Default View
Dual Language View
HOOFDSTUK 45
De lach-extase
In het vierde deel van de Bhakti-rasāmṛta-sindhu beschrijft Śrila Rūpa Gosvāmī zeven vormen van indirecte extase van de toegewijde dienst, namelijk lachen, verwondering, ridderlijkheid, mededogen, woede, schrik en gruwel. Voorts beschrijft hij deze extases van toegewijde emoties in hun relatie tot elkaar, waarbij ze nu eens met elkaar stroken en dan weer niet. Wanneer een vorm van extatische toegewijde dienst een andere vorm van toegewijde dienst in de weg staat, is er sprake van rasābhāsa of scheef gaan van de gemoedsstemmingen.
Grote geleerden met diepe ervaring zeggen dat men lachen in de regel aantreft bij jonge mensen of in het samengaan van oudere mensen en kinderen. Dit extatische liefdevolle gelach vindt men soms ook bij mensen die van nature zeer ernstig zijn. Op een keer kwam er een oude bedelmonnik aan de deur van moeder Yaśodā, en Kṛṣṇa zei tot haar:
“Lieve moeder, Ik kom liever niet in de buurt van die magere schurk. Want als Ik bij hem kom, stopt hij Me misschien in zijn bedelzak en neemt Me met zich mee bij u vandaan!"
Terwijl het schitterende kind Kṛṣṇa angstig naar Zijn moeder keek, probeerde de bedelmonnik aan de deur zijn glimlach te verhelen, hetgeen hem slecht afging. Zijn lach schoot tevoorschijn. In dit geval is Kṛṣṇa Zelf het voorwerp van het lachen.
“Lieve moeder, Ik kom liever niet in de buurt van die magere schurk. Want als Ik bij hem kom, stopt hij Me misschien in zijn bedelzak en neemt Me met zich mee bij u vandaan!"
Terwijl het schitterende kind Kṛṣṇa angstig naar Zijn moeder keek, probeerde de bedelmonnik aan de deur zijn glimlach te verhelen, hetgeen hem slecht afging. Zijn lach schoot tevoorschijn. In dit geval is Kṛṣṇa Zelf het voorwerp van het lachen.
Een vriend van Kṛṣṇa zei Hem eens:
"Beste Kṛṣṇa, doe Je mond open, dan geef ik Je een lekker stukje yoghurtkandij."
Kṛṣṇa opende meteen Zijn mond, maar in plaats van yoghurtkandij liet Zijn vriend er een bloem in vallen. Terwijl Hij op de bloem kauwde, trok Kṛṣṇa rare bekken, en al Zijn vrienden die Hem dit zagen doen schaterden het uit.
"Beste Kṛṣṇa, doe Je mond open, dan geef ik Je een lekker stukje yoghurtkandij."
Kṛṣṇa opende meteen Zijn mond, maar in plaats van yoghurtkandij liet Zijn vriend er een bloem in vallen. Terwijl Hij op de bloem kauwde, trok Kṛṣṇa rare bekken, en al Zijn vrienden die Hem dit zagen doen schaterden het uit.
Op een dag kwam er een handlezer naar het huis van Nanda Mahārāja, en Nanda Mahārāja vroeg hem:
"Waarde wijze, wilt u alstublieft de hand van mijn kind, Kṛṣṇa, lezen? Zeg me hoeveel jaar Hij te leven heeft en of Hij de heer en meester van duizenden koeien zal zijn."
Toen hij deze woorden hoorde, glimlachte de handlezer, en Nanda Mahārāja vroeg hem:
"Waarde heer, wat staat u daar te lachen en verbergt u uw gezicht in uw handen?"
"Waarde wijze, wilt u alstublieft de hand van mijn kind, Kṛṣṇa, lezen? Zeg me hoeveel jaar Hij te leven heeft en of Hij de heer en meester van duizenden koeien zal zijn."
Toen hij deze woorden hoorde, glimlachte de handlezer, en Nanda Mahārāja vroeg hem:
"Waarde heer, wat staat u daar te lachen en verbergt u uw gezicht in uw handen?"
