Skip to main content

Hoofdstuk 1

HET AANSCHOUWEN VAN DE STRIJDMACHTEN OP HET SLAGVELD VAN KURUKSETRA

Tekst

dhṛtarāṣṭra uvāca
dharma-kṣetre kuru-kṣetre
samavetā yuyutsavaḥ
māmakāḥ pāṇḍavāś caiva
kim akurvata sañjaya

Synoniemen

dhṛtarāṣṭraḥ uvāca — koning Dhṛtarāṣṭra zei; dharma-kṣetre — in de bedevaartplaats; kuru-kṣetre — in de plaats genaamd Kurukṣetra; sama-vetāḥ — bijeengekomen; yuyutsavaḥ — met het verlangen te strijden; māmakāḥ — mijn partij (zonen); pāṇḍavāḥ — de zonen van Pāṇḍu; ca — en; eva — zeker; kim — wat; akurvata — deden ze; sañjaya — o Sañjaya.

Vertaling

Dhṛtarāṣṭra zei: O Sañjaya, wat deden mijn zonen en de zonen van Pāṇḍu toen ze vol strijdlust bijeen waren gekomen in de bedevaartplaats Kurukṣetra?

Betekenisverklaring

De Bhagavad-gītā is de veelgelezen theïstische wetenschap die in het Gītā-māhātmya (De verheerlijking van de Gītā) is samengevat. Daarin wordt gezegd dat men de Bhagavad-gītā met behulp van een toegewijde van Śrī Kṛṣṇa heel zorgvuldig moet lezen en dat men haar moet proberen te begrijpen zonder persoonlijk gekleurde interpretaties. In de Bhagavad-gītā zelf is het voorbeeld te vinden van hoe de Gītā begrepen moet worden, namelijk zoals ze door Arjuna begrepen werd, die de Gītā rechtstreeks van de Heer hoorde. Wanneer men fortuinlijk genoeg is de Bhagavad-gītā te begrijpen in die opeenvolging van discipelen, zonder gekleurde interpretaties, dan overstijgt men de studie van de Vedische wijsheid en alle andere heilige teksten van de wereld. In de Bhagavad-gītā zal men alles vinden wat ook in andere heilige teksten aanwezig is, maar de lezer zal er ook dingen in aantreffen die nergens anders te vinden zijn. Dat is de speciale positie die de Bhagavad-gītā inneemt. Ze is de perfecte theïstische wetenschap, omdat ze rechtstreeks gesproken werd door de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Heer Śrī Kṛṣṇa.

De onderwerpen die tussen Dhṛtarāṣṭra en Sañjaya besproken worden en die in het Mahābhārata worden beschreven, vormen de grondslag voor deze grootse filosofie. Deze filosofie werd uiteengezet op het Slagveld van Kurukṣetra, dat al sinds de onheuglijke tijd van het Vedische tijdperk een bedevaartplaats is. De Heer sprak deze filosofie toen Hij persoonlijk op deze planeet aanwezig was om leiding te geven aan de mensheid.

Het woord ‘dharma-kṣetra’ (een plaats waar religieuze rituelen worden verricht) is belangrijk omdat de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods op het Slagveld van Kurukṣetra aan de kant van Arjuna stond. Dhṛtarāṣṭra, de vader van de Kuru’s, twijfelde er sterk aan dat zijn zonen uiteindelijk zouden zegevieren. Terwijl hij zo twijfelde, vroeg hij aan Sañjaya, zijn secretaris: ‘Wat deden ze?’ Hij was ervan overtuigd dat zowel zijn zonen als die van zijn jongere broer Pāṇḍu vol vastberadenheid op het slagveld bijeengekomen waren om de strijd aan te gaan. Maar toch is zijn vraag belangrijk. Hij wilde niet dat de neven en broers een compromis zouden aangaan en hij wilde zeker zijn van het lot van zijn zonen op het slagveld. Omdat besloten was dat de slag zou plaatsvinden op Kurukṣetra, dat ergens anders in de Veda’s beschreven wordt als een bedevaartsoord — zelfs voor de hemelbewoners — werd Dhṛtarāṣṭra zeer bezorgd over de invloed van de heilige plaats op de uitkomst van de strijd. Hij wist maar al te goed dat deze invloed gunstig was voor Arjuna en de zonen van Pāṇḍu, omdat ze allemaal van nature deugdzaam waren. Sañjaya was een leerling van Vyāsa en was daarom door de genade van Vyāsa in staat om zich het Slagveld van Kurukṣetra voor de geest te halen, ook al bevond hij zich in de kamer van Dhṛtarāṣṭra. Daarom vroeg Dhṛtarāṣṭra hem naar de situatie op het slagveld.

De Pāṇḍava’s en de zonen van Dhṛtarāṣṭra behoren tot dezelfde familie, maar Dhṛtarāṣṭra onthult hier zijn gedachten. Hij rekende doelbewust alleen zijn eigen zonen tot de Kuru’s en hij ontzegde de zonen van Pāṇḍu hun erfdeel. Hieruit wordt duidelijk wat Dhṛtarāṣṭra’s relatie en positie was ten opzichte van zijn neven, de zonen van Pāṇḍu. Zoals in een rijstveld de overbodige planten weggenomen worden, zo kon vanaf het begin van deze gebeurtenissen verwacht worden dat op het heilige veld Kurukṣetra, waar Śrī Kṛṣṇa, de vader van religie, aanwezig was, de ongewenste planten zoals Dhṛtarāṣṭra’s zoon Duryodhana en anderen weggevaagd zouden worden en dat diep religieuze personen, aangevoerd door Yudhiṣṭhira, door de Heer zouden worden aangesteld. Dat is de betekenis van de woorden ‘dharma-kṣetre’ en ‘kuru-kṣetre’, los van hun historische en Vedische betekenis.

Tekst

sañjaya uvāca
dṛṣṭvā tu pāṇḍavānīkaṁ
vyūḍhaṁ duryodhanas tadā
ācāryam upasaṅgamya
rājā vacanam abravīt

Synoniemen

sañjayaḥ uvāca — Sañjaya zei; dṛṣṭvā — na gezien te hebben; tu — maar; pāṇḍava-anīkam — de soldaten van de Pāṇḍava’s; vyūḍham — in gevechtsformatie opgesteld; duryodhanaḥ — koning Duryodhana; tadā — op dat moment; ācāryam — de leraar; upasaṅgamya — benaderde; rājā — de koning; vacanam — woorden; abravīt — sprak.

Vertaling

Sañjaya zei: O koning, nadat hij zijn blik had laten gaan over het leger dat door de zonen van Pāṇḍu in gevechtsformatie was opgesteld, ging koning Duryodhana naar zijn leraar en sprak de volgende woorden.

Betekenisverklaring

Dhṛtarāṣṭra was blind vanaf zijn geboorte. Het ontbrak hem helaas ook aan spirituele visie. Hij wist maar al te goed dat zijn zonen wat religie betreft net zo blind waren en hij was ervan overtuigd dat ze nooit tot een schikking zouden komen met de Pāṇḍava’s, die allemaal vanaf hun geboorte vroom waren. Toch had hij zijn twijfels over de invloed van de bedevaartplaats en Sañjaya begreep zijn beweegreden toen hij naar de situatie op het slagveld vroeg. Sañjaya wilde de zwaarmoedige koning daarom moed inspreken en verzekerde hem dat zijn zonen onder invloed van de heilige plaats geen compromis zouden sluiten. Sañjaya vertelde de koning dat zijn zoon, Duryodhana, nadat hij de legermacht van de Pāṇḍava’s gezien had, zich onmiddellijk wendde tot Droṇācārya, zijn opperbevelhebber, om hem over de werkelijke situatie in te lichten. Hoewel Duryodhana aangeduid wordt als koning, moest hij zich vanwege de ernst van de situatie toch tot zijn opperbevelhebber wenden. Zo bewees hij een goed politicus te zijn. Maar Duryodhana’s diplomatieke façade kon de angst die hij voelde toen hij de gevechtsformatie van de Pāṇḍava’s zag, niet verbergen.

Tekst

paśyaitāṁ pāṇḍu-putrānām
ācārya mahatīṁ camūm
vyūḍhāṁ drupada-putreṇa
tava śiṣyeṇa dhīmatā

Synoniemen

paśya — aanschouw; etām — deze; pāṇḍu-putrāṇām — van de zonen van Pāṇḍu; ācārya — o leraar; mahatīm — grote; camūm — strijdmacht; vyūḍhām — opgesteld; drupada-putreṇa — door de zoon van Drupada; tava — uw; śiṣyeṇa — discipel; dhī-matā — zeer intelligente.

Vertaling

O leraar, aanschouw de grote strijdmacht van de zonen van Pāṇḍu, die zo vakkundig is opgesteld door uw intelligente discipel, de zoon van Drupada.

Betekenisverklaring

Duryodhana wilde, diplomatiek als hij was, de gebreken aantonen van Droṇācārya, de grote brāhmaṇa-bevelhebber. Droṇācārya had een politieke ruzie met koning Drupada, de vader van Draupadī, Arjuna’s vrouw. Als gevolg van die ruzie bracht Drupada een groot offer en kreeg als gunst een zoon die Droṇācārya zou kunnen doden. Droṇācārya was hiervan goed op de hoogte, maar omdat hij een ruimdenkende brāhmaṇa was, aarzelde hij niet om al zijn militaire geheimen te onthullen aan Dhṛṣṭadyumna, de zoon van Drupada, toen deze hem werd toevertrouwd om onderwezen te worden in de strijdkunst. Maar op het slagveld koos Dhṛṣṭadyumna de kant van de Pāṇḍava’s en hij was het die voor de opstelling van hun gevechtsformaties gezorgd had, nadat hij deze kunst van Droṇācārya had geleerd. Duryodhana wees op deze fout van Droṇācārya, zodat hij alert en onverzettelijk zou zijn in de strijd. Duryodhana wilde op die manier ook aangeven dat Droṇācārya tijdens de strijd niet net zo toegeeflijk moest zijn tegenover de Pāṇḍava’s, die ook tot zijn geliefde leerlingen behoorden. Arjuna was in het bijzonder zijn briljantste en meest geliefde leerling. Duryodhana waarschuwde er ook voor dat een dergelijke toegeeflijkheid in de strijd tot de nederlaag zou leiden.

Tekst

atra śūrā maheṣv-āsā
bhīmārjuna-samā yudhi
yuyudhāno virāṭaś ca
drupadaś ca mahā-rathaḥ

Synoniemen

atra — hier; śūrāḥ — helden; mahā-iṣu-āsāḥ — machtige boogschutters; bhīma-arjuna — aan Bhīma en Arjuna; samāḥ — gelijk aan; yudhi — in de strijd; yuyudhānaḥ — Yuyudhāna; virāṭaḥ — Virāṭa; ca — ook; drupadaḥ — Drupada; ca — ook; mahā-rathaḥ — groot strijder.

