Skip to main content

Hoofdstuk 3

KARMA-YOGA

Tekst

arjuna uvāca
jyāyasī cet karmaṇas te
matā buddhir janārdana
tat kiṁ karmaṇi ghore māṁ
niyojayasi keśava

Synoniemen

arjunaḥ uvāca — Arjuna zei; jyāyasī — beter; cet — als; karmaṇaḥ — dan resultaatgerichte activiteit; te — door Jou; matā — wordt beschouwd; buddhiḥ — intelligentie; janārdana — o Kṛṣṇa; tat — daarom; kim — waarom; karmaṇi — in activiteit; ghore — afschuwelijk; mām — mij; niyojayasi — Je betrekt; keśava — o Kṛṣṇa.

Vertaling

Arjuna zei: O Janārdana, o Keśava, waarom wil Je me in deze gruwelijke oorlog betrekken, als Je denkt dat intelligentie beter is dan resultaatgerichte activiteiten?

Betekenisverklaring

In het vorige hoofdstuk heeft de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods Śrī Kṛṣṇa een uitvoerige beschrijving gegeven van de wezensstaat van de ziel met als doel Zijn innige vriend Arjuna te bevrijden uit de oceaan van materieel leed. Daarnaast werd het pad van bewustwording aangeraden: buddhi-yoga of Kṛṣṇa-bewustzijn. Kṛṣṇa-bewustzijn wordt soms verkeerd begrepen en gezien als daadloosheid, en iemand met die misvatting trekt zich vaak terug op een afgelegen plaats om volledig Kṛṣṇa-bewust te worden door de heilige naam van Heer Kṛṣṇa te chanten. Maar zonder training in de filosofie van het Kṛṣṇa-bewustzijn is het niet raadzaam om de heilige naam van Heer Kṛṣṇa op een eenzame plaats te chanten, waar men alleen maar de goedkope verering van het argeloze publiek krijgt.

Arjuna dacht ook dat Kṛṣṇa-bewustzijn of buddhi-yoga of het gebruik maken van de intelligentie om vooruitgang te maken in spirituele kennis, zoiets was als zich terugtrekken uit het actieve leven en op een afgezonderde plaats ascese beoefenen. Met andere woorden, hij wilde op slimme wijze de strijd ontlopen door Kṛṣṇa-bewustzijn als een excuus te gebruiken. Maar als een oprechte leerling legde hij alles aan zijn meester voor en vroeg hij Kṛṣṇa wat hij het beste kon doen. Als antwoord hierop legt Heer Kṛṣṇa in dit derde hoofdstuk uitgebreid uit wat karma-yoga of activiteit in Kṛṣṇa-bewustzijn inhoudt.

Tekst

vyāmiśreṇeva vākyena
buddhiṁ mohayasīva me
tad ekaṁ vada niścitya
yena śreyo ’ham āpnuyām

Synoniemen

vyāmiśreṇa — door dubbelzinnige; iva — zeker; vākyena — woorden; buddhim — intelligentie; mohayasi — Je verwart; iva — zeker; me — mijn; tat — daarom; ekam — enkel īīn; vada — vertel alsjeblieft; niścitya — verzekerend van; yena — waardoor; śreyaḥ — werkelijk voordeel; aham — ik; āpnuyām — kan hebben.

Vertaling

Mijn intelligentie is verward door Je dubbelzinnige instructies. Vertel me daarom alsjeblieft ondubbelzinnig welk pad het beste voor me is.

Betekenisverklaring

Als inleiding tot de Bhagavad-gītā werd er in het vorige hoofdstuk uitleg gegeven over vele verschillende wegen, zoals sāṅkhya-yoga, buddhi-yoga, het beheersen van de zintuigen door de intelligentie en activiteit zonder zelfzuchtig verlangen; daarnaast werd de positie van de nieuweling uitgelegd. Dit alles werd onsystematisch gepresenteerd; voor een juist begrip en om tot handelen te komen was een gestructureerder overzicht van het pad nodig. Arjuna wilde deze ogenschijnlijk verwarrende zaak daarom ophelderen, zodat ook een doorsnee persoon ze zonder misverstanden zou kunnen aanvaarden. Hoewel Kṛṣṇa Arjuna niet wilde verwarren met woordgegoochel, wist Arjuna niet hoe hij het proces van Kṛṣṇa-bewustzijn moest volgen — door daadloosheid of door actieve dienstbaarheid. Met zijn vragen maakt Arjuna zo het pad van het Kṛṣṇa-bewustzijn vrij voor alle serieuze studenten die het mysterie van de Bhagavad-gītā

Tekst

śrī-bhagavān uvāca
loke ’smin dvi-vidhā niṣṭhā
purā proktā mayānagha
jñāna-yogena sāṅkhyānāṁ
karma-yogena yoginām

Synoniemen

śrī-bhagavān uvāca — de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods zei; loke — in de wereld; asmin — deze; dvi-vidhā — twee soorten; niṣṭhā — geloof; purā — vroeger; proktā — werden gezegd; mayā — door Mij; anagha — o zondeloze; jñāna-yogena — door het verbindingsproces van kennis; sāṅkhyānām — van de empirische filosofen; karma-yogena — door het verbindingsproces van devotie; yoginām — van de toegewijden.

Vertaling

De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods zei: O zondeloze Arjuna, Ik heb al uitgelegd dat er twee soorten mensen zijn die naar zelfrealisatie streven. Sommigen proberen door middel van empirische, filosofische speculatie het zelf te begrijpen, terwijl anderen dat doen door devotionele dienst te verrichten.

Betekenisverklaring

In het tweede hoofdstuk, tekst 39, sprak de Heer over twee benaderingen, namelijk sāṅkhya-yoga en karma-yoga of buddhi-yoga. In dit vers legt de Heer hetzelfde duidelijker uit: sāṅkhya-yoga, het analytische onderzoek naar de aard van het spirituele en het materiële, is het onderwerp van studie voor die groep mensen die geneigd is om te speculeren en de dingen te begrijpen via empirische kennis en filosofie. De andere groep mensen verricht activiteiten in Kṛṣṇa-bewustzijn, zoals in tekst 61 van het tweede hoofdstuk wordt uitgelegd. In tekst 2.39 legde de Heer ook uit dat men door te werken volgens de principes van buddhi-yoga of Kṛṣṇa-bewustzijn uit de gebondenheid door activiteiten bevrijd kan raken, en vervolgens dat dit proces foutloos is. Ditzelfde principe wordt duidelijker uitgelegd in tekst 2.61, dat zegt dat buddhi-yoga betekent dat men volledig afhankelijk is van de Allerhoogste (of specifieker: van Kṛṣṇa) en dat de zintuigen zo gemakkelijk onder controle kunnen worden gebracht. De twee yoga’s zijn dus onderling afhankelijk, net zoals religie en filosofie.

Religie zonder filosofie is sentiment, soms zelfs fanatisme, terwijl filosofie zonder religie mentale speculatie is. Het uiteindelijke doel is Kṛṣṇa, want de filosofen die ook oprecht naar de Absolute Waarheid zoeken, komen uiteindelijk tot Kṛṣṇa-bewustzijn. Dit staat ook in de Bhagavad-gītā. Het hele proces houdt in dat men de werkelijke positie van het zelf begrijpt in relatie met het Superzelf. Het indirecte proces is dat van filosofische speculatie waardoor iemand geleidelijk aan tot het punt van Kṛṣṇa-bewustzijn kan komen; het andere proces bestaat eruit alles rechtstreeks met Kṛṣṇa te verbinden in Kṛṣṇa-bewustzijn. Van deze twee paden is het pad van het Kṛṣṇa-bewustzijn beter, omdat het niet afhankelijk is van het zuiveren van de zintuigen door een filosofisch proces. Het Kṛṣṇa-bewustzijn zelf is het zuiverende proces en de rechtstreekse methode van devotionele dienst is eenvoudig en tegelijkertijd verheven.

Tekst

na karmaṇām anārambhān
naiṣkarmyaṁ puruṣo ’śnute
na ca sannyasanād eva
siddhiṁ samadhigacchati

Synoniemen

na — niet; karmaṇām — van voorgeschreven plichten; anārambhāt — door niet te vervullen; naiṣkarmyam — vrijheid van karma; puruṣaḥ — een man; aśnute — bereikt; na — evenmin; ca — ook; sannyasanāt — door onthechting; eva — eenvoudigweg; siddhim — succes; samadhi-gacchati — bereikt.

Vertaling

Men kan zich niet van karma bevrijden door enkel al zijn activiteiten op te geven, noch bereikt men volmaaktheid door onthechting alleen.

Betekenisverklaring

Iemand kan de onthechte levensorde aanvaarden wanneer hij gezuiverd is door het vervullen van de voorgeschreven plichten, die aangegeven zijn om de harten van materialistische mensen te zuiveren. Zonder een dergelijke zuivering zal iemand die abrupt de vierde levensorde (sannyāsa) aanvaardt, niet succesvol kunnen worden. Volgens empirische filosofen wordt iemand onmiddellijk net zo goed als Nārāyaṇa door sannyāsa te nemen of door afstand te doen van resultaatgerichte activiteiten. Maar Kṛṣṇa verwerpt die zienswijze. Zonder zuivering van het hart is sannyāsa gewoon een verstoring van de sociale orde. Aan de andere kant, als iemand zich aan de transcendentale dienst van de Heer (buddhi-yoga) wijdt, aanvaardt de Heer alle vooruitgang die zo iemand maakt op het pad, zelfs als hij de plichten die normaal voor hem zijn voorgeschreven niet nakomt. Sv-alpam apy asya dharmasya trāyate mahato bhayāt. Zelfs een kleine hoeveelheid devotionele dienst stelt iemand in staat om grote moeilijkheden te overwinnen.

Tekst

na hi kaścit kṣaṇam api
jātu tiṣṭhaty akarma-kṛt
kāryate hy avaśaḥ karma
sarvaḥ prakṛti-jair guṇaiḥ

Synoniemen

na — evenmin; hi — zeker; kaścit — wie dan ook; kṣaṇam — een moment; api — ook; jātu — wanneer dan ook; tiṣṭhati — blijft; akarma-kṛt — zonder iets te doen; kāryate — wordt tot handelen gedwongen; hi — zeker; avaśaḥ — machteloos; karma — activiteit; sarvaḥ — iedereen; prakṛti-jaiḥ — geboren uit de hoedanigheden van de materiële natuur; guṇaiḥ — door de kwaliteiten.

Vertaling

Iedereen wordt machteloos gedwongen te handelen volgens de eigenschappen die hij gekregen heeft van de hoedanigheden van de materiële natuur; daarom kan niemand zelfs maar voor een moment ophouden iets te doen.

Betekenisverklaring

Het is niet zo dat de ziel alleen actief is in haar belichaamde staat; integendeel, het is de aard van de ziel dat ze altijd actief is. Zonder de aanwezigheid van de ziel, kan het materiële lichaam niet bewegen. Het lichaam is niet meer dan een levenloos voertuig, dat bestuurd wordt door de ziel, die altijd actief is en zelfs niet voor een moment kan stoppen. De ziel moet daarom betrokken worden in de goede activiteiten van het Kṛṣṇa-bewustzijn; zo niet, dan zal ze bezig worden gehouden met activiteiten die haar door de illusionerende energie worden opgelegd.

Wanneer de ziel in contact staat met de materiële energie, wordt ze beïnvloed door de materiële hoedanigheden en om haar van deze invloed te zuiveren, is het noodzakelijk de plichten die de śāstra’s voorschrijven te vervullen. Maar als de ziel volgens haar natuur in Kṛṣṇa-bewustzijn functioneert, dan is alles wat ze doet goed. Het Śrīmad-Bhāgavatam (1.5.17) bevestigt dit:

tyaktvā sva-dharmaṁ caraṇāmbujaṁ harer
bhajann apakvo ’tha patet tato yadi
yatra kva vābhadram abhūd amuṣya kiṁ
ko vārtha āpto ’bhajatāṁ sva-dharmataḥ

‘Voor wie zich toelegt op het Kṛṣṇa-bewustzijn, maar de plichten die de śāstra’s voorschrijven niet vervult of niet op de juiste manier devotionele dienst beoefent of terugvalt van de standaard, is er niets verloren en niets kwaads zal hem overkomen. Maar ook al volgt hij alle voorschriften voor zuivering die in de śāstra’s staan, wat is daar dan het nut van als hij niet Kṛṣṇa-bewust is?’ Het zuiveringsproces is dus noodzakelijk om tot dit Kṛṣṇa-bewustzijn te komen. Daarom is sannyāsa of elk ander zuiveringsproces ervoor bedoeld om iemand te helpen het uiteindelijke doel te bereiken, namelijk Kṛṣṇa-bewust worden, want zonder Kṛṣṇa-bewustzijn wordt alles als een mislukking beschouwd.

Tekst

karmendriyāṇi saṁyamya
ya āste manasā smaran
indriyārthān vimūḍhātmā
mithyācāraḥ sa ucyate

Synoniemen

karma-indriyāṇi — de vijf actieve zintuigen; saṁyamya — onder controle hebbend; yaḥ — iedereen die; āste — verblijft; manasā — door de geest; smaran — denkend aan; indriya-arthān — zinsobjecten; vimūḍha — dwaze; ātmā — ziel; mithyā-ācāraḥ — hypocriet; saḥ — hij; uc-yate — wordt genoemd.

Vertaling

Wie de actieve zintuigen beteugelt, maar in zijn geest bezig is met zins-objecten, misleidt beslist zichzelf en wordt een hypocriet genoemd.

Betekenisverklaring

Er bestaan veel hypocrieten die weigeren in Kṛṣṇa-bewustzijn te handelen, maar die een show maken van hun meditatie terwijl ze in hun geest aan zinsbevrediging denken. Zulke hypocrieten spreken soms ook droge filosofie om hun ontwikkelde volgelingen te overbluffen, maar volgens dit vers zijn ze de grootste oplichters. Voor iemand die uit is op zinnelijk genot is het beter om in zijn maatschappelijke positie te blijven. Zolang hij de regels en bepalingen van zijn eigen status volgt, kan hij toch geleidelijk vooruitgang maken in het zuiveren van zijn bestaan. Maar wie zich alleen maar voordoet als een yogī, terwijl hij eigenlijk uit is op zinsbevrediging, moet de grootste oplichter worden genoemd, ook al spreekt hij soms over filosofie. De kennis van zo’n zondig persoon heeft geen waarde, omdat de illusionerende energie van de Heer afbreuk doet aan de gevolgen ervan. De geest van zo’n hypocriet is altijd onzuiver en daarom heeft zijn hele show van yogameditatie geen enkele waarde.

