Default View
Dual Language

HOOFDSTUK 46

Verwondering en ridderlijkheid

Verwondering

De extase van verwondering in toegewijde dienst laat zich op twee manieren kennen: direct, door wat men met eigen ogen ervaart, en indirect, door wat men van anderen hoort.
Toen Nārada de activiteiten van de Heer in Dvārakā kwam bekijken en zag dat Kṛṣṇa in elk paleis afzonderlijk gelijktijdig aanwezig was in dezelfde gedaante en daar verschillende dingen deed, stond hij versteld. Dit is een voorbeeld van verwondering in toegewijde dienst door rechtstreekse eigen waarneming. Een vriendin van moeder Yaśodā zei:
“Yaśodā, kijk toch wat leuk. Hier heb je je kind, dat altijd opgaat in het melk drinken aan je borst, en daar heb je de grote heuvel Govardhana, die de wolken kan tegen houden. Maar kijk toch eens hoe schitterend! Daar rust deze grote heuvel Govardhana op de línkerhand van je kind alsof hij een speeltje is. Is het geen groot raadsel hoe zoiets nu kan?"
Deze uitspraak is eveneens een voorbeeld van verwondering in toegewijde dienst door rechtstreekse waarneming.
Een geval van verwondering in toegewijde dienst door niet recht-streekse waarneming deed zich voor toen Mahārāja Parīkṣit van Śukadeva Gosvāmi hoorde hoe Kṛṣṇa Narakāsura had gedood, die met elf akṣauhiṇī-afdelingen aan manschappen de strijd met Kṛṣṇa had aangebonden.
Een akșauhinī telt verschillende duizenden olifanten, verschillende duizenden paarden en wagens en verschillende honderdduizenden infanteristen. Narakāsura had elf van deze afdelingen en allemaal bestookten ze Kṛṣṇa met pijlen en lansen, maar Kṛṣṇa doodde hen allemaal door slechts drie schichten op hen af te slingeren. Toen Mahārāja Parīkṣit van deze geweldige overwinning hoorde, moest hij zich de tranen uit de ogen wrijven en raakte hij door vreugde overstelpt. Dit is een voorbeeld van verwondering in toegewijde dienst, niet door rechtstreekse waarneming, maar door luisteren naar een verslag.
Er bestaat een ander voorbeeld van indirecte verwondering. Toen hij wilde nagaan of Kṛṣṇa werkelijk de Allerhoogste Godspersoon was, stal Brahmā alle koeienjongens en koeien van Hem weg. Maar na enkele seconden ontdekte hij dat Kṛṣṇa nog steeds alle koeien, kalveren en koeienjongens bij Zich had, zoals kort tevoren. Toen Heer Brahmā deze gebeurtenis aan zijn metgezellen op de planeet Satyaloka beschreef, stonden allen versteld. Brahmā vertelde hun dat hij Kṛṣṇa, nadat hij alle jongens had meegenomen, met dezelfde jongens zag spelen alsof er niets gebeurd was. Hun huidskleur was zwartachtig, bijna als die van Kṛṣṇa, en ze hadden allemaal vier armen. Ook waren dezelfde kalveren en koeien er nog. Terwijl hij deze hele gebeurtenis zelf beschreef, raakte Brahmā bijna door zijn emoties overstelpt." En het meest verbluffende," besloot hij, “was dat er uit vele verschillende universa andere Brahmā's waren verschenen om Kṛṣṇa en Zijn metgezellen hun eerbetuigingen te brengen."
Toen er in Bhāņdīravana een bosbrand uitbrak, gelastte Kṛṣṇa Zijn vrienden hun ogen stijf dicht te doen en allen gehoorzaamden. Nadat Kṛṣṇa de brand geblust had, deden de koeienjongens hun ogen open en zagen dat ze buiten gevaar waren en dat hun koeien en kalveren allemaal in veiligheid waren. Ze begrepen iets van het wonderlijke van de toestand door ernaar te raden hoe Kṛṣṇa hen gered had. Ook dit is een voorbeeld van indirecte waarneming, leidend tot verwondering in toegewijde dienst.
