāmi, wordt Kṛṣṇa als volgt toegesproken:
"Lieve Kṛṣṇa, wanneer Je de beesten hoedt, bedekt het stof dat door de hoeven van de kalveren en koeien wordt opgeworpen Je mooie gezicht en Je sierlijke tilaka en zie Je er heel grauw uit. Maar wanneer Je thuiskomt, wast de melk uit de borsten van Je moeder de stoflaag van Je gezicht en lijk Je door deze melk gezuiverd zoals een mūrti, die een plechtige abhiṣeka-wassing heeft ondergaan.”
Het is gebruikelijk wanneer er een onzuivere handeling met de mūrti 's in de tempel heeft plaatsgevonden, dat de mūrti met melk gewassen wordt. Kṛṣṇa is de Allerhoogste Godspersoon, en Hij werd gewassen met de melk uit de borst van moeder Yaśodā, die Hem van zijn stoflaag reinigde.
"Lieve Kṛṣṇa, wanneer Je de beesten hoedt, bedekt het stof dat door de hoeven van de kalveren en koeien wordt opgeworpen Je mooie gezicht en Je sierlijke tilaka en zie Je er heel grauw uit. Maar wanneer Je thuiskomt, wast de melk uit de borsten van Je moeder de stoflaag van Je gezicht en lijk Je door deze melk gezuiverd zoals een mūrti, die een plechtige abhiṣeka-wassing heeft ondergaan.”
Het is gebruikelijk wanneer er een onzuivere handeling met de mūrti 's in de tempel heeft plaatsgevonden, dat de mūrti met melk gewassen wordt. Kṛṣṇa is de Allerhoogste Godspersoon, en Hij werd gewassen met de melk uit de borst van moeder Yaśodā, die Hem van zijn stoflaag reinigde.
Er zijn ook gevallen waarin moeder Yaśodā van vervoering verstijfde. Dat gebeurde bijvoorbeeld toen ze haar zoon de heuvel Govardhana zag opheffen. Terwijl Kṛṣṇa zo met de heuvel op Zijn hand stond, aarzelde moeder Yaśodā om Hem te omhelzen en raakte verstijfd. De gevaarlijke positie waarin Kṛṣṇa Zich begeven had door de heuvel boven Zijn hoofd te tillen bracht haar de tranen in de ogen. Door al die tranen kon ze Kṛṣṇa niet meer zien en aangezien haar keel door angst was toegeknepen, kon ze Kṛṣṇa niet eens meer zeggen wat Hij in die toestand moest doen. Dit is een symptoom van verstijving in liefdesextase.
Moeder Yaśodā genoot soms ook een bovenzinnelijke extase in puur geluk wanneer haar kind uit een gevaarlijke situatie werd gered, zoals in het geval van de aanval van een demon als Pūtanā. In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.17.19) zegt Śukadeva Gosvāmī dat moeder Yaśodā zich hoogst gelukkig voelde toen ze haar verloren kind terugzag. Ze nam het meteen op schoot en drukte het onophoudelijk tegen zich aan. Terwijl ze haar zoon aldus stijf omhelsde, stroomden de tranen haar uit de ogen en wist ze haar bovenzinnelijke vreugde niet onder woorden te brengen. De Vidagha-mādhava van Śrīla Rūpa Gosvāmi verklaart:
"Lieve Kṛṣṇa, de aanraking van Je moeder is zo fijn en fris dat ze de verkoelende werking van sandelpulp en heldere maneschijn vermengd met gestampte uśīra-wortel te boven gaat."
Uśīra is een wortel die, geweekt in water, een zeer verkoelende werking heeft. Men smeert zich bij drukkende hitte graag de pulp ervan op de huid.
"Lieve Kṛṣṇa, de aanraking van Je moeder is zo fijn en fris dat ze de verkoelende werking van sandelpulp en heldere maneschijn vermengd met gestampte uśīra-wortel te boven gaat."
Uśīra is een wortel die, geweekt in water, een zeer verkoelende werking heeft. Men smeert zich bij drukkende hitte graag de pulp ervan op de huid.