Tekst

yas tv indriyāṇi manasā
niyamyārabhate ’rjuna
karmendriyaiḥ karma-yogam
asaktaḥ sa viśiṣyate

Synoniemen

yaḥ — iemand die; tu — maar; indriyāṇi — de zintuigen; manasā — door de geest; niyamya — regulerend; ārabhate — begint; arjuna — o Arjuna; karma-indriyaiḥ — door de actieve zintuigen; karma-yogam — devotie; asaktaḥ — zonder gehechtheid; saḥ — hij; viśiṣyate — is verreweg superieur.

Vertaling

Maar een oprecht persoon die de actieve zintuigen met de geest probeert te beheersen en zonder gehechtheid karma-yoga [in Kṛṣṇa-bewustzijn] begint te beoefenen, is verreweg superieur.

Betekenisverklaring

In plaats van een pseudotranscendentalist te worden om een lichtzinnig leven van zinnelijk genot te leiden, is het veel beter om zich te beperken tot zijn eigen plichten en het doel van het leven na te streven, namelijk bevrijd raken uit materiële gebondenheid en het koninkrijk van God binnengaan.

Het svārtha-gati of het hoogste eigenbelang is het bereiken van Viṣṇu. Het hele stelsel van varṇa en āśrama is ontworpen om ons te helpen dit levensdoel te bereiken. Een getrouwd persoon kan deze bestemming ook bereiken via aan regels gebonden dienst in Kṛṣṇa-bewustzijn. Voor zelfrealisatie kan men een gereguleerd leven leiden zoals dat in de śāstra’s wordt voorgeschreven en kan men zonder gehechtheid doorgaan met zijn verplichtingen om op die manier vooruitgang te maken. Een oprecht persoon die deze methode volgt, is veel beter af dan de hypocriet die een show maakt van het spirituele leven om indruk te maken op het argeloze publiek. Een eenvoudige straatveger is veel beter dan een charlatan die alleen maar mediteert om aan de kost te komen.

Tekst

niyataṁ kuru karma tvaṁ
karma jyāyo hy akarmaṇaḥ
śarīra-yātrāpi ca te
na prasidhyed akarmaṇaḥ

Synoniemen

niyatam — voorgeschreven; kuru — doe; karma — plichten; tvam — jij; karma — activiteit; jyāyaḥ — beter; hi — zeker; akarmaṇaḥ — dan geen activiteit; śarīra — lichamelijk; yātrā — onderhoud; api — zelfs; ca — ook; te — jouw; na — nooit; prasiddhyet — wordt verwezenlijkt; akarmaṇaḥ — zonder activiteit.

Vertaling

Verricht je voorgeschreven plicht, want dat is beter dan geen activiteiten te verrichten. Zonder activiteiten kan men niet eens zijn materiële lichaam onderhouden.

Betekenisverklaring

Er zijn veel mensen die net doen alsof ze mediteren en die zich voordoen als leden van een voorname familie; ook zijn er mensen die zich beroepsmatig voordoen alsof ze alles hebben opgeofferd om vooruitgang te maken in het spirituele leven. Heer Kṛṣṇa wilde niet dat Arjuna zo’n hypocriet werd; integendeel, de Heer wilde dat Arjuna zijn plicht zou vervullen zoals die voor kṣatriya’s is voorgeschreven. Arjuna was zowel een getrouwd persoon als een veldheer en het was voor hem daarom beter om in die positie te blijven en de religieuze plichten te vervullen die voorgeschreven zijn voor kṣatriya’s met een gezin. Zulke activiteiten zuiveren geleidelijk aan het hart van een werelds persoon en bevrijden hem van materiële onzuiverheid.

Zogenaamde onthechting, die als doel heeft zich ervan te onderhouden, wordt nooit goedgekeurd door de Heer en evenmin door welke religieuze tekst dan ook. Uiteindelijk moet iemand zijn lichaam en ziel bijeenhouden door een of andere activiteit; men moet nooit gewoon uit grilligheid activiteiten opgeven, zonder gezuiverd te zijn van materiële neigingen. Iedereen in de materiële wereld heeft beslist de onzuivere neiging om de baas te spelen over de materiële natuur, of met andere woorden, de neiging tot zinsbevrediging. Zulke onzuivere neigingen moeten gezuiverd worden. Zonder dit volgens de voorgeschreven plichten te doen, zou men nooit een zogenaamde transcendentalist moeten worden door al zijn activiteiten op te geven en op andermans kosten te leven.

Tekst

yajñārthāt karmaṇo ’nyatra
loko ’yaṁ karma-bandhanaḥ
tad-arthaṁ karma kaunteya
mukta-saṅgaḥ samācara

Synoniemen

yajña-arthāt — enkel gedaan in het belang van Yajña, Viṣṇu; karmaṇaḥ — dan activiteit; anyatra — anders; lokaḥ — wereld; ayam — deze; karma-bandhanaḥ — gebondenheid door activiteit; tat — van Hem; artham — in het belang van; karma — activiteit; kaunteya — o zoon van Kuntī; mukta-saṅgaḥ — bevrijd van contact; samācara — doe het perfect.

Vertaling

Men moet activiteiten verrichten als offers aan Viṣṇu, omdat activiteiten anders de oorzaak worden van gebondenheid in de materiële wereld. Vervul daarom je voorgeschreven plichten om Hem tevreden te stellen, o zoon van Kuntī; op die manier zul je altijd vrij blijven van gebondenheid.

Betekenisverklaring

Omdat men zelfs moet werken om in zijn gewone levensonderhoud te voorzien, zijn de voorgeschreven plichten voor bepaalde sociale posities en functies zo vastgesteld dat ze dat doel dienen. Met yajña worden Heer Viṣṇu en het brengen van offers aangeduid. Alle offers die worden gebracht zijn bedoeld om Heer Viṣṇu tevreden te stellen. De Veda’s geven de volgende opdracht: yajño vai viṣṇuḥ. Met andere woorden, zowel voorgeschreven yajña’s verrichten als het rechtstreeks dienen van Heer Viṣṇu leiden tot hetzelfde doel. Kṛṣṇa-bewustzijn verschilt daarom niet van het brengen van offers, zoals in dit vers voorgeschreven wordt.

Het varṇāśrama-stelsel is ook bedoeld om Heer Viṣṇu tevreden te stellen. Varṇāśramācāravatā puruṣeṇa paraḥ pumān/ viṣṇur ārādhyate (Viṣṇu Purāṇa 3.8.9). Men moet daarom handelen om Viṣṇu tevreden te stellen. Elke andere activiteit in de materiële wereld zal een oorzaak van gebondenheid worden, omdat zowel goede als slechte activiteiten karma opleveren, waardoor degene die zulke activiteiten verricht, gebonden raakt. Men moet dus actief zijn in Kṛṣṇa-bewustzijn om Kṛṣṇa (of Viṣṇu) tevreden te stellen. En terwijl men bezig is met zulke activiteiten, bevindt men zich al op het niveau van bevrijding; dat is de grote kunst van activiteiten verrichten.

In het begin vereist dit proces deskundige begeleiding. Men moet daarom ijverig werken onder de deskundige begeleiding van een toegewijde van Heer Kṛṣṇa of met de rechtstreekse aanwijzingen van Heer Kṛṣṇa Zelf (onder wie Arjuna de kans had te werken). Niets moet voor zinsbevrediging gedaan worden — alles moet juist worden gedaan om Kṛṣṇa tevreden te stellen. Wie zo handelt zal niet alleen geen karma ontwikkelen, maar zal ook geleidelijk aan verheven worden tot transcendentale liefdedienst aan de Heer, en dat is het enige wat iemand naar het koninkrijk van God kan brengen.

Tekst

saha-yajñāḥ prajāḥ sṛṣṭvā
purovāca prajāpatiḥ
anena prasaviṣyadhvam
eṣa vo ’stv iṣṭa-kāma-dhuk

Synoniemen

saha — samen met; yajñāḥ — offers; prajāḥ — generaties; sṛṣṭvā — scheppend; purā — lang geleden; uvāca — zei; prajā-patiḥ — de Heer der schepselen; anena — door deze; prasaviṣyadhvam — wordt steeds voorspoediger; eṣaḥ — dit; vaḥ — jullie; astu — laat het zijn; iṣṭa — van alle wenselijke dingen; kāma-dhuk — schenker.

Vertaling

Bij de aanvang van de schepping bracht de Heer der schepselen generaties mensen en halfgoden voort samen met offers aan Viṣṇu. Daarop zegende Hij hen en sprak: ‘Wees gelukkig met dit yajña [offer], want door het te volbrengen, zal jullie alles geschonken worden wat wenselijk is om gelukkig te leven en bevrijding te bereiken.’

Betekenisverklaring

De Heer van alle wezens (Viṣṇu) schiep de materiële schepping om de geconditioneerde zielen de kans te geven terug te keren naar huis, terug naar God. Alle levende wezens in de materiële schepping zijn geconditioneerd door de materiële natuur, omdat ze hun relatie met Viṣṇu of Kṛṣṇa, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, vergeten zijn. De Vedische principes zijn ervoor bedoeld om ons te helpen deze eeuwige relatie te begrijpen, of zoals het in de Bhagavad-gītā staat: vedaiś ca sarvair aham eva vedyaḥ. De Heer zegt dat Hem begrijpen het doel is van het bestuderen van de Veda’s. In de Vedische hymnen wordt gezegd: patiṁ viśvasyātmeśvaram. De Heer van de levende wezens is daarom de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Viṣṇu. In het Śrīmad-Bhāgavatam (2.4.20) beschrijft Śrīla Śukadeva Gosvāmī de Heer ook op zoveel manieren als pati:

śriyaḥ patir yajña-patiḥ prajā-patir
dhiyāṁ patir loka-patir dharā-patiḥ
patir gatiś cāndhaka-vṛṣṇi-sātvatāṁ
prasīdatāṁ me bhagavān satāṁ patiḥ

De prajā-pati is Heer Viṣṇu en Hij is de Heer van alle levende wezens, alle werelden, alle schoonheid en de beschermer van iedereen. De Heer heeft de materiële wereld geschapen om de geconditioneerde zielen in staat te stellen yajña’s te leren verrichten om Viṣṇu tevreden te stellen, zodat ze tijdens hun verblijf in de materiële wereld zonder zorgen een aangenaam leven kunnen leiden en, nadat ze dit materiële lichaam hebben opgegeven, kunnen binnengaan in het koninkrijk van God. Dat is het plan van de Heer voor de geconditioneerde ziel. Door het verrichten van yajña worden de geconditioneerde zielen geleidelijk aan Kṛṣṇa-bewust en worden ze in alle opzichten goddelijk.

In de Vedische teksten wordt voor het Tijdperk van Kali het aṅkīrtana-yajña (het chanten van de namen van God) aangeraden en Heer Caitanya introduceerde dit transcendentale proces om alle mensen in dit tijdperk te bevrijden. Saṅkīrtana-yajña en Kṛṣṇa-bewustzijn gaan heel goed samen. In Zijn vorm als toegewijde (als Heer Caitanya) wordt Heer Kṛṣṇa met een speciale verwijzing naar saṅkīrtana-yajña in het Śrīmad-Bhāgavatam (11.5.32) als volgt beschreven:

kṛṣṇa-varṇaṁ tviṣākṛṣṇaṁ
sāṅgopāṅgāstra-pārṣadam
yajñaiḥ saṅkīrtana-prāyair
yajanti hi su-medhasaḥ

‘In dit Tijdperk van Kali zullen mensen die met voldoende intelligentie begiftigd zijn de Heer, die in het gezelschap van Zijn metgezellen is, vereren met het verrichten van het saṅkīrtana-yajña.’ Andere yajña’s die in de Vedische literatuur worden voorgeschreven zijn moeilijk te verrichten in dit Tijdperk van Kali, maar het saṅkīrtana-yajña is in alle opzichten makkelijk en subliem en wordt ook aangeraden in de Bhagavad-gītā (9.14).

Tekst

devān bhāvayatānena
te devā bhāvayantu vaḥ
parasparaṁ bhāvayantaḥ
śreyaḥ param avāpsyatha

Synoniemen

devān — halfgoden; bhāvayatā — geplezierd hebbend; anena — door dit offer; te — die; devāḥ — halfgoden; bhāvayantu — zullen plezieren; vaḥ — jullie; parasparam — wederzijds; bhāvayantaḥ — elkaar plezierend; śreyaḥ — gunst; param — de allerhoogste; avāpsyatha — jullie zullen bereiken.

Vertaling

‘Wanneer de halfgoden door offers tevreden zijn gesteld, zullen zij jullie ook tevredenstellen en op die manier zal er door de samenwerking tussen mensen en halfgoden voorspoed heersen voor iedereen.’

Betekenisverklaring

De halfgoden zijn bekrachtigde bestuurders van materiële aangelegenheden. Het voorzien van lucht, licht, water en alle andere zegeningen waardoor lichaam en ziel van ieder levend wezen bij elkaar gehouden worden, is toevertrouwd aan ontelbare halfgoden, die assistenten zijn in verschillende delen van het lichaam van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Of ze tevreden of ontevreden zijn hangt af van het verrichten van yajña’s door de mensen. Sommige van die yajña’s zijn bedoeld om bepaalde halfgoden tevreden te stellen, maar toch wordt Heer Viṣṇu in die yajña’s vereerd als de belangrijkste genieter. In de Bhagavad-gītā (5.29) wordt ook gezegd dat Kṛṣṇa Zelf de genieter is van alle yajña’s: bhoktāraṁ yajña-tapasām. Uiteindelijk is het hoogste doel van alle yajña’s de tevredenheid van de yajña-pati. Wanneer deze yajña’s perfect worden uitgevoerd, zullen de halfgoden, die verantwoordelijk zijn voor de verschillende afdelingen voor bepaalde voorzieningen, vanzelf ook tevreden zijn en zal er geen schaarste zijn in de toevoer van natuurlijke producten.

Het verrichten van yajña’s heeft veel bijkomende voordelen en leidt uiteindelijk tot bevrijding uit materiële gebondenheid. Alle activiteiten worden erdoor gezuiverd, zoals in de Veda’s wordt bevestigd: āhāra-śuddhau sattva-śuddhiḥ sattva-śuddhau dhruvā smṛtiḥ smṛti-lambhe sarvagranthī-nāṁ vipramokṣaḥ. Door het verrichten van yajña wordt iemands voedsel geheiligd en door geheiligd voedsel te eten raakt iemands hele bestaan gezuiverd; doordat het bestaan geheiligd wordt, raken de fijnere weefsels van het geheugen geheiligd en wanneer het geheugen geheiligd is, kan iemand aan het pad van bevrijding denken. Al deze elementen samen leiden tot Kṛṣṇa-bewustzijn, iets wat zeer noodzakelijk is in de hedendaagse samenleving.