Iemands activiteiten, ook al zijn ze niet eens zo bijzonder, leiden tot verwondering in hart en geest van zijn vrienden. Maar wanneer iemand met wie men niet bevriend is de meest wonderbare dingen doet, dan is men daarvan geenszins onder de indruk. Het is slechts uit liefde voor de handelende persoon dat iemands wonderbare daden een diepe indruk maken op de geest.

Ridderlijkheid

Wanneer zich uit liefde in toegewijde dienst voor de Heer een bepaald soort wakker enthousiasme voordoet, noemt men de daaruit voortvloeiende activiteiten ridderlijk. Deze ridderlijke activiteiten kunnen zich openbaren in schijngevechten, het schenken van giften en van genade, en in het navolgen van religieuze beginselen. Iemand die zich ridderlijk betoont in de strijd wordt yuddha-vīra genoemd. Iemand die gaven schenkt noemt men dāna-vira. Wie zich buítengewoon genadig toont heet dāya-vīra en als men op milddadige wijze religieuze riten voltrekt, wordt men dharma-vīra genoemd. Bij al deze verschillende ridderlijke activiteiten draait alles om Kṛṣṇa.
Wanneer een vriend Kṛṣṇa een genoegen wil doen door wat ridderlijke activiteiten aan de dag te leggen, kan hij Hem uitdagen tot de strijd, waarbij Kṛṣṇa Zelf zijn tegenstander wordt; of Kṛṣṇa kan ook bij het strijdtoneel aanwezig zijn en op Zijn wens een andere vriend tot tegenstander krijgen. Een vriend daagde Kṛṣṇa eens met de volgende woorden uit tot de strijd:
“Beste Mādhava, Je loopt maar heen en weer te draaien, omdat Je denkt dat niemand Je kan verslaan. Maar als Je niet maakt dat Je weg komt, zal ik Je laten zien hoe ík Je kan verslaan. En het zal mijn vrienden een groot genoegen doen om daarvan getuige te zijn!"
Kṛṣṇa en Śrīdāmā waren zeer intiem met elkaar bevriend, maar toch daagde Śrīdāmā Kṛṣṇa eens uit woede uit tot de strijd. Toen ze elkaar aangrepen, genoten alle vrienden aan de oever van de Yamunā van de schitterende strijd tussen de twee jongens. Ze maakten een paar pijlen voor het schijngevecht en Kṛṣṇa vuurde de Zijne op Śrīdāmā af. Śrīdāmā draaide zijn stok zo snel in het rond, dat de pijlen erop afketsten, en door deze wakkere handelwijze van Śrīdāmā voelde Kṛṣṇa Zich uíterst voldaan. Dit soort schijngevechten vindt in de regel plaats tussen ridderlijke lieden en schenkt de toeschouwers allen een verrukkelijk gevoel van opwinding.
De Hari-vaṁśa verklaart dat Arjuna en Kṛṣṇa soms met elkaar vochten in bijzijn van Kuntī en dat Arjuna dan door Kṛṣṇa verslagen werd.
Bij deze ridderlijke strijd tussen vrienden, kent men opschepperij, zelfvoldaanheid, trots, machtsvertoon, het grijpen naar een wapen, uitdagen en zich als tegenstander opwerpen. Al deze aangelegenheden vormen een aanleiding tot ridderlijke toegewijde dienst.
Een vriend daagde Kṛṣṇa als volgt uit:
"Mijn beste makker Dāmodara, het enige wat Jij goed kan is eten. Je hebt Subala alleen maar kunnen verslaan omdat hij zwak is, en bovendien heb Je van trucs gebruik gemaakt. Kom ons niet vertellen dat Je zo'n geweldige vechtersbaas bent. Je hebt alleen maar laten zien dat Je een slang bent, en ik ben de pauw die Je nu het onderspit zal laten delven."(1)

\(1) De pauw is de slimste vijand van de slang.
Wanneer bij deze strijd tussen vrienden iemand zichzelf bewierookt, wordt zulks door grote geleerden een vorm van subextase genoemd. Gaat de uitdaging gepaard met woest gebrul, of maakt men in de strijd bepaalde bewegingen, toont men zich geestdriftig, wil men niet van wapens gebruikmaken of stelt men de bange omstanders gerust, dan is er in al deze gevallen van ridderlijke strijd sprake van subextase.
