Default View
Dual Language

HOOFDSTUK 49

Het samengaan van rasa's

Zoals reeds beschreven, zijn er twaalf verschillende soorten rasa's of extatische relaties met Kṛṣṇa. Vijf van deze rasa's zijn direct en worden gecategoriseerd als de neutrale, die van dienstbaarheid, van broederlijke liefde, ouderliefde en amoureuze liefde. Zeven rasa's zijn indirect en worden beschreven als die van humor, verwondering, ridderlijkheid, mededogen, woede, schrik en gruwel. De vijf directe rasa's zijn eeuwig aanwezig in de Vaikuṇṭha-wereld, het geestelijk koninkrijk, terwijl de zeven indirecte rasa's eeuwig nu eens wel en dan weer niet geopenbaard zijn in Gokula Vṛndāvana , waar Kṛṣṇa Zijn bovenzinnelijk spel en vermaak in de stoffelijke wereld ontvouwt.
Zeer dikwijls vindt men naast de basis-rasa die iemand met Kṛṣṇa heeft de aanwezigheid van een andere rasa, en het samengaan van deze gemoedsgesteldheden van liefde is nu eens verenigbaar of verkwikkelijk, dan weer onverenigbaar of onverkwikkelijk. Hieronder volgt een wetenschappelijke analyse van de verkwikkelijkheid dan wel onverkwikkelijkheid van het samengaan van deze verschillende rasa's of gemoedsstemmingen van liefde.
Treft men bij de rasa van neutrale liefde (śānta-rasa) een spoor van gruwel of verwondering, dan is dit ermee verenigbaar. Vindt men bij deze neutrale liefde tekenen van amoureuze amoureuze liefde, ridderlijkheid, woede of schrik, dan is dit niet verenigbaar.
Wanneer zich bij de extase van de gemoedsgesteldheid van de dienstbaarheid tekenen van schrik, neutrale liefde of ridderlijkheid voordoen (zoals dharma-vīra en dāna-vīra), zijn deze ermee verenigbaar. De extase van toegewijde dienst in ridderlijkheid (yuddha-vīra) en woede wordt rechtstreeks door Kṛṣṇa Zelf teweeggebracht.
Met de extase van broederliefde is een samengaan van amoureuze liefde, gelach of ridderlijkheid zeer verenigbaar; het samengaan met deze zelfde broederliefde van schrik of ouderliefde is hoogst onverenigbaar.
Ook al gaapt er een kloof van verschil tussen hen, toch is een samengaan van de ouderliefde-extase met gelach, mededogen of schrik verenigbaar.
Een samengaan van amoureuze liefde, ridderlijkheid of woede met de extase van de ouderliefde is verenigbaar.
Een samengaan van gelach of broederlijkheid is verenigbaar met de extase van de toewijding in amoureuze liefde.
Volgens de mening van bepaalde deskundigen is de extase van amoureuze liefde alleen verenigbaar met de gevoelens van ridderlijkheid die men kent als yuddha-vira en dharma-vira. Volgens deze opvatting zijn behalve deze twee gemoedsstemmingen alle overige gevoelens onverenigbaar met de echtelijke liefde.
Een samengaan van schrik, amoureuze liefde of ouderlijke liefde is verenigbaar met de extase van gelach in toewijding, terwijl een samengaan daarvan met mededogen of gruwel onverenigbaar is.
Een samengaan van ridderlijkheid of neutrale liefde met de extase van de toewijding in verwondering is verenigbaar, terwijl het samengaan van woede of schrik daarmee altijd onverenigbaar is.
Een samengaan van verwondering, gelach of dienstbaarheid met de extase van de toegewijde ridderlijkheid is verenigbaar, terwijl een samengaan van schrik of amoureuze liefde daarmee niet verenigbaar is. Volgens sommige deskundigen is de extase van de neutrale liefde altijd verenigbaar met toegewijde dienst in ridderlijkheid.
Een samengaan van woede of ouderliefde is verenigbaar met de extase van mededogen in toegewijde dienst, terwijl een samengaan van gelach, amoureuze liefde of verwondering daarmee altijd onverenigbaar is.
Een samengaan van mededogen of ridderlijkheid met de extase van woede in toegewijde dienst is verenigbaar, terwijl een samengaan van gelach, amoureuze vereniging of schrik daarmee volkomen onverenigbaar is.