Vertaling

In dit leger bevinden zich vele heldhaftige boogschutters, die in de strijd gelijk zijn aan Bhīma en Arjuna: grote krijgslieden zoals Yuyudhāna, Virāṭa en Drupada.

Betekenisverklaring

Hoewel Dhṛṣṭadyumna niet zo’n belangrijk obstakel was in vergelijking met Droṇācārya’s geweldige militaire kracht, waren er wel heel wat anderen die gevreesd moesten worden. Duryodhana vermeldt ze hier als grote struikelblokken op het pad naar de overwinning, omdat de genoemde personen allemaal net zulke geduchte tegenstanders waren als Bhīma en Arjuna. Hij kende de kracht van Bhīma en Arjuna en vergeleek de anderen daarom met hen.

Tekst

dhṛṣṭaketuś cekitānaḥ
kāśirājaś ca vīryavān
purujit kuntibhojaś ca
śaibyaś ca nara-puṅgavaḥ

Synoniemen

dhṛṣṭaketuḥ — Dhṛṣṭaketu; cekitānaḥ — Cekitāna; kāśirājaḥ — Kāśirāja; ca — ook; vīryavān — zeer krachtig; purujit — Purujit; kuntibhojaḥ — Kuntibhoja; ca — en; śaibyaḥ — Śaibya; ca — en; nara-puṅgavaḥ — held onder de mensen.

Vertaling

Er zijn ook grote heldhaftige en geduchte strijders zoals Dhṛṣṭaketu, Cekitāna, Kāśirāja, Purujit, Kuntibhoja en Śaibya.

Tekst

yudhāmanyuś ca vikrānta
uttamaujāś ca vīryavān
saubhadro draupadeyāś ca
sarva eva mahā-rathāḥ

Synoniemen

yudhāmanyuḥ — Yudhāmanyu; ca — en; vikrāntaḥ — machtige; uttamaujāḥ — Uttamaujā; ca — en; vīryavān — zeer sterk; saubhadraḥ — Subhadrā’s zoon; draupadeyāḥ — de zonen van Draupadī; ca — en; sarve — allemaal; eva — zeker; mahā-rathāḥ — grote strijdwagenvechters.

Vertaling

Daarnaast zijn er nog de machtige Yudhāmanyu, de uiterst krachtige Uttamaujā, de zoon van Subhadrā, en de zonen van Draupadī. Al deze krijgers zijn grote strijdwagenvechters.

Tekst

asmākaṁ tu viśiṣṭā ye
tān nibodha dvijottama
nāyakā mama sainyasya
saṁjñārthaṁ tān bravīmi te

Synoniemen

asmākam — onze; tu — maar; viśiṣṭāḥ — uitzonderlijk machtig; ye — die; tān — hen; nibodha — vestig uw aandacht op, wees geïnformeerd; dvija-uttama — o beste van de brāhmaṇa’s; nāyakāḥ — bevelhebbers; mama — mijn; sainyasya — van de soldaten; saṁjñā-artham — ter informatie; tān — hen; bravīmi — ik spreek; te — tot u.

Vertaling

Maar voor uw informatie, o beste van de brāhmaṇa’s, zal ik u nu over de bevelhebbers vertellen die uitzonderlijk gekwalificeerd zijn om mijn strijdmacht te leiden.

Tekst

bhavān bhīṣmaś ca karṇaś ca
kṛpaś ca samitiṁ-jayaḥ
aśvatthāmā vikarṇaś ca
saumadattis tathaiva ca

Synoniemen

bhavān — uzelf; bhīṣmaḥ — Grootvader Bhīṣma; ca — ook; karṇaḥ — Karṇa; ca — en; kṛpaḥ — Kṛpa; ca — en; samitim-jayaḥ — altijd zegevierend in de strijd; aśvatthāmā — Aśvatthāmā; vikarṇaḥ — Vikarṇa; ca — evenals; saumadattiḥ — de zoon van Somadatta; tathā — en ook; eva — zeker; ca — ook.

Vertaling

Onder hen bevinden zich persoonlijkheden die altijd zegevieren in de strijd, zoals uzelf, Bhīṣma, Karṇa, Kṛpa, Aśvatthāmā, Vikarṇa en de zoon van Somadatta, genaamd Bhūriśravā.

Betekenisverklaring

Duryodhana noemt de buitengewone helden die stuk voor stuk altijd zegevieren in de strijd. Vikarṇa is de broer van Duryodhana, Aśvatthāmā is de zoon van Droṇācārya en Saumadatti of Bhūriśravā is de zoon van de koning van de Bāhlīka’s. Karṇa is de halfbroer van Arjuna, omdat Kuntī geboorte aan hem gaf voordat ze met koning Pāṇḍu trouwde. De tweelingzus van Kṛpācārya trouwde met Droṇācārya.

Tekst

anye ca bahavaḥ śūrā
mad-arthe tyakta-jīvitāḥ
nānā-śastra-praharaṇāḥ
sarve yuddha-viśāradāḥ

Synoniemen

anye — anderen; ca — ook; bahavaḥ — in groten getale; śūrāḥ — helden; mat-arthe — in mijn belang; tyakta-jīvitāḥ — bereid hun leven te wagen; nānā — veel; śastra — wapens; praharaṇāḥ — uitgerust met; sarve — allemaal; yuddha-viśāradāḥ — bedreven in de strijdkunst.

Vertaling

En er zijn nog vele andere helden die bereid zijn hun leven voor mij te geven. Allemaal zijn ze uitgerust met verschillende wapens en allemaal zijn ze bedreven in de strijdkunst.

Betekenisverklaring

Wat de anderen, zoals Jayadratha, Kṛtavarmā en Śalya betreft, ze zijn allemaal vastberaden om hun leven voor Duryodhana te geven. Met andere woorden, het is al duidelijk dat ze allemaal zullen sterven in de Slag van Kurukṣetra, omdat ze de kant hebben gekozen van de zondige Duryodhana. Duryodhana was zelf natuurlijk overtuigd van zijn overwinning door de gezamenlijke kracht van zijn vrienden die hierboven genoemd zijn.

Tekst

aparyāptaṁ tad asmākaṁ
balaṁ bhīṣmābhirakṣitam
paryāptaṁ tv idam eteṣāṁ
balaṁ bhīmābhirakṣitam

Synoniemen

aparyāptam — onmetelijk; tat — dat; asmākam — van ons; balam — kracht; bhīṣma — door Grootvader Bhīṣma; abhirakṣitam — volledig beschermd; paryāptam — beperkt; tu — maar; idam — dit alles; eteṣām — van de Pāṇḍava’s; balam — kracht; bhīma — door Bhīma; abhirakṣitam — zorgvuldig beschermd.

Vertaling

Onze kracht is onmetelijk en we worden volledig beschermd door Groot-vader Bhīṣma, terwijl de kracht van de Pāṇḍava’s, die zorgvuldig worden beschermd door Bhīma, beperkt is.

Betekenisverklaring

Duryodhana maakt hier een schatting van de onderlinge krachtsverhoudingen. Hij denkt dat het vermogen van zijn strijdkrachten onmetelijk is, vooral omdat deze beschermd worden door de meest ervaren generaal, Grootvader Bhīṣma. De strijdmacht van de Pāṇḍava’s daarentegen is beperkt, omdat deze beschermd wordt door een minder ervaren generaal, namelijk Bhīma, die in Bhīṣma’s aanwezigheid niet veel betekent.

Duryodhana was Bhīma altijd vijandig gezind, omdat hij heel goed wist dat, mocht hij ooit gedood worden, zoiets alleen kon gebeuren door de hand van Bhīma. Maar tegelijkertijd was hij overtuigd van zijn overwinning door de aanwezigheid van Bhīṣma, die een generaal was die veruit superieur was. Hij kon niet anders concluderen dan dat hij als overwinnaar uit de strijd tevoorschijn zou komen.

Tekst

ayaneṣu ca sarveṣu
yathā-bhāgam avasthitāḥ
bhīṣmam evābhirakṣantu
bhavantaḥ sarva eva hi

Synoniemen

ayaneṣu — in strategische posities; ca — ook; sarveṣu — overal; yathā-bhā-gam — zoals verschillend opgesteld; avasthitāḥ — geplaatst; bhiṣmam — aan Grootvader Bhīṣma; eva — zeker; abhirakṣantu — moeten dekking geven; bhavantaḥ — jullie; sarve — allemaal respectievelijk; eva hi — zeker.

Vertaling

Jullie moeten Grootvader Bhīṣma nu allemaal volledige dekking geven, ieder vanuit zijn eigen strategische positie om door te dringen in de slagorde van de vijand.

Betekenisverklaring

Nadat hij Bhīṣma’s moed en bekwaamheid geprezen had, bedacht Duryodhana dat de anderen misschien zouden denken dat ze minder belangrijk werden gevonden; daarom probeerde hij op zijn gebruikelijke diplomatieke manier de situatie met de bovenstaande woorden te manipuleren. Hij benadrukte dat Bhīṣmadeva ongetwijfeld de grootste held was, maar dat hij daarnaast ook een oude man was en dat iedereen er daarom aan moest denken om hem van alle kanten te beschermen. Als Bhīṣma betrokken zou raken in de strijd en zich maar op īīn plaats zou concentreren, dan zou de vijand daar zijn voordeel mee kunnen doen. Het was daarom van belang dat de andere helden hun strategische posities niet zouden verlaten, omdat de vijand anders zou kunnen doordringen in de gevechtsformatie. Duryodhana voelde duidelijk dat de overwinning van de Kuru’s afhing van de aanwezigheid van Bhīṣmadeva. Hij was er zeker van dat Bhīṣmadeva en Droṇācārya hem volledig zouden steunen in de strijd, want hij herinnerde zich nog heel goed dat zij geen woord hadden gesproken toen de vrouw van Arjuna, Draupadī, hen in een hulpeloze positie had gesmeekt haar recht te doen toen ze gedwongen werd naakt te verschijnen voor alle generaals die tijdens de samenkomst aanwezig waren. Hoewel hij wist dat de twee generaals een zekere genegenheid voor de Pāṇḍava’s hadden, hoopte hij niettemin dat deze generaals die genegenheid nu volledig zouden opgeven, zoals zij tijdens het gokspel hadden gedaan.