Tekst

iṣṭān bhogān hi vo devā
dāsyante yajña-bhāvitāḥ
tair dattān apradāyaibhyo
yo bhuṅkte stena eva saḥ

Synoniemen

iṣṭān — gewenste; bhogān — levensbehoeften; hi — zeker; vaḥ — aan jullie; devāḥ — de halfgoden; dāsyante — zullen schenken; yajña-bhāvitāḥ — tevredengesteld door het volbrengen van offers; taiḥ — door hen; dattān — gegeven dingen; apradāya — zonder geofferd te hebben; ebhyaḥ — aan deze halfgoden; yaḥ — hij die; bhuṅkte — geniet; stenaḥ — dief; eva — zeker; saḥ — hij.

Vertaling

‘Wanneer de halfgoden, die verantwoordelijk zijn voor het voorzien in verschillende levensbehoeften, tevreden zijn gesteld met de volbrachte yajña’s, zullen zij jullie alles geven wat nodig is. Maar hij die van zulke giften geniet zonder ze aan de halfgoden terug te offeren, is beslist een dief.’

Betekenisverklaring

De halfgoden zijn geautoriseerde tussenpersonen van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Viṣṇu, en zijn verantwoordelijk voor het voorzien in alle levensbehoeften. Ze moeten daarom worden tevredengesteld door het verrichten van voorgeschreven yajña’s. In de Veda’s worden verschillende soorten yajña’s voorgeschreven voor verschillende soorten halfgoden, maar uiteindelijk worden al deze yajña’s aan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods geofferd. Wie niet begrijpt wie de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods is, wordt aangeraden om offers te brengen aan de halfgoden.

Overeenkomstig de verschillende materiële kwaliteiten van degene die het offer brengt, worden er in de Veda’s verschillende soorten yajña’s aangeraden. De verering van verschillende halfgoden heeft dezelfde basis, namelijk de verschillende materiële kwaliteiten. Vleeseters wordt bijvoorbeeld aangeraden om de godin Kālī, de afgrijselijke gedaante van de materiële natuur, te vereren, en er wordt aanbevolen dierenoffers aan haar te brengen. Voor hen die in de hoedanigheid goedheid zijn, wordt echter de transcendentale verering van Heer Viṣṇu aangeraden. Maar uiteindelijk zijn alle yajña’s bedoeld voor geleidelijke verheffing naar de transcendentale positie. Voor gewone mensen zijn op zijn minst de vijf yajña’s vereist die de pañca-mahā-yajña worden genoemd.

Het is belangrijk om in te zien dat de halfgoden in naam van de Heer alle levensbehoeften van de menselijke samenleving leveren. Niemand is in staat om iets te produceren. Neem bijvoorbeeld al het voedsel voor de menselijke samenleving. Voor personen in de hoedanigheid goedheid bestaat dat uit granen, vruchten, groenten, melk, suiker enz. en voor niet-vegetariërs uit soorten vlees. Al dit voedsel kan niet door de menselijke samenleving gemaakt worden. Andere voorbeelden zijn warmte, licht, water, lucht enz.; ook dit zijn levensbehoeften en ze kunnen geen van alle door de menselijke samenleving worden aangemaakt. Zonder de Allerhoogste Heer zou er geen overvloed zijn aan zonlicht, maanlicht, regen, wind enz. zonder welke niemand kan leven.

Het is duidelijk dat ons leven afhangt van de bevoorrading van de Heer. Zelfs voor onze fabrieken hebben we zoveel grondstoffen nodig: ijzer, zwavel, kwik, mangaan en zoveel andere onontbeerlijke zaken. Deze worden allemaal door de tussenpersonen van de Heer geleverd, met als doel dat we er op de juiste manier gebruik van maken, dat wil zeggen: om onszelf gezond en in goede conditie te houden met het oog op zelfrealisatie. En het is zelfrealisatie die tot het doel van het leven leidt: bevrijding van de strijd om het materiële bestaan. Dit doel van het leven wordt bereikt door het verrichten van yajña’s. Als we de zin van het menselijk leven vergeten en de voorraden van de tussenpersonen van de Heer alleen voor zinsbevrediging gebruiken, raken we daardoor meer en meer verstrikt in het materiële bestaan, en dat is niet de bedoeling van de schepping. Op die manier zullen we zeker dieven worden en daarom worden gestraft door de wetten van de materiële natuur. Een samenleving van dieven kan nooit gelukkig zijn omdat ze geen levensdoel heeft. Uiteindelijk hebben de uitgesproken materialistische dieven geen doel in het leven. Ze zijn alleen maar uit op zinsbevrediging en ook weten ze niet hoe ze yajña’s moeten verrichten. Maar Heer Caitanya heeft het eenvoudigste proces van yajña toegankelijk gemaakt, namelijk het saṅkīrtana-yajña, dat iedereen in de wereld die de principes van het Kṛṣṇa-bewustzijn accepteert, kan verrichten.

Tekst

yajña-śiṣṭāśinaḥ santo
mucyante sarva-kilbiṣaiḥ
bhuñjate te tv aghaṁ pāpā
ye pacanty ātma-kāraṇāt

Synoniemen

yajña-śiṣṭa — van voedsel dat gegeten wordt na het brengen van yajña; aśinaḥ — eters; santaḥ — de toegewijden; mucyante — worden bevrijd; sarva — allerlei soorten; kilbiṣaiḥ — van zonden; bhuñjate — genieten; te — zij; tu — maar; agham — ernstige zonden; pāpāḥ — zondaars; ye — die; pacanti — bereiden voedsel; ātma-kāraṇāt — voor zinsbevrediging.

Vertaling

‘De toegewijden van de Heer worden van allerlei soorten zonden bevrijd, omdat ze voedsel eten dat eerst geofferd is. Maar anderen, die voedsel bereiden voor persoonlijke zinsbevrediging, eten beslist uitsluitend zonde.’

Betekenisverklaring

De toegewijden van de Allerhoogste Heer of zij die Kṛṣṇa-bewust zijn worden santa’s genoemd en ze zijn altijd vol liefde voor de Heer, zoals beschreven wordt in de Brahma-saṁhitā (5.38): premāñjana-cchurita-bhakti-vilocanena santaḥ sadaiva hṛdayeṣu vilokayanti. De santa’s, die altijd een liefdesband hebben met de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, die bekendstaat als Govinda (Hij die alle vreugde geeft), Mukunda (Hij die bevrijding geeft) en Kṛṣṇa (de alaantrekkelijke persoon), aanvaarden niets zonder het eerst aan de Allerhoogste Persoon te offeren. Zulke toegewijden verrichten daarom altijd yajña’s in de vorm van de verschillende onderdelen van devotionele dienst zoals śravaṇaṁ, kīrtanaṁ, smaraṇam, arcanam enz., en door die yajña’s te verrichten blijven ze altijd onaangedaan door allerlei onzuiverheden van zondige invloeden in de materiële wereld. Anderen, die voedsel bereiden voor hun eigen zinsbevrediging, zijn niet alleen dieven, maar eten ook allerlei soorten zonden. Hoe kan iemand gelukkig zijn als hij zowel een dief als een zondaar is? Dat is niet mogelijk. Als mensen in alle opzichten gelukkig willen worden, moet hen worden geleerd hoe ze in volledig Kṛṣṇa-bewustzijn het eenvoudige proces van het saṅkīrtana-yajña kunnen verrichten; er kan anders geen vrede of geluk zijn in de wereld.

Tekst

annād bhavanti bhūtāni
parjanyād anna-sambhavaḥ
yajñād bhavati parjanyo
yajñaḥ karma-samudbhavaḥ

Synoniemen

annāt — van granen; bhavanti — groeien; bhūtāni — de materiële lichamen; parjanyāt — van regen; anna — van granen; sambhavaḥ — productie; yajñāt — van het brengen van offers; bhavati — wordt mogelijk; parjanyaḥ — regen; yajñaḥ — het brengen van yajña; karma — voorgeschreven plichten; samudbhavaḥ — geboren uit.

Vertaling

Alle bezielde lichamen blijven in leven door granen, die groeien dankzij de regen. Regen volgt op het brengen van yajña’s [offers] en yajña’s hebben hun oorsprong in voorgeschreven activiteiten.

Betekenisverklaring

Śrīla Baladeva Vidyābhūṣāṇa, een groot commentator op de Bhagavad-gītā, schrijft het volgende: ye indrādy-aṅgatayāvasthitaṁ yajñaṁ sarveśvaraṁ viṣṇum abhyarcya tac-cheṣam aśnanti tena tad deha-yātrāṁ sampādayanti, te santaḥ sarveśvarasya yajña-puruṣasya bhaktāḥ sarva-kilbiṣair anādi-kāla-vivṛddhair ātmānubhava-pratiban-dhakair nikhilaiḥ pāpair vimucyante. De allerhoogste Heer, die bekendstaat als de yajña-puruṣa, de persoonlijke genieter van alle offers, is de meester van alle halfgoden, die Hem dienen zoals de verschillende ledematen het hele lichaam dienen. Halfgoden als Indra, Candra en Varuṇa zijn aangesteld als functionarissen om de materiële aangelegenheden te regelen en de Veda’s schrijven offers voor om deze halfgoden tevreden te stellen, zodat ze bereid zijn voldoende lucht, licht en water te leveren om granen te produceren.

Wanneer Heer Kṛṣṇa wordt vereerd, worden de halfgoden, die de verschillende ledematen van de Heer zijn, vanzelf ook vereerd; het is daarom onnodig de halfgoden apart te vereren. Dit is de reden waarom de toegewijden van Heer Kṛṣṇa hun voedsel eerst aan Hem offeren en het daarna eten; dit is een proces waardoor het lichaam spiritueel gevoed wordt. Door dit te doen worden niet alleen karmische reacties op zonden tenietgedaan, maar wordt het lichaam ook immuun voor alle besmetting van de materiële natuur. Wanneer er een epidemische ziekte heerst, beschermt een vaccinestof iemand tegen zo’n epidemie. Op dezelfde manier geeft het voedsel dat aan Heer Viṣṇu geofferd is en dat wij daarna eten, ons een goede weerstand tegen materiële invloeden, en wie van dit gebruik een gewoonte heeft gemaakt, wordt een toegewijde van de Heer genoemd. Wie Kṛṣṇa-bewust is en alleen voedsel eet dat geofferd is aan Kṛṣṇa, kan daarom al het karma voor vroegere infecties, dat een belemmering op het pad van zelfrealisatie is, tegengaan. Maar wie dit nalaat, begaat voortdurend meer en meer zondige activiteiten, waarvoor hij zal moeten lijden door in zijn volgend leven geboren te worden in het lichaam van een hond of een varken. De materiële wereld is vol onzuiverheden, maar wie geïmmuniseerd is door de prasāda van de Heer (voedsel dat eerst aan Viṣṇu geofferd is), is beschermd tegen de aanval, terwijl iemand die dat niet doet besmet wordt.

Voedsel betekent eigenlijk granen en groenten. Het menselijk wezen eet verschillende granen, groenten, vruchten enz., en de dieren eten het afval van granen en groenten, gras, planten enz. Mensen die gewend zijn om vlees te eten, zijn indirect ook afhankelijk van de productie van planten wanneer ze dieren willen eten. We zijn daarom uiteindelijk afhankelijk van de opbrengst van het land en niet van wat in grote fabrieken geproduceerd wordt. De opbrengst van het land is te danken aan voldoende regenval en die regen wordt door halfgoden als Indra, de zonnegod, de maangod enz. bestuurd, en zij zijn allemaal dienaren van de Heer. De Heer kan worden tevredengesteld door offers, maar wie deze niet verricht, zal in schaarste leven — dat is de wet van de natuur. Om ons op zijn minst voor voedselschaarste te behoeden, moeten we dus yajña ver­richten, in het bij­zonder het saṅkīrtana-yajña dat voor dit tijdperk is voorgeschreven.

Tekst

karma brahmodbhavaṁ viddhi
brahmākṣara-samudbhavam
tasmāt sarva-gataṁ brahma
nityaṁ yajñe pratiṣṭhitam

Synoniemen

karma — activiteit; brahma — van de Veda’s; udbhavam — voortgebracht; viddhi — je moet weten; brahma — de Veda’s; akṣara — van het Allerhoogste Brahman (de Persoonlijkheid Gods); samudbhavam — rechtstreeks gemanifesteerd; tasmāt — daarom; sarva-gatam — alomtegenwoordig; brahma — de transcendentie; nityam — eeuwig; yajñe — in offers; pratiṣṭhitam — aanwezig zijn.

Vertaling

Gereguleerde activiteiten worden voorgeschreven in de Veda’s en de Veda’s zijn rechtstreeks afkomstig van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Daarom is de alomtegenwoordige Transcendentie eeuwig aanwezig in het brengen van offers.

Betekenisverklaring

Yajñārtha-karma, de noodzaak van activiteiten uitsluitend om Kṛṣṇa tevreden te stellen, wordt in dit vers nog duidelijker uitgelegd. Als we actief moeten zijn om de yajña-puruṣa, Viṣṇu, tevreden te stellen, dan moeten we voor zulke activiteiten de richtlijnen raadplegen van Brahman, de transcendentale Veda’s. De Veda’s zijn daarom het richtsnoer van het menselijk handelen. Alle activiteit die zonder de aanwijzingen van de Veda’s gedaan wordt, wordt vikarma of ongeautoriseerde, zondige activiteit genoemd. Men moet daarom altijd de aanwijzingen van de Veda’s volgen om zich te behoeden voor het karma dat op handelen volgt. Zoals iemand in het gewone leven volgens de aanwijzingen van de regering moet werken, zo moet iemand ook volgens de aanwijzingen van de allerhoogste regering van de Heer werken.

Deze aanwijzingen, de Veda’s, worden rechtstreeks gemanifesteerd uit de adem van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. In de Bṛhad-āraṇyaka Upaniṣad (4.5.11) staat: asya mahato bhūtasya niśvasitam etad yad ṛg-vedo yajur-vedaḥ sāma-vedo ’tharvāṅgirasaḥ — ‘De vier Veda’s, namelijk de Ṛg-veda, Yajur-veda, Sāma-veda en Atharva-veda, zijn allemaal emanaties van de adem van de grote Persoonlijkheid Gods.’ In de Brahma-saṁhitā wordt bevestigd dat de almachtige Heer kan spreken door te ademen, omdat Hij de almacht heeft om met elk van Zijn zintuigen de functies van alle andere zintuigen te vervullen. Met andere woorden, de Heer kan spreken door te ademen en kan bevruchten met Zijn ogen. Er wordt gezegd dat Hij Zijn blik over de materiële natuur liet gaan en op die manier de levende wezens verwekte. Na deze schepping of het inbrengen van de geconditioneerde zielen in de baarmoeder van de materiële natuur gaf Hij Zijn aanwijzingen in de vorm van de Vedische wijsheid om die geconditioneerde zielen te laten zien hoe ze kunnen terugkeren naar huis, terug naar God.

