Default View
Dual Language View
HOOFDSTUK 47
Mededogen en woede
Mededogen
Wanneer de extase van de toegewijde dienst tot een vorm van jammer in verband met Kṛṣṇa leidt, is er sprake van toegewijde dienst in mededogen. De aanzetten tot deze vorm van toegewijde dienst worden gevormd door Kṛṣṇa's bovenzinnelijke eigenschappen, gedaante en activiteiten. Bij deze extase van de toegewijde dienst doen zich soms symptomen voor als spijt, zwoegend ademhalen, huilen, op de grond vallen en zich op de borst slaan. Soms merkt men ook symptomen op als luiheid, frustratie, eerloosheid, nederigheid, benauwdheid, somberheid, gretigheid, rusteloosheid, waanzin, dood, vergetelheid, ziekte en begoocheling. Wanneer een toegewijde vreest dat er iets ernstigs met Kṛṣṇa zal gebeuren, noemt men dit toegewijde dienst in zwaar verlies. Dit zwaar verlies is eveneens een symptoom van deze toegewijde dienst in mededogen.
Het Śrīmad-Bhāgavatam (10.16.10) beschrijft hoe de slang Kāliya, toen Kṛṣṇa hem in het water van de Yamunā een afstraffing gaf, al zijn kronkels om het lichaam van de Heer werkte, en hoe al zijn dierbare vríenden, de koeienjongens, toen ze Kṛṣṇa in deze toestand zagen, vreselijk van streek raakten. Uit gevoelens van groot verlies, verdriet en angst, raakten ze ontredderd en vielen links en rechts op de grond neer. Omdat de koeienjongens in de waan verkeerden dat Kṛṣṇa een ongeluk overkwam, is het geenszins verwonderlijk dat ze deze symptomen te zien gaven: ze waren Kṛṣṇa met hun vriendschap, bezit, verlangens en hun hele wezen volkomen toegedaan.
Toen Kṛṣṇa de Yamunā in ging, die door de aanwezigheid van Käliya uiterst giftig was geworden, stond moeder Yaśodā duizend angsten uit en de adem voer haar heet uit de longen. Tranen doorweekten haar kleren en ze zakte bijna in elkaar.
Toen de demon Śaṅkhāsura Kṛṣṇa's koninginnen de een na de ander aanviel, werd Heer Baladeva, eveneens uit vrees voor ongeluk steeds blauwer.
De Haṁsa-dūta beschrijft het volgende voorval. De gopī's verzochten Haṁsa-dūta om naar het spoor van Kṛṣṇa's lotusvoeten te zoeken en dit met even veel eerbied te bejegenen als Heer Brahmā het had gedaan, die er na zijn diefstal van al Kṛṣṇa's vrienden, de koeienjongens, eerbiedig zijn helm op neergebogen had. Vol spijt om zijn uitdaging aan Kṛṣṇa gericht, had Heer Brahmā de Heer zijn eerbetuigingen gebracht, waarbij zijn helm de voetafdrukken van Kṛṣṇa had beroerd. De gopī's herinnerden Haṁsa-dūta eraan dat zelfs de grote heilige Nārada soms zeer extatisch wordt wanneer hij Kṛṣṇa's voetafdrukken ziet, terwijl grote verloste wijzen er soms ook naar snakken om ze te aanschouwen.
“Daarom moet je heel vlijtig op stap gaan om het voetspoor van Kṛṣṇa te vinden,” drongen ze er bij Haṁsa-dūta op aan.
Ook dit is een voorbeeld van toegewijde dienst in mededogen.
“Daarom moet je heel vlijtig op stap gaan om het voetspoor van Kṛṣṇa te vinden,” drongen ze er bij Haṁsa-dūta op aan.
Ook dit is een voorbeeld van toegewijde dienst in mededogen.
Dan is er het geval waarin Sahadeva, de jongere broer van Nakula, dolblij werd toen hij de stralende gloed van Kṛṣṇa's voetafdrukken ontwaarde. Hij schreeuwde en riep:
"Moeder Mādrī! Waar bent u toch? Vader Pāņdu! Waar bent u toch? Wat jammer dat jullie hier niet zijn om naar de voetafdrukken van Kṛṣṇa te komen kijken!"
Ook dit is een voorbeeld van toegewijde dienst in mededogen.
"Moeder Mādrī! Waar bent u toch? Vader Pāņdu! Waar bent u toch? Wat jammer dat jullie hier niet zijn om naar de voetafdrukken van Kṛṣṇa te komen kijken!"
Ook dit is een voorbeeld van toegewijde dienst in mededogen.