Tekst

tasya sañjanayan harṣaṁ
kuru-vṛddhaḥ pitāmahaḥ
siṁha-nādaṁ vinadyoccaiḥ
śaṅkhaṁ dadhmau pratāpavān

Synoniemen

tasya — zijn; sañjanayan — toenemend; harṣam — blijdschap; kuru-vṛddhaḥ — de voorvader van de Kuru-dynastie (Bhīṣma); pitāmahaḥ — de Grootvader; siṁha-nādam — geluid als het gebrul van een leeuw; vinadya — weerklinkend; uccaiḥ — zeer luid; śaṅkham — hoornschelp; dadhmau — blies; pratāpa-vān — de heldhaftige.

Vertaling

Toen blies Bhīṣma, de grote heldhaftige voorvader van de Kuru-dynastie, de Grootvader van de strijders, zeer luid op zijn hoornschelp. Het geluid was als het gebrul van een leeuw en vervulde Duryodhana met vreugde.

Betekenisverklaring

De voorvader van de Kuru-dynastie begreep wat er in het hart van zijn kleinzoon Duryodhana omging en uit een natuurlijk medeleven probeerde Bhīṣma hem op te vrolijken door zijn hoornschelp zeer luid te laten schallen, wat paste bij zijn positie als leeuw. Door de symboliek van de hoornschelp liet hij zijn terneergeslagen kleinzoon indirect weten dat hij geen kans had om de strijd te winnen, omdat de Allerhoogste Heer zich aan de andere kant bevond. Maar toch bleef het zijn plicht om het gevecht te leiden en daarbij zou hij geen enkele moeite sparen.

Tekst

tataḥ śaṅkhāś ca bheryaś ca
paṇavānaka-gomukhāḥ
sahasaivābhyahanyanta
sa śabdas tumulo ’bhavat

Synoniemen

tataḥ — daarna; śaṅkhāḥ — hoornschelpen; ca — ook; bheryaḥ — grote trommels; ca — en; paṇava-ānaka — kleine trommels en pauken; go-mukhāḥ — bazuinen; sahasā — plotseling; eva — zeker; abhyahanyanta — werden tegelijkertijd ten gehore gebracht; saḥ — dat; śabdaḥ — gezamenlijke geluid; tumulaḥ — tumultueus; abhavat — werd.

Vertaling

Daarna weerklonken plotseling alle hoornschelpen, trommels, bugels, trompetten en bazuinen, en samen gaven ze een daverend geluid.

Tekst

tataḥ śvetair hayair yukte
mahati syandane sthitau
mādhavaḥ pāṇḍavaś caiva
divyau śaṅkhau pradadhmatuḥ

Synoniemen

tataḥ — daarna; śvetaiḥ — met witte; hayaiḥ — paarden; yukte — bespannen; mahati — in een grote; syandane — strijdwagen; sthitau — geplaatst; mādhavaḥ — Kṛṣṇa (de echtgenoot van de godin van het geluk); pāṇḍavaḥ — Arjuna (de zoon van Pāṇḍu); ca — ook; eva — zeker; divyau — transcendentale; śaṅkhau — hoornschelpen; pradadhmatuḥ — lieten weerklinken.

Vertaling

Aan de andere kant van het slagveld stonden Heer Kṛṣṇa en Arjuna in een grote, met witte paarden bespannen strijdwagen en lieten hun transcendentale hoornschelpen weerklinken.

Betekenisverklaring

In tegenstelling tot de hoornschelp waarop Bhīṣmadeva blies, worden de hoornschelpen in de handen van Kṛṣṇa en Arjuna beschreven als transcendentaal. Het weerklinken van de transcendentale hoornschelpen gaf aan dat er voor de andere zijde geen hoop op overwinning bestond, omdat Kṛṣṇa Zich aan de kant van de Pāṇḍava’s bevond. Jayas tu pāṇḍu-putrāṇāṁ yeṣāṁ pakṣe janārdanaḥ. De overwinning is altijd aan personen zoals de zonen van Pāṇḍu, omdat Kṛṣṇa aan hun kant staat. En daar waar de Heer aanwezig is, is ook de godin van het geluk, omdat de godin van het geluk haar echtgenoot nooit alleen laat. Overwinning en voorspoed stonden Arjuna dus op te wachten en het transcendentale geluid dat door de hoornschelp van Viṣṇu of Heer Kṛṣṇa werd voortgebracht, maakte dit duidelijk. Daarnaast was de strijdwagen waarop de twee vrienden zaten door Agni (de vuurgod) als een geschenk aan Arjuna gegeven, wat betekende dat deze strijdwagen in staat was om aan alle zijden de overwinning te behalen, waar in de drie werelden hij ook maar heengereden werd.

Tekst

pāñcajanyaṁ hṛṣīkeśo
devadattaṁ dhanañ-jayaḥ
pauṇḍraṁ dadhmau mahā-śaṅkhaṁ
bhīma-karmā vṛkodaraḥ

Synoniemen

pāñcajanyam — de hoornschelp genaamd Pāñcajanya; hṛṣīka-īśaḥ — Hṛṣīkeśa (Kṛṣṇa, de Heer die de zintuigen van de toegewijden leidt); deva-dattam — de hoornschelp genaamd Devadatta; dhanam-jayaḥ — Dhanañjaya (Arjuna, de overwinnaar van rijkdom); pauṇḍram — de hoorn-schelp genaamd Pauṇḍra; dadhmau — blies; mahā-śaṅkham — de schrikwekkende hoornschelp; bhīma-karmā — iemand die herculische daden verricht; vṛka-udaraḥ — de gulzige eter (Bhīma).

Vertaling

Heer Kṛṣṇa blies op Zijn hoornschelp, genaamd Pāñcajanya, Arjuna blies op de zijne, de Devadatta, en Bhīma, de gulzige eter en verrichter van herculische daden, blies op Pauṇḍra, zijn schrikwekkende hoornschelp.

Betekenisverklaring

Heer Kṛṣṇa wordt in dit vers Hṛṣīkeśa genoemd omdat Hij de eigenaar is van alle zintuigen. Omdat de levende wezens integrerende deeltjes van Hem zijn, zijn de zintuigen van de levende wezens ook integrerende deeltjes van Zijn zintuigen. De impersonalisten hebben geen verklaring voor de zintuigen van de levende wezens en zijn er daarom altijd op uit om alle levende wezens als ‘zintuigloos’ of als onpersoonlijk te beschrijven. De Heer, die Zich in het hart van alle levende wezens bevindt, bestuurt hun zintuigen, maar doet dat afhankelijk van de overgave van het levend wezen en in het geval van een zuivere toegewijde bestuurt Hij de zintuigen rechtstreeks. Hier op het Slagveld van Kurukṣetra bestuurt de Heer de zintuigen van Arjuna rechtstreeks, vandaar deze specifieke naam Hṛṣīkeśa.

De Heer heeft verschillende namen die met Zijn verschillende activiteiten overeenstemmen. Zijn naam is bijvoorbeeld Madhusūdana, omdat Hij een demon doodde met de naam Madhu; Zijn naam is Govinda, omdat Hij plezier geeft aan de koeien en de zintuigen; Zijn naam is Vāsudeva, omdat Hij als de zoon van Vasudeva verscheen; Zijn naam is Devakī-nandana, omdat Hij Devakī als Zijn moeder aanvaardde; Zijn naam is Yaśodā-nandana, omdat Hij Zijn activiteiten van vermaak tijdens Zijn jeugd aan Yaśodā in Vṛndāvana toekende; Zijn naam is Pārtha-sārathi, omdat Hij de wagenmenner van Zijn vriend Arjuna werd. Op dezelfde manier is Zijn naam Hṛṣīkeśa omdat Hij op het Slagveld van Kurukṣetra rechtstreeks leiding gaf aan Arjuna.

Arjuna wordt in dit vers Dhanañjaya genoemd, omdat hij zijn oudere broer hielp met het vergaren van rijkdommen toen de koning die nodig had om verschillende offers te bekostigen. Op dezelfde manier staat Bhīma bekend als Vṛkodara, omdat hij net zo allesverslindend kon eten als hij in staat was herculische daden te verrichten, zoals het doden van de demon Hiḍimba. Zo was het weerklinken van de hoornschelpen van diverse personen aan de kant van de Pāṇḍava’s, beginnend met die van de Heer, zeer bemoedigend voor de vechtende strijders. De tegenpartij miste zulke voordelen en miste ook Kṛṣṇa, de Allerhoogste Bestuurder, aan hun zijde alsook de godin van het geluk. Ze waren dus voorbestemd de strijd te verliezen; dat was de boodschap die het geluid van de hoornschelpen overbracht.

Tekst

anantavijayaṁ rājā
kuntī-putro yudhiṣṭhiraḥ
nakulaḥ sahadevaś ca
sughoṣa-maṇipuṣpakau
kāśyaś ca parameṣv-āsaḥ
śikhaṇḍī ca mahā-rathaḥ
dhṛṣṭadyumno virāṭaś ca
sātyakiś cāparājitaḥ
drupado draupadeyāś ca
sarvaśaḥ pṛthivī-pate
saubhadraś ca mahā-bāhuḥ
śaṅkhān dadhmuḥ pṛthak pṛthak

Synoniemen

ananta-vijayam — de hoornschelp genaamd Anantavijaya; rājā — de koning; kuntī-putraḥ — de zoon van Kuntī; yudhiṣṭhiraḥ — Yudhiṣṭhira; nakulaḥ — Nakula; sahadevaḥ — Sahadeva; ca — en; sughoṣa-maṇi-puṣpakau — de hoornschelpen genaamd Sughoṣa en Maṇipuṣpaka; kāśyaḥ — de koning van Kāśī (Vārāṇasī); ca — en; parama-iṣu-āsaḥ — de grote boogschutter; śikhaṇḍī — Śikhaṇḍī; ca — ook; mahā-rathaḥ — iemand die het helemaal alleen tegen duizenden kan opnemen; dhṛṣṭadyumnaḥ — Dhṛṣṭadyumna (de zoon van koning Drupada); virāṭaḥ — Virāṭa (de prins die de Pāṇḍava’s onderdak bood toen ze zich moesten verbergen); ca — ook; sātyakiḥ — Sātyaki (andere naam van Yuyudhāna, de wagenmenner van Heer Kṛṣṇa); ca — en; aparājitaḥ — die nog nooit verslagen was; drupadaḥ — Drupada, de koning van Pāñcāla; draupadeyāḥ — de zonen van Draupadī; ca — ook; sarvaśaḥ — allemaal; pṛthivī-pate — o koning; saubhadraḥ — Abhimanyu, de zoon van Subhadrā; ca — ook; mahā-bāhuḥ — sterkgearmde; śaṅkhān — hoornschelpen; dadhmuḥ — bliezen; pṛthak pṛthak — ieder afzonderlijk.

