Default View
Dual Language View
HOOFDSTUK 48
Schrik en gruwel
Schrik
Bij extatische liefde voor Kṛṣṇa in schrik bestaan er twee aanleidingen tot vrees: óf Kṛṣṇa Zelf, óf een afschuwelijke situatie die er voor Kṛṣṇa dreigt. Wanneer een toegewijde voelt dat hij een overtreding jegens Kṛṣṇa's lotusvoeten heeft begaan, wordt Kṛṣṇa Zelf voor hem het voorwerp van extatische liefde in schrik. En wanneer vrienden en begunstigers van Kṛṣṇa uit extatische liefde vrezen dat er gevaar voor Hem dreigt, wordt deze gevaarlijke situatie het voorwerp van hun schrik.
Toen Ṛkṣarāja in vechthouding tegenover Kṛṣṇa stond en plotseling besefte dat zijn tegenstander de Allerhoogste Godspersoon was, zei Kṛṣṇa tegen hem:
"Mijn beste Ṛkṣarāja, waarom trekt je gezicht opeens zo weg? Wees alsjeblieft niet bang voor Me. Het is nergens voor nodig dat je hart zo tekeergaat. Kom alsjeblieft tot jezelf. Ik ben je niet kwaadgezind. Maar jij mag wel zo kwaad op Me zijn als je wilt -om Me met je vechtlust te dienen en zo Mijn speelse neigingen te vergroten."
Bij schrik in extatische liefde voor Kṛṣṇa is Kṛṣṇa Zelf het voorwerp van de schrik.
"Mijn beste Ṛkṣarāja, waarom trekt je gezicht opeens zo weg? Wees alsjeblieft niet bang voor Me. Het is nergens voor nodig dat je hart zo tekeergaat. Kom alsjeblieft tot jezelf. Ik ben je niet kwaadgezind. Maar jij mag wel zo kwaad op Me zijn als je wilt -om Me met je vechtlust te dienen en zo Mijn speelse neigingen te vergroten."
Bij schrik in extatische liefde voor Kṛṣṇa is Kṛṣṇa Zelf het voorwerp van de schrik.
Er is nog een voorbeeld van een toestand vervuld van schrik met Kṛṣṇa als voorwerp daarvan. Nadat Hij naar behoren door de kleine Kṛṣṇa was afgestraft in de Yamunā, richtte de slang Kāliya zich als volgt tot de Heer:
"O doder van de demon Mura, door boetedoening en onthoudingen heb ik me vele mystieke vermogens verworven, maar tegenover U vermag ik niets uit te richten: ik ben een hoogst onbeduidend persoontje. Wees daarom deze arme ziel die ik ben welgezind en spaar Uw woede. Ik besefte niet wie U eigenlijk was en uit onwetendheid heb ik me zo afschuwelijk tegen U misdragen...Red me. Ik ben een hoogst ongelukkige dwaas. Wees me alstublieft genadig."
Dit is nog een voorbeeld van extase in schrik in toegewijde dienst.
"O doder van de demon Mura, door boetedoening en onthoudingen heb ik me vele mystieke vermogens verworven, maar tegenover U vermag ik niets uit te richten: ik ben een hoogst onbeduidend persoontje. Wees daarom deze arme ziel die ik ben welgezind en spaar Uw woede. Ik besefte niet wie U eigenlijk was en uit onwetendheid heb ik me zo afschuwelijk tegen U misdragen...Red me. Ik ben een hoogst ongelukkige dwaas. Wees me alstublieft genadig."
Dit is nog een voorbeeld van extase in schrik in toegewijde dienst.
Toen de demon Keśī Vṛndāvana van streek bracht door er in een paardenlijf te verschijnen dat zo groot was, dat het over de bomen heen kon springen, zei moeder Yaśodā tot haar echtgenoot, Nanda Mahārāja:
"Ons kind is erg onrustig, we kunnen Hem beter in huis opsluiten vandaag. Ik maak me erge zorgen om al die verwarring die de demon Keśī tegenwoordig met zijn reusachtige paardenlijf veroorzaakt."
Toen men hoorde dat de slecht geluimde demon Gokula binnen was gekomen, maakte moeder Yaśodā zich zo benauwd om de veiligheid van haar kind, dat haar gezicht bleek wegtrok en de tranen haar in de ogen sprongen. Dit zijn enkele tekenen van de extase van schrik in toegewijde dienst, veroorzaakt door het zien en horen van iets wat gevaarlijk voor Kṛṣṇa is.
"Ons kind is erg onrustig, we kunnen Hem beter in huis opsluiten vandaag. Ik maak me erge zorgen om al die verwarring die de demon Keśī tegenwoordig met zijn reusachtige paardenlijf veroorzaakt."