Bij toegewijde dienst waarbij men sterk tot de Heer is aangetrokken doen zich soms lachen en andere symptomen voor, maar nooit de spanning of jammer die kenmerkend zijn voor toegewijde dienst in mededogen. Het grondbeginsel van deze toegewijde dienst is altijd extatísche líefde. De vrees dat er iets ergs met Kṛṣṇa of Zijn geliefde gemalinnen kan gebeuren, waar Baladeva en Yudhiṣṭhira door bevangen raakten, is híerboven besproken. Zulke angstgevoelens ontstaan niet zo zeer uit onwetendheid aangaande het onvoorstelbare vermogen van Kṛṣṇa, maar uit intense liefde voor Hem. Dit soort vrees dat er iets mis kan gaan met Kṛṣṇa doet zich aanvankelijk voor als iets jammerlijks, maar ontwikkelt zich geleidelijk tot zo'n mededogende liefdesextase, dat ze van karakter verandert en bovenzinnelijke vreugde schenkt.
Woede
Bij extatische liefdedienst aan Kṛṣṇa in woede is Kṛṣṇa altijd het mikpunt van de woede. In de Vidagdha-mādhava (2.37 liet Lalitā-gopī, sprekend tot Śrīmatī Rādhārāņī, Haar weten hoe boos ze op Kṛṣṇa was:
"Lieve vriendin, mijn innerlijk verlangen is besmet. Daarom zal ik naar het oord van Yamarāja gaan. Maar het spijt me dat ik er getuige van ben dat Kṛṣṇa nog steeds moet lachen omdat Hij Jou gefopt heeft. Ik begrijp niet hoe Jij al Je verliefde neigingen naar deze wellustige koeherdersjongen kan laten uitgaan."
"Lieve vriendin, mijn innerlijk verlangen is besmet. Daarom zal ik naar het oord van Yamarāja gaan. Maar het spijt me dat ik er getuige van ben dat Kṛṣṇa nog steeds moet lachen omdat Hij Jou gefopt heeft. Ik begrijp niet hoe Jij al Je verliefde neigingen naar deze wellustige koeherdersjongen kan laten uitgaan."
Wanneer ze Kṛṣṇa zag, zei Jațilā soms:
"O Jij dief van de spullen van de jonge meisjes! Daar zie ik me toch duidelijk dat Je in de sārī van mijn schoondochter rondstapt."
Daarna zette ze een grote keel op, waarbij ze zich tot alle inwoners van Vṛndāvana richtte om hen te laten weten dat deze zoon van Koning Nanda het huishouden van haar schoondochter volkomen ontwrichtte.
"O Jij dief van de spullen van de jonge meisjes! Daar zie ik me toch duidelijk dat Je in de sārī van mijn schoondochter rondstapt."
Daarna zette ze een grote keel op, waarbij ze zich tot alle inwoners van Vṛndāvana richtte om hen te laten weten dat deze zoon van Koning Nanda het huishouden van haar schoondochter volkomen ontwrichtte.
Een dergelijke extatische liefde voor Kṛṣṇa in woede was ook te zien bij Rohiṇī-devī, toen ze de dreun hoorde waarmee de twee arjuna-bomen, waaraan Kṛṣṇa vastgebonden was, ter aarde stortten. De hele buurt liep dadelijk te hoop naar de plek van het ongeluk, en Rohiṇī-devī nam de gelegenheid te baat om moeder Yaśodā er als volgt van langs te geven:
"Misschien ben je er vreselijk goed in om je zoon op Zijn nummer te zetten door Hem met een touw vast te binden, maar kijk je eigenlijk wel uit of je dat niet doet op een gevaarlijke plek? De bomen vallen hier zo maar om, precies waar Hij zit!"
Deze uiting van woede van Rohiņī-devī, gericht tot Yaśodā, is een voorbeeld van extatische liefde in woede, met Kṛṣṇa als aanleiding.
"Misschien ben je er vreselijk goed in om je zoon op Zijn nummer te zetten door Hem met een touw vast te binden, maar kijk je eigenlijk wel uit of je dat niet doet op een gevaarlijke plek? De bomen vallen hier zo maar om, precies waar Hij zit!"
Deze uiting van woede van Rohiņī-devī, gericht tot Yaśodā, is een voorbeeld van extatische liefde in woede, met Kṛṣṇa als aanleiding.
Toen Kṛṣṇa een keer met Zijn vrienden, de koeienjongens, in de weidegronden was, vroegen ze Hem naar het Tālavana-bos te gaan, waar Gardabhāsura verbleef, een demon in ezelgedaante, die grote verwarring stichtte. De vrienden van Kṛṣṇa wilden de vruchten van de bomen in het bos proeven, maar konden er uit angst voor de demon niet heen gaan. Vandaar hun verzoek aan Kṛṣṇa. Toen Kṛṣṇa Gardabhāsura verslagen had, keerden ze allen naar huis terug, en hun verslag van wat er die dag gebeurd was maakte moeder Yaśodā van streek, omdat ze Kṛṣṇa het gevaar in het Tālavana-bos alleen tegemoet hadden laten gaan. Daarom keek ze de jongens woedend aan.