Met de extase van schrik in toegewijde dienst is een samengaan van gruwel of mededogen verenigbaar.
Een samengaan van amoureuze vereniging, gelach of woede is nooit verenigbaar met de extase van ridderlijkheid in toegewijde dienst.
Gevoelens van neutrale liefde, gelach of dienstbaarheid zijn verenigbaar met de extase van gruwel in toegewijde dienst, terwijl gevoelens van amoureuze liefde en broederschap daarmee onverenigbaar zijn.
De hier gegeven analyse is een model van de bestudering van de rasābhāsa's, of het onverenigbaar samengaan van rasa's. Aan de hand van deze bovenzinnelijke wetenschap van de rasābhāsa's kan men terdege verklaren welke gemoedsgesteldheden in de extatische liefde al dan niet met elkaar verenigbaar zijn. Toen Heer Caitanya Mahāprabhu in Jagannātha Purī verbleef, kwamen er veel dichters en toegewijden naar Hem toe om Hem allerlei gedichten aan te bieden, maar de regel was dat de secretaris van Heer Caitanya, Svarūpa Dāmodara, als eerste grondig deze schrijfsels bekeek, en als hij dacht dat er in de beschreven rasa's geen onderlinge onverenigbaarheid aanwijsbaar was, gaf hij de dichter toestemming om tot Heer Caitanya te naderen en Zijn verzen aan Hem voor te dragen.
De kwestie van de onverenigbaarheid van rasa's is uiterst belangrijk, en zuivere toegewijden verwachten altijd dat ze in beschrijvingen van de verschillende relaties met de Godspersoon een volstrekte verenigbaarheid van de desbetreffende rasa's zullen aantreffen. Het is soms bijzonder ingewikkeld om na te gaan of rasa's die zich voordoen al dan niet met elkaar te verenigen zijn, en het volgende voorbeeld kan duidelijk maken waarom dit zo is. Wanneer twee vrienden elkaar ontmoeten, wordt de gemoedsgesteldheid die uit hun samentreffen voortvloeit doorgaans als uiterst verkwikkelijk beschouwd. Maar in feite komen er bij zo'n ontmoeting van twee vrienden zo veel gevoelens los, dat het moeilijk vast te stellen is wanneer deze gevoelens werkelijk met elkaar verenigbaar worden en wanneer niet.
Bedreven literatoren hebben de met elkaar verenigbare rasa's geanalyseerd door rasa's die op een bepaalde wijze samengaan te onderscheiden als geheel en deel. Volgens deze methode wordt het overheersende gevoel als geheel beschouwd en het ondergeschikte als deel.
De volgende uitspraak werpt licht op deze tweedeling in deel en geheel:
"Alle levende wezens zijn als vonken van het hoogste vuur, en in dit licht gezien weet ik niet of ik, als klein vonkje, me wel zal kunnen verbinden in de toegewijde liefdedienst van dit hoogste vuur, dat Heer Kṛṣṇa is."
Bij deze uitspraak worden de gevoelens van neutrale liefde als geheel beschouwd, terwijl het verlangen om de Heer te dienen als deel wordt gezien. In feite bestaat er in de Brahman-gloed geen mogelijkheid om in extase liefdesblijken met de Heer uit te wisselen.
Er bestaat een andere uitspraak van een toegewijde, die zich als volgt beklaagt:
"Helaas, ik probeer nog steeds allerlei plezier te halen uit dit lichaam, dat alleen maar uit een zak vel bestaat met een hoop slijm, sperma en bloed erin. In deze bewustzijnstoestand voel ik me zo verdoemd, dat ik de bovenzinnelijke extase moet ontberen van de heugenis van de Allerhoogste Godspersoon."
In deze uitspraak treft men twee extatische liefdesstemmingen aan, namelijk die van neutraliteit en gruwel. De neutrale wordt als het geheel beschouwd, terwijl de gruwelextase het deel is.
In een soortgelijke verklaring zegt een andere toegewijde:
"Nu zal ik mijn dienst aanvangen om de Allerhoogste Godspersoon, Śrī Kṛṣṇa, die op een gouden troon gezeten is, met mijn waaier koelte toe te wuiven. Hij is de allerhoogste Param Brahman, in Zijn eeuwige bovenzinnelijke gedaante, waarvan de tint als die van een donkere wolk is. Nu kan ik mijn genegenheid voor mijn stoffelijk lichaam prijsgeven, dat niet meer is dan een zak vlees en bloed."