Vertaling

Koning Yudhiṣṭhira, de zoon van Kuntī, blies op zijn hoornschelp, de Ananta-vijaya, en Nakula en Sahadeva bliezen op de Sughoṣa en de Maṇipuṣpaka. Die grote boogschutter, de koning van Kāśī, de grote strijder Śikhaṇḍī, Dhṛṣṭadyumna,Virāṭa, de onoverwinnelijke Sātyaki, Drupada, de zonen van Draupadī, en anderen, o koning, zoals de sterkgearmde zoon van Subhadrā, bliezen ieder afzonderlijk op hun hoornschelp.

Betekenisverklaring

Sañjaya maakte koning Dhṛtarāṣṭra tactvol duidelijk dat het bedriegen van de zonen van Pāṇḍu en de poging om zijn eigen zonen op de troon te zetten onverstandig en niet bepaald bewonderenswaardig was. Alle voortekenen wezen er duidelijk op dat de hele Kuru-dynastie in de grote slag gedood zou worden. Beginnend met Bhīṣma, de voorvader, tot kleinzonen als Abhimanyu en anderen, samen met de koningen van vele naties van de wereld, waren ze allemaal aanwezig en waren ze allemaal gedoemd te sterven. Koning Dhṛtarāṣṭra was de veroorzaker van de hele catastrofe, omdat hij de handelswijze van zijn zonen aanmoedigde.

Tekst

sa ghoṣo dhārtarāṣṭrāṇāṁ
hṛdayāni vyadārayat
nabhaś ca pṛthivīṁ caiva
tumulo ’bhyanunādayan

Synoniemen

saḥ — die; ghoṣaḥ — geluidstrilling; dhārtarāṣṭrāṇām — van de zonen van Dhṛtarāṣṭra; hṛdayāni — de harten; vyadārayat — verscheurde; nabhaḥ — de lucht; ca — ook; pṛthivīm — het aardoppervlak; ca — ook; eva — zeker; tumulaḥ — overweldigend; abhyanunādayan — weerklinkend.

Vertaling

Het schallen van al deze hoornschelpen werd overweldigend en terwijl het weergalmde in de lucht en op de aarde, verscheurde het de harten van de zonen van Dhṛtarāṣṭra.

Betekenisverklaring

Toen Bhīṣma en de anderen aan de zijde van Duryodhana op hun hoornschelpen bliezen, was er aan de kant van de Pāṇḍava’s geen sprake van brekende harten. Zulke gebeurtenissen worden niet vermeld, maar in dit specifieke vers wordt gezegd dat de harten van de zonen van Dhṛtarāṣṭra verscheurd werden door het geluid dat de Pāṇḍava’s voortbrachten. Dit kwam door de Pāṇḍava’s en hun vertrouwen in Heer Kṛṣṇa. Wie zijn toevlucht bij de Allerhoogste Heer zoekt, heeft niets te vrezen, zelfs niet te midden van de grootste ellende.

Tekst

atha vyavasthitān dṛṣṭvā
dhārtarāṣṭrān kapi-dhvajaḥ
pravṛtte śastra-sampāte
dhanur udyamya pāṇḍavaḥ
hṛṣīkeśaṁ tadā vākyam
idam āha mahī-pate

Synoniemen

atha — vervolgens; vyavasthitān — opgesteld; dṛṣṭvā — kijkend naar; dhārta-rāṣṭrān — de zoons van Dhṛtarāṣṭra; kapi-dhvajaḥ — hij die een afbeelding van Hanumān in het vaandel droeg; pravṛtte — toen hij op het punt stond om; śastra-sampāte — zijn pijlen af te schieten; dhanuḥ — boog; udyamya — opnemend; pāṇḍavaḥ — de zoon van Pāṇḍu (Arjuna); hṛṣīkeśam — tot Heer Kṛṣṇa; tadā — op dat moment; vākyam — woorden; idam — deze; āha — sprak; mahī-pate — o koning.

Vertaling

Toen nam Arjuna, de zoon van Pāṇḍu, zijn boog op en maakte zich gereed om vanaf zijn strijdwagen, die Hanumān in het vaandel droeg, zijn pijlen af te schieten. O koning, nadat hij de zonen van Dhṛtarāṣṭra in slagorde opgesteld had zien staan, sprak Arjuna de volgende woorden tot Heer Kṛṣṇa.

Betekenisverklaring

De strijd stond op het punt om los te barsten. Uit het voorgaande is gebleken dat de zonen van Dhṛtarāṣṭra min of meer ontmoedigd waren geraakt door de onverwachte gevechtsformatie van de Pāṇḍava’s, die op het slagveld geleid werden door instructies die rechtstreeks van Heer Kṛṣṇa kwamen. Het embleem van Hanumān op de vlag van Arjuna is een ander voorteken van overwinning, omdat Hanumān met Heer Rāma samenwerkte in de strijd tussen Rāma en Rāvaṇa, waaruit Heer Rāma als overwinnaar tevoorschijn kwam. Nu waren zowel Rāma als Hanumān op de strijdwagen van Arjuna aanwezig om hem te helpen. Heer Kṛṣṇa is Rāma Zelf en waar Heer Rāma is, daar zijn ook Zijn eeuwige dienaar Hanumān en Zijn eeuwige echtgenoot Sītā, de godin van het geluk. Arjuna had daarom geen reden om welke vijand dan ook te vrezen. Bovendien was de Heer van de zintuigen, Heer Kṛṣṇa, persoonlijk aanwezig om hem leiding te geven. Arjuna beschikte dus over alle mogelijke raad om de strijd te voeren. In zulke gunstige omstandigheden, die de Heer Zelf voor Zijn eeuwige toegewijde had gecreëerd, lagen de voortekenen van een onvermijdelijke overwinning.

Tekst

arjuna uvāca
senayor ubhayor madhye
rathaṁ sthāpaya me ’cyuta
yāvad etān nirīkṣe ’haṁ
yoddhu-kāmān avasthitān
kair mayā saha yoddhavyam
asmin raṇa-samudyame

Synoniemen

arjunaḥ uvāca — Arjuna zei; senayoḥ — van de legers; ubhayoḥ — allebei; madhye — tussen; ratham — de strijdwagen; sthāpaya — hou alsjeblieft; me — mijn; acyuta — o onfeilbare; yāvat — zolang als; etān — al deze; nirīkṣe — kan bekijken; aham — ik; yoddhu-kāmān — vol strijdlust; avasthitān — op het slagveld opgesteld; kaiḥ — met wie; mayā — door mij; saha — samen; yoddhavyam — moeten strijden; asmin — in deze; raṇa — strijd; samudyame — tijdens de poging.

Vertaling

Arjuna zei: O onfeilbare, rij alsjeblieft mijn strijdwagen tussen de twee legers in, zodat ik kan zien wie hier aanwezig zijn, wie er naar de strijd verlangen en met wie ik me in deze grote veldslag moet meten.

Betekenisverklaring

Ook al is Heer Kṛṣṇa de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, toch diende Hij Zijn vriend uit Zijn grondeloze genade. Hij schiet nooit tekort in Zijn genegenheid voor Zijn toegewijden en daarom wordt Hij hier onfeilbaar genoemd. Als wagenmenner moest Hij de bevelen van Arjuna uitvoeren en omdat Hij niet aarzelde dit te doen, wordt Hij aangesproken met onfeilbare. Hoewel Hij de positie van wagenmenner van Zijn toegewijde had aanvaard, bleef Zijn allerhoogste positie onbetwist. In alle omstandigheden is Hij de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Hṛṣīkeśa, de Heer van alle zintuigen. De relatie tussen de Heer en Zijn dienaar is heel zoet en transcendentaal. De dienaar staat altijd klaar om de Heer te dienen en de Heer zoekt ook altijd naar een gelegenheid om de toegewijde een dienst te bewijzen. De Heer beleeft er meer plezier aan wanneer Zijn zuivere toegewijde de superieure positie inneemt waarin hij Hem bevelen geeft, dan wanneer Hijzelf de bevelen geeft. Omdat Hij de meester is, kan Hij iedereen bevelen geven en is er niemand die boven Hem staat om Hem te bevelen. Maar wanneer Hij merkt dat Zijn zuivere toegewijde Hem beveelt, dan beleeft Hij transcendentaal plezier, ook al is Hij in alle omstandigheden de onfeilbare meester.

Omdat Arjuna een zuivere toegewijde van de Heer was, had hij geen enkel verlangen om tegen zijn neven en broers te vechten, maar door de koppigheid van Duryodhana, die nooit bereid was om over vrede te onderhandelen, was hij wel gedwongen om op het slagveld te verschijnen. Hij was daarom zeer benieuwd om te zien wie de leiders op het slagveld waren. Ook al kon er op het slagveld geen sprake meer zijn van vredesonderhandelingen, toch wilde hij hen nog een keer aanschouwen om te zien hoe vastbesloten ze waren om een ongewilde oorlog te voeren.

Tekst

yotsyamānān avekṣe ’haṁ
ya ete ’tra samāgatāḥ
dhārtarāṣṭrasya durbuddher
yuddhe priya-cikīrṣavaḥ

Synoniemen

yotsyamānān — zij die zullen strijden; avekṣe — laat mij zien; aham — ik; ye — wie; ete — die; atra — hier; samāgatāḥ — bijeengekomen; dhārta-rāṣṭrasya — voor de zoon van Dhṛtarāṣṭra; durbuddheḥ — kwaadaardige; yuddhe — in de strijd; priya — het beste; cikīrṣavaḥ — verlangend.

Vertaling

Laat me zien wie hier voor de strijd bijeengekomen zijn met het verlangen de kwaadaardige zoon van Dhṛtarāṣṭra tevreden te stellen.

Betekenisverklaring

Het was een publiek geheim dat Duryodhana zich met kwaadaardige plannen en in samenwerking met zijn vader het koninkrijk van de Pāṇḍava’s wilde toe-eigenen. Alle personen die de kant van Duryodhana hadden gekozen, moeten daarom wel personen van hetzelfde allooi zijn geweest. Voordat de strijd zou beginnen, wilde Arjuna hen op het slagveld zien om uit te vinden wie ze waren, maar hij was allerminst van plan om opnieuw met vredesonderhandelingen te beginnen. Arjuna wilde hen ook zien om een schatting te maken van de strijdmacht waartegen hij het zou moeten opnemen, al was hij overtuigd van de overwinning omdat hij Kṛṣṇa aan zijn zijde had.

