Default View
Dual Language

HOOFDSTUK 50

Verdere ontleding van de vermenging van rasa's

Wanneer verschillende soorten gemoedsgesteldheden zich met elkaar vermengen of wanneer tegengestelde gemoedsstemmingen zich met elkaar verbinden, heet dit, zoaIs reeds beschreven, een onverenigbare situatie. Eet men zoete rijst waar iets zouts of zuurs mee vermengd is, dan is dat geen bijster smakelijke combinatie en is er sprake van onverenigbaarheid.
Een goed voorbeeld van onverenigbaarheid blijkt uit de uitspraak van een impersonalist die hardop klaagt:
"Ik ben alleen maar aan het onpersoonlijk Brahman-aspect gehecht geweest en heb mijn tijd zinloos verdaan door me toe te leggen op het bereiken van de trance-toestand. Ik heb geen gepaste aandacht geschonken aan Śrī Kṛṣṇa, die de oorsprong van het onpersoonlijk Brahman is en de bron van alle bovenzinnelijke vreugde."
In deze verklaring treft men zowel uitingen van neutraliteit als amoureuze liefde aan, en het samengaan hiervan is onverenigbaar.
Soms ziet men dat iemand in een oord als Vṛndāvana, die enigszins tot neutrale liefde voor Kṛṣṇa geneigd is, in één klap, op kunstmatige wijze, naar het niveau van amoureuze liefde probeert op te stijgen. Maar aangezien neutrale genegenheid en de amoureuze liefde niet met elkaar verenigbaar zijn, ziet men dat zo iemand buiten de normen van de toegewijde dienst belandt.
Een groot toegewijde van het neutrale niveau zei iets onverenigbaars, toen hij sarcastisch bad:
"Ik verlang er erg naar om Kṛṣṇa te zien, de Allerhoogste Godspersoon, die mijloenen keren liefdevoller is dan de pitā's [voorvaders] op Pitṛloka en altijd door de grote goden en wijzen aanbeden wordt. Maar het verbaast me een beetje dat Kṛṣṇa, hoewel Hij de echtgenoot van de geluksgodin is, zo vaak de nagelkerven van gewone meisjes van vermaak in Zijn huid heeft zitten."
Dit is een voorbeeld van onverenigbaarheid, omdat neutraliteit en hoge amoureuze liefde niet met elkaar samengaan.
Een gopī sprak als volgt:
"Lieve Kṛṣṇa, Je moet me dadelijk in Je sterke armen nemen. Dan, lieve vriend, zal ik eerst Je hoofd beruiken en daarna met Je genieten." Dit is een voorbeeld van onverenigbaarheid waarbij amoureuze liefde het geheel uitmaakt en ouderliefde het deel.
Een toegewijde zei eens:
“Beste Kṛṣṇa, hoe kan ik Je aanspreken als mijn zoon, terwijl de grote Vedantisten Je aanspreken als de Absolute Waarheid en de Vaiṣṇava 's, die het Nārada-pañcarātra volgen, Je de Allerhoogste Godspersoon noemen? Je bent die ene Allerhoogste Persoon, dus hoe kan mijn tong zich zo uitzonderlijk verstouten, dat hij Je gewoon mijn zoon noemt?"
Uit deze uitspraak blijkt een vermenging van neutraliteit en ouderliefde, met onverenigbaarheid als resultaat.
Een andere toegewijde zei:
"Beste vriend, mijn jeugdige schoonheid is even vergankelijk als de bliksem in het zwerk, en daarom is het van geen belang dat ik er lichamelijk zo aantrekkelijk uitzie. Ik heb Kṛṣṇa nog nooit gezien, dus daarom verzoek ik je ervoor te zorgen dat ik Hem dadelijk kan ontmoeten."
Uit deze verklaring spreekt de onverenigbaarheid van een neutrale gemoedsstemming vermengd met amoureuze liefde.