Ook hier is een samengaan van dienstbaarheid en gruwel, waarbij de extase van dienstbaarheid als geheel en de gruwel-extase als deel wordt beschouwd.
Dan is er de volgende uitspraak:
"Wanneer zal ik van de geaardheid onwetendheid worden verlost? En als ik daarvan eenmaal gelouterd ben, hoe zal ik dan Kṛṣṇa eeuwig kunnen dienen? Alleen als ik de toestand van Zijn eeuwige dienst bereik, zal ik Hem kunnen aanbidden en altijd naar Zijn lotusogen en mooi gelaat kunnen kijken."
In deze verklaring vindt men als geheel de neutrale extase en als deel die van dienstbaarheid.
Verder is er deze uitspraak:
"Kijk toch eens naar deze toegewijde van de Heer, die loopt te dansen omdat hij alleen maar aan de lotusvoeten van Kṛṣṇa denkt. Als je alleen al naar zijn dansen kijkt, kunnen de mooiste vrouwen je zelfs niets meer schelen!"
In deze uitspraak is het geheel in de neutrale rasa, terwijl het deel in gruwel is.
Een toegewijde zei eens vermetel:
"Lieve Heer, ik gruw nu van het gezelschap van jonge meisjes, dat ik vroeger zo aantrekkelijk vond. Ook voor de Brahman-realisatie heb ik geen enkele belangstelling meer, omdat ik volkomen opga in gedachten aan U. En terwijl ik hier zo gelukzalig in opga, ben ik ook alle andere verlangens kwijtgeraakt, zelfs dat naar het bezit van mystieke krachten. Mijn geest voelt zich alleen nog aangetrokken tot het aanbidden van Uw lotusvoeten."
Bij deze uitspraak is het geheel in de extase van de neutraliteit, terwijl het deel in ridderlijkheid is.
In een andere verklaring wordt Subala als volgt aangesproken:
"Beste Subala, de jongedames van Vṛndāvana, die de kans kregen om van Kṛṣṇa's kussen te genieten, moeten wel de aller-gelukkigste vrouwen van de wereld zijn."
In dit voorbeeld wordt het geheel gevormd door de extase van toegewijde dienst in broederliefde, terwijl de extase van de amoureuze liefde het deel is.
De volgende uitspraak is van Kṛṣṇa, gericht tot de gopī's:
"Mijn lieve betoverde meisjes, sta toch niet met zulke hunker-ogen naar Me te kijken. Wees tevreden en ga terug naar huis in Vṛndāvana . Het is nergens voor nodig dat jullie hier bij Mij zijn."
Terwijl Kṛṣṇa zo stond te schertsen met de jongedames van Vraja, die vol verlangen naar Hem toe waren gekomen om de rāsa-dans met Hem te dansen, was ook Subala ter plaatse en keek Kṛṣṇa met wijdopen ogen lachend aan. Subala's gevoelens waren een mengeling van broederliefde en gelach in toegewijde dienst, De broederliefde wordt hier als geheel gezien en het gelach als deel.
Het volgende voorbeeld bevat een samengaan van extatische broederliefde en gelach, die respectievelijk als geheel en deel worden beschouwd. Toen Kṛṣṇa zag dat Subala, als Rādhārāņī verkleed, zich in de schaduw van een prachtige aśoka-boom op de oever van de Yamunā verborgen hield, kwam Hij dadelijk verrast van Zijn zitplaats overeind. Toen hij Kṛṣṇa zo zag, probeerde Subala zijn lach te verbergen door zijn handen voor zijn gezicht te slaan.
Er is ook een voorbeeld van een samengaan van ouderliefde en mededogen in toegewijde dienst. Wanneer moeder Yaśodā dacht dat haar zoon zonder parasol of schoeisel door het bos liep, raakte ze erg van streek bij het idee hoe benard Kṛṣṇa Zich hierdoor moest voelen. Bij dit voorbeeld is het geheel de ouderliefde en het deel het mededogen.