Tekst

sañjaya uvāca
evam ukto hṛṣīkeśo
guḍākeśena bhārata
senayor ubhayor madhye
sthāpayitvā rathottamam

Synoniemen

sañjayaḥ uvāca — Sañjaya zei; evam — zo; uktaḥ — aangesproken; hṛṣīkeśaḥ — Heer Kṛṣṇa; guḍākeśena — door Arjuna; bhārata — o afstammeling van Bharata; senayoḥ — van de legers; ubhayoḥ — allebei; madhye — te midden van; sthāpayitvā — plaatsend; ratha-uttamam — de voortreffelijkste strijdwagen.

Vertaling

Sañjaya zei: O afstammeling van Bharata, nadat Heer Kṛṣṇa zo door Arjuna was aangesproken, mende Hij de voortreffelijke strijdwagen tussen de beide legers in en bracht hem daar tot stilstand.

Betekenisverklaring

In dit vers wordt Arjuna Guḍākeśa genoemd. Guḍākā betekent ‘slaap’ en iemand die de slaap overwonnen heeft, wordt guḍākeśa genoemd. Slaap betekent ook onwetendheid. Arjuna overwon dus zowel slaap als onwetendheid door zijn vriendschap met Kṛṣṇa. Als een groot toegewijde van Kṛṣṇa kon hij Kṛṣṇa voor geen moment vergeten, want dat is de aard van een toegewijde. Zowel tijdens waken als slapen zal een toegewijde de naam, gedaante, eigenschappen en het vermaak van Kṛṣṇa nooit vergeten. Op die manier kan een toegewijde zowel slaap als onwetendheid overwinnen door eenvoudig altijd aan Kṛṣṇa te denken. Dit wordt Kṛṣṇa-bewustzijn of samādhi genoemd. Als Hṛṣīkeśa of de bestuurder van de zintuigen en de geest van ieder levend wezen, begreep Kṛṣṇa Arjuna’s bedoeling om de strijdwagen tussen de legers in te plaatsen. Kṛṣṇa deed dit vervolgens en sprak als volgt.

Tekst

bhīṣma-droṇa-pramukhataḥ
sarveṣāṁ ca mahī-kṣitām
uvāca pārtha paśyaitān
samavetān kurūn iti

Synoniemen

bhīṣma — Grootvader Bhīṣma; droṇa — de leraar Droṇa; pramukhataḥ — in het aangezicht van; sarveṣām — alle; ca — ook; mahī-kṣitām — leiders van de wereld; uvāca — zei; pārtha — o zoon van Pṛthā; paśya — aanschouw; etān — ze allemaal; samavetān — bijeengekomen; kurūn — de leden van de Kuru-dynastie; iti — zo.

Vertaling

In het aangezicht van Bhīṣma, Droṇa en alle andere heersers van de wereld zei de Heer: ‘Aanschouw, o Pārtha, alle Kuru’s die hier bijeengekomen zijn.’

Betekenisverklaring

Als de Superziel van alle levende wezens begreep Heer Kṛṣṇa wat er in Arjuna’s geest omging. Het gebruik van het woord ‘Hṛṣīkeśa’ wijst in dit verband op het feit dat Hij alles wist. En het woord ‘Pārtha’, dat ‘de zoon van Kuntī of Pṛthā’ betekent, is met betrekking tot Arjuna net zo belangrijk. Als vriend wilde Hij Arjuna laten weten dat Hij had ingestemd zijn wagenmenner te worden, omdat Arjuna de zoon was van Pṛthā, de zus van Zijn eigen vader Vasudeva. Maar wat bedoelde Kṛṣṇa toen Hij tegen Arjuna zei: ‘Aanschouw de Kuru’s’? Wilde Arjuna daar blijven stilstaan en niet meer vechten? Kṛṣṇa verwachtte zoiets niet van de zoon van Pṛthā, Zijn tante. Zo voorspelde de Heer de geest van Arjuna op een vriendschappelijk schertsende manier.

Tekst

tatrāpaśyat sthitān pārthaḥ
pitṝn atha pitāmahān
ācāryān mātulān bhrātṝn
putrān pautrān sakhīṁs tathā
śvaśurān suhṛdaś caiva
senayor ubhayor api

Synoniemen

tatra — daar; apaśyat — hij kon zien; sthitān — staand; pārthaḥ — Arjuna; pitṝn — vaders; atha — ook; pitāmahān — grootvaders; ācāryān — leraren; mātulān — ooms van moederskant; bhrātṝn — broers; putrān — zonen; pautrān — kleinzonen; sakhīn — vrienden; tathā — en ook; śva-śurān — schoonvaders; suhṛdaḥ — zij die het beste toewensen; ca — ook; eva — zeker; senayoḥ — in de legers; ubhayoḥ — van beide partijen; api — inclusief.

Vertaling

Daarop zag Arjuna in de gelederen van beide partijen zijn vaders, grootvaders, leraren, ooms van moederszijde, broers, zonen, kleinzonen, vrienden, schoonvaders en kennissen.

Betekenisverklaring

Arjuna zag allerlei familieleden op het slagveld. Hij zag personen als Bhūriśravā, die leeftijdgenoten van zijn vader waren; daarnaast Grootvaders als Bhīṣma en Somadatta, leraren als Droṇācārya en Kṛpācārya, ooms van moederszijde als Śalya en Śakuni, broers als Duryodhana, zonen als Lakṣmaṇa, vrienden als Aśvatthāmā, kennissen als Kṛtavarmā enz. Hij kon ook de legers zien waaronder zich vele van zijn vrienden bevonden.

Tekst

tān samīkṣya sa kaunteyaḥ
sarvān bandhūn avasthitān
kṛpayā parayāviṣṭo
viṣīdann idam abravīt

Synoniemen

tān — ze allemaal; samīkṣya — na gezien te hebben; saḥ — hij; kaunteyaḥ — de zoon van Kuntī; sarvān — allerlei; bandhūn — familieleden; avasthitān — opgesteld; kṛpayā — door medeleven; parayā — van een hoge graad; āviṣṭaḥ — overmand door; viṣīdan — terwijl je treurt; idam — als volgt; abravīt — sprak.

Vertaling

Toen de zoon van Kuntī, Arjuna, al deze verschillende soorten vrienden en familieleden zag, raakte hij door medeleven overmand en sprak als volgt.

Tekst

arjuna uvāca
dṛṣṭvemaṁ sva-janaṁ kṛṣṇa
yuyutsuṁ samupasthitam
sīdanti mama gātrāṇi
mukhaṁ ca pariśuṣyati

Synoniemen

arjunaḥ uvāca — Arjuna zei; dṛṣṭvā — na gezien te hebben; imam — al deze; sva-janam — familieleden; kṛṣṇa — o Kṛṣṇa; yuyutsum — allemaal vol strijdlust; samupasthitam — aanwezig; sīdanti — beven; mama — mijn; gātrāṇi — ledematen; mukham — mond; ca — ook; pariśuṣyati — droogt op.

Vertaling

Arjuna zei: O dierbare Kṛṣṇa, nu ik mijn vrienden en familieleden hier zo strijdlustig voor me zie, voel ik mijn ledematen beven en mijn mond opdrogen.

Betekenisverklaring

Wie oprechte devotie heeft voor de Heer, heeft alle goede egen-schappen die in goddelijke personen of in de halfgoden aanwezig zijn. De niet-toegewijde daarentegen bezit geen goddelijke eigenschappen, hoezeer hij zich materieel gezien ook heeft gekwalificeerd door onderwijs en cultuur. Meteen na het zien van zijn familieleden en vrienden raakte Arjuna daarom opeens overmand door medeleven voor al deze personen, die besloten hadden om de strijd met elkaar aan te gaan. Al vanaf het begin voelde hij een genegenheid voor zijn eigen soldaten, maar nu had hij zelfs medeleven met de soldaten van de tegenpartij, omdat hij hun dood zag naderen. Terwijl deze gedachten bij hem opkwamen, begonnen zijn ledematen te trillen en droogde zijn mond op. Hij stond min of meer versteld van hun vechtlust. Nagenoeg alle leden van de gemeenschap, al zijn bloedverwanten, waren gekomen om de strijd met hem aan te gaan. Dit overweldigde een goedaardige toegewijde als Arjuna. Hoewel het hier niet vermeld wordt, kan men zich gemakkelijk voorstellen dat Arjuna niet alleen trillende ledematen en een droge mond kreeg, maar dat hij ook huilde van medeleven. Zulke symptomen waren niet het gevolg van zwakheid, maar van zachtaardigheid, wat een kenmerk is van een zuivere toegewijde van de Heer. Er wordt daarom gezegd:

yasyāsti bhaktir bhagavaty akiñcanā
sarvair guṇais tatra samāsate surāḥ
harāv abhaktasya kuto mahad-guṇā
mano-rathenāsati dhāvato bahiḥ

‘Iemand met onwankelbare devotie voor de Persoonlijkheid Gods heeft alle goede eigenschappen van de halfgoden. Maar wie geen toegewijde van de Heer is, heeft alleen maar materiële eigenschappen, die weinig waarde hebben. Dat komt doordat zo iemand rondzweeft op het mentale vlak en beslist aangetrokken zal worden door de schittering van de materiële energie.’ (Śrīmad-Bhāgavatam 5.18.12)

Tekst

vepathuś ca śarīre me
roma-harṣaś ca jāyate
gāṇḍīvaṁ sraṁsate hastāt
tvak caiva paridahyate

Synoniemen

vepathuḥ — beven van het lichaam; ca — ook; śarīre — op het lichaam; me — mijn; roma-harṣaḥ — het overeind staan van het haar; ca — ook; jāyate — vindt plaats; gāṇḍīvam — Arjuna’s boog; sraṁsate — glijdt; hastāt — uit de hand; tvak — huid; ca — ook; eva — zeker; paridahyate — brandt.

Vertaling

Mijn hele lichaam beeft, mijn haar staat overeind, mijn boog Gāṇḍīva glijdt uit mijn hand en mijn huid gloeit.

Betekenisverklaring

Er bestaan twee soorten van beven van het lichaam en overeind staan van haar. Zulke verschijnselen komen voor tijdens grote spirituele extase of uit hevige angst tijdens materiële omstandigheden. Wanneer er sprake is van transcendentale bewustwording, kan er geen angst zijn. In het geval van Arjuna waren de symptomen die hij liet zien het gevolg van materiële angst, namelijk de angst om zijn leven te verliezen. Dit blijkt ook uit de andere symptomen: hij werd zo onrustig dat zijn befaamde boog Gāṇḍīva uit zijn hand gleed en omdat zijn hart van binnen brandde, voelde hij zijn huid gloeien. Al deze symptomen zijn het gevolg van een materialistische levensopvatting.