Bij deze lachende liefdesextase is altijd Kṛṣṇa of iets dat met Kṛṣṇa te maken heeft de oorzaak van het lachen. In deze lachende toegewijde dienst doen zich symptomen voor van uitgelatenheid, luiheid, verhulde gevoelens en meer van dergelijke schijnbaar verwarrende emoties en toestanden.
Volgens Śrīla Rūpa Gosvāmī kan het lachen in extatische liefde in zes soorten worden onderscheiden. Deze verdeling naar verschillende intensiteiten van gelach worden in het Sanskrit genoemd: smita, hasita, vihasita, avahasita, apahasita en atihasita. Deze zes intensiteiten van het lachen kunnen als het grote en het kleine lachen worden onderscheiden. Het grote lachen omvat smita, hasita en vihasita en het kleine avahasita, apahasita en atihasita.
Wanneer men lacht zonder dat de tanden zichtbaar zijn, ziet men een duidelijke verandering aan ogen en wangen. Men noemt dit smita, glimlachen. Toen Kṛṣṇa een keer yoghurt aan het stelen was, kreeg huishoudster Jaratī in de gaten wat Hij deed en schoot naar voren om Hem beet te pakken. Kṛṣṇa werd heel bang voor Jaratī en holde naar Zijn oudere broer, Balarāma, met de woorden:
"Beste broer, Ik heb yoghurt gepikt | Kijk- daar komt Jaratī aan om Me te pakken!"
Terwijl Kṛṣṇa zo Zijn toevlucht bij Balarāma zocht, omdat Jaratī Hem achterna zat, moesten alle grote wijzen op de hemelse planeten glimlachen. Dit is een geval van smita.
"Beste broer, Ik heb yoghurt gepikt | Kijk- daar komt Jaratī aan om Me te pakken!"
Terwijl Kṛṣṇa zo Zijn toevlucht bij Balarāma zocht, omdat Jaratī Hem achterna zat, moesten alle grote wijzen op de hemelse planeten glimlachen. Dit is een geval van smita.
De glimlach waarbij de tanden enigszins zichtbaar zijn wordt hasita genoemd. Toen de zogenaamde echtgenoot van Rādhārāņī, Abhīmanyu, op een dag thuis kwam, ontdekte hij dat Kṛṣṇa binnen was. Onmiddellijk verwisselde Kṛṣṇa van kleren, zodat Hij er precies als Abhīmanyu uitzag, waarna Hij naar Jațilā, ABhīmanyu's moeder ging, en tot haar zei:
"Lieve moeder, Ik ben uw echte zoon Abhīmanyu, maar kijk daar toch -daar komt Kṛṣṇa naar u toe, die Zich als mij verkleed heeft!"
Jațilā, Abhīmanyu's moeder, nam meteen aan dat Kṛṣṇa haar eigen zoon was en werd daarom vreselijk kwaad op haar echte zoon, die thuis kwam. Ze wilde haar ware zoon wegjagen. Hij riep:
"Moeder! Moeder! Wat dóet u!”
Toen ze dit zagen gebeuren, moesten alle vriendinnen van Rādhārāṇī, die erbij waren, lachen, waarbij net iets van hun tanden te zien kwam. Dit is een voorbeeld van de hasita glimlach.
"Lieve moeder, Ik ben uw echte zoon Abhīmanyu, maar kijk daar toch -daar komt Kṛṣṇa naar u toe, die Zich als mij verkleed heeft!"
Jațilā, Abhīmanyu's moeder, nam meteen aan dat Kṛṣṇa haar eigen zoon was en werd daarom vreselijk kwaad op haar echte zoon, die thuis kwam. Ze wilde haar ware zoon wegjagen. Hij riep:
"Moeder! Moeder! Wat dóet u!”
Toen ze dit zagen gebeuren, moesten alle vriendinnen van Rādhārāṇī, die erbij waren, lachen, waarbij net iets van hun tanden te zien kwam. Dit is een voorbeeld van de hasita glimlach.