We moeten altijd bedenken dat de geconditioneerde zielen in de materiële wereld allemaal een verlangen naar materieel genot hebben. Maar de Vedische aanwijzingen zijn zo opgesteld dat iemand zijn verwrongen verlangens kan vervullen en daarna terug kan gaan naar God. Dit is een kans voor de geconditioneerde ziel om bevrijding te krijgen en daarom moet ze het proces van yajña proberen te volgen door Kṛṣṇa-bewust te worden. Zelfs zij die de Vedische voorschriften niet hebben gevolgd, kunnen de principes van het Kṛṣṇa-bewustzijn toepassen en dat zal dan een vervanging zijn voor het verrichten van Vedische yajña’s of karma’s.

Tekst

evaṁ pravartitaṁ cakraṁ
nānuvartayatīha yaḥ
aghāyur indriyārāmo
moghaṁ pārtha sa jīvati

Synoniemen

evam — op die manier; pravartitam — door de Veda’s ingesteld; cakram — cyclus; na — niet; anuvartayati — aanvaardt; iha — in dit leven; yaḥ — iemand die; agha-āyuḥ — van wie het leven vol zonden is; indriya-ārāmaḥ — tevreden met zinsbevrediging; mogham — vergeefs; pārtha — o zoon van Pṛthā (Arjuna); saḥ — hij; jīvati — leeft.

Vertaling

Mijn beste Arjuna, wie zich in dit menselijk leven niet houdt aan de cyclus van offers die door de Veda’s is ingesteld, leidt ongetwijfeld een leven vol zonde. Wie zo alleen maar voor zinsbevrediging leeft, leeft tevergeefs.

Betekenisverklaring

De filosofie van de mammonist, namelijk ‘hard werken en van zinsbevrediging genieten’, wordt in dit vers door de Heer veroordeeld. Voor hen die van de materiële wereld willen genieten, is het verrichten van de bovengenoemde cyclus van yajña’s absoluut noodzakelijk. Wie deze regels niet volgt, leidt beslist een riskant leven, omdat er een steeds grotere doem op hem komt te rusten. Volgens de wet van de natuur is de menselijke levensvorm speciaal bedoeld voor zelfrealisatie op een van de drie manieren, namelijk karma-yoga, jñāna-yoga of bhakti-yoga. Voor de transcendentalisten, die boven deugd en ondeugd staan, bestaat er geen noodzaak om de voorgeschreven yajña’s op een strikte manier te verrichten, maar zij die zich bezighouden met zinsbevrediging moeten gezuiverd worden door de bovengenoemde cyclus van yajña’s.

Er bestaan verschillende soorten activiteiten. Zij die niet Kṛṣṇa-bewust zijn, hebben ongetwijfeld een zintuiglijk bewustzijn en voor hen is het noodzakelijk om vrome activiteiten te verrichten. Het yajña-systeem is zo opgezet, dat personen met een zintuiglijk bewustzijn hun verlangens kunnen vervullen zonder verstrikt te raken in het karma dat op activiteiten van zinsbevrediging volgt. De voorspoed van de wereld hangt niet af van onze eigen inspanningen, maar van het achterliggende plan van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, dat direct door de halfgoden wordt uitgevoerd. De yajña’s zijn daarom rechtstreeks gericht op bepaalde halfgoden die in de Veda’s worden genoemd. Indirect is dit het beoefenen van Kṛṣṇa-bewustzijn, want wanneer men het verrichten van yajña’s meester is, wordt men zeker Kṛṣṇa-bewust. Maar als men door het verrichten van yajña’s niet Kṛṣṇa-bewust wordt, dan zijn zulke principes niets anders dan morele voorschriften. Men moet zijn vooruitgang daarom niet beperken tot morele voorschriften alleen, maar men moet deze transcenderen om tot Kṛṣṇa-bewustzijn te komen.

Tekst

yas tv ātma-ratir eva syād
ātma-tṛptaś ca mānavaḥ
ātmany eva ca santuṣṭas
tasya kāryaṁ na vidyate

Synoniemen

yaḥ — iemand die; tu — maar; ātma-ratiḥ — plezier hebbend in het zelf; eva — zeker; syāt — blijft; ātma-tṛptaḥ — tevreden in het zelf; ca — en; mānavaḥ — een mens; ātmani — in zichzelf; eva — alleen; ca — en; santuṣṭaḥ — volkomen voldaan; tasya — zijn; kāryam — plicht; na — niet; vidyate — bestaat.

Vertaling

Maar wie zijn menselijke levensvorm aan zelfrealisatie wijdt, wie alleen maar vreugde beleeft door en tevreden is met het zich realiseren van het zelf en zo volkomen voldaan is, voor hem bestaat er geen plicht.

Betekenisverklaring

Iemand die volledig Kṛṣṇa-bewust is en die volkomen tevreden is door zijn activiteiten in Kṛṣṇa-bewustzijn, heeft geen plichten meer te vervullen. Omdat hij Kṛṣṇa-bewust is, is hij onmiddellijk gezuiverd van alle zondige neigingen vanbinnen, wat het gevolg is van vele, vele duizenden yajña’s. Door deze zuivering van bewustzijn raakt iemand volledig overtuigd van zijn eeuwige positie in relatie met de Allerhoogste. Zijn plicht wordt hem duidelijk door de genade van de Heer vanbinnen en hij heeft daardoor geen verplichtingen meer ten opzichte van de Vedische voorschriften. Zo’n Kṛṣṇa-bewust persoon is niet langer geïnteresseerd in materiële activiteiten en beleeft geen plezier meer aan materiële dingen als wijn, vrouwen en meer van zulke verdwazingen.

Tekst

naiva tasya kṛtenārtho
nākṛteneha kaścana
na cāsya sarva-bhūteṣu
kaścid artha-vyapāśrayaḥ

Synoniemen

na — nooit; eva — zeker; tasya — zijn; kṛtena — door zijn plicht te vervullen; arthaḥ — doel; na — evenmin; akṛtena — zonder zijn plicht te vervullen; iha — in deze wereld; kaścana — wat dan ook; na — nooit; ca — en; asya — van hem; sarva-bhūteṣu — te midden van alle levende wezens; kaścit — enkele; artha — reden; vyapāśrayaḥ — toevlucht nemen tot.

Vertaling

Voor een zelfgerealiseerd persoon bestaat er tijdens het vervullen van zijn voorgeschreven plichten geen enkel doel om na te streven, maar evenmin heeft hij reden om zulke activiteiten niet te verrichten. Ook hoeft hij zich niet afhankelijk te stellen van enig ander levend wezen.

Betekenisverklaring

Wie zelfgerealiseerd is, is niet langer verplicht om welke voor-geschreven plichten dan ook te vervullen, behalve zijn activiteiten in Kṛṣṇa-bewustzijn. Toch is Kṛṣṇa-bewustzijn geen inactiviteit; dit zal in de volgende verzen worden uitgelegd. Wie Kṛṣṇa-bewust is, zoekt bij geen enkel persoon zijn toevlucht, bij mens noch halfgod. Wat hij ook doet in Kṛṣṇa-bewustzijn, het is voldoende om zijn plicht te vervullen.

Tekst

tasmād asaktaḥ satataṁ
kāryaṁ karma samācara
asakto hy ācaran karma
param āpnoti pūruṣaḥ

Synoniemen

tasmāt — daarom; asaktaḥ — zonder gehechtheid; satatam — voortdurend; kāryam — als plicht; karma — activiteit; samācara — verricht; asaktaḥ — ongehecht; hi — zeker; ācaran — doen; karma — activiteit; param — het Allerhoogste; āpnoti — bereikt; pūruṣaḥ — een man.

Vertaling

Men moet daarom uit plichtsbesef handelen, zonder gehecht te zijn aan de vruchten van activiteiten, want handelt men zonder gehechtheid, dan bereikt men de Allerhoogste.

Betekenisverklaring

Voor toegewijden is het Allerhoogste de Persoonlijk Gods, maar voor de impersonalist is dat bevrijding. Wie onder de juiste begeleiding en zonder gehechtheid aan de resultaten van zijn activiteiten voor Kṛṣṇa of in Kṛṣṇa-bewustzijn handelt, maakt zeker vooruitgang op het pad naar het allerhoogste doel van het leven. Kṛṣṇa gaf Arjuna de opdracht om tijdens de Slag van Kurukṣetra in Zijn belang te vechten, omdat Hij dat wilde. Goed of geweldloos willen zijn is een kwestie van persoonlijke gehechtheid, maar iets doen in het belang van de Allerhoogste, is iets doen zonder gehechtheid aan resultaten. Dat is volmaakte activiteit van het hoogste niveau en wordt door de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Śrī Kṛṣṇa, aangeraden.

De Vedische rituelen, zoals voorgeschreven offers, worden verricht om zich te zuiveren van de zondige activiteiten die men op het gebied van zinsbevrediging heeft begaan. Maar Kṛṣṇa-bewuste activiteiten zijn ontstegen aan het karma voor goede of slechte daden. Wie Kṛṣṇa-bewust is, is niet gehecht aan het resultaat, maar handelt alleen in het belang van Kṛṣṇa; hij is met allerlei activiteiten bezig, maar is volkomen onthecht.

Tekst

karmaṇaiva hi saṁsiddhim
āsthitā janakādayaḥ
loka-saṅgraham evāpi
sampaśyan kartum arhasi

Synoniemen

karmaṇā — door activiteit; eva — zelfs; hi — zeker; saṁsiddhim — in volmaaktheid; āsthitāḥ — bevindend; janaka-ādayaḥ — Janaka en andere koningen; loka-saṅgraham — de mensen in het algemeen; eva api — ook; sampaśyan — beschouwend; kartum — handelen; arhasi — je moet.

Vertaling

Vorsten als Janaka kwamen tot volmaaktheid uitsluitend door hun voorgeschreven plichten te vervullen. Daarom moet je je voorgeschreven activiteiten verrichten; enkel om de gewone mensen te onderrichten.

Betekenisverklaring

Koningen als Janaka waren allemaal zelfgerealiseerde zielen en hoefden daarom de plichten die in de Veda’s worden voorgeschreven niet te vervullen. Toch verrichtten zij alle voorgeschreven activiteiten om zo een goed voorbeeld te zijn voor de mensen in het algemeen. Janaka was de vader van Sītā en de schoonvader van Heer Śrī Rāma. Omdat hij een toegewijde van de Heer was, bevond hij zich op een transcendentaal niveau, maar omdat hij de koning van Mithilā was (een district van de Indiase provincie Bihar) moest hij zijn onderdanen leren hoe ze voorgeschreven activiteiten moesten verrichten. Voor Heer Kṛṣṇa en Arjuna, Zijn eeuwige vriend, was het niet nodig om in de Slag van Kurukṣetra te vechten, maar toch streden ze om de mensen in het algemeen te leren dat ook geweld noodzakelijk is in een situatie waarin goede argumenten geen effect meer hebben. Voordat de Slag van Kurukṣetra begon, was het uiterste gedaan om de oorlog af te wenden, zelfs door de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods. Maar de tegenpartij was vastberaden om te strijden. Voor zo’n goede zaak bestaat er een noodzaak om te vechten. Ook al heeft een Kṛṣṇa-bewust persoon geen interesse in de wereld, toch doet hij zijn best om de mensen te leren hoe ze moeten leven en handelen. Zij die ervaren zijn in het Kṛṣṇa-bewustzijn zijn in staat zo te handelen dat anderen hen volgen; dit wordt in het volgende vers uitgelegd.

Tekst

yad yad ācarati śreṣṭhas
tat tad evetaro janaḥ
sa yat pramāṇaṁ kurute
lokas tad anuvartate

Synoniemen

yat yat — wat dan ook; ācarati — hij doet; śreṣṭhaḥ — een respectabele leider; tat — dat; tat — en dat alleen; eva — zeker; itaraḥ — gewoon; janaḥ — persoon; saḥ — hij; yat — om het even welke; pramāṇam — maatstaf; kurute — verricht; lokaḥ — de hele wereld; tat — dat; anuvartate — volgt in het voetspoor.

Vertaling

Alle activiteiten die een groot man verricht, worden door gewone mensen nagevolgd. En alle normen die hij door zijn voorbeeldig handelen stelt, worden door de hele wereld nageleefd.

Betekenisverklaring

De gemiddelde mens heeft altijd een leider nodig die hem door zijn eigen gedrag kan onderrichten. Een leider kan de mensen niet leren hoe ze moeten stoppen met roken als hij zelf rookt. Heer Caitanya heeft gezegd dat een leraar zich correct moet gedragen voordat hij begint te onderwijzen. Wie op die manier onderricht geeft, wordt een ācārya genoemd, een ideale leraar. Een leraar moet daarom de principes van de śāstra (de heilige teksten) volgen om de mens in het algemeen te onderwijzen. De leraar kan geen regels verzinnen die ingaan tegen de principes van de geopenbaarde teksten zoals de Manu-saṁhitā en soortgelijke heilige teksten die beschouwd worden als standaardwerken die de menselijke samenleving moet volgen. Dat wat de leider onderwijst moet dus gebaseerd zijn op de beginselen van zulke standaard-śāstra’s. Wie zichzelf wil verbeteren, moet dezelfde standaardregels volgen als de grote leraren. Het Śrīmad-Bhāgavatam bevestigt ook dat men in de voetstappen van grote toegewijden moet treden; dat is de manier om vooruitgang te maken op het pad van spirituele bewustwording. De koning of de leidinggevende persoon van een land, de vader en de onderwijzer worden allemaal als natuurlijke leiders van de gewone, eenvoudige mensen beschouwd. Deze natuurlijke leiders hebben allemaal een grote verantwoordelijkheid tegenover hun ondergeschikten en daarom moeten zij vertrouwd zijn met de standaardwerken die de morele en spirituele voorschriften bevatten.

Tekst

na me pārthāsti kartavyaṁ
triṣu lokeṣu kiñcana
nānavāptam avāptavyaṁ
varta eva ca karmaṇi

Synoniemen

na — niet; me — Mijn; pārtha — o zoon van Pṛthā; asti — er is; kartavyam — voorgeschreven plicht; triṣu — in de drie; lokeṣu — planetenstelsels; kiñcana — wat dan ook; na — niets; anavāptam — ontbrekend; avāptavyam — te verwerven; varte — Ik ben bezig; eva — zeker; ca — ook; karmaṇi — in voorgeschreven plicht.

Vertaling

O zoon van Pṛthā, voor Mij zijn er in geen van de drie planetenstelsels voorgeschreven activiteiten. Ook heb Ik niets nodig en evenmin is er voor Mij iets te verwerven — toch verricht Ik voorgeschreven plichten.