Een wellustige vrouw in Kailāsa zei eens tot Kṛṣṇa:
"Lieve Kṛṣṇa, moge Je een lang leven beschoren zijn!"
Na deze woorden omhelsde ze Kṛṣṇa. Dit is een voorbeeld van onverenigbaarheid, voortkomend uit een vermenging van ouderlijke en amoureuze liefde.
De bedoeling van bovenstaande ontleding is te laten zien dat er bij het samengaan van verschillende gemoedsgesteldheden of uitwisselingen van extatische liefde van Kṛṣṇa met de toegewijden een onverenigbare situatie ontstaat, als het resultaat niet zuiver is. Volgens een prominent toegewijde als Rūpa Gosvāmī is het resultaat altijd onverkwikkelijk, wanneer er onverenigbare emoties optreden.
Een gewone vrouwelijke toegewijde richtte zich eens als volgt tot Kṛṣṇa:
"Lieve jongen, ik weet dat mijn lichaam alleen maar uit vlees en bloed bestaat en dat Jij er nooit van zult kunnen genieten. Toch voel ik me zo tot Je schoonheid aangetrokken, dat ik Je als mijn minnaar wil omhelzen."
Deze uitspraak toont onverenigbaarheid, omdat gruwel en amoureuze liefde hier in toegewijde dienst met elkaar samen worden gebracht.
Śrīla Rūpa Gosvāmi waarschuwt de toegewijden om zich noch in geschrift, noch in hun activiteiten, schuldig te maken aan zulk innerlijk onverenigbaar gedrag. Wanneer zich zulke tegenstrijdige gevoelens voordoen, is er sprake van rasābhāsa. Wanneer een werk over een Kṛṣṇa-bewust onderwerp zo'n rasābhāsa vertoont, zal geen enkele geleerde of toegewijde het willen bestuderen.
In de Vidagdha-mādhava (2.17) zegt Paurņamāsī tot Nāndīmukhī:
“Kijk toch hoe schitterend! Grote wijzen, die van alle stoffelijke beslommeringen verlost zijn, mediteren op Kṛṣṇa en spannen zich hevig in om Hem in hun hart op te nemen. En dwars daartegenin probeert dit meisje haar gedachten van Kṛṣṇa af te zetten, zodat ze zich aan materiële activiteiten kan wijden, die zinsbevrediging tot doel hebben. Hoe treurig is het dat dit meisje deze zelfde Kṛṣṇa uit haar hart probeert te bannen, die de grote wijzen juist met zulke strenge boete en volharding trachten te vinden!"
Hoewel uit deze verklaring tegengestelde extatische gevoelens spreken, is het resultaat niet onverkwikkelijk, aangezien de amoureuze liefde zo verheven is, dat ze alle andere soorten stemmingen overtreft. Śrīla Jīva Gosvāmi merkt in dit verband op dat zo'n liefdevolle gemoedsgesteldheid niet voor iedereen mogelijk is. Ze kan alleen bestaan in het hart van de gopī's van Vṛndāvana.
Er zijn tal van andere voorbeelden van tegenstrijdige gemoedsgesteldheden, zonder dat daarbij de verwrongen rasābhāsa-ervaring optreedt. Een minder belangrijke god van de hemelse planeten merkte eens op:
“Kṛṣṇa, wiens schertsende woorden eens de oorzaak van zo veel gelach waren voor de inwoners van Vraja, is aangevallen door de slangenkoning, Kāliya, en is nu het voorwerp van ieders overstelpend gejammer!"
Dit is een geval van een samengaan van gelach en mededogen, maar men kan dit niet onverenigbaar noemen, aangezien door beide rasa's de liefdevolle genegenheid tot Kṛṣṇa wordt verhoogd.