Een vriend zei eens tot Kṛṣṇa:
"Beste Madhusūdana, Je weet hoe sterk ik ben, en toch moedig Je Bhadrasena aan, en niet mij, om de grote Baladeva tot een gevecht uit te dagen. Hiermee beledig Je me gewoon, want mijn armen zijn even sterk als een poortgrendel!"
Een toegewijde zei:
"Lieve Heer Kṛṣṇa, moge Śrīdāmā, die U heeft uitgedaagd, verheerlijkt worden om zijn ridderlijke daden, zoals zijn daverend geschreeuw en zijn leeuwengebrul. Moge alle heerlijkheid rusten op Śrīdāmā's ridderlijke daden l"
Ridderlijke activiteiten met betrekking tot de strijd, barmhartigheid, genade en het verrichten van rituelen worden fundamenteel genoemd, terwijl uitingen van trots, emotie, verbetenheid, vriendelijkheid, vastberadenheid, uitbundigheid, geestdrift, afgunst en heugenis on-fundamenteel worden genoemd. Toen Stokakṛṣṇa, een van Kṛṣṇa's vele vrienden, met Hem in gevecht was, gaf zijn vader hem een uitbrander om zijn strijd tegen Kṛṣṇa, die hart en ziel van alle inwoners van Vṛndāvana was. Toen Hij zijn vaders boze woorden hoorde, staakte StokaKṛṣṇa de strijd. Maar Kṛṣṇa daagde hem verder uit en om zich niet te laten kennen, greep StokaKṛṣṇa zijn stok en liet zien hoe handig hij hem in het rond kon slingeren.
Op een keer daagde Śrīdāmā Bhadrasena uit met de woorden:
"Beste vriend, je hoeft nog niet bang voor me te zijn. Ik zal eerst onze broeder Balarāma verslaan, vervolgens Kṛṣṇa en dan ben jij aan de beurt."
Hierom ging Bhadrasena uit de groep van Balarāma, sloot zich aan bij Kṛṣṇa en stookte zijn vrienden even hard op als de heuvel Mandara de oceaan in beroering bracht. Hij schreeuwde zijn vrienden de oren van het hoofd en inspireerde Kṛṣṇa met dit ridderlijk gedrag.
Bij een andere gelegenheid daagde Kṛṣṇa al Zijn vrienden uit met de woorden:
"Beste vrienden, kijk toch eens hoe dapper Ik op en neer sta te springen. Neem alsjeblieft niet de benen."
Op deze uitdagende woorden trad een vriend, Varūthapa genaamd, naar voren, daagde op zijn beurt de Heer uit en bond de strijd met Hem aan.
Een van de vrienden merkte eens op:
“Sudāmā doet zijn uiterste best om Dāmodara eronder te krijgen en ik geloof dat als onze sterke Subala hem een handje helpt, ze een prachtig vechterspaar zullen vormen, als een kostbaar juweel in goud gevat."
Bij deze ridderlijke activiteiten kunnen alleen Kṛṣṇa's vrienden als tegenstander optreden. Kṛṣṇa's vijanden kunnen nooit echt Zijn tegenstander zijn. Daarom wordt deze uitdaging van de kant van Kṛṣṇa's vrienden toegewijde dienst terzake van de ridderlijke activiteiten genoemd.
Dāna-vīra, of ridderlijkheid in het schenken van giften kan in tweeën worden onderscheiden: milddadigheid en onthechtheid. Iemand die alles voor het genoegen van Kṛṣṇa kan opofferen wordt milddadig genoemd. Wanneer iemand een offer wil brengen, omdat hij Kṛṣṇa ziet, wordt Kṛṣṇa de aanzet tot de milddadige handeling genoemd. Toen Kṛṣṇa als zoon van Nanda Mahārāja verscheen, wenste Nanda Mahārāja in alle helderheid van geest zijn zoon alle heil toe en begon de brāhmaņa's kostbare koeien ten geschenke te geven. De brāhmaņa's waren zo tevreden over Zijn milde handelwijze, dat ze wel moesten zeggen dat de vrijgevigheid van Nanda Mahārāja die van grote vorsten uit het verleden als Mahārāja Pṛthu en Nṛga te boven ging.