Betekenisverklaring

In de Vedische literatuur wordt de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods als volgt beschreven:

tam īśvarāṇāṁ paramaṁ maheśvaraṁ
taṁ devatānāṁ paramaṁ ca daivatam
patiṁ patīnāṁ paramaṁ parastād
vidāma devaṁ bhuvaneśam īḍyam
na tasya kāryaṁ karaṇaṁ ca vidyate
na tat-samaś cābhyadhikaś ca dṛśyate
parāsya śaktir vividhaiva śrūyate
svābhāvikī jñāna-bala-kriyā ca

‘De Allerhoogste Heer is de bestuurder van alle andere bestuurders en Hij is de grootste van alle leiders van de verschillende planeten. Iedereen wordt door Hem bestuurd. Alle levende wezens ontlenen hun specifieke kracht alleen aan de Allerhoogste Heer; zelf zijn ze niet de allerhoogste. Hij is ook vererenswaardig voor de halfgoden en Hij is de leider van alle leiders. Hij is daarom verheven boven allerlei wereldse leiders en bestuurders en Hij is vererenswaardig voor hen allemaal. Niemand is groter dan Hij en Hij is de allerhoogste oorzaak van alle oorzaken.

‘Zijn lichaam is niet als dat van een gewoon levend wezen. Er bestaat geen verschil tussen Zijn lichaam en Zijn ziel. Hij is absoluut. Al Zijn zintuigen zijn transcendentaal en elk van Zijn zintuigen kan de functie van elk ander zintuig vervullen. Daarom is niemand groter dan Hij of gelijk aan Hem. Zijn vermogens zijn veelsoortig en daarom vinden Zijn handelingen vanzelf en op een natuurlijke wijze plaats.’ (Śvetāśvatara Upaniṣad 6.7-8)

Omdat alles in alle volledigheid in de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods is en in volledige waarheid bestaat, is er geen plicht die door de Heer vervuld hoeft te worden. Wie afhankelijk is van de resultaten van activiteiten, heeft een bepaalde aangewezen plicht, maar iemand voor wie er in de drie planetenstelsels niets te bereiken valt, heeft zeker geen enkele plicht. Toch is Heer Kṛṣṇa betrokken bij de Slag van Kurukṣetra als de leider van de kṣatriya’s, omdat kṣatriya’s verplicht zijn om bescherming te geven aan hen die in nood verkeren. Hoewel Hij boven alle regels van de geopenbaarde teksten staat, zal Hij ze nooit schenden.

Tekst

yadi hy ahaṁ na varteyaṁ
jātu karmaṇy atandritaḥ
mama vartmānuvartante
manuṣyāḥ pārtha sarvaśaḥ

Synoniemen

yadi — als; hi — zeker; aham — Ik; na — niet; varteyam — zo bezig ben; jātu — ooit; karmaṇi — in het vervullen van voorgeschreven plichten; atandritaḥ — heel zorgvuldig; mama — Mijn; vartma — pad; anuvartante — zouden volgen; manuṣyāḥ — alle mensen; pārtha — o zoon van Pṛthā; sarvaśaḥ — in alle opzichten.

Vertaling

Want als Ik het ooit zou nalaten om zorgvuldig voorgeschreven plichten te verrichten, o Pārtha, dan zouden alle mensen ongetwijfeld Mijn pad volgen.

Betekenisverklaring

Om het maatschappelijk evenwicht, dat goed is voor spirituele vooruitgang, te bewaren, zijn er traditionele familiegebruiken, die bedoeld zijn voor alle beschaafde personen. Omdat Heer Kṛṣṇa neerdaalde om de beginselen van religie te herstellen, volgde Hij de voorgeschreven regels en bepalingen, ook al zijn die bedoeld voor geconditioneerde zielen en niet voor Hem. Had Hij dat niet gedaan, dan zouden de gewone mensen in Zijn voetsporen treden, omdat Hij de hoogste autoriteit is. Uit het Śrīmad-Bhāgavatam blijkt dat Heer Kṛṣṇa zowel thuis als buitenshuis aan alle religieuze verplichtingen voldeed zoals dat van een getrouwd persoon wordt verwacht.

Tekst

utsīdeyur ime lokā
na kuryāṁ karma ced aham
saṅkarasya ca kartā syām
upahanyām imāḥ prajāḥ

Synoniemen

utsīdeyuḥ — zouden ten onder gaan; ime — al deze; lokāḥ — werelden; na — niet; kuryām — Ik verricht; karma — voorgeschreven plichten; cet — als; aham — Ik; saṅkarasya — van onwenselijke bevolking; ca — en; kartā — schepper; syām — zou zijn; upahanyām — zou vernietigen; imāḥ — al deze; prajāḥ — levende wezens.

Vertaling

Als Ik geen voorgeschreven activiteiten zou verrichten, dan zouden al deze werelden in verval raken. Ik zou de oorzaak zijn van het ontstaan van onwenselijke bevolking en Ik zou daardoor de vrede van alle levende wezens verstoren.

Betekenisverklaring

Varṇa-saṅkara is onwenselijke bevolking die de vrede van de algemene samenleving verstoort. Om een dergelijke sociale verstoring tegen te gaan, zijn er voorgeschreven regels en bepalingen waardoor de bevolking vanzelf vreedzaam en georganiseerd wordt, wat bevorderlijk is voor spirituele vooruitgang. Wanneer Kṛṣṇa neerdaalt, volgt Hij vanzelfsprekend zulke regels om zo het gezag en de noodzaak van zulke belangrijke zaken te handhaven. De Heer is de vader van alle levende wezens en wanneer zij misleid worden, is de Heer daar indirect verantwoordelijk voor. Wanneer de regulerende principes daarom op grote schaal worden veronachtzaamd, daalt de Heer neer om de samenleving te corrigeren.

We moeten echter goed onthouden dat, hoewel we in het voetspoor van de Heer moeten volgen, we Hem niet kunnen imiteren. Volgen en imiteren zijn twee verschillende dingen. We kunnen de Heer niet imiteren door de heuvel Govardhana op te tillen, zoals de Heer in Zijn kindertijd deed; dat is onmogelijk voor welk menselijk wezen dan ook. We moeten Zijn instructies volgen, maar we kunnen Hem nooit ofte nimmer imiteren. Het Śrīmad-Bhāgavatam (10.33.30-31) bevestigt dit:

naitat samācarej jātu
manasāpi hy anīśvaraḥ
vinaśyaty ācaran mauḍhyād
yathārudro ’bdhi-jaṁ viṣam
īśvarāṇāṁ vacaḥ satyaṁ
tathaivācaritaṁ kvacit
teṣāṁ yat sva-vaco-yuktaṁ
buddhimāṁs tat samācaret

‘Men dient eenvoudig de instructies van de Heer en Zijn bekrachtigde dienaren te volgen. Al hun instructies zijn voor ons bestwil en ieder intelligent persoon zal ze strikt opvolgen. Maar men moet zich er voor hoeden hun activiteiten te imiteren. Men moet niet proberen de oceaan van vergif leeg te drinken als imitatie van Heer Śiva.’

We dienen de positie van de īśvara’s of zij die daadwerkelijk macht hebben over de bewegingen van de zon en de maan altijd te erkennen als superieur. Zonder een dergelijke macht kan niemand de uiterst machtige īśvara’s imiteren. Heer Śiva dronk zoveel vergif dat het een oceaan kon vullen, maar als een gewoon mens zelfs maar een minieme hoeveelheid van zulk gif zou drinken, zou hij sterven. Er zijn veel pseudotoegewijden van Heer Śiva die zich te goed willen doen aan gañjā (marihuana) en soortgelijke bedwelmende middelen, maar ze vergeten dat ze de dood heel dichtbij brengen door de activiteiten van Heer Śiva te imiteren. Zo zijn er ook pseudotoegewijden van Heer Kṛṣṇa, die ervan houden de rāsa-līlā, de dans van liefde van de Heer, te imiteren, maar die ondertussen vergeten dat ze niet het vermogen hebben om de heuvel Govardhana op te tillen. Het is daarom het beste dat men degenen die machtig zijn niet probeert te imiteren, maar gewoon hun instructies opvolgt; daarnaast moet men ook niet proberen om hun functies over te nemen zonder daarvoor de kwalificaties te hebben. Er bestaan zoveel ‘incarnaties’ van God die niet de macht van de Allerhoogste Godheid bezitten.

Tekst

saktāḥ karmaṇy avidvāṁso
yathā kurvanti bhārata
kuryād vidvāṁs tathāsaktaś
cikīrṣur loka-saṅgraham

Synoniemen

saktāḥ — gehecht zijn; karmaṇi — in voorgeschreven plichten; avidvāṁsaḥ — de onwetenden; yathā — zoveel als; kurvanti — zij doen; bhārata — o afstammeling van Bharata; kuryāt — zou moeten doen; vid-vān — een geleerde; tathā — zo; asaktaḥ — zonder gehechtheid; cikīr-ṣuḥ — verlangend te leiden; loka-saṅgraham — de mensen in het algemeen.

Vertaling

Zoals onwetenden hun plichten vervullen maar gehecht zijn aan het resultaat, zo kan de wijze ook handelen, maar dan zonder gehechtheid, om de mensen zo op het juiste pad te leiden.

Betekenisverklaring

Een Kṛṣṇa-bewust persoon en een persoon zonder Kṛṣṇa-bewustzijn worden van elkaar onderscheiden op basis van hun verschillende verlangens. Een Kṛṣṇa-bewust persoon zal nooit iets doen wat niet bevorderlijk is voor vooruitgang in Kṛṣṇa-bewustzijn. Zijn activiteiten kunnen exact dezelfde zijn als die van een onwetend persoon die te gehecht is aan materiële activiteiten, maar het verschil is dat de een zulke activiteiten doet om zijn zintuigen te bevredigen, terwijl de ander ze doet om Kṛṣṇa tevreden te stellen. Er is daarom een Kṛṣṇa-bewust persoon nodig om de mensen te laten zien hoe ze moeten handelen en hoe ze de resultaten van hun activiteiten moeten gebruiken voor Kṛṣṇa-bewuste doeleinden.

Tekst

na buddhi-bhedaṁ janayed
ajñānāṁ karma-saṅginām
joṣayet sarva-karmāṇi
vidvān yuktaḥ samācaran

Synoniemen

na — niet; buddhi-bhedam — verstoring van intelligentie; janayet — hij zou moeten veroorzaken; ajñānām — van de dwazen; karma-saṅginām — die gehecht zijn aan resultaatgerichte activiteit; joṣayet — hij moet ze betrekken; sarva — alle; karmāṇi — activiteiten; vidvān — een geleerd persoon; yuktaḥ — gewijd aan; samācaran — beoefenend.

Vertaling

Om de geest van de onwetenden, die gehecht zijn aan de resultaten van hun voorgeschreven plichten, niet te verstoren, moet iemand die wijs is ze niet van activiteiten weerhouden. Integendeel, door met devotie te handelen, zou hij ze in allerlei activiteiten moeten betrekken [voor de geleidelijke ontwikkeling van Kṛṣṇa-bewustzijn].

Betekenisverklaring

Vedaiś ca sarvair aham eva vedyaḥ. Dat is het doel van alle Vedische rituelen. Alle rituelen, alle offers en alles wat in de Veda’s staat, inclusief alle aanwijzingen voor materiële activiteiten, zijn ervoor bedoeld om Kṛṣṇa te begrijpen, die het uiteindelijke doel van het leven is. Maar omdat de geconditioneerde zielen geen idee hebben van iets wat buiten zinsbevrediging omgaat, bestuderen ze de Veda’s met dat doel voor ogen. Maar door resultaatgerichte activiteiten en zinsbevrediging die door de Vedische rituelen gereguleerd worden, raakt men geleidelijk aan verheven tot Kṛṣṇa-bewustzijn. Een zelfgerealiseerde, Kṛṣṇa-bewuste ziel moet anderen daarom niet verstoren in hun begrip of tijdens hun activiteiten, maar moet hen laten zien hoe de resultaten van alle activiteiten in dienst van Kṛṣṇa kunnen worden gesteld. Een geleerd, Kṛṣṇa-bewust persoon moet op zo’n manier handelen, dat een onwetend persoon, die zinsbevrediging nastreeft, kan leren hoe te handelen en hoe zich te gedragen. Ook al moeten we iemand die onwetend is niet in de war brengen over zijn activiteiten, toch kan een Kṛṣṇa-bewust persoon die al een klein beetje vooruitgang heeft gemaakt, zich meteen wijden aan dienst aan de Heer, zonder te wachten op andere Vedische rituelen. Voor zo’n fortuinlijk iemand is het niet nodig om de andere Vedische voorschriften te volgen, omdat hij door direct Kṛṣṇa-bewustzijn alle resultaten kan krijgen die hij anders gekregen zou hebben door zijn voorgeschreven plichten te vervullen.

Tekst

prakṛteḥ kriyamāṇāni
guṇaiḥ karmāṇi sarvaśaḥ
ahaṅkāra-vimūḍhātmā
kartāham iti manyate

Synoniemen

prakṛteḥ — van de materiële natuur; kriyamāṇāni — wordt gedaan; guṇaiḥ — door de hoedanigheden; karmāṇi — activiteiten; sarvaśaḥ — allerlei soorten; ahaṅkāra-vimūḍha — misleid door het valse ego; ātmā — de spirituele ziel; kartā — handelende; aham — ik; iti — zo; man-yate — hij denkt.

Vertaling

Misleid door de invloed van het vals ego, denkt de ziel dat zij zelf de activiteiten verricht die in werkelijkheid door de drie hoedanigheden van de materiële natuur worden verricht.

Betekenisverklaring

Het kan erop lijken dat twee personen, een met Kṛṣṇa-bewust-zijn en een ander met een materieel bewustzijn, zich op hetzelfde niveau bevinden wanneer ze dezelfde activiteiten doen, maar er bestaat een groot verschil tussen hun posities. Een persoon met een materieel bewustzijn is er door zijn vals ego van overtuigd dat hij het is die alles doet, maar hij weet niet dat het mechanisme van het lichaam geproduceerd is door de materiële natuur, die onder toezicht van de Allerhoogste Heer staat. Een materialistisch persoon weet niet dat hij uiteindelijk door Kṛṣṇa bestuurd wordt. Door zijn vals ego denkt hij dat hij alles onafhankelijk doet en strijkt vervolgens met de eer; dat is het symptoom van zijn onwetendheid. Hij weet niet dat dit grof- en fijnstoffelijk lichaam in opdracht van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods door de materiële natuur geschapen is en dat zijn lichamelijke en mentale activiteiten daarom in dienst van Kṛṣṇa, in Kṛṣṇa-bewustzijn, gebruikt moeten worden. Een onwetend persoon vergeet dat de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods Hṛṣīkeśa wordt genoemd, de meester van de zintuigen van het materiële lichaam. Omdat hij voor lange tijd voor zinsbevrediging misbruik heeft gemaakt van zijn zintuigen, is hij verward geraakt door het vals ego, dat hem zijn eeuwige relatie met Kṛṣṇa doet vergeten.

