Default View
Dual Language

HOOFDSTUK 44

Toegewijde dienst in amoureuze liefde

De aangetrokkenheid van een zuivere toegewijde tot Kṛṣṇa in amoureuze liefde wordt toegewijde dienst in amoureuze liefde genoemd. Hoewel deze amoureuze gevoelens geenszins materieel van aard zijn, bestaat er enige overeenkomst tussen deze geestelijke liefde en materiële activiteiten. Daardoor kunnen mensen die alleen in materiële zaken geïnteresseerd zijn deze geestelijke amoureuze liefde onmogelijk begrijpen en komen de toegewijde uitwisselingen van liefdesblijken hun uiterst mysterieus voor. Rūpa Gosvāmī blijft daarom maar zeer kort stilstaan bij de amoureuze liefde.
De aanzetten tot amoureuze liefde zijn Kṛṣṇa en Zijn zeer dierbare metgezellinnen, zoals Rādhārāņī en de gopī's in Haar onmiddellijke omgeving. Heer Kṛṣṇa kent geen rivaal: niemand evenaart Hem en niemand overtreft Hem. Ook Zijn schoonheid kent haar weerga niet, en omdat Hij in het spel en vermaak van de amoureuze liefde iedereen overtreft, is Hij het eigenlijke middelpunt van alle amoureuze neigingen.
In de Gita-govinda van Jayadeva Gosvāmī zegt een gopī tot haar vriendin:
“Kṛṣṇa is de bron van alle vreugde in het heelal. Zijn lichaam is zo zacht als de lotus. En Zijn vrije omgang met de gopī's, die alles weg heeft van de manier waarop een jongen tot een meisje aangetrokken is, geeft aanleiding tot bovenzinnelijke amoureuze liefde."
Een zuivere toegewijde drukt de schreden van de gopī's en eert hen als volgt:
"Laat me mijn eerbiedige eerbetuigingen brengen aan alle jonge koeienhoedsters, die zo aantrekkelijk mooi zijn. Alleen door hun uiterlijke schoonheid al aanbidden ze de Allerhoogste Godspersoon, Kṛṣṇa."
Van alle jonge gopī's is Śrīmatī Rādhārāņī de belangrijkste.
De schoonheid van Śrīmatī Rādhārāņī wordt als volgt beschreven:
"Haar ogen laten de aantrekkelijkheid van de ogen van de cakorī-vogel in het niet zinken. Wanneer iemand het gezicht van Rādhārāņī ziet, krijgt hij meteen afkeer van de schoonheid van de maan. De teint van Haar huid stelt de schoonheid van goud volkomen in de schaduw. Laten we daarom allemaal onze ogen richten op de bovenzinnelijke schoonheid van Śrīmatī Rādhārāņī.”
Kṛṣṇa brengt Zijn aangetrokkenheid tot Rādhārāņī Zelf aldus onder woorden:
"Wanneer Ik een paar grappige dingen zeg om te genieten van de schoonheid van de reactie van Rādhārāṇī, luistert Ze heel aandachtig naar Mijn gescherts; maar Haar lichamelijke bewegingen en weerwoord doen het voorkomen alsof het Haar allemaal ontgaan is. En deze negering van Mijn grappenmakerij bezorgt zelfs Mij eindeloos plezier, want het staat Haar zó mooi, dat Mijn vreugde er honderdvoudig door toeneemt."
Een uitspraak van gelijke strekking wordt aangetroffen in de Gita-govinda, waar het heet dat de vijand van Kaṁsa, Srī Kṛṣṇa, wanneer Hij Srimatī Rādhārāni omhelst, Haar uit liefde niet meer los kan laten en het gezelschap van alle andere gopī's prijsgeeft.
In de Padyāvalī van Rūpa Gosvāmī wordt verklaard dat wanneer de gopī's Kṛṣṇa's fluit horen ze zich niets meer aantrekken van de berispingen die de oudere leden van hun familie hun maken. Het kan hun niets schelen of ze zichzelf ten schande maken en of hun echtgenoten hen bars zullen behandelen. Ze denken er alleen maar aan om achter Kṛṣṇa aan te gaan. Wanneer de gopī's Kṛṣṇa ontmoeten, wisselen ze blikken en gekscherende woorden en lachend gepraat met elkaar uit. Dit wordt anubhāva of subextase in amoureuze liefde genoemd.