Wanneer de tanden duidelijk te zien komen bij een glimlach heet zulks vihasita. Toen Kṛṣṇa op een dag in het huis van Jaratī boter en yoghurt aan het stelen was, verzekerde Hij Zijn vrienden:
"Beste makkers, Ik weet dat die oude dame hier diep in slaap ligt, want ze ademt heel zwaar. Laten we stilletjes de boter en de yoghurt stelen zonder de boel te verstoren."
Maar de oude dame, Jaratī, sliep helemaal niet: daarom kon ze haar lachen niet verhelen en kwamen haar tanden zeer duidelijk te zien. Dit is een geval van vihasita.
"Beste makkers, Ik weet dat die oude dame hier diep in slaap ligt, want ze ademt heel zwaar. Laten we stilletjes de boter en de yoghurt stelen zonder de boel te verstoren."
Maar de oude dame, Jaratī, sliep helemaal niet: daarom kon ze haar lachen niet verhelen en kwamen haar tanden zeer duidelijk te zien. Dit is een geval van vihasita.
De lach waarbij de neus omhoog gaat en de ogen toegeknepen raken heet avahasita. Toen Kṛṣṇa de ochtend na Zijn rāsa-dans thuis kwam, keek moeder YaśodāHem aan en sprak:
"Mijn lieve zoon, waarom zien Je ogen eruit alsof er make-up op zit? En heb Je Balarāma Z'n blauwe kleren aan?"
Toen moeder Yaśodā zo tot Kṛṣṇa sprak, moest een vriendin, die in de buurt stond, lachen, waarbij haar neus omhoogging en ze haar ogen dichtkneep. Dit is een voorbeeld van avahasita. De gopī wist dat Kṛṣṇa
die nacht van de rāsa-dans genoten had en dat moeder Yaśodā er niet achter kon komen wat haar zoon had uitgevoerd en niet kon begrijpen hoe de make-up van de gopī's overal op Zijn gezicht terecht was gekomen. Haar glimlach was van het avahasita-type.
"Mijn lieve zoon, waarom zien Je ogen eruit alsof er make-up op zit? En heb Je Balarāma Z'n blauwe kleren aan?"
Toen moeder Yaśodā zo tot Kṛṣṇa sprak, moest een vriendin, die in de buurt stond, lachen, waarbij haar neus omhoogging en ze haar ogen dichtkneep. Dit is een voorbeeld van avahasita. De gopī wist dat Kṛṣṇa
die nacht van de rāsa-dans genoten had en dat moeder Yaśodā er niet achter kon komen wat haar zoon had uitgevoerd en niet kon begrijpen hoe de make-up van de gopī's overal op Zijn gezicht terecht was gekomen. Haar glimlach was van het avahasita-type.
De lach waarbij de neus omhoog gaat en de ogen toegeknepen raken heet avahasita. Toen Kṛṣṇa de ochtend na Zijn rāsa-dans thuis kwam, keek moeder YaśodāHem aan en sprak:
"Mijn lieve zoon, waarom zien Je ogen eruit alsof er make-up op zit? En heb Je Balarāma Z'n blauwe kleren aan?"
Toen moeder Yaśodā zo tot Kṛṣṇa sprak, moest een vriendin, die in de buurt stond, lachen, waarbij haar neus omhoogging en ze haar ogen dichtkneep. Dit is een voorbeeld van avahasita. De gopī wist dat Kṛṣṇa
die nacht van de rāsa-dans genoten had en dat moeder Yaśodā er niet achter kon komen wat haar zoon had uitgevoerd en niet kon begrijpen hoe de make-up van de gopī's overal op Zijn gezicht terecht was gekomen. Haar glimlach was van het avahasita-type.
"Mijn lieve zoon, waarom zien Je ogen eruit alsof er make-up op zit? En heb Je Balarāma Z'n blauwe kleren aan?"