Yaśodā's moederliefde voor Kṛṣṇa neemt gestaag toe, en haar extase wordt nu eens beschreven als intense genegenheid, dan weer als overstelpende gehechtheid. Een geval van gehechtheid aan Kṛṣṇa in overstelpende genegenheid wordt door Śukadeva Gosvāmī als volgt in het Śrīmad-Bhāgavatam (10.6.43) aan Mahārāja Parīkṣit beschreven:
"Waarde vorst, toen de grootmoedige Nanda Mahārāja uit Mathurā terugkeerde, berook hij het hoofd van zijn zoon en ging op in de extase van zijn vaderliefde."
Er bestaat een dergelijke uitspraak over moeder Yaśodā, die er zeer naar verlangde om het geluid van Kṛṣṇa's fluit te horen, ten teken dat Hij van de weidegronden terugkwam. Omdat ze vond dat het erg laat was, werd haar verlangen om het geluid van Kṛṣṇa's fluit te horen twee keer zo groot en begon de melk haar uit de borst te stromen. In die toestand liep ze het huis in en uit. Steeds maar keek ze of Govinda er al aan kwam over de weg.
Toen tal van zeer verheven wijzen gebeden tot Kṛṣṇa opzonden, waarin ze Zijn activiteiten verheerlijkten, kwam de vorstin van Gokula, moeder Yaśodā, het veld van Kurukșetra op, terwijl haar sārī droop van de melk die haar uit de borst stroomde. Moeder Yaśodā's verschijning te Kurukṣetra vond niet plaats tijdens de grote slag aldaar. Kṛṣṇa ging namelijk ook eens bij een andere gelegenheid, tijdens een zonsverduistering, uit Zijn woonplaats (Dvārakā) naar Kurukṣetra, en de inwoners van Vṛndāvana verschenen daar toen ook om Hem terug te zien.
"Waarde vorst, toen de grootmoedige Nanda Mahārāja uit Mathurā terugkeerde, berook hij het hoofd van zijn zoon en ging op in de extase van zijn vaderliefde."
Er bestaat een dergelijke uitspraak over moeder Yaśodā, die er zeer naar verlangde om het geluid van Kṛṣṇa's fluit te horen, ten teken dat Hij van de weidegronden terugkwam. Omdat ze vond dat het erg laat was, werd haar verlangen om het geluid van Kṛṣṇa's fluit te horen twee keer zo groot en begon de melk haar uit de borst te stromen. In die toestand liep ze het huis in en uit. Steeds maar keek ze of Govinda er al aan kwam over de weg.
Toen tal van zeer verheven wijzen gebeden tot Kṛṣṇa opzonden, waarin ze Zijn activiteiten verheerlijkten, kwam de vorstin van Gokula, moeder Yaśodā, het veld van Kurukșetra op, terwijl haar sārī droop van de melk die haar uit de borst stroomde. Moeder Yaśodā's verschijning te Kurukṣetra vond niet plaats tijdens de grote slag aldaar. Kṛṣṇa ging namelijk ook eens bij een andere gelegenheid, tijdens een zonsverduistering, uit Zijn woonplaats (Dvārakā) naar Kurukṣetra, en de inwoners van Vṛndāvana verschenen daar toen ook om Hem terug te zien.
Toen Kṛṣṇa als pelgrim te Kurukṣetra aankwam, zeiden alle mensen die daar bijeen waren dat de zoon van Devakī was gearriveerd.
Daarop beklopte Devakī vol moederliefde Kṛṣṇa's gezicht. En toen de mensen vervolgens riepen dat Kṛṣṇa, de zoon van Vasudeva, was aangekomen, raakten zowel Koning Nanda als moeder Yaśodā door genegenheid overstelpt en straalden van grote vreugde.
Daarop beklopte Devakī vol moederliefde Kṛṣṇa's gezicht. En toen de mensen vervolgens riepen dat Kṛṣṇa, de zoon van Vasudeva, was aangekomen, raakten zowel Koning Nanda als moeder Yaśodā door genegenheid overstelpt en straalden van grote vreugde.
Toen moeder Yasodā, de vorstin van Gokula, naar haar zoon Kṛṣṇa ging te Kurukṣetra, zei een van haar vriendinnen tot haar:
"Lieve koningin, de melk die uit je borstheuvel tevoorschijn stroomt heeft de Ganges al wit gekleurd, en de tranen uit je ogen, met zwarte oogschaduw vermengd, hebben de Yamunā al verduisterd. En zoals je daar tussen deze twee rivieren in staat, geloof ik niet dat je zo hard naar je zoon toe hoeft te hollen, want je moederliefde blijkt uit deze twee rivieren al genoeg!"