Tekst

na ca śaknomy avasthātuṁ
bhramatīva ca me manaḥ
nimittāni ca paśyāmi
viparītāni keśava

Synoniemen

na — evenmin; ca — ook; śaknomi — ben ik in staat; avasthātum — te blijven; bhramati — vergetend; iva — alsof; ca — en; me — mijn; manaḥ — geest; nimittāni — oorzaken; ca — ook; paśyāmi — ik zie; viparītāni — juist het tegenovergestelde; keśava — o doder van de demon Keśī (Kṛṣṇa).

Vertaling

Ik ben niet in staat hier langer te blijven. Ik ben mijn zelfbeheersing kwijt en mijn geest duizelt. Ik voorzie alleen maar onheil, o Kṛṣṇa, doder van de demon Keśī.

Betekenisverklaring

Door zijn onrust kon Arjuna niet langer op het slagveld blijven en deze zwakheid van geest deed hem zijn zelfbeheersing verliezen. Overdreven gehechtheid aan materiële dingen plaatst iemand in verwarrende levensomstandigheden. Bhayaṁ dvitīyābhiniveśataḥ syāt (Śrīmad-Bhāgavatam 11.2.37): zulke angst en verlies van mentaal evenwicht overkomt personen die te veel door materiële omstandigheden beïnvloed worden. Arjuna voorzag alleen maar pijnlijke tegenslagen op het slagveld; hij zou niet gelukkig worden, zelfs al zou hij de vijand verslaan.

De woorden ‘nimittāni viparītāni’ zijn belangrijk. Wanneer iemand zijn verwachtingen niet ziet uitkomen, raakt hij gefrustreerd en vraagt zich af: ‘Waarom ben ik hier?’ Iedereen is geïnteresseerd in zichzelf en in zijn eigen welzijn, maar niemand is geïnteresseerd in het Allerhoogste Zelf. Arjuna gaf blijk van onwetendheid wat betreft zijn eigenbelang omdat Kṛṣṇa dat zo wilde. Ieders eigenbelang is gelegen in Viṣṇu of Kṛṣṇa. De geconditioneerde ziel vergeet dit en krijgt daarom materiële ellende te verduren. Arjuna dacht dat zijn overwinning in de strijd niets anders dan verdriet voor hem zou veroorzaken.

Tekst

na ca śreyo ’nupaśyāmi
hatvā sva-janam āhave
na kāṅkṣe vijayaṁ kṛṣṇa
na ca rājyaṁ sukhāni ca

Synoniemen

na — evenmin; ca — ook; śreyaḥ — goed; anupaśyāmi — ik voorzie; hatvā — door te doden; sva-janam — eigen familieleden; āhave — in de strijd; na — evenmin; kāṅkṣe — verlang ik; vijayam — overwinning; kṛṣṇa — o Kṛṣṇa; na — evenmin; ca — ook; rājyam — koninkrijk; sukhāni — het geluk daarvan; ca — en.

Vertaling

Ik zie niet in hoe het doden van mijn eigen familieleden in deze strijd tot iets goeds kan leiden, o Kṛṣṇa, en evenmin verlang ik naar de overwinning, het koninkrijk en het geluk die erop zullen volgen.

Betekenisverklaring

Zonder te weten dat ieders eigenbelang in Viṣṇu (of Kṛṣṇa) ligt, worden de geconditioneerde zielen aangetrokken door relaties die gebaseerd zijn op het lichaam en hopen ze in zulke situaties gelukkig te worden. Door zo’n blinde levensopvatting vergeten ze zelfs wat de oorzaken van materieel geluk zijn. Arjuna lijkt zelfs de morele voorschriften voor een kṣatriya te zijn vergeten. Er wordt gezegd dat twee soorten mensen ervoor in aanmerking komen om binnen te gaan in de zonneplaneet, die zo krachtig en oogverblindend is, namelijk de kṣatriya die op het slagveld sneuvelt en onder het persoonlijk bevel van Kṛṣṇa staat en personen in de onthechte levensorde, die zich uitsluitend aan het spirituele leven wijden. Arjuna zou zelfs zijn vijanden met tegenzin doden, laat staan zijn familieleden. Hij denkt dat er in dit leven geen geluk meer zal zijn als hij zijn verwanten doodt; hij wil daarom niet vechten, net zoals iemand die geen honger heeft, niet geneigd is te koken. Hij heeft nu besloten het bos in te trekken om een leven van afzondering en frustratie te leiden. Maar omdat hij een kṣatriya is, heeft hij een koninkrijk nodig om te bestaan, want kṣatriya’s kunnen zich niet met ander werk bezighouden. Maar Arjuna heeft geen koninkrijk. De enige mogelijkheid voor Arjuna om een koninkrijk te bemachtigen, ligt in het aangaan van de strijd met zijn neven en broers om zo het koninkrijk dat hij van zijn vader geërfd heeft, terug te winnen, maar dat is iets wat hij niet graag doet. Hij stond daarom op het punt naar het woud te gaan om een leven van afzondering en frustratie te leiden.

Tekst

kiṁ no rājyena govinda
kiṁ bhogair jīvitena vā
yeṣām arthe kāṅkṣitaṁ no
rājyaṁ bhogāḥ sukhāni ca
ta ime ’vasthitā yuddhe
prāṇāṁs tyaktvā dhanāni ca
ācāryāḥ pitaraḥ putrās
tathaiva ca pitāmahāḥ
mātulāḥ śvaśurāḥ pautrāḥ
śyālāḥ sambandhinas tathā
etān na hantum icchāmi
ghnato ’pi madhusūdana
api trailokya-rājyasya
hetoḥ kiṁ nu mahī-kṛte
nihatya dhārtarāṣṭrān naḥ
kā prītiḥ syāj janārdana

Synoniemen

kim — wat is het nut; naḥ — voor ons; rājyena — het koninkrijk; govinda — o Kṛṣṇa; kim — wat; bhogaiḥ — genot; jīvitena — leven; — of; yeṣām — wie; arthe — in het belang van; kāṅkṣitam — wordt verlangd; naḥ — door ons; rājyam — koninkrijk; bhogāḥ — materieel genot; sukhāni — al het geluk; ca — ook; te — zij allemaal; ime — deze; avasthitāḥ — opgesteld; yuddhe — op dit slagveld; prāṇān — levens; tyaktvā — opgevend; dhanāni — rijkdom; ca — ook; ācāryāḥ — leraren; pitaraḥ — vaders; putrāḥ — zonen; tathā — evenals; eva — zeker; ca — ook; pitāmahāḥ — grootvaders; mātulāḥ — ooms van moederskant; śvaśurāḥ — schoonvaders; pautrāḥ — kleinzonen; śyālāḥ — zwagers; sambandhinaḥ — familieleden; tathā — evenals; etān — al deze; na — nooit; hantum — doden; icchāmi — ik verlang; ghnataḥ — gedood worden; api — zelfs; madhusūdana — o doder van de demon Madhu (Kṛṣṇa); api — zelfs als; trailokya — van de drie werelden; rājyasya — voor het koninkrijk; hetoḥ — in ruil voor; kim nu — om nog maar te zwijgen van; mahī-kṛte — voor de aarde; nihatya — door te doden; dhārtarāṣṭrān — de zonen van Dhṛtarāṣṭra; naḥ — onze; — wat; prītiḥ — vreugde; syāt — zal er zijn; janārdana — o instandhouder van alle levende wezens.

Vertaling

O Govinda, wat winnen we met een koninkrijk, geluk of zelfs ons leven, wanneer alle personen voor wie we dat alles verlangen, nu tegenover ons op het slagveld opgesteld staan? O Madhusūdana, wanneer leraren, vaders, zonen, grootvaders, ooms van moederszijde, schoonvaders, kleinzoons, zwagers en andere familieleden tegenover me staan, bereid om hun levens en bezittingen op te geven, waarom zou ik er dan naar verlangen hen te doden, zelfs al staan ze mij naar het leven? O instandhouder van alle levende wezens, ik ben niet bereid met hen te strijden, zelfs niet in ruil voor de drie werelden, laat staan deze aarde. Wat voor vreugde valt er te behalen aan het doden van de zonen van Dhṛtarāṣṭra?

Betekenisverklaring

Arjuna sprak Kṛṣṇa aan met Govinda, omdat Kṛṣṇa de bron van alle plezier voor de koeien en de zintuigen is. Door dit belangrijke woord te gebruiken, geeft Arjuna aan dat Kṛṣṇa zou moeten weten wat de zintuigen van Arjuna zal bevredigen. Maar Govinda is er niet voor bedoeld om onze zintuigen te bevredigen. Als wij echter de zintuigen van Govinda proberen te bevredigen, zullen onze eigen zintuigen vanzelf ook bevredigd zijn. Materieel gesproken wil iedereen zijn zintuigen bevredigen en van God wordt dan verlangd dat Hij zulke bevrediging op bestelling levert. De Heer stelt de zintuigen van de levende wezens tevreden in de mate waarin ze dat verdienen, niet in de mate waarin ze dat verlangen. Maar als men het tegenovergestelde doet, namelijk proberen de zintuigen van Govinda te bevredigen zonder te verlangen naar persoonlijke zinsbevrediging, dan worden door de genade van Govinda alle verlangens van het levend wezen vervuld.

Arjuna’s diepe genegenheid voor de gemeenschap en zijn familieleden komt hier naar voren deels door zijn natuurlijk medeleven met hen. Hij is daarom niet bereid te vechten. Iedereen wil de rijkdom die hij verworven heeft aan zijn vrienden en familie laten zien, maar Arjuna is bang dat al zijn vrienden en familieleden op het slagveld gedood zullen worden, zodat hij na de overwinning niet meer in staat zal zijn om zijn rijkdom met hen te delen. Zo’n berekenende gedachte is typerend voor het materiële leven. Maar het spirituele leven is anders. Omdat de toegewijde de zintuigen van de Heer wil bevredigen, mag hij, als de Heer het wil, allerlei weelde aanvaarden voor zijn dienst aan de Heer, maar als de Heer het niet wil, dan mag hij nog geen cent aanvaarden.

Arjuna wilde zijn familieleden niet doden; mocht het toch noodzakelijk zijn hen te doden, dan was het zijn verlangen dat Kṛṣṇa dat Zelf zou doen. Op dat moment wist Arjuna niet dat Kṛṣṇa hen allemaal al gedood had voordat zij naar het slagveld waren gekomen en dat hij er alleen voor bedoeld was een instrument van Kṛṣṇa te zijn. Dit zal in de komende hoofdstukken worden onthuld. Omdat hij van nature een toegewijde van Kṛṣṇa was, voelde Arjuna er niets voor om wraak te nemen op zijn verdorven neven en broers. Maar het was het plan van de Heer dat ze allemaal gedood zouden worden. De toegewijde van de Heer neemt geen wraak als iemand hem kwaad doet, maar de Heer duldt geen enkel kwaad dat de toegewijde wordt aangedaan door kwaadaardige personen. De Heer kan het kwaad voor Zijn eigen rekening vergeven, maar Hij vergeeft niemand die Zijn toegewijden kwaad doet. De Heer was daarom vastberaden de kwaadaardige personen te doden, ook al wilde Arjuna hen vergeven.