Wanneer iemand de heerlijkheid van de Heer volkomen kent en bereid is alles voor de Heer op te offeren noemt men hem sampra-dānaka, of iemand die alles ter wille van Kṛṣṇa wegschenkt.
Toen Mahārāja Yudhiṣṭhira met Kṛṣṇa het terrein van het Rāja-sūya-offer betrad, zalfde hij in gedachten het lichaam van Kṛṣṇa met sandelpulp, hing hij Kṛṣṇa een bloemenkrans om die tot Zijn knieën reikte, hulde Hem in gewaden die alle met goud waren geborduurd, tooide Hem met sieraden die alle met kostbare juwelen waren ingezet en schonk Hem tal van volledig opgetuigde olifanten, paarden en wagens. Verder wilde hij Kṛṣṇa zijn koninkrijk, zijn familie, en zichzelf persoonlijk ten geschenke geven. Toen er in weerwil van zijn verlangen in werkelijkheid niets weg te schenken bleek, raakte Mahārāja Yudhiṣṭhira zeer verstoord en gespannen.
Mahārāja Bali zei eens tot zijn priester, Śukrācārya:
"Mijn beste wijze, u bent volkomen vertrouwd met de kennis van de Veda's, en uit dien hoofde eert u de Allerhoogste Godspersoon, Viṣṇu, met Vedische riten. Wat nu deze brahmaanse dwerg [de avatāra Vāmanadeva] betreft, of Hij nu Heer Vișņu is, een gewone brāhmaņa, of zelfs mijn vijand, ik ben hoe dan ook voornemens Hem alle grond waar hij om vraagt ten geschenke te geven."
Mahārāja Bali had het geluk dat de Heer Zijn hand naar hem uitstrekte, die rood was van de aanraking van de borst van de godin van het geluk, welke altijd met rood kuṅkuma-poeder bestreken is. Hoewel de Godspersoon zo groot is, dat Hij de geluksgodin altijd naar believen kan laten gehoorzamen, strekte Hij toch Zijn handen naar Mahārāja Bali uit om diens gaven in ontvangst te nemen.
Iemand die Kṛṣṇa iets geven wil, maar er niets voor terug wil hebben, wordt als ware verzaker beschouwd. Zo zal een toegewijde elke vorm van verlossing, ook al wil de Heer haar aan hem geven, niet willen aannemen. Ware liefde tot Kṛṣṇa openbaart zich wanneer Kṛṣṇa gaven begint aan te nemen en de toegewijde als schenker optreedt.
De Hari-bhakti-sudhodaya geeft een ander voorbeeld, namelijk met de volgende uitspraak van Mahārāja Dhruva:
"Lieve Heer, ik heb boete gedaan en mezelf onthoudingen opgelegd, omdat ik iets van U wilde krijgen, maar in plaats daarvan heeft U me toegestaan U, die zelfs aan grote wijzen en heiligen nooit zichtbaar bent, te aanschouwen. Ik was op zoek naar een paar scherven, maar nu heb ik het kostbaarste juweel gevonden. Daarom ben ik volkomen voldaan, mijn Heer. Ik heb nu niets meer van Uwe Heerlijkheid te verlangen."
Een soortgelijke uitspraak wordt gedaan in het Śrīmad-Bhāgavatam (3.15.48), wanneer de vier wijzen onder leiding van Sanaka Muni als volgt tot de Heer spreken:
"O waarde Allerhoogste Godspersoon, Uw faam heeft grote aantrekkingskracht en is van alle stoffelijke smetten vrij. Daarom bent U het waard verheerlijkt te worden en bent U in feite het hart van alle pelgrimsoorden. Heilrijke lieden die het geluk hebben dat ze Uw attributen mogen verheerlijken en Uw bovenzinnelijke positie werkelijk kennen zijn niet eens geïnteresseerd in de verlossing die U hun wilt schenken. Omdat ze zo bovenzinnelijk vervuld zijn, willen ze zelfs niet Indra's positie innemen, namelijk die van hemelvorst. Ze weten dat de positie van de hemelkoning ook hachelijk is, terwijl degenen die Uw bovenzinnelijke eigenschappen verheerlijken slechts vreugde kennen en vrijheid van alle gevaar. Waarom zou dus iemand die dit allemaal weet zich aangetrokken voelen tot het bekleden van een positie in het hemels koninkrijk?"