Toen men hoorde dat de slecht geluimde demon Gokula binnen was gekomen, maakte moeder Yaśodā zich zo benauwd om de veiligheid van haar kind, dat haar gezicht bleek wegtrok en de tranen haar in de ogen sprongen. Dit zijn enkele tekenen van de extase van schrik in toegewijde dienst, veroorzaakt door het zien en horen van iets wat gevaarlijk voor Kṛṣṇa is.
Toen de heks Pūtanā gedood was, wilden sommige vriendinnen van moeder Yaśodā weten hoe alles in zijn werk was gegaan. Maar moeder Yaśodā riep hun dadelijk toe:
"Hou alsjeblieft op! Hou alsjeblieft op! Begin niet weer over die toestand met Pūtanā. De gedachte eraan alleen al geeft me zo'n verdriet. Die heks Pūtanā kwam hier om mijn zoon te verslinden en ze verleidde mij om Hem bij haar op schoot te laten zitten. Maar daarna ging ze dood en maakte een vreselijk lawaai met haar neervallende reuzelijf."
"Hou alsjeblieft op! Hou alsjeblieft op! Begin niet weer over die toestand met Pūtanā. De gedachte eraan alleen al geeft me zo'n verdriet. Die heks Pūtanā kwam hier om mijn zoon te verslinden en ze verleidde mij om Hem bij haar op schoot te laten zitten. Maar daarna ging ze dood en maakte een vreselijk lawaai met haar neervallende reuzelijf."
In de extase van de toegewijde dienst in schrik zijn de bijkomende verschijnselen een droge mond, uitbundigheid, achteromkijken, zich verbergen, verbijstering, zoeken naar het geliefde wezen dat zich in gevaar bevindt en hard schreeuwen en huilen. Enkele bijkomstige symptomen zijn begoocheldheid, geheugenverlies en de verwachting van gevaar. In al deze omstandigheden is de basisstemming die van extatische schrik. Deze schrik wordt veroorzaakt hetzij door overtredingen die men heeft begaan, hetzij door vreeswekkende omstandigheden. De overtredingen kan men op verschillende manieren begaan en de schrik daarvoor wordt ervaren door degene die de overtreding heeft begaan. Wordt de schrik veroorzaakt door een vreeswekkend verschijnsel, dan bestaat dit doorgaans uit een persoon die er gruwelijk uitziet en gruwelijk van wezen en invloed is. Een voorbeeld van zo'n verschijnsel dat extatische schrik teweegbracht is de heks Pūtanā. Schrik kan teweeg worden gebracht door een laaghartige en gemene figuur, zoals Koning Kaṁsa, of door grote machtige halfgoden als Indra of Śaṅkara.
Een demon als Kaṁsa was bang voor Kṛṣṇa, maar zijn angst kan niet als extatische schrik in toegewijde dienst worden aangemerkt.
Gruwel
Uit gezaghebbende bron blijkt dat gehechtheid aan Kṛṣṇa uit een gevoel van walging soms aanleiding kan geven tot de gruwelextase in de toegewijde dienst. Iemand die een extatische liefde van dit type voor Kṛṣṇa voelt bevindt zich bijna altijd in de neutrale fase van de toegewijde dienst, śānta-rasa genaamd. Een voorbeeld van extatische liefde veroorzaakt door gruwel wordt gegeven in de volgende uitspraak:
"Dit heerschap was vroeger enkel en alleen geïnteresseerd in lust- en zinsbevrediging en had zich er volmaakt in bekwaamd om vrouwen uit te buiten ter wille van zijn wellustig verlangen. Maar zie toch eens hoe schitterend, dat deze zelfde man mét tranen in zijn ogen de namen van Kṛṣṇa loopt te chanten en zodra hij het gezicht van een vrouw ziet, het zijne walgend afwent. Naar zijn gelaatsuitdrukking te oordelen, zou ik zeggen dat hij een hekel aan seks heeft gekregen."
"Dit heerschap was vroeger enkel en alleen geïnteresseerd in lust- en zinsbevrediging en had zich er volmaakt in bekwaamd om vrouwen uit te buiten ter wille van zijn wellustig verlangen. Maar zie toch eens hoe schitterend, dat deze zelfde man mét tranen in zijn ogen de namen van Kṛṣṇa loopt te chanten en zodra hij het gezicht van een vrouw ziet, het zijne walgend afwent. Naar zijn gelaatsuitdrukking te oordelen, zou ik zeggen dat hij een hekel aan seks heeft gekregen."
Bij deze gemoedsgesteldheid van de toegewijde dienst in gruwel, bestaan de bijkomstige extatische symptomen uit spuwen op vroegere levensopvattingen, het verwringen van het gelaat, het bedekken van de neus en het wassen of wringen van de handen. Ook ziet men dat het lichaam beeft, verwrongen standen aanneemt en zweet. Voorts kunnen zich als symptomen voordoen: uitingen van schaamte, uitputting, waanzin, begoocheling, frustratie, nederigheid, zelfmeelij, rusteloosheid, gretigheid en lichamelijke verstarring.