"Lieve koningin, de melk die uit je borstheuvel tevoorschijn stroomt heeft de Ganges al wit gekleurd, en de tranen uit je ogen, met zwarte oogschaduw vermengd, hebben de Yamunā al verduisterd. En zoals je daar tussen deze twee rivieren in staat, geloof ik niet dat je zo hard naar je zoon toe hoeft te hollen, want je moederliefde blijkt uit deze twee rivieren al genoeg!"
Dezelfde vriendin van moeder Yaśodā zei tot Kṛṣṇa:
“Lieve Mukunda, als moeder Yaśodā, de koningin van Gokula, in de vlammen zou moeten gaan staan om Je lotusgezicht te mogen zien, zou het vuur voor haar net als de Himālaya zijn: een en al ijs. En als ze nu wel in de nectarzee mag blijven, maar daarbij niet het lotusgezicht van Uwe Genade mag aanschouwen, is deze nectarzee voor haar als een oceaan van arsenicum."
Laat de hunkering van moeder Yaśodā van Vraja, die altijd het lotus-gezicht van Kṛṣṇa hoopt te zien, in het hele heelal verheerlijkt worden!
“Lieve Mukunda, als moeder Yaśodā, de koningin van Gokula, in de vlammen zou moeten gaan staan om Je lotusgezicht te mogen zien, zou het vuur voor haar net als de Himālaya zijn: een en al ijs. En als ze nu wel in de nectarzee mag blijven, maar daarbij niet het lotusgezicht van Uwe Genade mag aanschouwen, is deze nectarzee voor haar als een oceaan van arsenicum."
Laat de hunkering van moeder Yaśodā van Vraja, die altijd het lotus-gezicht van Kṛṣṇa hoopt te zien, in het hele heelal verheerlijkt worden!
Er bestaat ook zo'n uitspraak van Kuntīdevī gericht tot Akrūra:
“Beste broer Akrūra, mijn neef Mukunda is al zo lang van ons vandaan. Wil je zo goed zijn Hem te zeggen dat zijn tante Kuntī door de vijand omringd is en graag wil weten wanneer ze Zijn lotus-gezicht weer zal mogen gaan zien?"
“Beste broer Akrūra, mijn neef Mukunda is al zo lang van ons vandaan. Wil je zo goed zijn Hem te zeggen dat zijn tante Kuntī door de vijand omringd is en graag wil weten wanneer ze Zijn lotus-gezicht weer zal mogen gaan zien?"
Het Śrīmad-Bhāgavatam (10.46.28) bevat de volgende uitspraak:
"Toen Uddhava in Vṛndāvana was en vertelde wat Kṛṣṇa in Dvārakā allemaal deed, stroomden moeder Yaśodā bij het aanhoren van zijn verhaal de melk uit de borsten en de tranen uit de ogen."
Een ander voorval waarbij Yaśodā's uiterste liefde voor Kṛṣṇa bleek deed zich voor toen Kṛṣṇa naar Mathurā, het koninkrijk van Kaṁsa, ging. Van Kṛṣṇa gescheiden, keek moeder Yaśodā naar Kṛṣṇa's make-up spullen en sloeg bijna bewusteloos tegen de grond. Terwijl ze over de grond rolde, raakte haar lichaam deerlijk geschramd en in die toestand riep ze huilend: "O mijn lieve jongen! Mijn lieve jongen!" en met beide handen sloeg ze zich op haar borsten. Deze handelwijze van moeder Yaśodā wordt door gevorderde toegewijden geduid als extatische liefde in gescheidenheid. Soms doen zich tal van andere symptomen voor, zoals grote benauwdheid, jammer, gefrustreerdheid, verstarring, nederigheid, rusteloosheid, waanzin en begoocheling.
"Toen Uddhava in Vṛndāvana was en vertelde wat Kṛṣṇa in Dvārakā allemaal deed, stroomden moeder Yaśodā bij het aanhoren van zijn verhaal de melk uit de borsten en de tranen uit de ogen."