In de Lalita-mādhava verklaart Rūpa Gosvāmī dat de bewegingen van Kṛṣṇa's wenkbrauwen als het golven van de Yamunā zijn en dat de glimlach van Rādhārāņī is als de maneschijn. Wanneer de Yamunā en de maneschijn aan de oever met elkaar in aanraking komen, smaakt het water er als nectar en wie het drinkt voelt zich hogelijk voldaan. Het is even verkwikkend als handen vol sneeuw. In de Padyāvalī zegt een gopī die altijd bij Rādhārāņī is:
"Lieve Rādhārāņī met Je maangezicht, Je hele lichaam ziet er uiterst voldaan uit, maar toch lijkt het alsof er tranen in Je ogen staan. Als Je praat, stamel Je en Je borsten zwoegen van Je ademhaling. Uit al deze tekenen kan ik afleiden dat Je Kṛṣṇa's fluit moet hebben gehoord en dat Je hart als gevolg daarvan nu smelt."
Dezelfde Padyāvalī geeft de volgende beschrijving, die wordt opgevat als blijk van gefrustreerdheid in amoureuze liefde. Srīmatī Rādhārāṇī zei:
"Geachte heer Liefdesgod, terg mij alstublieft niet door uw pijlen op mijn lichaam af te vuren. Geachte heer Lucht, prikkel me niet met al die bloemengeur. Ik ben nu verstoken van Kṛṣṇa's liefdes-blijken, en wat voor zin heeft het om onder de gegeven omstandigheden dit nutteloze lichaam in leven te houden? Er is geen enkel wezen dat zo'n lichaam nodig heeft."
Dit is een teken van frustratie in extatische liefde voor Kṛṣṇa.
In de Dāna-keli-kaumudī zegt Śrīmatī Rādhārāņī terwijl ze naar Kṛṣṇa wijst:
"Deze slimme bosjongen is even mooi als een blauwe lotus en Hij weet alle jonge meisjes van het heelal tot Zich aan te trekken. Nu Hij Mij iets van Zijn bovenzinnelijk lichaam heeft laten proeven, ben Ik in vervoering geraakt en dat is meer dan Ik verdragen kan. Ik voel Me als een vrouwtjesolifant die door het mannetje is aangevuurd!"
De gestage extase van de amoureuze liefde is de grondoorzaak van elk lichamelijk genieten. In de Padyāvalī wordt deze grondoorzaak van amoureus samengaan door Rādhārāņī beschreven, wanneer Ze tot een van Haar vaste metgezellinnen zegt:
“Lieve vriendin, wie is deze jongen, wiens ogen, die steeds maar heen en weer dansen, de schoonheid van Zijn gezicht verhogen en Mij laten verlangen om de liefde met Hem te beleven? Bij Zijn oren heeft Hij aśoka-knoppen in Zijn haar gestoken en Hij gaat in het geel gekleed. Met de klanken van Zijn fluit heeft deze jongen Me al zo ongedurig gemaakt."
De amoureuze liefde van Rādhā en Kṛṣṇa wordt nooit door persoonlijke overwegingen verstoord. De onverstoorbare aard van de amoureuze liefde van Rādhā en Kṛṣṇa wordt als volgt beschreven:
"Op zeer geringe afstand van Kṛṣṇa bevond zich moeder Yaśodā en Kṛṣṇa was door al Zijn vrienden omringd. Voor Zich zag Hij Candravālī en op een steenblok voor de ingang van het dorp stond op datzelfde ogenblik de demon Vṛṣāsura. Maar toen Kṛṣṇa, zelfs in deze omstandigheden, achter een door vele klimranken overwoekerde struik Rādhārāņī ontwaarde, bewogen Zijn prachtige wenkbrauwen zich als de bliksem in Haar richting."
Een vergelijkbare situatie is de volgende:
“Aan één kant van het erf lag het lijk van de demon Śańkhāsura, omringd door een menigte jakhalzen. Aan de andere kant bevonden zich vele geleerde brāhmaņa's, die zich allen volmaakt beheersten. Ze zonden fraaie gebeden op, die even verkoelend waren als de zomerbries. Voor Kṛṣṇa stond Heer Balarāma, wiens aanwezigheid verkwikkend aandeed. Maar zelfs temidden van al deze verschillende kalmerende en verwarrende omstandigheden kon de lotus van amoureuze extatische liefde, die in Kṛṣṇa voor Rādhārāņī was opgebloeid, niet verwelken."