Wanneer een toegewijde, die op zijn vroeger begane verfoeilijke daden afgeeft, bijzondere lichamelijke symptomen vertoont, is er sprake van extase in de toegewijde dienst in gruwel. Deze wordt veroorzaakt door het ontwaken van zijn Kṛṣṇa-bewustzijn.
In dit verband bestaat er een uitspraak als volgt:
"Hoe kan iemand nu plezier hebben in het lichamelijke genieten van seks, als hij weet dat zijn lichaam gewoon een zak van vel en vlees is, gevuld met botten en bloed, waaruit alleen maar slijm komt en een vieze lucht?"
Dit inzicht kan alleen worden getoond door iemand die tot Kṛṣṇa-bewustzijn ontwaakt is en volkomen inziet hoe verfoeilijk de aard van dit stoffelijke lichaam is.
"Hoe kan iemand nu plezier hebben in het lichamelijke genieten van seks, als hij weet dat zijn lichaam gewoon een zak van vel en vlees is, gevuld met botten en bloed, waaruit alleen maar slijm komt en een vieze lucht?"
Dit inzicht kan alleen worden getoond door iemand die tot Kṛṣṇa-bewustzijn ontwaakt is en volkomen inziet hoe verfoeilijk de aard van dit stoffelijke lichaam is.
Een gelukkig kind in de moederschoot zond het volgende gebed tot Kṛṣṇa op:
"O vijand van Kaṁsa, ik moet nu hevig lijden, omdat ik in dit stoffelijk lichaam zit. Ik lig nu gevangen in een poel van bloed, urine en vloeibare ontlasting, in deze moederschoot. Omdat ik in deze toestand verkeer, heb ik veel te verduren. Wees me daarom welgezind, o goddelijke oceaan van genade. Ik ben niet in staat om U liefdevolle toegewijde dienst te bewijzen, maar red me alstublieft!"
Er bestaat ook zo'n verklaring van iemand die tot een helse levenstoestand was vervallen. Hij zei tot de Opperheer:
"Lieve Heer, Yamarāja heeft me in een toestand gebracht die vol gore en nare stank is. Het krioelt hier van de insecten en wurmen, die in de ontlasting van allerlei zieke mensen rondkruipen. En omdat ik dit gruwelijke tafereel heb moeten zien, doen mijn ogen me zeer en word ik bijna blind. Daarom bid ik tot U, o mijn Heer, o verlosser van allen die in de hel verblijven. Ik ben in deze helse toestand neergestort, maar zal altijd aan Uw heilige naam proberen te denken en zo lichaam en ziel bij elkaar proberen te houden."
Ook dit is een geval van extatische liefde voor Kṛṣṇa in een afschuwelijke situatie.
"O vijand van Kaṁsa, ik moet nu hevig lijden, omdat ik in dit stoffelijk lichaam zit. Ik lig nu gevangen in een poel van bloed, urine en vloeibare ontlasting, in deze moederschoot. Omdat ik in deze toestand verkeer, heb ik veel te verduren. Wees me daarom welgezind, o goddelijke oceaan van genade. Ik ben niet in staat om U liefdevolle toegewijde dienst te bewijzen, maar red me alstublieft!"
Er bestaat ook zo'n verklaring van iemand die tot een helse levenstoestand was vervallen. Hij zei tot de Opperheer:
"Lieve Heer, Yamarāja heeft me in een toestand gebracht die vol gore en nare stank is. Het krioelt hier van de insecten en wurmen, die in de ontlasting van allerlei zieke mensen rondkruipen. En omdat ik dit gruwelijke tafereel heb moeten zien, doen mijn ogen me zeer en word ik bijna blind. Daarom bid ik tot U, o mijn Heer, o verlosser van allen die in de hel verblijven. Ik ben in deze helse toestand neergestort, maar zal altijd aan Uw heilige naam proberen te denken en zo lichaam en ziel bij elkaar proberen te houden."
Ook dit is een geval van extatische liefde voor Kṛṣṇa in een afschuwelijke situatie.
Men dient te begrijpen dat iedereen die voortdurend de heilige namen van de Heer ten gehore brengt - hare Kṛṣṇa hare Kṛṣṇa Kṛṣṇa Kṛṣṇa hare hare hare rāma hare rāma rāma rāma hare hare - tot bovenzinnelijke genegenheid voor Kṛṣṇa is gekomen en in die gemoedsgesteldheid, in wat voor levenssituatie hij zich ook bevindt, er altijd voldoening aan beleeft om zich vol genegenheid in extatische liefde de naam van de Heer te heugen.
Tot besluit mag hier worden gezegd dat extatische liefde voor Kṛṣṇa in gruwel zich voordoet wanneer men van de neutrale relatie overgaat tot de fase van meer ontwikkelde genegenheid.