Een ander voorval waarbij Yaśodā's uiterste liefde voor Kṛṣṇa bleek deed zich voor toen Kṛṣṇa naar Mathurā, het koninkrijk van Kaṁsa, ging. Van Kṛṣṇa gescheiden, keek moeder Yaśodā naar Kṛṣṇa's make-up spullen en sloeg bijna bewusteloos tegen de grond. Terwijl ze over de grond rolde, raakte haar lichaam deerlijk geschramd en in die toestand riep ze huilend: "O mijn lieve jongen! Mijn lieve jongen!" en met beide handen sloeg ze zich op haar borsten. Deze handelwijze van moeder Yaśodā wordt door gevorderde toegewijden geduid als extatische liefde in gescheidenheid. Soms doen zich tal van andere symptomen voor, zoals grote benauwdheid, jammer, gefrustreerdheid, verstarring, nederigheid, rusteloosheid, waanzin en begoocheling.
Wat betreft moeder Yaśodā's benauwdheid: toen Kṛṣṇa van huis wegging naar de weidegrond, zei een toegewijde tot haar:
"Yaśodā, ik geloof dat je in je bewegingen verzwakt en een en al benauwdheid bent. Het lijkt alsof je ogen niet meer bewegen en ik bespeur in je ademhaling een soort hitte waardoor de melk in je borsten op het kookpunt komt. Al deze verschijnselen laten zien dat je uit gescheidenheid van je zoon een felle hoofdpijn hebt gekregen."
Dit zijn enkele van de symptomen van moeder Yasodā's benauwdheid om Kṛṣṇa.
"Yaśodā, ik geloof dat je in je bewegingen verzwakt en een en al benauwdheid bent. Het lijkt alsof je ogen niet meer bewegen en ik bespeur in je ademhaling een soort hitte waardoor de melk in je borsten op het kookpunt komt. Al deze verschijnselen laten zien dat je uit gescheidenheid van je zoon een felle hoofdpijn hebt gekregen."
Dit zijn enkele van de symptomen van moeder Yasodā's benauwdheid om Kṛṣṇa.
Toen Akrūra in Vṛndāvana was en vertelde wat Kṛṣṇa in Dvārakā deed, kreeg moeder Yaśodā te horen dat Kṛṣṇa met een massa koninginnen getrouwd was en het zeer druk had als huisman. Bij dit bericht barstte moeder Yaśodā in jammeren uit. Ze klaagde erover hoe slecht ze het trof dat ze haar zoon niet vlak na Zijn kaiśora-tijd had kunnen laten trouwen en daardoor haar zoon en schoondochter niet thuis kon ontvangen. Ze riep uit:
"Beste Akrūra, je gooit de ene bliksemschicht na de andere op mijn hoofd!"
Dit zijn tekenen van jammer van moeder Yaśodā in haar gescheidenheid van Kṛṣṇa.
"Beste Akrūra, je gooit de ene bliksemschicht na de andere op mijn hoofd!"
Dit zijn tekenen van jammer van moeder Yaśodā in haar gescheidenheid van Kṛṣṇa.
Ook voelde moeder Yaśodā zich gefrustreerd wanneer ze dacht:
"Hoewel ik miljoenen koeien heb, kon het drinken van hun melk Kṛṣṇa geen voldoening schenken. Laat deze melk daarom vervloekt zijn! En ook ik ben vervloekt, want hoewel ik materieel van alles voorzien ben, kan ik nu niet het hoofd van mijn kind beruiken en Hem de melk uit mijn borst geven, zoals ik altijd deed toen Hij in Vṛndāvana was."
Dit is een teken van gefrustreerdheid van moeder Yaśodā in haar gescheidenheid van Kṛṣṇa.
"Hoewel ik miljoenen koeien heb, kon het drinken van hun melk Kṛṣṇa geen voldoening schenken. Laat deze melk daarom vervloekt zijn! En ook ik ben vervloekt, want hoewel ik materieel van alles voorzien ben, kan ik nu niet het hoofd van mijn kind beruiken en Hem de melk uit mijn borst geven, zoals ik altijd deed toen Hij in Vṛndāvana was."
Dit is een teken van gefrustreerdheid van moeder Yaśodā in haar gescheidenheid van Kṛṣṇa.
Een vriendin zei eens tot Kṛṣṇa:
"Mijn lieve lotusoog, toen Je nog in Gokula woonde, had Je altijd een stok in Je hand. Die stok ligt nu verloren in het huis van moeder Yaśodā, en telkens wanneer ze hem ziet, verstart ze net als die stok."