Het volgende voorbeeld is een samengaan van ouderliefde en gelach. Een vriendin van moeder Yaśodā zei tot haar:
“Lieve Yaśodā, je zoontje heeft heel knap een stuk boter uit mijn huis gestolen. En om mijn eigen zoon voor Zíjn streek te laten opdraaien heeft Hij hem in zijn slaap wat boter op zijn gezicht gesmeerd!"
Toen moeder Yaśodā dit hoorde, trilden haar opgetrokken wenkbrauwen. Ze kon haar vriendin alleen maar lachend aanzien. Moge moeder Yaśodā iedereen met deze glimlach zegenen. In dit voorbeeld is het geheel de ouderliefde en het deel de lach.
Er is een voorbeeld van een samengaan van verschillende gemoedsstemmingen met toegewijde dienst:
"Toen Kṛṣṇa de heuvel Govardhana met Zijn linkerhand in de lucht geheven hield, viel Zijn haar helemaal los over Zijn schouders en leek het alsof Hij transpireerde. Toen moeder Yaśodā dit zag, begon ze te trillen. Terwijl ze met wijd open ogen scherper toekeek, zag ze dat Kṛṣṇa allerlei rare gezichten stond te trekken. Daarop werd moeder Yaśodā zeer gelukkig en begon te lachen. Maar daarna raakten haar kleren, bij de gedachte dat Kṛṣṇa de heuvel wel uitzonderlijk lang in de lucht geheven hield, met angstzweet doordrenkt. Moge moeder Yaśodā Vrajeśvarī met haar oneindige mededogen het ganse universum behoeden!"
In dit voorbeeld is de ouderliefde het geheel en worden de delen gevormd door schrik, verwondering, gelach, mededogen enzovoorts.
Er bestaat een voorbeeld van een samengaan van amoureuze en broederliefde, namelijk wanneer Srīmatī Rādhārāņī zegt: "Lieve vriendinnen, kijk toch eens hoe Kṛṣṇa met Zijn arm om de schouders van Subala staat, die zich als een jong meisje verkleed heef! Ik denk dat Hij Mij via Subala een boodschap wil sturen."
De strekking van deze uitspraak is dat degenen die voor Rādhārāṇī's welzijn verantwoordelijk zijn er niet van houden dat Kṛṣṇa of Zijn vrienden, de koeienjongens, met Haar omgaan. Daarom verkleden deze vrienden zich soms als meisje, zodat ze Rādhārāņī een boodschap van Kṛṣṇa kunnen overbrengen. In dit voorbeeld is het geheel de amoureuze liefde en het deel de broederliefde.
Het volgende is een voorbeeld van een samengaan van amoureuze liefde en gelach in toegewijde dienst. Als meisje verkleed, zei Kṛṣṇa tot Rādhārāṇī:
"O Jij hardvochtig wezen! Weet Je niet dat Ik Je zuster ben? Waarom kun Je Me niet herkennen? Wees Me genadig en sla alstublieft Je armen om Me heen en druk Me liefdevol tegen Je aan!"
Precies eender gekleed als Rādhārāņī, uitte Kṛṣṇa deze fraaie woorden, en Srīmatī Rādhārāņī begreep wat Zijn opzet was. Maar omdat Ze Zich in gezelschap van veel ouderen bevond, beperkte Ze Zich ertoe te glimlachen en zei geen woord. In dit geval wordt de extase van de amoureuze liefde als geheel beschouwd, terwijl de extase van het gelach als deel wordt opgevat.
Het volgende laat een samengaan van verschillende gevoelens zien. Toen een van de metgezellinnen van Candrāvalī zag dat Kṛṣṇa Zich opmaakte om de strijd met de demon Vṛṣāsura aan te binden, dacht ze:
"Wat is Kṛṣṇa toch geweldig! Zijn geest is in de ban van de wenkbrauwen van Candrāvalī, hetgeen Hem vrolijk stemt, Zijn slangenarmen liggen om de schouders van Zijn vriend en tegelijk staat Hij als een leeuw te brullen om Vṛṣāsura uit te dagen de strijd met Hem aan te binden!"
Dit is een voorbeeld van het samengaan van amoureuze liefde, broederliefde en ridderlijkheid. De amoureuze liefde wordt hier als geheel opgevat en broederliefde en ridderlijkheid als delen.