Tekst

tattva-vit tu mahā-bāho
guṇa-karma-vibhāgayoḥ
guṇā guṇeṣu vartanta
iti matvā na sajjate

Synoniemen

tattva-vit — de kenner van de Absolute Waarheid; tu — maar; mahā-bāho — o sterkgearmde; guṇa-karma — van activiteit onder materiële invloed; vibhāgayoḥ — verschillen; guṇāḥ — zintuigen; guṇeṣu — in zinsbevrediging; vartante — aangewend worden; iti — zo; matvā — denkend; na — nooit; sajjate — raakt gehecht.

Vertaling

Wie de Absolute Waarheid kent, o sterkgearmde, laat zich niet in met de zintuigen en zinsbevrediging, omdat hij goed weet wat de verschillen zijn tussen devotionele en resultaatgerichte activiteiten.

Betekenisverklaring

De kenner van de Absolute Waarheid is ervan overtuigd dat hij door zijn contact met de materie in een benarde positie verkeert. Hij weet dat hij een integrerend deeltje is van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Kṛṣṇa, en dat hij geen deel uitmaakt van de materiële wereld. Hij kent zijn ware identiteit als een integrerend deeltje van de Allerhoogste, die eeuwige gelukzaligheid en kennis is, en hij realiseert zich dat hij op een of andere manier verstrikt is geraakt in een materialistische levensopvatting. In zijn zuivere zijnstoestand is het de bedoeling dat hij zijn activiteiten verbindt met devotionele dienst aan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Kṛṣṇa. Hij zal daarom Kṛṣṇa-bewuste activiteiten verrichten en raakt daardoor vanzelf onthecht van zintuiglijke activiteiten die tijdelijk en afhankelijk van omstandigheden zijn. Hij weet dat zijn situatie in de materiële wereld onder het allerhoogste toezicht van de Heer staat; hij raakt daarom niet verward door allerlei karma, omdat hij dat als de genade van de Heer ziet. Volgens het Śrīmad-Bhāgavatam wordt iemand die de drie aspecten van de Absolute Waarheid kent — Brahman, Paramātmā en de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods — tattva-vit genoemd, want hij kent ook zijn daadwerkelijke positie ten opzichte van de Allerhoogste.

Tekst

prakṛter guṇa-sammūḍhāḥ
sajjante guṇa-karmasu
tān akṛtsna-vido mandān
kṛtsna-vin na vicālayet

Synoniemen

prakṛteḥ — van de materiële natuur; guṇa — door de hoedanigheden; sam-mūḍhāḥ — misleid door materiële vereenzelviging; sajjante — zij houden zich bezig met; guṇa-karmasu — in materiële activiteiten; tān — die; akṛtsna-vidaḥ — personen met heel weinig kennis; mandān — lui wat betreft het begrijpen van zelfrealisatie; kṛtsna-vit — iemand die werkelijke kennis bezit; na — niet; vicālayet — moet verontrusten.

Vertaling

Misleid door de hoedanigheden van de materiële natuur, houden de onwetenden zich alleen maar bezig met materiële activiteiten en raken gehecht. Maar de wijze moet hen niet in de war brengen, ook al zijn hun plichten minderwaardig door hun gebrek aan kennis.

Betekenisverklaring

Personen zonder kennis vereenzelvigen zich ten onrechte met een grofstoffelijk bewustzijn en materiële benamingen. Dit lichaam is een geschenk van de materiële natuur en iemand die te gehecht is aan het lichamelijk bewustzijn wordt een manda genoemd, iemand die lui is en geen begrip heeft van de ziel. Onwetende mensen denken dat het lichaam het zelf is; relaties met anderen, die gebaseerd zijn op het lichaam, aanvaarden ze als verwantschap, het land waarin ze een lichaam gekregen hebben zien ze als iets dat aanbeden moet worden en de handelingen tijdens religieuze rituelen beschouwen ze als doelen op zich. Zulke mensen met materiële benamingen zijn bijvoorbeeld actief op het gebied van sociaal werk, nationalisme en altruïsme. In de ban van zulke benamingen hebben ze het altijd erg druk op het materiële vlak; spirituele bewustwording is voor hen een mythe en daarom hebben ze er geen interesse voor. Maar zij die spiritueel verlicht zijn, moeten zulke personen, die opgaan in een materieel bestaan, niet in de war brengen. Het is beter om eigen spirituele activiteiten in stilte voort te zetten. Deze verwarde personen kunnen betrokken worden in de morele basisprincipes van het leven zoals geweldloosheid en in activiteiten die materieel gezien goed zijn.

Onwetende personen kunnen geen waardering opbrengen voor Kṛṣṇa-bewuste activiteiten en Heer Kṛṣṇa adviseert ons daarom hen niet te storen en onze tijd niet te verspillen. Maar de toegewijden van de Heer zijn vriendelijker dan de Heer, omdat ze Zijn bedoeling begrijpen en allerlei risico’s nemen, zelfs zover dat ze onwetende personen benaderen en hen proberen te betrekken in Kṛṣṇa-bewuste activiteiten, die absoluut noodzakelijk zijn voor het menselijk wezen.

Tekst

mayi sarvāṇi karmāṇi
sannyasyādhyātma-cetasā
nirāśīr nirmamo bhūtvā
yudhyasva vigata-jvaraḥ

Synoniemen

mayi — aan Mij; sarvāṇi — allerlei soorten; karmāṇi — activiteiten; san-nyasya — volledig opgevend; adhyātma — met volkomen kennis van het Zelf; cetasā — door bewustzijn; nirāśīḥ — zonder verlangen naar winst; nirmamaḥ — zonder eigenaarschap; bhūtvā — zo zijnd; yudhyasva — strijd; vigata-jvaraḥ — zonder lusteloosheid.

Vertaling

O Arjuna, wijd al je activiteiten daarom aan Mij, met volledige kennis van Mij, zonder verlangens naar winst, zonder aanspraak te maken op bezit en wees vrij van lusteloosheid en vecht.

Betekenisverklaring

In dit vers wordt het doel van de Bhagavad-gītā duidelijk aangegeven. De Heer geeft de instructie dat men volledig Kṛṣṇa-bewust moet worden om zijn plichten te vervullen, als het ware met militaire discipline. Zo’n instructie kan de zaken ietwat moeilijk maken, maar desondanks moeten plichten vervuld worden en men moet zich daarbij afhankelijk stellen van Kṛṣṇa, want dat is de wezenlijke positie van het levend wezen. Het levend wezen kan niet gelukkig zijn als het niet met de Allerhoogste Heer samenwerkt, want het is de wezenlijke positie van het levend wezen om ondergeschikt te zijn aan het verlangen van de Heer. Arjuna kreeg daarom van Śrī Kṛṣṇa het bevel om te vechten alsof de Heer zijn commandant was. Men moet alles opofferen voor het belang van de Allerhoogste Heer en tegelijkertijd zijn voorgeschreven plichten vervullen, zonder iets als zijn eigendom te beschouwen. Het was voor Arjuna niet nodig om nog verder na te denken over het bevel van de Heer, hij hoefde het alleen maar uit te voeren.

De Allerhoogste Heer is de ziel van alle zielen; wie zich daarom zonder enig eigenbelang volledig afhankelijk stelt van de Allerhoogste Ziel of wie volledig Kṛṣṇa-bewust is, wordt adhyātma-cetas genoemd. Nirāśīḥ betekent dat iemand de opdrachten van de meester moet uitvoeren, zonder daarvoor iets terug te verwachten. Een kassier mag dan voor zijn werkgever miljoenen euro’s tellen, maar hij zal geen cent voor zichzelf opeisen. Op dezelfde manier moet iemand beseffen dat niets in de wereld eigendom is van een bepaald individu, maar dat alles eigendom van de Allerhoogste Heer is. Dat is de werkelijke betekenis van mayi of ‘aan Mij’. Wie in dit Kṛṣṇa-bewustzijn handelt, zal niets als zijn eigendom beschouwen. Zo’n bewustzijn wordt nirmama genoemd oftewel ‘niets is van mij’. En als iemand tegenzin voelt om zo’n streng bevel op te volgen dat geen rekening houdt met zogenaamde verwantschap en familiebanden, dan moet hij die terughoudendheid van zich afschudden. Op die manier kan men vigata-jvara worden, vrij van een lakse mentaliteit of lusteloosheid. Iedereen heeft een bepaald type activiteit te doen in overeenstemming met zijn kwaliteiten en positie en al deze plichten kunnen, zoals hierboven beschreven is, in Kṛṣṇa-bewustzijn gedaan worden. Door dat te doen zal men tot het pad van bevrijding komen.

Tekst

ye me matam idaṁ nityam
anutiṣṭhanti mānavāḥ
śraddhāvanto ’nasūyanto
mucyante te ’pi karmabhiḥ

Synoniemen

ye — zij die; me — Mijn; matam — voorschriften; idam — deze; nityam — als een eeuwige taak; anutiṣṭhanti — regelmatig uitvoeren; mānavāḥ — mensen; śraddhā-vantaḥ — met geloof en devotie; anasūyantaḥ — zonder afgunst; mucyante — raken bevrijd; te — zij allemaal; api — zelfs; karmabhiḥ — uit de gebondenheid van de wet van resultaatgerichte activiteiten.

Vertaling

Die personen die hun plicht vervullen volgens Mijn voorschriften en dit onderricht met vertrouwen en zonder afgunst naleven, raken bevrijd van de gebondenheid waarin ze zich door hun resultaatgerichte activiteiten bevinden.

Betekenisverklaring

Het voorschrift dat de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Kṛṣṇa, geeft, is de essentie van alle Vedische wijsheid en is daarom, zonder uitzondering, eeuwig waar. Net zoals de Veda’s eeuwig zijn, is de waarheid van het Kṛṣṇa-bewustzijn ook eeuwig. Men moet een vast geloof hebben in dit voorschrift, zonder afgunstig te zijn op de Heer. Veel filosofen schrijven commentaren op de Bhagavad-gītā, maar geloven niet in Kṛṣṇa; zij zullen nooit bevrijd worden uit de gebondenheid, die veroorzaakt wordt door karma. Maar een gewoon mens die een vast geloof heeft in de eeuwige voorschriften van de Heer, raakt, zelfs al is hij niet in staat ze na te leven, bevrijd van de gebondenheid die door de wet van karma wordt veroorzaakt. Na het aanvaarden van het proces van Kṛṣṇa-bewustzijn zal iemand in het begin de voorschriften misschien niet volledig volgen, maar omdat hij niet afkerig staat tegenover dit principe en oprecht is in zijn activiteiten, zonder aandacht te schenken aan tegenslag en hopeloosheid, zal hij zeker bevorderd worden naar het niveau van zuiver Kṛṣṇa-bewustzijn.

Tekst

ye tv etad abhyasūyanto
nānutiṣṭhanti me matam
sarva-jñāna-vimūḍhāṁs tān
viddhi naṣṭān acetasaḥ

Synoniemen

ye — diegenen; tu — echter; etat — dit; abhyasūyantaḥ — uit kwaadwilligheid; na — niet; anutiṣṭhanti — voortdurend verrichten; me — Mijn; matam — voorschrift; sarva-jñāna — in allerlei soorten kennis; vi-mūḍhān — volkomen misleid; tān — zij zijn; viddhi — weet goed; naṣṭān — volledig verwoest; acetasaḥ — zonder Kṛṣṇa-bewustzijn.

Vertaling

Maar zij die dit onderricht uit kwaadwilligheid veronachtzamen en het niet naleven, zijn misleid en beroofd van alle kennis en zullen de volmaaktheid nooit kunnen bereiken.

Betekenisverklaring

In dit vers wordt uiteengezet wat het nadeel is van een leven zonder Kṛṣṇa-bewustzijn. Net zoals ongehoorzaamheid aan een bevel van de hoogste leidinggevende persoon bestraft wordt, zo wordt ongehoorzaamheid aan het bevel van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods ook zeker bestraft. Wie ongehoorzaam is, hoe groot hij ook mag zijn, heeft een leeg hart en heeft daarom geen kennis van zijn eigen zelf, van het Allerhoogste Brahman, van de Paramātmā en van de Persoonlijkheid Gods. Er bestaat voor hem daarom geen hoop op volmaaktheid.

Tekst

sadṛśaṁ ceṣṭate svasyāḥ
prakṛter jñānavān api
prakṛtiṁ yānti bhūtāni
nigrahaḥ kiṁ kariṣyati

Synoniemen

sadṛśam — overeenkomstig; ceṣṭate — probeert; svasyāḥ — door zijn eigen; prakṛteḥ — hoedanigheden van de natuur; jñāna-vān — een wijze; api — hoewel; prakṛtim — natuur; yānti — ondergaan; bhūtāni — alle levende wezens; nigrahaḥ — onderdrukking; kim — wat; kariṣyati — kan doen.

Vertaling

Zelfs de wijze handelt volgens zijn eigen natuur, want iedereen volgt de natuur die hij van de drie hoedanigheden gekregen heeft — wat baat onderdrukking?

Betekenisverklaring

Tenzij iemand zich op het transcendentale niveau van Kṛṣṇa-bewustzijn bevindt, kan hij niet vrij raken van de invloed van de hoedanigheden van de materiële natuur, zoals de Heer in het zevende hoofdstuk (7.14) bevestigt. Zelfs voor een persoon die materieel gezien het geleerdst is, is het daarom onmogelijk om eenvoudigweg door theoretische kennis of door de ziel van het lichaam te onderscheiden uit de verstrikking van māyā te komen. Er bestaan zoveel zogenaamde spiritualisten die net doen alsof ze ver gevorderd zijn in de spirituele wetenschap, maar die ondertussen vanbinnen of binnenskamers volledig beïnvloed worden door bepaalde hoedanigheden van de materiële natuur die ze niet kunnen overwinnen.

Iemand kan veel universitaire kennis hebben, maar door zijn langdurig contact met de materiële natuur is hij gebonden. Het Kṛṣṇa-bewustzijn helpt iemand uit die materiële verstrikking te komen, zelfs al is hij bezig met de voorgeschreven plichten van het materiële bestaan. Niemand moet daarom zijn plichten opgeven zonder volledig Kṛṣṇa-bewust te zijn. Niemand moet opeens zijn voorgeschreven plicht opgeven om kunstmatig een zogenaamde yogī of een transcendentalist te worden. Het is beter dat iemand in zijn eigen positie blijft en vandaar uit onder begeleiding van ervaren personen Kṛṣṇa-bewust probeert te worden. Op die manier kan men bevrijd raken uit de greep van Kṛṣṇa’s māyā.