Dit is een teken van verstarring in gescheidenheid van Kṛṣṇa. Van Kṛṣṇa gescheiden, voelde moeder Yaśodā zich zo nederig, dat ze met tranen in de ogen tot Heer Brahmā, de schepper van het universum, bad:
“O beste schepper, kunt U me mijn lieve zoon Kṛṣṇa niet teruggeven, zodat ik Hem een ogenblikje maar kan zien?"
Soms beschuldigde moeder Yaśodā, rusteloos, als een waanzinnige Nanda Mahārāja:
"Wat voer jij uit in het paleis? Jij schaamteloze vent! Waarom noemen de mensen jou koning van Vraja? Het is verbijsterend dat jij, van je lieve zoon Kṛṣṇa gescheiden, nog steeds in Vṛndāvana woont, jij harteloze vader!"
"Mijn lieve lotusoog, toen Je nog in Gokula woonde, had Je altijd een stok in Je hand. Die stok ligt nu verloren in het huis van moeder Yaśodā, en telkens wanneer ze hem ziet, verstart ze net als die stok."
Dit is een teken van verstarring in gescheidenheid van Kṛṣṇa. Van Kṛṣṇa gescheiden, voelde moeder Yaśodā zich zo nederig, dat ze met tranen in de ogen tot Heer Brahmā, de schepper van het universum, bad:
“O beste schepper, kunt U me mijn lieve zoon Kṛṣṇa niet teruggeven, zodat ik Hem een ogenblikje maar kan zien?"
Soms beschuldigde moeder Yaśodā, rusteloos, als een waanzinnige Nanda Mahārāja:
"Wat voer jij uit in het paleis? Jij schaamteloze vent! Waarom noemen de mensen jou koning van Vraja? Het is verbijsterend dat jij, van je lieve zoon Kṛṣṇa gescheiden, nog steeds in Vṛndāvana woont, jij harteloze vader!"
Iemand vertelde Kṛṣṇa als volgt over de waanzin die moeder Yaśodā bevangen had:
"In haar waanzin richtte moeder Yaśodā zich tot de kadamba-bomen en vroeg hun: 'Waar is mijn zoon?' En ze sprak ook tot de vogels en de hommels en vroeg hun of Kṛṣṇa voorbijgekomen was en of ze ook nog nieuws van Je hadden. Zo liep moeder Yaśodā iedereen begoocheld te vragen waar Je bent en hoe het met Je gaat en zwierf ze door heel Vṛndāvana rond."
Dit is waanzin in gescheidenheid van Kṛṣṇa.
"In haar waanzin richtte moeder Yaśodā zich tot de kadamba-bomen en vroeg hun: 'Waar is mijn zoon?' En ze sprak ook tot de vogels en de hommels en vroeg hun of Kṛṣṇa voorbijgekomen was en of ze ook nog nieuws van Je hadden. Zo liep moeder Yaśodā iedereen begoocheld te vragen waar Je bent en hoe het met Je gaat en zwierf ze door heel Vṛndāvana rond."
Dit is waanzin in gescheidenheid van Kṛṣṇa.
Toen moeder Yaśodā Nanda Mahārāja van harteloosheid beschuldigde, antwoordde hij:
"Lieve Yaśodā, waarom ben je zo in alle staten? Kijk wat beter uit je ogen. Zie je niet? Je zoon Kṛṣṇa staat pal voor je! Gedraag je niet als een waanzinnige. Bewaar alsjeblieft de vrede in mijn huis."
En Kṛṣṇa hoorde dan van een vriendin dat ook Zijn vader Nanda in staat van begoocheling verkeerde uit gescheidenheid van Hem.
"Lieve Yaśodā, waarom ben je zo in alle staten? Kijk wat beter uit je ogen. Zie je niet? Je zoon Kṛṣṇa staat pal voor je! Gedraag je niet als een waanzinnige. Bewaar alsjeblieft de vrede in mijn huis."
En Kṛṣṇa hoorde dan van een vriendin dat ook Zijn vader Nanda in staat van begoocheling verkeerde uit gescheidenheid van Hem.
Toen alle vrouwen van Vasudeva in de arena van Kaṁsa waren, zagen ze de hoogst aantrekkelijke lichamelijke schoonheid van Kṛṣṇa,en dadelijk stroomde hun uit moederliefde de melk uit de borsten en werden hun sārī's allemaal nat. Dit symptoom van extatische liefde is een voorbeeld van het in vervulling gaan van hun verlangens.