Een toegewijde beschrijft zijn gevoel dat hem beving toen hij Koning Mayūradhvaja zijn gaven zag schenken:
“Ik kan alleen maar stamelen van de activiteiten van Mahārāja Mayūradhvaja, wie ik mijn eerbiedige eerbetuigingen breng."
Mayūradhvaja was zeer intelligent en begreep waarom Kṛṣṇa eens, als brāhmaṇa verkleed, bij hem aanklopte. Kṛṣṇa eiste zijn halve lichaam op, dat moest worden afgezaagd door zijn vrouw en zoon, en Koning Mayūradhvaja accepteerde deze eis. Uit zijn intense gevoel voor toegewijde dienst aan de Heer ging Koning Mayūradvaja altijd in gedachten aan Kṛṣṇa op, en toen hij begreep dat de brāhmaṇa die voor hem stond in feite Kṛṣṇa was, aarzelde hij niet om van zijn halve lichaam afstand te doen. Dit offer van Mahārāja Mayūradhvaja ter wille van Kṛṣṇa kent zijn weerga in de wereld niet, en we dienen hem onze al-eerbiedige eerbetuigingen te brengen. Hij doorzag volkomen dat de zogenaamde brāhmaṇa die tegenover hem stond de Allerhoogste Godspersoon was, en om Zijn daad kent men Hem als de volmaakte dharma-vīra, of verzaker.
Iemand die altijd klaar staat om Kṛṣṇa voldoening te schenken en bedreven is in het verrichten van toegewijde dienst wordt dharma-vīra genoemd, of ridderlijk in het verrichten van religieuze riten. Alleen gevorderde toegewijden die religieuze riten celebreren kunnen dit dharma-vīra-niveau bereiken. Men wordt slechts dharma-vīra, als men de gezaghebbende geschriften heeft onderzocht, zich aan de ethische normen houdt, vol geloof is, verdraagzaam en de zinnen beteugelt. Mensen die religieuze riten celebreren om daarmee Kṛṣṇa voldoening te schenken zijn standvastig in hun toegewijde dienst terwijl mensen die dezelfde riten celebreren zonder daarmee Kṛṣṇa voldoening te willen schenken slechts als vroom kunnen worden beschouwd.
Het beste voorbeeld van een dharma-vīra is Mahārāja Yudhişțhira. Een toegewijde zei eens tot Kṛṣṇa:
"Beste Kṛṣṇa, Jij die alle demonen doodt, Mahārāja Yudhişțhira, de oudste zoon van Mahārāja Pāņdu, heeft allerlei offers gebracht alleen maar om Je voldoening te schenken. Daarbij heeft hij altijd de hemelkoning, Indra, uitgenodigd om bij de yajña's [offers] tegenwoordig te zijn. Omdat Koning Indra hierdoor zo vaak bij Sacīdevī weg was, moest ze dikwijls treuren om de gescheidenheid van haar echtgenoot, waarbij ze haar gezicht in haar handen verborg."
Het brengen van verschillende yajña's aan de halfgoden wordt beschouwd als het eren van de ledematen van de Opperheer. De goden worden als de verschillende leden van de kosmische gedaante van de Heer gezien, en wie zijn verschillende ledematen eert, aanbidt de Heer dus maar gedeeltelijk. Mahārāja Yudhişțhira had geen materiële verlangens van dien aard, dat hij de goden om bijzondere gunsten vroeg: hij bracht al zijn offers onder leiding van Kṛṣṇa en wilde er geen persoonlijk voordeel van trekken. Hij verlangde er slechts naar om Kṛṣṇa voldoening te schenken en werd daarom de beste onder de toegewijden genoemd. Hij ging altijd op in de zee van liefdevolle dienst aan de Heer.