Tekst

pāpam evāśrayed asmān
hatvaitān ātatāyinaḥ
tasmān nārhā vayaṁ hantuṁ
dhārtarāṣṭrān sa-bāndhavān
sva-janaṁ hi kathaṁ hatvā
sukhinaḥ syāma mādhava

Synoniemen

pāpam — zonden; eva — zeker; āśrayet — moet komen over; asmān — ons; hatvā — door te doden; etān — al deze; ātatāyinaḥ — aanvallers; tasmāt — daarom; na — nooit; arhāḥ — waardig; vayam — wij; hantum — doden; dhārtarāṣṭrān — de zonen van Dhṛtarāṣṭra; sa-bāndhavān — samen met vrienden; sva-janam — familieleden; hi — zeker; katham — hoe; hatvā — door te doden; sukhinaḥ — gelukkig; syāma — zullen we worden; mādhava — o Kṛṣṇa, echtgenoot van de godin van het geluk.

Vertaling

We zullen tot zonde vervallen wanneer we zulke aanvallers doden. Het is daarom niet goed als we de zonen van Dhṛtarāṣṭra en onze vrienden van het leven beroven. Wat bereiken we ermee, o Kṛṣṇa, echtgenoot van de godin van het geluk, en hoe zouden we gelukkig kunnen worden door onze eigen familieleden te doden?

Betekenisverklaring

Volgens de Vedische teksten zijn er zes soorten aanvallers: (1) een gifmenger; (2) een brandstichter; (3) iemand die aanvalt met dodelijke wapens; (4) iemand die rijkdommen wegrooft; (5) iemand die andermans land inneemt, en (6) iemand die andermans vrouw ontvoert. Zulke aanvallers moeten onmiddellijk worden gedood en men begaat daarmee geen zonde. Het past een gewoon persoon om zulke aanvallers te doden, maar Arjuna was geen gewoon persoon. Hij had het karakter van een heilige en wilde hen daarom op een heilige manier behandelen. Maar zulke heiligheid past niet bij een kṣatriya.

Wie verantwoordelijkheden heeft in het bestuur van een land moet de eigenschappen van een heilige hebben, maar hij mag geen lafaard zijn. Heer Rāma was bijvoorbeeld zo heilig dat de mensen er tegenwoordig nog steeds naar verlangen om in het koninkrijk van Heer Rāma te wonen (rāma-rājya), maar Heer Rāma gaf nooit blijk van lafheid. Rāvaṇa was een aanvaller van Heer Rāma, omdat Rāvaṇa de vrouw van Heer Rāma, Sītā, ontvoerde, maar Heer Rāma leerde hem een lesje op een manier die ongeëvenaard is in de wereldgeschiedenis. In het geval van Arjuna echter moet men rekening houden met de speciale groep van aanvallers die tegenover hem stond, namelijk zijn eigen grootvader, zijn eigen leraar, vrienden, zonen, kleinzonen enz. Omdat zij het waren, was Arjuna van mening dat hij tegen hen niet dezelfde maatregelen moest nemen als tegen gewone aanvallers. Daarnaast wordt heilige personen aangeraden vergevensgezind te zijn. Zulke voorschriften voor heilige personen zijn belangrijker dan welke politieke noodsituatie dan ook.

Arjuna dacht dat het beter zou zijn om zijn bloedverwanten op religieuze gronden en op basis van goed en heilig gedrag te vergeven, dan hen om politieke redenen te doden. Het leek hem niet gunstig hen te doden, alleen maar omdat het tijdelijk lichamelijk geluk zou opleveren. Alle koninkrijken en al het geluk die daar uiteindelijk uit zouden voortkomen, zijn tenslotte niet blijvend; waarom zou hij dan zijn leven en eeuwige verlossing riskeren door zijn bloedverwanten te doden?

Dat Arjuna Kṛṣṇa aanspreekt met ‘Mādhava’ — echtgenoot van de godin van het geluk — is in dit verband ook belangrijk. Hij wilde Kṛṣṇa hiermee duidelijk maken dat Hij als echtgenoot van de godin van het geluk Arjuna er niet toe zou moeten aanzetten iets te ondernemen dat uiteindelijk alleen maar onheil teweeg zou brengen. Maar Kṛṣṇa brengt niemand ongeluk, laat staan Zijn toegewijde.

Tekst

yady apy ete na paśyanti
lobhopahata-cetasaḥ
kula-kṣaya-kṛtaṁ doṣaṁ
mitra-drohe ca pātakam
kathaṁ na jñeyam asmābhiḥ
pāpād asmān nivartitum
kula-kṣaya-kṛtaṁ doṣaṁ
prapaśyadbhir janārdana

Synoniemen

yadi — als; api — zelfs; ete — zij; na — doen niet; paśyanti — zien; lobha — door hebzucht; upahata — overmand; cetasaḥ — hun harten; kula-kṣaya — in het doden van de familie; kṛtam — gedaan; doṣam — fout; mitra-drohe — in ruziën met vrienden; ca — ook; pātakam — karmische reacties op zonden; katham — waarom; na — moet niet; jñeyam — bekend zijn; asmābhiḥ — door ons; pāpāt — van zonden; asmāt — deze; nivartitum — ophouden; kula-kṣaya — in de vernietiging van een dynastie; kṛtam — gedaan; doṣam — misdaad; prapaśyadbhiḥ — door hen die kunnen zien; janārdana — o Kṛṣṇa.

Vertaling

O Janārdana, hoewel deze mannen, hun harten vol hebzucht, geen kwaad zien in het doden van hun familie of in het aanvallen van vrienden, waarom zouden wij, die beseffen hoe misdadig het is om een familie te vernietigen, ons dan inlaten met zulke zondige activiteiten?

Betekenisverklaring

Van een kṣatriya wordt niet verwacht dat hij weigert te strijden of te gokken wanneer hij door een tegenpartij wordt uitgedaagd. Door deze verplichting kon Arjuna niet weigeren te vechten, omdat hij uitgedaagd werd door Duryodhana en de zijnen. Arjuna dacht dat de andere partij misschien blind was voor de gevolgen van zo’n uitdaging, maar omdat Arjuna er de kwade consequenties wel van inzag, kon hij de uitdaging niet aannemen. Een verplichting is pas echt bindend als het gevolg goed is, maar als dat niet het geval is, dan kan niemand ergens toe verplicht worden. Nadat hij alle voor- en nadelen tegen elkaar had afgewogen, besloot Arjuna niet te vechten.

Tekst

kula-kṣaye praṇaśyanti
kula-dharmāḥ sanātanāḥ
dharme naṣṭe kulaṁ kṛtsnam
adharmo ’bhibhavaty uta

Synoniemen

kula-kṣaye — als de familie vernietigd wordt; praṇaśyanti — worden verslagen; kula-dharmāḥ — de familietradities; sanātanāḥ — eeuwig; dharme — religie; naṣṭe — vernietigd is; kulam — familie; kṛtsnam — geheel; adharmaḥ — goddeloosheid; abhibhavati — verandert; uta — er wordt gezegd.

Vertaling

Door de vernietiging van de dynastie zal de eeuwige familietraditie verloren gaan, waardoor de rest van de familie in goddeloosheid vervalt.

Betekenisverklaring

Het varṇāśrama-stelsel kent veel principes van religieuze tradities die de leden van een familie helpen om op de juiste manier op te groeien en tot spirituele waarden te komen. De oudere familieleden zijn verantwoordelijk voor zulke zuiverende processen in de familie, van geboorte tot dood. Maar door de dood van de oudere familieleden zou er aan zulke familietradities van zuivering een eind kunnen komen, waardoor de jongere familieleden die achterblijven, irreligieuze gewoonten zullen ontwikkelen en hun kans op spirituele verlossing verliezen. De oudere familieleden mogen dus onder geen enkele voorwaarde worden gedood.

Tekst

adharmābhibhavāt kṛṣṇa
praduṣyanti kula-striyaḥ
strīṣu duṣṭāsu vārṣṇeya
jāyate varṇa-saṅkaraḥ

Synoniemen

adharma — goddeloosheid; abhibhavāt — overheersend geworden; kṛṣṇa — o Kṛṣṇa; praduṣyanti — raken verdorven; kula-striyaḥ — de vrouwen van de familie; strīṣu — door het vrouwelijk geslacht; duṣṭāsu — zo besmet; vārṣṇeya — o afstammeling van Vṛṣṇi; jāyate — ontstaat; varṇa-saṅkaraḥ — onwenselijk nageslacht.

Vertaling

Wanneer goddeloosheid in de familie de overhand heeft, o Kṛṣṇa, vervallen de vrouwen van de familie in losbandigheid en het gevolg van de verdorvenheid van vrouwen, o afstammeling van Vṛṣṇi, is onwenselijk nageslacht.

Betekenisverklaring

Een goede bevolking in de menselijke samenleving is het basisprincipe van vrede, voorspoed en spirituele vooruitgang in het leven. De principes van de religie van varṇāśrama waren zo ontworpen, dat een goede bevolking de overhand zou hebben voor de spirituele vooruitgang van de staat en de hele gemeenschap. Zo’n bevolking hangt af van de kuisheid en trouw van het vrouwelijk geslacht. Net zoals kinderen zeer vatbaar zijn voor misleiding, zo zijn vrouwen ook zeer vatbaar voor ontaarding. Zowel kinderen als vrouwen hebben daarom bescherming nodig van oudere familieleden. Door bezig te zijn met verschillende religieuze praktijken, zullen vrouwen niet tot overspel worden verleid. Volgens Cāṇakya Paṇḍita zijn vrouwen over het algemeen niet erg intelligent en daarom onbetrouwbaar. De verschillende familietradities moeten hen daarom altijd bezighouden, zodat ze door hun kuisheid en devotie geboorte zullen geven aan een goede bevolking, die geschikt is om te functioneren binnen het varṇāśrama-stelsel. Wanneer dit varṇāśrama-dharma faalt, zullen de vrouwen vanzelfsprekend vrij zijn in hun activiteiten en hun omgang met mannen en op die manier zullen ze zich aan overspel overgeven, waardoor een risico op onwenselijk nageslacht ontstaat. Ook mannen zonder verantwoordelijkheidsgevoel veroorzaken overspel in de samenleving en op die manier overspoelen onwenselijke kinderen het menselijk ras met het gevaar van oorlog en ziekten.