Er is nog een voorbeeld van woede van een vriendin van Rādhārāņī. Toen Rādhārāņī ontevreden was over Kṛṣṇa's gedrag en niet meer met de Heer wilde praten, speet het Kṛṣṇa vreselijk dat Rādhārāņī zo misnoegd was en liet Hij Zich aan Haar lotusvoeten neervallen om Haar om vergeving te vragen. Maar zelfs dit stemde Rādhārāņī nog niet tevreden en Ze bleef tot Kṛṣṇa zwijgen. Toen las een van Haar vriendinnen Haar als volgt de les:
"Lieve vriendin, Je laat Jezelf karnen met de stok van Je misnoegen, dus wat moet ik zeggen ? Ik kan Je alleen maar aanraden dat Je hier beter weg kunt gaan, want Je wangedrag bezorgt me te veel pijn. Ik kan het niet aanzien, want ook al heeft Kṛṣṇa Je voeten met Zijn pauwenveer aangeraakt, toch sta Je daar nog met een rood gezicht."
"Lieve vriendin, Je laat Jezelf karnen met de stok van Je misnoegen, dus wat moet ik zeggen ? Ik kan Je alleen maar aanraden dat Je hier beter weg kunt gaan, want Je wangedrag bezorgt me te veel pijn. Ik kan het niet aanzien, want ook al heeft Kṛṣṇa Je voeten met Zijn pauwenveer aangeraakt, toch sta Je daar nog met een rood gezicht."
Bovenbeschreven houdingen van misnoegen en woede in toegewijde dienst noemt men īrṣyu.
Toen Akrūra uit Vṛndāvana wegging, maakten enkele oudere gopī's hem het volgende verwijt:
"O zoon van Gāndini, uw wreedheid maakt het geslacht van Koning Yadu te schande. U neemt Kṛṣṇa van ons weg en laat ons zonder Hem in een jammerlijke toestand achter. U bent nog niet eens weg en nu al staan alle gopī's daar praktisch levenloos."
"O zoon van Gāndini, uw wreedheid maakt het geslacht van Koning Yadu te schande. U neemt Kṛṣṇa van ons weg en laat ons zonder Hem in een jammerlijke toestand achter. U bent nog niet eens weg en nu al staan alle gopī's daar praktisch levenloos."
Toen Kṛṣṇa op een bijeenkomst ter gelegenheid van het Rāyasūya-offer van Mahārāja Yudhișțhira door Śiśupāla beledigd werd, steeg er een groot geschreeuw op onder de Pāņdava's en Kuru's, waarbij sommigen uitriepen dat niet Kṛṣṇa, maar grootvader Bhīșma de ereplaats moest worden gegeven. In reactie daarop zei Nakula woedend:
"Kṛṣṇa is de Allerhoogste Godspersoon en de nagels van Zijn tenen blinken van het licht dat van de juwelen helmen van de autoriteiten van de Veda's afstraalt. Als iemand het waagt Hem te beschimpen, sta ik er hier als Pāņdava borg voor dat ik met mijn linkervoet zijn helm een trap verkopen zal en hem treffen zal met mijn pijlen, die niet onderdoen voor de yamadanda, de scepter van Yamarāja!"
Dit is een geval van extatische liefde voor Kṛṣṇa in woede.
"Kṛṣṇa is de Allerhoogste Godspersoon en de nagels van Zijn tenen blinken van het licht dat van de juwelen helmen van de autoriteiten van de Veda's afstraalt. Als iemand het waagt Hem te beschimpen, sta ik er hier als Pāņdava borg voor dat ik met mijn linkervoet zijn helm een trap verkopen zal en hem treffen zal met mijn pijlen, die niet onderdoen voor de yamadanda, de scepter van Yamarāja!"
Dit is een geval van extatische liefde voor Kṛṣṇa in woede.
Zo'n bovenzinnelijke woede-uitbarsting gaat soms gepaard met sarcastische opmerkingen, laatdunkende blikken en beledigende taal. Ook wel ziet men andere symptomen, zoals handen wrijven, geklak met de tanden, op de lippen bijten, het optrekken van de wenkbrauwen, zich de armen krabben, het hoofd buigen, snelle ademhaling, het bezigen van krachtige taal, knikken met het hoofd, het verbleken van de huid bij de ooghoeken en trillende lippen. Nu eens worden de ogen rood, dan weer trekt de kleur eruit weg. Nu eens uit men krasse taal, dan weer wordt er niets gezegd. Al deze woedesymptomen kunnen in tweeën worden onderscheiden: fundamenteel en niet fundamenteel of blijvend en van voorbijgaande aard. Soms doen grote emotie, verbijstering, trots, frustratie, begoocheling, machteloosheid, afgunst, gewiekstheid, verwaarlozing en zwoegend ademhalen zich ook voor als niet fundamentele symptomen.