Het Śrīmad-Bhāgavatam (1.11.29) verklaart:
"Toen Kṛṣṇa na de Slag van Kurukṣetra in Dvārakā terugkeerde, zag Hij het eerst Zijn moeder en Zijn verschillende stiefmoeders en boog Zich eerbiedig aan hun voeten neer. De moeders trokken Kṛṣṇa meteen bij zich op schoot en uit ouderliefde stroomde er melk uit hun borsten. Zo was deze melk, met hun traanvocht vermengd, het eerste offer dat ze Kṛṣṇa brachten."
Dit is een voorbeeld van voldoening na lange gescheidenheid.
"Toen Kṛṣṇa na de Slag van Kurukṣetra in Dvārakā terugkeerde, zag Hij het eerst Zijn moeder en Zijn verschillende stiefmoeders en boog Zich eerbiedig aan hun voeten neer. De moeders trokken Kṛṣṇa meteen bij zich op schoot en uit ouderliefde stroomde er melk uit hun borsten. Zo was deze melk, met hun traanvocht vermengd, het eerste offer dat ze Kṛṣṇa brachten."
Dit is een voorbeeld van voldoening na lange gescheidenheid.
Er is een uitspraak van dezelfde strekking in de Lalita-mādhava:
"Wat fantastisch dat Yaśodā, de vrouw van Koning Nanda, uit moederliefde voor Kṛṣṇa haar tranen en de melk uit haar borsten liet samenstromen om haar lieve zoon Kṛṣṇa te baden."
In de Vidagdha-mādhava zegt een toegewijde tot Heer Kṛṣṇa:
"Beste Mukunda, aangetrokken door het maanlicht van Je gezicht, dat geurde als de lotus, werd moeder Yaśodā, toen ze Je zag, zo door liefde overstelpt, dat er meteen melk uit de tepels van de kruiken van haar borsten begon te stromen."
Zo was ze altijd bezig Kṛṣṇa van melk te voorzien, waarbij ze steeds eerst de doek over de kruik doorweekt liet raken.
"Wat fantastisch dat Yaśodā, de vrouw van Koning Nanda, uit moederliefde voor Kṛṣṇa haar tranen en de melk uit haar borsten liet samenstromen om haar lieve zoon Kṛṣṇa te baden."
In de Vidagdha-mādhava zegt een toegewijde tot Heer Kṛṣṇa:
"Beste Mukunda, aangetrokken door het maanlicht van Je gezicht, dat geurde als de lotus, werd moeder Yaśodā, toen ze Je zag, zo door liefde overstelpt, dat er meteen melk uit de tepels van de kruiken van haar borsten begon te stromen."
Zo was ze altijd bezig Kṛṣṇa van melk te voorzien, waarbij ze steeds eerst de doek over de kruik doorweekt liet raken.
Dit zijn enkele tekenen van ouderliefde voor Kṛṣṇa van Zijn moeder, Zijn vader en andere oudere mensen. Symptomen van extatische liefde in ouderliefde doen zich voor wanneer men Kṛṣṇa als zoon beschouwt. Deze zich steeds voordoende bovenzinnelijke gevoelens voor Kṛṣṇa worden standvastige extase in ouderliefde genoemd.
Śrila Rūpa Gosvāmī verklaart hierna dat volgens enkele grote geleerden de tot dusver beschreven drie soorten bovenzinnelijke gemoedsgesteldheid -namelijk dienaarschap, broederschap en ouderliefde - zich soms vermengd voordoen. Zo zijn de broederlijke gevoelens van Balarāma vermengd met dienstbaarheid en ouderliefde. Ook Koning Yudhiṣṭhira’ aangetrokkenheid tot Kṛṣṇa is vermengd met ouderlijke genegenheid en dienstbaarheid, evenals de bovenzinnelijke gemoedsgesteldheid van Ugrasena, Kṛṣṇa's grootvader. De genegen-heid van alle oudere gopī's in Vṛndāvana is een mengeling van ouderliefde, dienstbaarheid en vriendschap. De genegenheid van de zoons van Mādrī, Nakula en Sahadeva, evenals die van de wijze Nārada, is een samengaan van vriendschap en dienaarschap. De genegenheid van Heer Śiva, Garuḍa en Uddhava is een samengaan van dienstbaarheid en vriendschap.