Tekst

saṅkaro narakāyaiva
kula-ghnānāṁ kulasya ca
patanti pitaro hy eṣāṁ
lupta-piṇḍodaka-kriyāḥ

Synoniemen

saṅkaraḥ — zulke onwenselijke kinderen; narakāya — veroorzaken een hels bestaan; eva — zeker; kula-ghnānām — voor zij die doders van de familie zijn; kulasya — voor de familie; ca — ook; patanti — komen ten val; pitaraḥ — voorouders; hi — zeker; eṣām — van hen; lupta — gestaakt; piṇḍa — van offerandes van voedsel; udaka — en water; kriyāḥ — rituelen.

Vertaling

Een toename van onwenselijke bevolking veroorzaakt ongetwijfeld een hels bestaan voor zowel de familie als voor zij die de familietraditie vernietigen. De voorouders van zulke verdorven families komen ten val, omdat de rituelen waarbij aan hen voedsel en water wordt geofferd, volledig worden gestaakt.

Betekenisverklaring

Volgens de regels en bepalingen van resultaatgerichte activiteiten bestaat er de noodzaak om regelmatig voedsel en water aan de voorouders van de familie te offeren. Dit offer wordt volbracht door Viṣṇu te vereren, omdat wie eet van wat Viṣṇu van het offer overlaat, bevrijd raakt van allerlei reacties op zonden. De voorouders hebben soms te lijden van verschillende karmische reacties op zonden en het komt voor dat sommigen van hen niet eens een grofstoffelijk lichaam kunnen krijgen en zo gedwongen zijn om als geesten voort te leven in een fijnstoffelijk lichaam. Wanneer hun nakomelingen hun datgene offeren wat van het prasāda-voedsel overblijft, dan worden deze voorouders bevrijd van hun bestaan als geesten of van hun bestaan in andere ellendige levenssoorten. Zulke hulp aan voorouders is een familietraditie en zij die geen leven van devotie leiden moeten zulke rituelen verrichten. Wie wel een leven van devotie leidt, hoeft zulke activiteiten niet te verrichten. Door eenvoudigweg bezig te zijn met devotionele dienst, kan men honderden en duizenden voorouders van allerlei ellende bevrijden. In het Śrīmad-Bhāgavatam (11.5.41) staat:

devarṣi-bhūtāpta-nṛṇāṁ pitṝṇāṁ
na kiṅkaro nāyam ṛṇī ca rājan
sarvātmanā yaḥ śaraṇaṁ śaraṇyaṁ
gato mukundaṁ parihṛtya kartam

‘Iedereen die allerlei verplichtingen heeft opgegeven en zijn toevlucht heeft gezocht bij de lotusvoeten van Mukunda, de gever van bevrijding, heeft, als hij dit pad in alle ernst volgt, geen plichten meer te vervullen en is de halfgoden, de wijzen, de levende wezens in het algemeen, de familieleden, de mensheid of de voorouders niets verschuldigd.’ Aan zulke verplichtingen wordt vanzelf voldaan door devotionele dienst aan de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods.

Tekst

doṣair etaiḥ kula-ghnānāṁ
varṇa-saṅkara-kārakaiḥ
utsādyante jāti-dharmāḥ
kula-dharmāś ca śāśvatāḥ

Synoniemen

doṣaiḥ — door zulke fouten; etaiḥ — al deze; kula-ghnānām — van de vernietigers van de familie; varṇa-saṅkara — van onwenselijke kinderen; kārakaiḥ — die oorzaken zijn; utsādyante — worden tenietgedaan; jāti-dharmāḥ — gemeenschapsverplichtingen; kula-dharmāḥ — familietradities; ca — ook; śāśvatāḥ — eeuwig.

Vertaling

Door de wandaden van hen die de familietraditie vernietigen en die zo de oorzaak zijn van onwenselijke kinderen, worden allerlei gemeenschapsverplichtingen en activiteiten voor het welzijn van de familie tenietgedaan.

Betekenisverklaring

De verantwoordelijkheden die de vier klassen van de menselijke samenleving hebben ten opzichte van de gemeenschap, in combinatie met activiteiten voor het welzijn van de familie zoals die uiteengezet zijn binnen het sanātana-dharma of varṇāśrama-dharma, zijn ontworpen om het menselijk wezen in staat te stellen zijn uiteindelijke verlossing te bereiken. Het verbreken van de traditie van het sanātana-dharma door de onverantwoordelijke leiders van de samenleving brengt daarom een chaos teweeg in die samenleving en als gevolg daarvan vergeten de mensen wat het doel van het leven is: Viṣṇu. Zulke leiders worden als blind beschouwd en personen die hen volgen kunnen er zeker van zijn dat ze naar een chaos worden geleid.

Tekst

utsanna-kula-dharmāṇāṁ
manuṣyāṇāṁ janārdana
narake niyataṁ vāso
bhavatīty anuśuśruma

Synoniemen

utsanna — verloren gegaan; kula-dharmāṇām — van hen die de familietradities hebben; manuṣyāṇām — van zulke mensen; janārdana — o Kṛṣṇa; narake — in de hel; niyatam — altijd; vāsaḥ — verblijf; bhavati — het wordt zo; iti — zo; anuśuśruma — ik heb het via de opeenvolging van discipelen gehoord.

Vertaling

O Kṛṣṇa, instandhouder van de mensheid, via de opeenvolging van discipelen heb ik gehoord dat degenen van wie de familietradities vernietigd zijn, voor altijd in de hel verblijven.

Betekenisverklaring

Arjuna baseert zijn argument niet op zijn eigen ervaring, maar op wat hij van gezaghebbende personen gehoord heeft. Dat is de manier om werkelijke kennis te ontvangen. Men kan niet tot ware kennis komen zonder geholpen te worden door de juiste persoon die al verankerd is in die kennis. Binnen de varṇāśrama-dharma-samenleving bestaat er een systeem waarbij men, voordat men sterft, een proces van boetedoening moet ondergaan voor alle begane zondige activiteiten. Wie zich altijd bezighoudt met zondige activiteiten, moet gebruik maken van dit proces van boetedoening, dat prāyaścitta genoemd wordt. Doet men dat niet, dan zal men zeker naar de helse planeten worden overgebracht om daar als gevolg van zondige activiteiten een reeks van ellendige levens te leiden.

Tekst

aho bata mahat pāpaṁ
kartuṁ vyavasitā vayam
yad rājya-sukha-lobhena
hantuṁ sva-janam udyatāḥ

Synoniemen

aho — ach; bata — wat is het vreemd; mahat — grote; pāpam — zonden; kartum — begaan; vyavasitāḥ — hebben besloten; vayam — wij; yat — omdat; rājya-sukha-lobhena — gedreven door het verlangen naar koninklijk geluk; hantum — doden; sva-janam — familieleden; udyatāḥ — proberend.

Vertaling

Ach, hoe vreemd is het dat we voorbereidingen treffen om zulke zondige activiteiten te begaan! Gedreven door een verlangen naar koninklijk geluk, zijn we bereid onze eigen familieleden te doden.

Betekenisverklaring

Gedreven door resultaatgerichte motieven zou men geneigd kunnen zijn zondige activiteiten te begaan zoals het doden van zijn eigen broer, vader of moeder. Er zijn daar veel voorbeelden van te vinden in de wereldgeschiedenis. Maar Arjuna, als een heilige toegewijde van de Heer, is zich altijd bewust van morele principes en let er daarom goed op zulke activiteiten te vermijden.

Tekst

yadi mām apratīkāram
aśastraṁ śastra-pāṇayaḥ
dhārtarāṣṭrā raṇe hanyus
tan me kṣema-taraṁ bhavet

Synoniemen

yadi — zelfs als; mām — mij; apratīkāram — zonder tegenstand te bieden; aśastram — zonder volledig uitgerust te zijn; śastra-pāṇayaḥ — zij die wapens in de hand hebben; dhārtarāṣṭrāḥ — de zonen van Dhṛtarāṣṭra; raṇe — op het slagveld; hanyuḥ — zouden doden; tat — dat; me — voor mij; kṣema-taram — beter; bhavet — zou zijn.

Vertaling

Het zou beter voor me zijn als de zonen van Dhṛtarāṣṭra me met hun wapens in de hand zouden doden op het slagveld, terwijl ik ongewapend ben en geen tegenstand bied.

Betekenisverklaring

Volgens de gevechtscodes van de kṣatriya’s mag een ongewapende en onwillige vijand niet worden aangevallen. Arjuna had besloten dat hij niet zou vechten, ook al zou hij in zo’n ongunstige positie door de vijand worden aangevallen. Hij nam niet in overweging hoezeer de andere partij gebrand was op de strijd. Al deze symptomen waren het gevolg van zijn zachtmoedigheid, die voortkwam uit het feit dat hij een groot toegewijde van de Heer was.

Tekst

sañjaya uvāca
evam uktvārjunaḥ saṅkhye
rathopastha upāviśat
visṛjya sa-śaraṁ cāpaṁ
śoka-saṁvigna-mānasaḥ

Synoniemen

sañjayaḥ uvāca — Sañjaya zei; evam — zo; uktvā — sprekend; arjunaḥ — Arjuna; saṅkhye — op het slagveld; ratha — van de strijdwagen; upasthe — op de zitplaats; upāviśat — ging weer zitten; visṛjya — naast zich neer leggend; sa-śaram — samen met de pijlen; cāpam — de boog; śoka — door droefheid; saṁvigna — verdrietig; mānasaḥ — in de geest.

Vertaling

Sañjaya zei: Nadat Arjuna deze woorden op het slagveld gesproken had, wierp hij zijn boog en pijlen naast zich neer en ging op de strijdwagen zitten, zijn geest overweldigd door verdriet.

Betekenisverklaring

Tijdens het aanschouwen van de strijdmacht van zijn vijand had Arjuna op zijn strijdwagen gestaan, maar hij werd zo overweldigd door verdriet, dat hij weer ging zitten, waarbij hij zijn boog en pijlen aan de kant legde. Zo’n goedaardig en zachtmoedig persoon die devotionele dienst verricht voor de Heer, is gekwalificeerd om kennis over het zelf te ontvangen.

Zo eindigen de commentaren van Śrī Śrīmad A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupāda bij het eerste hoofdstuk van Śrīmad Bhagavad-gītā, getiteld ‘Het aanschouwen van de strijdmachten op het slagveld van Kurukṣetra’.