Śrīmatī Rādhārāņī kreeg eens te horen dat Ze, hoewel Ze al haar activiteiten had neergelegd, toch de hoogste bron van inspiratie voor alle vormen van toegewijde dienst was. De uitspraak luidde:
“Lieve Rādhārāņī, van Kṛṣṇa gescheiden, sta Je nu zo roerloos als de prachtigste boom, wiens sierlijkheid geenszins door overhangend lover aan het oog onttrokken wordt. Je verstilde houding wekt de indruk dat Je volkomen in Brahman-realisatie opgaat!"
Dit voorbeeld toont een samengaan van amoureuze en neutrale liefde, maar de amoureuze liefde gaat alles te boven. Brahman-realisatie is in feite niets anders dan een onvolgroeide bestaanswijze. Dan is er de volgende uitspraak van Kṛṣṇa Zelf:
"Srimatī Rādhārāṇī is voor Mij de vrede in eigen persoon geworden. Om Haar slaap ik nu niet meer. Ik staar onophoudelijk voor Me uit zonder met Mijn ogen te knipperen en ben altijd in gepeins verzonken. Om Haar ben Ik zelfs in een berggrot gaan wonen!"
Dit is een voorbeeld van amoureuze liefde vermengd met neutrale, zonder dat er van onverenigbaarheid sprake is.
Het volgende is een gesprek bestaande uit vragen, gesteld aan Rambhā, een vrouw vermaard om haar schoonheid, en de antwoorden die zij daarop geeft. Rambhā werd gevraagd:
- Lieve Rambhā, wie ben je?
- Ik ben de vrede in eigen persoon.
-Waarom ben je dan in de lucht7
- Ik ben in de lucht om de Allerhoogste Absolute Waarheid te ervaren.
-Waarom staar je dan zo voor je uit?
-Alleen maar om de allerhoogste schoonheid van de Absolute Waarheid in me op te nemen.
- Waarom lijk je dan in staat van innerlijke verwarring te zijn?
-Omdat de liefdesgod bezig is.
Het bovenstaande is eveneens een situatie waarbij de gemoedsstemmingen elkaar niet in de weg zitten, aangezien de extase van de amoureuze liefde de neutrale positie van de toegewijde dienst over het geheel genomen te boven gaat.
In het Śrīmad-Bhāgavatam (10.60.45) zegt Rukmiṇī-devī:
"Mijn lieve man, een vrouw die geen gevoel heeft voor het bovenzinnelijk genoegen dat ze in Jouw gezelschap kan ervaren, moet er wel toe geneigd zijn om iemand tot man te nemen die uiterlijk niets anders is dan een combinatie van snor, baard, huidhaar, nagels en wat hoofdhaar. En in hem zitten dan spieren, botten, bloed, parasieten, drek, slijm, gal, en wat al niet. Zo'n man is in werkelijkheid niets anders dan een lijk, maar een vrouw die niet tot Jouw bovenzinnelijke gedaante aangetrokken is, zal toch met zo'n combinatie van ontlasting en urine als echtgenoot genoegen moeten nemen."
Deze uitspraak, waarin de bestanddelen van het stoffelijk lichaam worden opgesomd, getuigt niet van een verkeerd samengaan van bovenzinnelijke gemoedsgesteldheden, omdat hij blijk geeft van een juist onderscheidingsvermogen terzake van stof en geest.
In de Vidagdha-mādhava (2.31) zegt Kṛṣṇa tot een vriend:
"Beste vriend, wat geweldig is het toch dat Ik sedert Ik de schone lotusogen van Srīmatī Rādhārāņī heb aanschouwd, de neiging voel om naar de maan en op de lotus te spugen!"
Dit is een voorbeeld van amoureuze liefde vermengd met gruwel, maar deze twee stemmingen zijn niet onverenigbaar.