Bij al deze gemoedsgesteldheden van extatische liefde wordt de woede ervaring als elementaire factor beschouwd.
Toen Jarāsandha in woede de stad Mathurā aanviel, wierp hij Kṛṣṇa sarcastische blikken toe. Dat was voor Baladeva aanleiding om Zijn ploegijzer ter hand te nemen en Jarāsandha met rode ogen aan te staren.
De Vidagdha-mādhava vertelt hoe Srīmatī Rādhārāņi eens woedend tot Haar moeder, Paurņamāsī, zei, nadat deze Rādhārāņī ervan beschuldigd had dat Ze naar Kṛṣṇa was geweest:
"Mijn lieve moeder, wat moet Ik zeggen? Kṛṣṇa is zo gemeen, dat Hij Me op straat soms lastigvalt, en wanneer Ik dan hard wil schreeuwen, legt deze jongen met Zijn pauwenveer meteen Zijn hand over Mijn mond, zodat Ik niets kan zeggen. En als Ik weg wil gaan, omdat Ik bang voor Hem ben, houdt Hij Me met Zijn armen wijd tegen. Als Ik Hem ten voet val om Hem om mededogen te vragen, bijt deze vijand van de demon Madhu Me boos in Mijn gezicht!
Moeder, probeer toch te snappen hoe het zit en wees niet zomaar boos op Me. Vertel Me liever hoe Ik Me tegen deze verschrikkelijke aanvallen van Kṛṣṇa kan beschermen!"
"Mijn lieve moeder, wat moet Ik zeggen? Kṛṣṇa is zo gemeen, dat Hij Me op straat soms lastigvalt, en wanneer Ik dan hard wil schreeuwen, legt deze jongen met Zijn pauwenveer meteen Zijn hand over Mijn mond, zodat Ik niets kan zeggen. En als Ik weg wil gaan, omdat Ik bang voor Hem ben, houdt Hij Me met Zijn armen wijd tegen. Als Ik Hem ten voet val om Hem om mededogen te vragen, bijt deze vijand van de demon Madhu Me boos in Mijn gezicht!
Moeder, probeer toch te snappen hoe het zit en wees niet zomaar boos op Me. Vertel Me liever hoe Ik Me tegen deze verschrikkelijke aanvallen van Kṛṣṇa kan beschermen!"
Soms ziet men onder leeftijdgenoten tekenen van extase in woede uit liefde voor Kṛṣṇa. Een voorbeeld van dit soort woede zag men bij een ruzie tussen Jațilā en Mukharā. Jațilā was de schoonmoeder van Rādhārāņī en Mukharā haar overgrootmoeder. Beiden stonden te praten over de zinloze manier waarop Kṛṣṇa Rādhārāņī op straat steeds lastigviel. Jatilā zei:
“O jij Mukharā met je wrede kop! Als ik je zo hoor, lijkt het wel of mijn hart in brand staat!"
en Mukharā riep terug:
“O jij zondig mens, Jațilā, als ik jou zo hoor, krijg ik meteen hoofdpijn! Je hebt geen enkel bewijs dat Kṛṣṇa Rādhārāņī, de dochter van mijn kleindochter Kirtidā, heeft aangevallen."
“O jij Mukharā met je wrede kop! Als ik je zo hoor, lijkt het wel of mijn hart in brand staat!"
en Mukharā riep terug:
“O jij zondig mens, Jațilā, als ik jou zo hoor, krijg ik meteen hoofdpijn! Je hebt geen enkel bewijs dat Kṛṣṇa Rādhārāņī, de dochter van mijn kleindochter Kirtidā, heeft aangevallen."
Toen Rādhārāņī de halsketting afdeed die Kṛṣṇa Haar gegeven had, zei Haar schoonmoeder ațilā tegen een vriendin:
"Lieve vriendin, kijk toch eens wat een mooie ketting Kṛṣṇa aan Rādhārāņī gegeven heeft. Daar staat Ze ermee in Haar handen, maar nog steeds wil Ze ons laten geloven dat Ze niets met Kṛṣṇa te maken heeft. Het gedrag van dat meisje heeft onze hele familie te schande gemaakt!"
"Lieve vriendin, kijk toch eens wat een mooie ketting Kṛṣṇa aan Rādhārāņī gegeven heeft. Daar staat Ze ermee in Haar handen, maar nog steeds wil Ze ons laten geloven dat Ze niets met Kṛṣṇa te maken heeft. Het gedrag van dat meisje heeft onze hele familie te schande gemaakt!"
Spontane afgunst jegens Kṛṣṇa van iemand als Śiśupāla kan niet als extatische liefde in woede voor Kṛṣṇa worden aangemerkt.