Toen Kubjā Kṛṣṇa aan Zijn gele kleed trok, omdat ze door seksuele lust bevangen was geraakt, boog Kṛṣṇa met gloeiende wangen Zijn hoofd, aangezien er veel mensen om hen heen stonden die schik in het geval hadden. Dit is een geval van het samengaan van extatische amoureuze liefde en gelach. Het gelach wordt als geheel gezien en de amoureuze liefde als deel.
Toen een van de koeienjongens, Viśāla, met Bhadrasena probeerde te vechten, zei een andere koeienjongen tot hem:
"Waarom probeer je je hier zo heldhaftig voor te doen? Hiervóór probeerde je zelfs met Śrīdāmā te vechten, maar je dient te weten dat Śrīdāmā niet eens met honderden Balarāma's vechten wil. Dus waarom loop je zo stoer te doen, terwijl je in werkelijkheid niets voorstelt?"
Dit is een voorbeeld van een samengaan van toegewijde broederliefde en ridderlijkheid. De ridderlijkheid wordt als geheel en de broederliefde als deel opgevat.
Śiśupāla placht Kṛṣṇa altijd uit te schelden, en met zijn beledigingen ergerde hij de zoons van Pāṇḍu meer dan Kṛṣṇa. Daarom grepen de Pāṇḍava's allerlei wapens om Śiśupāla te doden. Hun gevoelens bestonden uit een samengaan van extatische woede en broederliefde, waarbij de woede als geheel en de broederliefde als deel werd opgevat.
Op een keer keek Kṛṣṇa hoe Śrīdāmā heel gewiekst zijn stok hanteerde in een gevecht met Balarāma, die een bedreven knotsvechter was en met Zijn knots zelfs de demon Pralambāsura had gedood. Toen Kṛṣṇa zag dat Balarāma tenslotte door Śrīdāmā verslagen werd, die maar een kleine stok gebruikte, deed Hem dat een groot genoegen en bezag Hij Śrīdāmā met aanzienlijke verbazing. In dit geval is er sprake van een samengaan van verwondering, broederliefde en ridderlijkheid in toegewijde dienst. Broederliefde en ridderlijkheid worden als deel opgevat en de verwondering als geheel.
Personen die deskundig zijn op het gebied van het ontleden van deze verschillende soorten gemoedsstemmingen laten ons weten dat wanneer de ene stemming met de andere samenvalt, de stemming die het geheel vormt, of de overheersende stemming, de voortgaande extase wordt genoemd. Het Viṣṇu-dharmottara bevestigt dat de overheersende gemoedsstemming, of het geheel, bij het samengaan van veel stemmingen in toegewijde extase, de basisextase van de toegewijde dienst wordt genoemd. Hoewel er zich enige tijd een ondergeschikte stemming kan voordoen, gaat zij op den duur in het overheersende geheel op. Daarom wordt ze een niet-fundamentele extase van de toegewijde dienst genoemd.
Dit laat zich illustreren met een fraai beeld, dat de relatie tussen deel en geheel verduidelijkt. Heer Vāmanadeva is in feite de Allerhoogste Godspersoon, maar het leek alsof hij "geboren" was als broer van Indra. Hoewel Vāmanadeva soms als een minder belangrijke halfgod wordt beschouwd, was hij in werkelijkheid de instandhouder van Indra, de koning van de halfgoden. Dus hoewel Vāmanadeva soms als ondergeschikte halfgod wordt gezien, is hij in feite het Allerhoogste Geheel, de oorsprong van het hele godenstelsel. Zo kan een rasa, die in feite overheersend is, soms een ondergeschikte rol blijken te spelen, hoewel hij in werkelijkheid de belangrijkste liefdesgevoelens van een toegewijde vertegenwoordigt.
Wanneer een niet-fundamentele toegewijde dienst zich een tijd lang op dominante wijze voordoet, wordt ze nog steeds als deel beschouwd. Doet ze zich niet erg prominent voor, dan verschijnt ze dus slechts zwakjes en gaat snel weer op in het geheel. Bij zo'n geringe blijk van een bijkomstige rasa wordt er geen aandacht aan geschonken; als men een grassprietje mee-eet dat in een smakelijk gerecht beland is, wordt het niet eens geproefd en doet men dus niet eens moeite om na te gaan hoe het smaakt.