Toen moeder Yaśodā zo tot Kṛṣṇa sprak, moest een vriendin, die in de buurt stond, lachen, waarbij haar neus omhoogging en ze haar ogen dichtkneep. Dit is een voorbeeld van avahasita. De gopī wist dat Kṛṣṇa
die nacht van de rāsa-dans genoten had en dat moeder Yaśodā er niet achter kon komen wat haar zoon had uitgevoerd en niet kon begrijpen hoe de make-up van de gopī's overal op Zijn gezicht terecht was gekomen. Haar glimlach was van het avahasita-type.
Wanneer een lachende persoon in zijn handen klapt en luchtsprongen maakt, gaat zijn lachen over in atihasita of schateren. Een voorbeeld van atihasita is het volgende voorval. Op een keer zei Kṛṣṇa tot Jaratī:
"Mijn lief mens, het vel van je gezicht hangt helemaal slap en je ziet er precies uit als een apin. Daarom wil de apenkoning, Bali-mukha, je tot zijn waardige echtgenote maken."
Terwijl Kṛṣṇa Jaratī zo aan het plagen was, antwoordde ze dat ze zich ervan bewust was dat de apenkoning met haar wilde trouwen, maar dat ze haar toevlucht al gezocht had bij Kṛṣṇa, die vele machtige demonen had gedood, en dat ze daarom vastbesloten was om met Kṛṣṇa te trouwen in plaats van met de apenkoning. Dit snedige antwoord van de praatgrage Jaratī liet alle aanwezige koeienhoedstertjes schateren van plezier en in hun handen klappen. Dit lachen, vergezeld van handgeklap, heet atihasita.
"Mijn lief mens, het vel van je gezicht hangt helemaal slap en je ziet er precies uit als een apin. Daarom wil de apenkoning, Bali-mukha, je tot zijn waardige echtgenote maken."
Terwijl Kṛṣṇa Jaratī zo aan het plagen was, antwoordde ze dat ze zich ervan bewust was dat de apenkoning met haar wilde trouwen, maar dat ze haar toevlucht al gezocht had bij Kṛṣṇa, die vele machtige demonen had gedood, en dat ze daarom vastbesloten was om met Kṛṣṇa te trouwen in plaats van met de apenkoning. Dit snedige antwoord van de praatgrage Jaratī liet alle aanwezige koeienhoedstertjes schateren van plezier en in hun handen klappen. Dit lachen, vergezeld van handgeklap, heet atihasita.
Nu en dan leidt een indirecte snedige opmerking tot atihasita. Een voorbeeld van zo'n opmerking is de uitspraak die een van de koeienhoedsters deed tot Kuțilā, de dochter van Jațilā en zuster van Abhímanyu, Rādhārāņī's zogenaamde echtgenoot. Door deze verklaring werd Kuțilā indirect beledigd:
"Beste Kuțilā, dochter van Jațilā, je borsten hangen erbij als snijbonen - zo droog en lang. Je neus is zo fraai, dat een kikker er
jaloers op zou worden, en je ogen zijn nog prachtiger dan die van een hond. Je lippen lijken haast wel gloeiende sintels en je buik is even mooi als een grote trom. Daarom, lieve mooie Kuțilā, ben jij het allermooiste koeienhoedstertje van Vṛndāvana, en ik denk dat jij vanwege je uitzonderlijke schoonheid niet meer aangetrokken kunt raken door het zoete kwelen van Kṛṣṇa's fluit!"
"Beste Kuțilā, dochter van Jațilā, je borsten hangen erbij als snijbonen - zo droog en lang. Je neus is zo fraai, dat een kikker er
jaloers op zou worden, en je ogen zijn nog prachtiger dan die van een hond. Je lippen lijken haast wel gloeiende sintels en je buik is even mooi als een grote trom. Daarom, lieve mooie Kuțilā, ben jij het allermooiste koeienhoedstertje van Vṛndāvana, en ik denk dat jij vanwege je uitzonderlijke schoonheid niet meer aangetrokken kunt raken door het zoete kwelen van Kṛṣṇa's fluit!"