Tekst

indriyasyendriyasyārthe
rāga-dveṣau vyavasthitau
tayor na vaśam āgacchet
tau hy asya paripanthinau

Synoniemen

indriyasya — van de zintuigen; indriyasya arthe — in de zinsobjecten; rāga — gehechtheid; dveṣau — ook afkeer; vyavasthitau — aan regels onderwerpen; tayoḥ — van hen; na — nooit; vaśam — controle; āgacchet — men moet komen; tau — die; hi — zeker; asya — zijn; paripanthinau — struikelblokken.

Vertaling

Er bestaan beginselen die de afkeer en gehechtheid van de zintuigen met betrekking tot de zinsobjecten reguleren. Men moet zich niet laten beheersen door zulke gehechtheid en afkeer, omdat het struikelblokken zijn op het pad van zelfrealisatie.

Betekenisverklaring

Zij die Kṛṣṇa-bewust zijn, zijn van nature niet geneigd tot materiële zinsbevrediging, maar zij die niet Kṛṣṇa-bewust zijn, moeten de regels en bepalingen van de geopenbaarde teksten volgen. Onbeperkte zinsbevrediging is de oorzaak van materiële gevangenschap, maar wie de regels en bepalingen van de geopenbaarde teksten volgt, raakt niet verstrikt in zinsobjecten. Voor een geconditioneerde ziel is seksueel genot bijvoorbeeld noodzakelijk en het wordt toegestaan binnen het huwelijk. Volgens de voorschriften van de heilige teksten is het verboden om seksuele relaties aan te gaan met een andere vrouw dan de echtgenote; alle andere vrouwen moeten beschouwd worden als moeders. Maar ondanks zulke voorschriften is een man toch geneigd seksuele relaties met andere vrouwen aan te gaan. Zulke neigingen moeten bedwongen worden, anders zullen ze struikelblokken zijn op het pad van zelfrealisatie.

Zolang we een materieel lichaam hebben is het toegestaan om de behoeften van het lichaam te bevredigen, maar dan wel volgens bepaalde regels en bepalingen. Toch moeten we ook niet te veel op de controle van zulke toezeggingen vertrouwen. Men moet deze regels en bepalingen volgen zonder eraan gehecht te zijn, omdat ook zinsbevrediging volgens de regels iemand op een dwaalspoor kan brengen, net zoals er altijd, zelfs op de koninklijke wegen, kans op een ongeluk bestaat. Niemand kan garanderen dat de veiligste wegen vrij zijn van gevaar, ook al worden ze nog zo goed onderhouden.

De mentaliteit van het genieten van zinsbevrediging bestaat al heel erg lang door het contact met de materiële energie. En ook al reguleren we zinsbevrediging, we lopen altijd het risico om terug te vallen. Iedere gehechtheid aan zinsbevrediging, ook al is deze gereguleerd, moet daarom op alle mogelijke manieren vermeden worden. Maar gehecht zijn aan Kṛṣṇa-bewustzijn of altijd bezig zijn om Kṛṣṇa met liefde te dienen zorgt ervoor dat iemand onthecht raakt van allerlei zintuiglijke activiteiten. Men moet zich daarom in geen enkele fase van zijn leven proberen te onthechten van het Kṛṣṇa-bewustzijn. Het doel van het zich onthechten van allerlei soorten zinsbevrediging is uiteindelijk om op het niveau van Kṛṣṇa-bewustzijn te komen en te blijven.

Tekst

śreyān sva-dharmo viguṇaḥ
para-dharmāt sv-anuṣṭhitāt
sva-dharme nidhanaṁ śreyaḥ
para-dharmo bhayāvahaḥ

Synoniemen

śreyān — veel beter; sva-dharmaḥ — eigen voorgeschreven plichten; viguṇaḥ — zelfs gebrekkig; para-dharmāt — dan plichten voorgeschreven aan anderen; su-anuṣṭhitāt — volmaakt gedaan; sva-dharme — tijdens eigen voorgeschreven plichten; nidhanam — ondergang; śreyaḥ — beter; para-dharmaḥ — plichten voorgeschreven aan anderen; bhaya-āvahaḥ — gevaarlijk.

Vertaling

Het is veel beter om je eigen plicht te vervullen, hoe gebrekkig ook, dan de plicht van een ander foutloos te doen. Wanneer je tijdens het vervullen van je eigen plicht ten onder gaat, is dat beter dan de plicht van iemand anders te vervullen, want het pad van een ander volgen is gevaarlijk.

Betekenisverklaring

Men moet zijn eigen voorgeschreven plichten vervullen in volledig Kṛṣṇa-bewustzijn in plaats van de plichten te doen die voor een ander zijn voorgeschreven. Materieel gezien zijn voorgeschreven plichten die plichten die opgedragen worden overeenkomstig iemands psychofysische gesteldheid, volgens de drie hoedanigheden van de materiële natuur. Spirituele plichten worden opgedragen door de spiritueel leraar voor de transcendentale dienst aan Kṛṣṇa. Maar of ze nu materieel of spiritueel zijn, iemand moet zich, zelfs tot de dood, houden aan de plichten die hem zijn voorgeschreven, in plaats van de plichten van iemand anders te imiteren. De plichten op het spirituele en materiële niveau mogen dan verschillend zijn, maar het principe van het volgen van geautoriseerde aanwijzingen is altijd goed voor degene die ze volgt.

Zolang iemand in de ban is van de hoedanigheden van de materiële natuur, moet hij de regels die voor zijn bepaalde situatie zijn voorgeschreven volgen en moet hij anderen niet imiteren. Bijvoorbeeld, een brāhmaṇa, die in de hoedanigheid goedheid is, is geweldloos, terwijl het voor een kṣatriya, die in de hoedanigheid hartstocht is, is toegestaan om gewelddadig te zijn. Voor een kṣatriya is het dus beter om verslagen te worden maar toch de gewelddadige principes te volgen, dan om een brāhmaṇa te imiteren die de principes van geweldloosheid volgt. Iedereen moet zijn hart door een geleidelijk proces zuiveren en niet abrupt. Maar als men de hoedanigheden van de materiële natuur ontstijgt en volledig verankerd is in Kṛṣṇa-bewustzijn, dan kan men alles doen volgens de aanwijzingen van een bonafide spiritueel leraar. In die toestand van perfect Kṛṣṇa-bewustzijn kan een kṣatriya actief zijn als een brāhmaṇa en een brāhmaṇa als een kṣatriya.

Op het transcendentale niveau zijn de onderscheidingen die in de materiële wereld gelden niet van toepassing. Viśvāmitra was bijvoorbeeld oorspronkelijk een kṣatriya, maar later verrichtte hij de activiteiten van een brāhmaṇa, terwijl Paraśurāma een brāhmaṇa was die later de activiteiten van een kṣatriya verrichtte. Omdat ze zich op een transcendentaal niveau bevonden, konden zij dat doen, maar zolang iemand op het materiële niveau is, moet hij zijn plichten vervullen volgens de hoedanigheden van de materiële natuur. Tegelijkertijd moet hij een volledig begrip van het Kṛṣṇa-bewustzijn hebben.

Tekst

arjuna uvāca
atha kena prayukto ’yaṁ
pāpaṁ carati pūruṣaḥ
anicchann api vārṣṇeya
balād iva niyojitaḥ

Synoniemen

arjunaḥ uvāca — Arjuna zei; atha — dan; kena — door wat; prayuktaḥ — gedwongen; ayam — iemand; pāpam — zonden; carati — begaat; pūruṣaḥ — een mens; anicchan — zonder te verlangen; api — hoewel; vārṣṇeya — o afstammeling van Vṛṣṇi; balāt — door kracht; iva — alsof; niyojitaḥ — gedreven.

Vertaling

Arjuna zei: O afstammeling van Vṛṣṇi, wat is het waardoor iemand zelfs tegen zijn wil in tot zondige handelingen wordt aangedreven, alsof hij ertoe gedwongen wordt?

Betekenisverklaring

Als integrerend deeltje van de Allerhoogste is het levend wezen van oorsprong spiritueel, puur en vrij van alle materiële onzuiverheden. Het is daarom van nature niet onderhevig aan de zondige neigingen van de materiële wereld. Maar wanneer het in contact staat met de materiële natuur, houdt het zich zonder schroom met vele zondige activiteiten bezig, soms zelfs tegen zijn wil in. De vraag van Arjuna aan Kṛṣṇa over de verwrongen natuur van de levende wezens is daarom heel relevant. Hoewel het levend wezen soms niet zondig wil zijn, is het desondanks gedwongen zo te handelen. Zondige activiteiten worden niet veroorzaakt door de Superziel in het hart, maar hebben een andere oorzaak, zoals de Heer in het volgende vers zal uitleggen.

Tekst

śrī-bhagavān uvāca
kāma eṣa krodha eṣa
rajo-guṇa-samudbhavaḥ
mahāśano mahā-pāpmā
viddhy enam iha vairiṇam

Synoniemen

śrī-bhagavān uvāca — de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods zei; kāmaḥ — lust; eṣaḥ — deze; krodhaḥ — woede; eṣaḥ — deze; rajaḥ-guṇa — de hoedanigheid hartstocht; samudbhavaḥ — voortgekomen uit; mahā-aśa-naḥ — allesverslindend; mahā-pāpmā — uiterst zondig; viddhi — weet; enam — deze; iha — in de materiële wereld; vairiṇam — grootste vijand.

Vertaling

De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods zei: Het is niets anders dan lust, Arjuna, die ontstaat door contact met de materiële hoedanigheid hartstocht, die later overgaat in woede en die de allesverslindende, zondige vijand van deze wereld is.

Betekenisverklaring

Wanneer het levend wezen in contact komt met de materiële wereld, wordt zijn eeuwige liefde voor Kṛṣṇa, door de werkzaamheid van de hoedanigheid hartstocht, omgezet in lust. Met andere woorden, iemands liefde voor God wordt omgezet in lust, net zoals melk in yoghurt wordt omgezet wanneer ze in contact komt met zure tamarinde. Maar als die lust niet bevredigd wordt, verandert hij in woede; woede veroorzaakt illusie, en illusie is de oorzaak van de verlenging van het materiële bestaan. Lust is daarom de grootste vijand van het levend wezen en het is alleen lust die het levend wezen ertoe aanzet om verstrikt te blijven in de materiële wereld. Woede is een uiting van de hoedanigheid onwetendheid. De hoedanigheden onwetendheid en hartstocht manifesteren zich als woede en andere gevolgen. Wanneer de hoedanigheid hartstocht, in plaats van te degraderen naar de hoedanigheid onwetendheid, wordt verheven naar de hoedanigheid goedheid door op de voorgeschreven manier te leven en te handelen, dan kan men door spirituele gehechtheid gered worden van de degradering die het gevolg is van woede.

De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods heeft Zichzelf geëxpandeerd in velen voor Zijn altijd toenemende spirituele vreugde en de levende wezens zijn een onderdeel van die spirituele vreugde. Ze hebben een gedeeltelijke onafhankelijkheid, maar door hier misbruik van te maken verandert hun houding van dienstbaarheid in een drang naar zinsbevrediging en zo komen ze in de macht van lust. De materiële wereld is door de Heer geschapen om de geconditioneerde zielen de mogelijkheid te geven om deze zinnelijke verlangens te vervullen, maar wanneer ze volledig gefrustreerd zijn door hun aanhoudelijke zinnelijke activiteiten, beginnen ze vragen te stellen naar hun werkelijke positie.

Dit onderzoek is het begin van de Vedānta-sūtra’s waarin gezegd wordt athāto brahma-jijñāsā: men moet vragen stellen over het Allerhoogste. En het Allerhoogste wordt in het Śrīmad-Bhāgavatam beschreven als janmādy asya yato ’nvayād itarataś ca: ‘De oorsprong van alles is het Allerhoogste Brahman.’ De oorsprong van lust ligt daarom ook in het Allerhoogste. Wanneer lust wordt omgezet in liefde voor de Allerhoogste of in Kṛṣṇa-bewustzijn — of met andere woorden, wanneer we alles verlangen voor Kṛṣṇa — dan worden zowel lust als woede gespiritualiseerd. Hanumān, de grote dienaar van Heer Rāma, toonde zijn woede door de gouden stad van Rāvaṇa in brand te steken en werd daardoor de grootste toegewijde van de Heer. In de Bhagavad-gītā haalt de Heer Arjuna over om zijn woede tegen zijn vijanden te gebruiken om Hem tevreden te stellen. Wanneer lust en woede daarom gebruikt worden voor Kṛṣṇa, worden het onze vrienden in plaats van onze vijanden.

Tekst

dhūmenāvriyate vahnir
yathādarśo malena ca
yatholbenāvṛto garbhas
tathā tenedam āvṛtam

Synoniemen

dhūmena — door rook; āvriyate — wordt verhuld; vahniḥ — vuur; yathā — zoals; ādarśaḥ — spiegel; malena — door stof; ca — en; yathā — zoals; ulbena — door de moederschoot; āvṛtaḥ — wordt omhuld; garbhaḥ — het embryo; tathā — zo; tena — door die lust; idam — deze; āvṛtam — wordt bedekt.

Vertaling

Zoals vuur verhuld wordt door rook, een spiegel bedekt wordt door stof of zoals een embryo omhuld wordt door de moederschoot, zo wordt het levend wezen verhuld door verschillende gradaties van deze lust.

Betekenisverklaring

Het zuivere bewustzijn van het levend wezen wordt verduisterd door drie niveaus van verhulling. Deze verhulling is niets anders dan lust die zich op verschillende manieren manifesteert, zoals rook voor vuur, stof op een spiegel en de baarmoeder rond een embryo.

Wanneer lust met rook wordt vergeleken, dan betekent dat dat het vuur van een levende vonk enigszins waarneembaar is. Met andere woorden, wanneer het levend wezen enigszins Kṛṣṇa-bewustzijn vertoont, kan het vergeleken worden met vuur dat door rook bedekt wordt. Hoewel er vuur moet zijn waar rook is, is het in het beginstadium niet openlijk zichtbaar. Dit niveau is als het begin in Kṛṣṇa-bewustzijn.

Het stof op de spiegel verwijst naar een zuiveringsproces van de spiegel van de geest door verschillende spirituele methoden. Het beste proces is het chanten van de heilige namen van de Heer.

Het embryo dat door de baarmoeder bedekt wordt, is een analogie ter illustratie van een hulpeloze positie, want het kind in de baarmoeder is zo hulpeloos, dat het zich niet eens kan bewegen. Deze levenssituatie kan vergeleken worden met die van bomen. Bomen zijn ook levende wezens, maar ze bevinden zich in deze levensomstandigheden doordat ze zo van lust zijn vervuld, dat ze nagenoeg al hun bewustzijn kwijt zijn.