De liefde van Kṛṣṇa voor Rādhārāņī wordt dikwijls met een open lotus vergeleken: het verschil tussen Kṛṣṇa's lotusliefde en de lotus is dat Zijn liefde in steeds toenemende mate schoon blijft.
De amoureuze liefde wordt in tweeën onderscheiden: vipralambha of amoureuze liefde uit gescheidenheid, en sambhoga of amoureuze liefde in rechtstreeks contact. Vipralambha, gescheidenheid, kent drie onderafdelingen, namelijk:
1) pūrva-rāga: eerste aantrekking;
2) māna: geveinsde boosheid;
3) pravāsa: gescheidenheid door afstand.
Wanneer de minnaar en de beminde duidelijk ervaren dat ze elkaar niet ontmoeten, is er sprake van pūrva-rāga, of eerste aantrekking. In de Padyāvalī zegt Rādhārāṇī tot haar metgezellin:
“Lieve vriendin, Ik was juist op weg naar de oever van de Yamunā, toen er plotseling een hele leuke jongen, zo donker als een blauwe wolk, voor Mijn ogen verscheen. Hij nam Me op met een blik die Ik niet beschrijven kan. Sinds deze gebeurtenis spijt het Me wel, maar kan Ik Mijn aandacht niet meer bij het huishouden houden."
Dit is een geval van eerste aantrekking tot Kṛṣṇa. In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.53.2) zei Kṛṣṇa tot de boodschapper die Hem bericht van Rukmini kwam brengen:
"Beste brähmaņa, Ik kan 's nachts ook niet slapen, net als Rukmiņī, en Mijn hart gaat altijd naar haar uit. Ik weet dat haar broer Rukmi Me niet welgezind is en dat door zijn toedoen onze bruiloft niet doorgaat."
Ook dit is een geval van eerste aantrekking.
Terzake van māna, of boosheid, beschrijft de Gita-govinda de volgende gebeurtenis:
"Toen Srimatī Rādhārāṇī zag dat Kṛṣṇa Zich verpoosde in gezelschap van enkele andere gopī's, werd ze een tikkeltje jaloers, omdat Ze Zich in Haar bijzondere positie zag aangetast. Daarom verdween Ze terstond van het toneel en verschool Zich in een mooie bloesemstruik, die gonsde van de zwarte hommels. Terwijl Ze daar achter de klimranken verborgen zat, klaagde Ze haar nood bij een van Haar metgezellinnen."
Dit is een geval van schijnbare onenigheid.
Een voorbeeld van pravāsa, geen ter wille contact hebben vanwege gescheidenheid door afstand, treft men aan in de Padyāvalī:
"Sedert de heilrijke dag waarop Kṛṣṇa op weg ging naar Mathurā, zit Srīmatī Rādhārāņī met Haar gezicht in Haar handen en laat Haar tranen voortdurend de vrije loop. Haar wangen zijn altijd nat en daardoor kan ze geen ogenblik meer slapen."
Wanneer iemands gezicht nat is, wordt de neiging tot slapen daardoor opgeheven. Dus toen Rādhārāņī Haar gezicht steeds in tranen baadde, omdat Kṛṣṇa niet bij Haar was, kon Ze daardoor de slaap niet meer vatten. In de Prahlāda-samhitā zegt Uddhava:
"Gepijnigd als Hij is door de pijlen van de liefdesgod die Hem hebben doorboord, moet de Allerhoogste Godspersoon, Govinda, altijd aan jullie [de gopī's] denken, en gebruikt Hij niet eens meer Zijn normale noenmaal. En ook slaapt Hij niet normaal meer."
Wanneer de minnaar en de beminde bij elkaar komen en in directe aanraking van elkaar genieten, is er sprake van sambhoga. De de Padyāvalī zegt in dit verband:
“Kṛṣṇa maakte Srīmatī Rādhārāņī zo bedreven het hof, dat het wel leek alsof Hij de paardans van een pauw opvoerde."
Zo rondt Rūpa Gosvāmī de vijfde golf van deze Nectarzee van Zuivere Liefde af. Hij brengt zijn eerbiedige eerbetuigingen aan de Allerhoogste Godspersoon, die verscheen in de eeuwige gedaante van de Heer, Gopāla.
Aldus eindigt Bhaktivedanta's bewerkinng van het derde deel van de Bhakti-rasāmṛta-sindhu terzake van de vijfbasisrelaties met Kṛṣṇa.