Het volgende is een uitspraak die veschillende stemmingen van toegewijde dienst beschrijft:
"Hoewel Kṛṣṇa door geen enkele vijand kon worden verslagen, werden de koeienjongens van Vṛndāvana bijna zwart van verwondering toen ze Zijn schitterende koninklijke uitdossing en Zijn heldendaden op het Slagveld van Kurukṣetra aanschouwden." Hoewel uit deze verklaring een samengaan van ridderlijkheid en schrik in toegewijde dienst spreekt, mag hier niet worden gezegd dat deze gemoedsgesteldheden met elkaar in botsing zijn.
Een inwoonster van Mathurā verzocht haar vader de deur op de grendel te doen en haar naar de school van Sāndīpani Muni te brengen om daar Kṛṣṇa op te zoeken. Ze beklaagde zich, omdat Kṛṣṇa haar volkomen van haar verstand had beroofd. In dit geval zien we een samengaan van amoureuze en ouderliefde, maar deze zijn niet onverenigbaar.
Een brahmānandī (impersonalist) bracht als volgt zijn verlangen onder woorden:
"Wanneer zal ik die Allerhoogste Absolute Godspersoon kunnen zien, die eeuwige vrede en kennis is en wiens borst rood is van het kuṅkuma-poeder van de borst van Rukmiņī?"
Hier doet zich een samengaan van amoureuze liefde en neutraliteit voor. Hoewel deze stemmingen op zichzelf met elkaar in strijd zijn, zijn ze in dit geval niet onverenigbaar, aangezien zelfs een brahmānandī tot Kṛṣṇa aangetrokken zal raken.
Nanda Mahārāja zei tot zijn vrouw:
"Lieve Yaśodā, hoewel je zoon, Kṛṣṇa, zo zacht en teer is als de mallikā-bloem, is Hij strijdvaardig op de demon Keśī afgestapt, die zo sterk als een berg is. Daarom ben ik nu een beetje in de war. Maar laat maar, alle heil zij jouw zoon beschoren! Ik zal deze arm opheffen, die zo sterk is als een zuil, en daarmee de demon Keśī doden, alleen maar om een eind te maken aan de angsten die de inwoners van Vraja-mandala nu moeten uitstaan!"
Uit deze verklaring spreken twee gemoedsgesteldheden: ridderlijkheid en schrik. Aangezien ze echter allebei de grondstemming van de ouderliefde verhogen, is er geen sprake van onverenigbaarheid.
In de Lalita-mādhava van Śrīla Rūpa Gosvāmī staat geschreven:
"Na Kṛṣṇa's aankomst in de arena van Kaṁsa, wierp Kaṁsa's priester Kṛṣṇa een verachtelijke blik toe. De hele arena was vol van de angst van Kaṁsa en zijn priester en allerlei uitdrukkingen van pret wisselden elkaar rusteloos op het gezicht van Kṛṣṇa's vrienden af. Kṛṣṇa's afgunstige rivalen voelden zich gefrustreerd. De grote wijzen zaten te mediteren. In de ogen van Devakī en andere moederlijke dames blonken tranen en de ervaren krijgers voelden het haar op hun lichaam te berge rijzen. De halfgod Indra voelde zich verbijsterd. Dienaren dansten en de ogen van alle jongedames gingen rusteloos heen en weer."
Deze verklaring is een beschrijving van een combinatie van verschillende stemmingen, die echter niet onverenigbaar zijn.
Een evenzeer van onverenigbaarheid verstoken uitspraak staat te lezen in dezelfde Lalita-mādhava, wanneer de schrijver alle lezers van zijn boek als volgt zegent:
"Hoewel de Allerhoogste Godspersoon met Zijn linkerpink een hele berg kan optillen, blijft Hij altijd nederig en bescheiden. Hij is onder alle omstandigheden zijn liefhebbende toegewijde zeer welgezind. Hij heeft Indra in zijn wraakneming gefrustreerd, nadat Hij het offer aan de god in de war had gestuurd. Hij is voor alle jonge meisjes de oorzaak van alle vreugde. Moge Hij u allen genadig zijn!"