De bedekte spiegel wordt vergeleken met vogels en dieren en het vuur dat door rook omgeven is, wordt met het menselijk wezen vergeleken. In de menselijke levensvorm kan het levend wezen een klein beetje Kṛṣṇa-bewustzijn opwekken, en als het meer vooruitgang maakt, kan het vuur van het spirituele leven in hem ontbranden. Door voorzichtig om te gaan met de rook in het vuur, kan dat vuur hoog oplaaien. De menselijke levensvorm is daarom een kans voor het levend wezen om te ontsnappen aan de verstrikking van het materiële bestaan. In de menselijke levensvorm kan men de vijand, lust, overwinnen door onder deskundige begeleiding Kṛṣṇa-bewustzijn te cultiveren.

Tekst

āvṛtaṁ jñānam etena
jñānino nitya-vairiṇā
kāma-rūpeṇa kaunteya
duṣpūreṇānalena ca

Synoniemen

āvṛtam — verhuld; jñānam — zuiver bewustzijn; etena — hierdoor; jñāninaḥ — van de kenner; nitya-vairiṇā — door de eeuwige vijand; kāma-rūpeṇa — in de vorm van lust; kaunteya — o zoon van Kuntī; duṣpūreṇa — onverzadigbaar; analena — door het vuur; ca — ook.

Vertaling

Zo raakt het zuivere bewustzijn van het wijze levend wezen verhuld door zijn eeuwige vijand in de vorm van lust, die onverzadigbaar is en brandt als vuur.

Betekenisverklaring

In de Manu-smṛti wordt gezegd dat lust door geen enkele hoeveelheid zinsbevrediging bevredigd kan worden, net zoals vuur nooit geblust kan worden door het voortdurend van brandstof te voorzien. In de materiële wereld is seks het centrum van alle activiteiten en daarom wordt de materiële wereld maithunya-āgāra genoemd, de keten van seksualiteit. Zoals criminelen in een gewone gevangenis achter tralies worden gehouden, zo worden de criminelen die ongehoorzaam zijn aan de wetten van de Heer, geketend door seksualiteit.

De vooruitgang van de materiële beschaving op basis van zinsbevrediging betekent het verlengen van de tijdsduur van het materiële bestaan van het levend wezen. Deze lust is daarom het symbool van onwetendheid die het levend wezen in de materiële wereld houdt. Het kan zijn dat men een zeker geluksgevoel ervaart wanneer men zijn zintuigen bevredigt, maar dit zogenaamde geluk is in de diepste zin de ergste vijand van de levensgenieter.

Tekst

indriyāṇi mano buddhir
asyādhiṣṭhānam ucyate
etair vimohayaty eṣa
jñānam āvṛtya dehinam

Synoniemen

indriyāṇi — de zintuigen; manaḥ — de geest; buddhiḥ — de intelligentie; asya — van deze lust; adhiṣṭhānam — zetel; ucyate — wordt genoemd; etaiḥ — door al deze; vimohayati — verbijsterd; eṣaḥ — deze lust; jñānam — kennis; āvṛtya — bedekken; dehinam — van de belichaamde.

Vertaling

De zintuigen, de geest en de intelligentie zijn de zetels van deze lust, die de werkelijke kennis van het levend wezen bedekt en het daardoor in verwarring brengt.

Betekenisverklaring

De vijand heeft verschillende strategische posities ingenomen in het lichaam van de geconditioneerde ziel en Heer Kṛṣṇa geeft aan wat die posities zijn, zodat iemand die de vijand wil verslaan, weet waar deze te vinden is. De geest is het centrum van alle activiteiten van de zintuigen en wanneer we over zinsobjecten horen, wordt de geest over het algemeen een vergaarbak van allerlei ideeën voor zinsbevrediging; de geest en de zintuigen worden hierdoor de plaatsen waar lust zich ophoudt. Daarna wordt de intelligentie de hoofdplaats van zulke zinnelijke neigingen. De intelligentie grenst direct aan de ziel en wanneer ze vol lust is, zorgt de intelligentie ervoor dat de ziel het vals ego verwerft en zich identificeert met materie en dus ook met de geest en de zintuigen.

De ziel raakt verslaafd aan het genieten van de materiële zintuigen en verwart dit met werkelijk geluk. Deze misidentificatie van de ziel wordt in het Śrīmad-Bhāgavatam (10.84.13) zeer goed uitgelegd:

yasyātma-buddhiḥ kuṇape tri-dhātuke
sva-dhīḥ kalatrādiṣu bhauma ijya-dhīḥ
yat-tīrtha-buddhiḥ salile na karhicij
janeṣv abhijñeṣu sa eva go-kharaḥ

‘Een menselijk wezen dat zichzelf identificeert met het lichaam dat uit drie elementen bestaat, dat de bijproducten van het lichaam als zijn verwanten beschouwt, dat het land waarin hij is geboren als vererenswaardig beschouwt en dat alleen maar naar een heilige plaats gaat om een bad te nemen, in plaats van er personen te ontmoeten die transcendentale kennis hebben, moet worden beschouwd als een ezel of een koe.’

Tekst

tasmāt tvam indriyāṇy ādau
niyamya bharatarṣabha
pāpmānaṁ prajahi hy enaṁ
jñāna-vijñāna-nāśanam

Synoniemen

tasmāt — daarom; tvam — je; indriyāṇi — zintuigen; ādau — in het begin; ni-yamya — door te reguleren; bharata-ṛṣabha — o beste onder de afstammelingen van Bharata; pāpmānam — het grote symbool van zonde; prajahi — bedwing; hi — zeker; enam — deze; jñāna — van kennis; vijñāna — en wetenschappelijke kennis over de zuivere ziel; nāśanam — de vernietiger.

Vertaling

O Arjuna, beste onder de Bhārata’s, bedwing daarom vanaf het begin dit grote symbool van zonde [lust] door de zintuigen te beheersen en dood deze vernietiger van kennis en zelfrealisatie.

Betekenisverklaring

De Heer raadde Arjuna aan om de zintuigen vanaf het prille begin te reguleren, zodat hij de grootste, zondige vijand, namelijk lust, zou kunnen verslaan, de vijand die de drang naar zelfrealisatie en de specifieke kennis van het zelf vernietigt. Jñāna verwijst naar de kennis van het verschil tussen zelf en niet-zelf, of met andere woorden, de kennis dat de ziel niet het lichaam is. Vijñāna verwijst naar de specifieke kennis van de wezenlijke positie van de ziel en haar relatie met de Allerhoogste Ziel. In het Śrīmad-Bhāgavatam (2.9.31) wordt dat als volgt uitgelegd:

jñānaṁ parama-guhyaṁ me
yad vijñāna-samanvitam
sa-rahasyaṁ tad-aṅgaṁ ca
gṛhāṇa gaditaṁ mayā

‘Kennis over de ziel en de Superziel is heel vertrouwelijk en mysterieus, maar zulke kennis en specifieke bewustwording kan begrepen worden, wanneer deze samen met hun verschillende aspecten door de Heer Zelf worden uitgelegd.’ De Bhagavad-gītā geeft ons die algemene en specifieke kennis van de ziel. De levende wezens zijn integrerende deeltjes van de Heer en zijn er daarom eenvoudigweg voor bedoeld om Hem te dienen. Dit bewustzijn wordt Kṛṣṇa-bewustzijn genoemd. Vanaf het prilste begin van het leven moet men dit Kṛṣṇa-bewustzijn leren; hierdoor kan men volledig Kṛṣṇa-bewust worden en overeenkomstig handelen.

Lust is niets anders dan een verwrongen weerspiegeling van de liefde voor God die ieder levend wezen van nature heeft. Als iemand vanaf het begin van zijn leven onderwijs heeft gehad in Kṛṣṇa-bewustzijn, dan kan die natuurlijke liefde voor God niet verslechteren tot lust. Ontaardt die liefde voor God toch in lust, dan is het heel moeilijk om terug te keren naar de normale toestand. Maar ondanks dat is Kṛṣṇa-bewustzijn zo sterk, dat zelfs iemand die laat begint, liefde voor God kan ontwikkelen door de regulerende principes van devotionele dienst te volgen. Binnen elk levensstadium of vanaf het moment dat iemand de noodzaak ervan inziet, kan men beginnen met het reguleren van de zintuigen in Kṛṣṇa-bewustzijn of devotionele dienst aan de Heer en kan men lust veranderen in liefde voor God, het hoogste niveau van volmaaktheid van het menselijk leven.

Tekst

indriyāṇi parāṇy āhur
indriyebhyaḥ paraṁ manaḥ
manasas tu parā buddhir
yo buddheḥ paratas tu saḥ

Synoniemen

indriyāṇi — zintuigen; parāṇi — hoger; āhuḥ — worden gezegd; indri-yebhyaḥ — meer dan de zintuigen; param — hoger; manaḥ — de geest; manasaḥ — meer dan de geest; tu — ook; parā — hoger; buddhiḥ — intelligentie; yaḥ — wie; buddheḥ — meer dan de intelligentie; parataḥ — hoger; tu — maar; saḥ — hij.

Vertaling

De actieve zintuigen staan boven de levenloze materie; hoger dan de zintuigen is de geest; nog hoger dan de geest is de intelligentie; maar zij [de ziel] staat zelfs boven de intelligentie.

Betekenisverklaring

De zintuigen zijn verschillende uitlaatkleppen voor lust. Deze lust ligt opgeslagen in het lichaam, maar vindt een uitweg door de zintuigen. De zintuigen zijn daarom hoger dan het lichaam in zijn geheel. Deze uitgangen worden niet gebruikt wanneer er sprake is van een hoger bewustzijn of Kṛṣṇa-bewustzijn. In Kṛṣṇa-bewustzijn maakt de ziel rechtstreeks contact met de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods; de hiërarchie van lichamelijke functies die hier beschreven wordt, eindigt daarom uiteindelijk in de Allerhoogste Ziel.

Lichamelijke activiteit betekent het functioneren van de zintuigen en het stoppen van de zintuigen betekent dat alle lichamelijke activiteiten gestopt worden. Maar omdat de geest van nature actief is — zelfs al is het lichaam bewegingloos en rustig — moet hij bezig zijn, zoals het geval is tijdens dromen. Boven de geest staat echter de vastberadenheid van de intelligentie, en boven de intelligentie staat de ziel zelf. Wanneer de ziel rechtstreeks verbonden is met de Allerhoogste, zullen alle ondergeschikte functies als de intelligentie, de geest en de zintuigen daar natuurlijkerwijs ook mee verbonden zijn.

In de Kaṭha Upaniṣad staat een vergelijkbare passage, waarin gezegd wordt dat de objecten van zinsbevrediging hoger zijn dan de zintuigen en dat de geest hoger is dan de zinsobjecten. Als de geest daarom rechtstreeks bezig is in voortdurende dienst aan de Heer, kunnen de zintuigen onmogelijk op andere manieren bezig zijn. Deze mentaliteit werd al eerder uitgelegd. Paraṁ dṛṣṭvā nivartate. Wanneer de geest bezig is met transcendentale dienst aan de Heer, kan hij onmogelijk beïnvloed worden door lagere neigingen. In de Kaṭha Upaniṣad wordt de ziel beschreven als mahān, de grote. De ziel staat daarom boven hen allemaal: boven de zinsobjecten, de zintuigen, de geest en de intelligentie. Een exact begrip van de wezenlijke positie van de ziel is daarom de oplossing voor het hele probleem. Men moet met behulp van de intelligentie de wezenlijke positie van de ziel ontdekken en de geest vervolgens altijd Kṛṣṇa-bewust houden. Dat is de oplossing voor het hele probleem.

Een beginnend spiritualist wordt over het algemeen aangeraden zich afzijdig te houden van de zinsobjecten, maar daarnaast moet iemand zijn geest door zijn intelligentie sterken. Wanneer iemand door intelligentie zijn geest Kṛṣṇa-bewust houdt door volledige overgave aan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, dan zal de geest vanzelf sterker worden. En zelfs al zijn de zintuigen heel sterk, net als slangen, toch zullen ze niet gevaarlijker zijn dan slangen met gebroken giftanden. Maar hoewel de ziel de meester van de intelligentie, de geest en ook de zintuigen is, bestaat er toch het risico dat ze terugvalt door de onrustige geest, als ze niet gesterkt is door omgang met Kṛṣṇa in Kṛṣṇa-bewustzijn.

Tekst

evaṁ buddheḥ paraṁ buddhvā
saṁstabhyātmānam ātmanā
jahi śatruṁ mahā-bāho
kāma-rūpaṁ durāsadam

Synoniemen

evam — zo; buddheḥ — aan intelligentie; param — hoger; buddhvā — wetend; saṁstabhya — door te beheersen; ātmānam — de geest; ātma-nā — door een zorgvuldige intelligentie; jahi — overwin; śatrum — de vijand; mahā-bāho — o sterkgearmde; kāma-rūpam — in de vorm van lust; durāsadam — geducht.

Vertaling

Wanneer men weet dat men transcendentaal is aan de materiële zintuigen, geest en intelligentie, o sterkgearmde Arjuna, dan moet men de geest met een zorgvuldige, spirituele intelligentie [Kṛṣṇa-bewustzijn] beheersen en zo — door spirituele kracht — deze onverzadigbare vijand, genaamd lust, overwinnen.

Betekenisverklaring

Dit derde hoofdstuk van de Bhagavad-gītā leidt iemand op een afdoende manier naar Kṛṣṇa-bewustzijn door te laten zien dat men zich ervan bewust moet zijn dat men de eeuwige dienaar van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods is, zonder de onpersoonlijke leegte als het uiteindelijke doel te beschouwen. In het materiële bestaan wordt iemand onvermijdelijk beïnvloed door lust en een verlangen om de rijkdommen van de materiële natuur te beheersen. Het verlangen naar heerschappij en zinsbevrediging is de grootste vijand van de geconditioneerde ziel, maar door de kracht van het Kṛṣṇa-bewustzijn kan men de materiële zintuigen, geest en intelligentie beheersen. Men mag niet zomaar zijn activiteiten en voorgeschreven plichten opgeven, maar door geleidelijk aan vooruitgang te maken in Kṛṣṇa-bewustzijn, kan men in een transcendentale positie komen zonder beïnvloed te worden door de materiële zintuigen en geest; dit door een vastberaden intelligentie die gericht is op iemands zuivere identiteit. Dat is de conclusie van dit hoofdstuk.

In het onvolwassen stadium van het materiële bestaan kunnen filosofische speculaties en kunstmatige pogingen om de zintuigen te beheersen door het zogenaamd beoefenen van yogahoudingen, iemand nooit helpen om tot spiritueel leven te komen. Men moet door een hogere intelligentie worden getraind in Kṛṣṇa-bewustzijn.

Zo eindigen de commentaren van Śrī Śrīmad A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupāda bij het derde hoofdstuk van Śrīmad Bhagavad-gītā, getiteld ‘Karma-yoga’ over het uitvoeren van voorgeschreven plicht in Kṛṣṇa-bewustzijn.